DOOR ZEEUWSCH-VLAANDEREN.

Nu wij de Zeeuwsche eilanden bezocht hebben, begeven wij ons van hier

naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Wij zullen de boot nemen van Vlissingen

naar Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen vervolgens van het westen naar

het oosten doorwandelen, om daarna van Hulst naar Walsoorden aan

de Schelde het land nog eens dwars te doorsnijden, de Schelde weder

over te gaan met het veer naar Hansweerd, om van hier binnen enkele

minuten den spoorweg van Zuid-Beveland weder te bereiken.

Voor hem, die de breede Schelde niet wil overvaren, is er geen andere

gelegenheid, om in Zeeuwsch-Vlaanderen te komen, dan over Antwerpen en

van daar over St. Nicolaas met den trein naar Hulst te reizen en zoo

verder. Wie ten W. van den Braakman wil zijn, moet over Gent reizen,

vervolgens naar Eecloo of Maldeghem, om hier een tram te kiezen.

Wij begeven ons weder naar Vlissingen, gaan daar aan boord van een

boot en bevinden ons weldra op de breede Hont of Wester-Schelde. Het

bevaren van de Schelde heeft iets grootsch en indrukwekkends. Dat

aan deze breede watervlakte de naam is gegeven van de rivier, welke

België doorstroomt, is in strijd met de natuurlijke geschiedenis van

het land. Want wij bevinden ons in werkelijkheid op een inham der

zee, een schepping van de zee, waar de oceaan zijn zoute wateren

bij elken vloed nog in uitstort en als een zware, rijzende golf

voortstuwt tot bij Antwerpen, om daarna, vereenigd met het water,

dat de Schelde afvoert, terug te keeren. De rivier de Schelde eindigt

eigenlijk ongeveer daar, waar zij de Nederlandsche grens bereikt,

ten einde hier in den inham, welken de zee heeft geschapen als om de

rivier tegemoet te gaan, uit te monden. De oudere schoolgeographen,

die als één van de drie hoofdrivieren van Nederland ook de Schelde

noemden, eischten voor ons land iets op, wat Nederland niet toekomt,

omdat de Schelde als rivier bijna geheel Belgisch is; wij nemen enkel

haar rivierwater over en niets meer.

Achter ons begint Vlissingen langzaam weg te nevelen en aan den

overkant van de Schelde zien wij de vage massa van struiken allengs

aangroeien en zich vervormen tot stammen. Tal van witte zeilen zwieren

lustig om ons over de zacht deinende watervlakte. Zoo hier en daar

stijgt de zware rookzuil op van een groot stoomschip, dat zijn

ladingen uit verre landen aanvoert naar of afvoert van Antwerpen,

de eerste koopstad der Schelde. De groote buitenlandsche stoombooten

worstelen en stampen tegen den ebstroom, en strepen van schuimend

kielzog wijzen nog lang den weg aan, dien zij hebben afgelegd. Tusschen

die vaartuigen door laveeren een paar loodskotters, die zee kiezen,

om den schepen den weg te wijzen naar en door de Schelde, te midden

van de gevaarlijke banken.

Wij vorderen meer en meer; de kerktorens, huizen en boomen

van Walcherens zuidpunt duiken weg aan den horizon, en uit den

blauwgrijzen, nevelachtigen band, welke, van Vlissingen gezien aan

de overzijde lucht en water scheidde, ontwikkelt zich langzamerhand

duidelijk de hooge dijk, waarboven een toren, roode daken, enkele

boomen en scheepsmasten zichtbaar worden. Onze vaart heeft ongeveer

een half uur geduurd; thans zijn wij voor de haven van Breskens. Als

de stoomboot door het water binnen kan loopen, komen we zonder moeite

aan wal, doch als het lage water ons noodzaakt, om aan het hoofd uit te

stappen, hebben wij een moeielijke wandeling over de ongelijke steenen

der zeewering, glibberig door de overstrooming van het vloedwater.

De zeemondingen van het delta-land hebben een eigenaardige bekoring

door de voortdurende afwisseling, welke zij in hun uiterlijk aanbieden

bij het dagelijksch spel van vloed en ebbe. Hier, in de Wester-Schelde,

is het verschil in waterstand nogal aanzienlijk en het neemt van den

mond tot dicht bij Antwerpen in grootte toe. Te Vlissingen en Breskens

bedraagt het gemiddelde verval van den waterstand bij de getijden 36

d.M. (bij springtij 46 d.M.), te Terneuzen 39 (bij springtij 49), te

Bath 44 (bij springtij 51) en te Antwerpen 43 d.M. Door deze groote

rijzing van het water bij vloed is de Schelde zoo ver in het land

voor groote schepen bevaarbaar.

Gedurende laagwater vormt de Schelde een reeks van uitgestrekte, zonnig

grijze vlakten, tijdelijke rustplaatsen voor tienduizenden blanke

zeevogels, meer of minder in blinkende schittering gehuld, naarmate

de eb lager afloopt. Golvende, zilveren banden, van onregelmatige

breedte en vorm, doorsnijden die platen langs de diepere geulen en

met zijarmen strekken die zich uit, als om enkelen kleinen meertjes,

op de banken verstrooid, de hand te bieden in hun eenzame verlatenheid,

bijna afgezonderd van de zee.

Slechts kort duurt die toestand, want na een kwart etmaal rijzen

de wateren weder, eerst schuchter, als om de eilanden onmerkbaar

en spelend te naderen, en straks met meer kracht, als om ze te

bestormen. Aanvankelijk nemen de golven de buitenwerken veroverend

in; verder doen zij bij hoogen vloed de banken, gorzen en schorren

weder verdwijnen door het overwinnend heir van de steeds krachtiger

aansnellende legerscharen der golven, die over het overwonnen land met

huppelenden pas voortijlen naar de bolwerken langs den oever, welke

hun, dank zij den verdedigingswerken onzer waterstaatsofficieren,

het "tot hiertoe en niet verder!" toeroepen. Dan worden deze groote,

breede ruimten één uitgebreide watereenzaamheid, één geluidlooze

ruimte zonder omlijning, zonder eenig houvast voor het oog.

Op dit oogenblik strekt de Schelde zich nog in haar volle

uitgebreidheid, doch kalm en rustig, uit. Maar wild en onstuimig

kan ook die waterarm worden, dreigend en jagend. Als de westenwind

uit zee komt aangieren en de golven doet schuimen, bruisen en koken

met donderend geraas, waar zij met de banken in strijd komen; als de

zwellende vloeden in woedend geweld tegen elkander opsteigeren en,

hier in de nauwte doorgedrongen, tot bergen van water en hooge kruinen

van schuim opdrijven, dan dreunen de dijken bij de zware aanvallen

en mokerslagen van hun machtigen vijand, dien zij trachten tegen

te houden.

Als wij te Breskens voet aan wal zetten, krijgen wij door de indrukken

der plaats en van het volk bijna onmiddellijk een gevoel, of wij in een

vreemd land zijn. Wel hooren wij nog de Nederlandsche taal spreken,

maar zij is met zooveel vreemde elementen vermengd, dat men daarin

buitenlandsche invloeden onmiddellijk kan ontdekken. De bouw der

woningen, de inrichting der nederzettingen, de namen der herbergen,

de "estaminets", de kleeding, schier in alles bemerken wij iets,

dat Zeeuwsch-Vlaanderen van het overige Nederland onderscheidt.

Zeeuwsch-Vlaanderen is dan ook een "achterhoek van den overkant",

zooals Nagtglas het noemde; het vormt een overgang tot het Belgische

Vlamenland en behoort er geographisch nader toe dan tot Zeeland. Toch

bestaat er in het volkseigene dier beide streken nog groot verschil,

dat men spoedig opmerkt, als men over de grenzen naar België gaat. Men

vindt in het Belgische niet alleen overheerschend een anderen

godsdienst, andere kleeding, andere volksgebruiken en gewoonten,

maar ook een andere taal, een taal, zoozeer afwijkend van het

Zeeuwsch-Vlaamsche dialect, dat de Zeeuw, die in Zeeuwsch-Vlaanderen

een zusterspraak hoort, welke hij terstond herkent, waarmede hij zonder

eenige moeite spoedig vertrouwd is, de taal over de rijks-grens als

een vreemde taal beschouwt, grootendeels voor hem onverstaanbaar. Dit

verschil is zeer in 't oogvallend, omdat beide gedeelten niet door een

natuurkundige grens van elkander gescheiden zijn, maar geographisch in

elkander overgaan, terwijl er een dagelijksche aanraking tusschen beide

gedeelten plaats heeft, thans nog bevorderd door spoorwegen, kanalen,

trams, enz. Daarenboven is dit verschil opmerkelijk omdat vóór een

viertal eeuwen het volk aan deze en gene zijde van de tegenwoordige

staatsgrens één was. Het oude Vlaanderen strekte zich uit tot de

Wester-Schelde, en in dien tijd bestond ook dat taalverschil niet,

zooals blijkt uit de geschreven stukken der 16e eeuw. Wij hebben

hier dus het verloop van een scheidingsproces in historischen tijd

op te merken, waardoor een volk, één van afkomst, verdeeld werd. Doch

bovendien heeft in het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen de invloed van

een binnenlandsche kolonisatie gewerkt, die hier volkselementen uit het

overige Zeeland aanbracht, welke met het bekende conservatisme, den

Zeeuw eigen, hun dialect, gewoonten en kleeding ten deele bewaarden,

maar onder den invloed van het Vlaamsche toch eigenaardig ontwikkelden.

Het West-Vlaanderensche en het Zeeuwsch-Vlaanderensche (bijv. in het

district van Sluis) zijn zeer verschillende dialecten. Waaruit is

het verschijnsel te verklaren, dat o. a. in het gebied van Sluis de

volkstaal met het Walcherensche dialect meer overeenkomst heeft dan

met het West-Vlaamsche?

Niet onwaarschijnlijk werd de Zeeuwsche invloed in ouden tijd ook al

tot ten zuiden van de Schelde uitgebreid, zooals o. a. hieruit valt

af te leiden, dat de Zeeuwen in 1180 Damme bedijkten. Maar de invloed

der Zeeuwsche taal, hoewel misschien op het eiland Kadzand het best

bewaard, moest door het leven der bevolking met en in Vlaanderen wel

verloopen, en uit de geschreven stukken der 16e eeuw valt overeenkomst

in dialect tusschen Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen af te leiden,

gelijk wij zeiden.

Na dien tijd evenwel werd de scheiding voltooid. Tijdens den Spaanschen

oorlog vluchtten vele bewoners om den wille van den godsdienst uit

Vlaanderen naar Walcheren, hielden daar langen tijd verblijf en

brachten, van daar terugkeerend, natuurlijk de taal mede, die zij er

hadden aangenomen. Zelfs werd uit het Walcherensche de vrouwenkleeding

gedeeltelijk overgenomen en de ouderwetsche zeden in westelijk

Zeeuwsch-Vlaanderen hebben daarmede ook de meeste overeenkomst.

De invloed der staatkundige vereeniging met Noord-Nederland deed

zich vervolgens in Staats-Vlaanderen gevoelen. Van West-Vlaanderen

was men gescheiden, doch met Zeeland stond men door handel,

rechtsbedeeling, godsdienst, bloedverwantschap en omgang in de

nauwste betrekking. Daarenboven vestigden zich vele Zeeuwen in

Staats-Vlaanderen. Dit alles werkte samen, om hier den Zeeuwschen

tongval de overhand te doen verkrijgen, en deze werd de grondslag

van de zich ontwikkelende taal.

Maar toch, het Zeeuwsch was er niet zuiver, want in Staats-Vlaanderen

vestigden zich ook vele vreemdelingen, die hun eigenaardige

taalelementen oplosten in het Zeeuwsche. Franschen, Walen,

Luikenaars en Salzburgers kwamen hier aan. Door hun invloed werd de

taal gewijzigd. "De taal is een Zeeuwsch gebouw, op een Vlaamschen

grondslag omhoog gerezen, dat hier een uitheemschen vorm heeft

aangenomen," zegt de heer H. Q. Janssen, die deze dialecten goed kende.

Gaat men de dialecten meer in bijzonderheden na, alsmede de nationale

kleeding, dan zijn er drie gedeelten in Zeeuwsch-Vlaanderen te

onderscheiden. Het westelijk gedeelte, ten W. van den Braakman,

heeft een Vlaamschen grondslag, onder Zeeuwsche invloeden gewijzigd;

het Land van Axel, ten O. van den Braakman, is meer Zeeuwsch getint,

en het ten oosten daarvan gelegen Land-van-Hulst is meer met Brabant

en Antwerpen verwant. Wij komen later hierop terug.

In de eerste plaats een blik op de geschiedenis des bodems en der

bewoners.

Het is geen gemakkelijke taak de veranderingen van Zeeuwsch-Vlaanderens

bodem en wateren in historischen tijd na te gaan, en wij willen

dit ook geenszins beproeven. Daarvoor is buitengewone locale kennis

noodig naast studie van de bronnen. Wel zijn er kaarten van het oude

Zeeland en ook van Zeeuwsch-Vlaanderen geconstrueerd uit gegevens,

welke men aan de geschiedenis ontleende, doch dikwijls liet men zich

daarbij ten deele leiden door onbewezen gissingen. De voorstelling,

welke Ab Utrecht Dresselhuis in zijn kaart van Zeeland omstreeks

1200, gegeven heeft van Zeeuwsch-Vlaanderen, wordt op vele gronden

als onjuist beschouwd.

Wij hebben voor dit werk een historische kaart laten reproduceeren van

Zeeland naar een voorbeeld, dat een copie is van Lieven van Thuyne,

gemaakt volgens een kaart, die van 1288 heet te zijn. De echtheid dezer

kaart wordt door enkelen bestreden, door anderen verdedigd. Geheel

juist is ook deze kaart zeker niet, maar wij meenden haar toch te

moeten overnemen, om daarmede, zij het ook niet in details nauwkeurig,

toch een algemeen beeld van den vermoedelijken toestand van oud-Zeeland

te geven. Voor Zeeuwsch-Vlaanderen schijnt ons deze kaart juister dan

die, welke Dresselhuis ontwierp; voor de overige gedeelten heeft die

van Dresselhuis misschien meer waarde.

Zonder nu in bijzonderheden te treden, gelooven wij ons

Zeeuwsch-Vlaanderen, evenals het overige gedeelte van Zeeland,

vóór den aanvang onzer jaartelling te moeten voorstellen als een

laag kustland, van onderscheidene waterarmen doorsneden, maar toch

over 't geheel droog gelegen. De lagere waterstand der zee, welken

wij reeds vroeger aannamen voor dien tijd, geeft ons grond tot een

dergelijke veronderstelling. Daardoor was dit kustland bijzonder

gunstig gelegen voor de eerste scheepvaart en had zich hier in de

eerste eeuwen onzer jaartelling reeds een bevolking gevestigd, die,

evenals op de kustplaatsen van Zeeland (Domburg enz.), tot een hooge

welvaart was gekomen.

De waterarmen in het kustgebied waren meest niet zoo breed als

later, het Zwin misschien uitgezonderd. Het Zwin was een waterarm,

die van den mond der Wester-Schelde in zuidelijke richting zich tot

Brugge uitstrekte, waar het een natuurlijke haven vormde, terwijl

onderscheidene smallere zij-armen er mede waren verbonden. Vóór 1180

vloeide het zeewater tot Brugge, doch dewijl deze stad gevaar liep

van overstroomd te worden, versterkte men den afsluitingsdijk, die

een uur beneden Brugge liep, en de stad aan dien dijk, Damme, werd

daardoor de voornaamste haven van dit gewest. Aan het Zwin hadden zich

ook andere nederzettingen gevormd: o. a. Sluis, Oostburg, e. a. Toen

het Zwin als een doodloopend water, waarin de vloed opliep, om daarna

terug te keeren, in den lateren tijd meer en meer dichtslibde in den

bovenloop, werd de handel vervolgens naar Sluis verplaatst, gelijk

wij zien zullen, terwijl ook deze plaats later een landstad werd.

Het Vlaamsche kustland, ten Z. langs de Schelde, werd al vroeg

bewoond; hier begon St. Amand in het begin der 7e eeuw met St. Eloy

de evangelieprediking, en in dien tijd bestonden Oostburg en

Aardenburg reeds. De evangeliepredikers stichtten hier onderscheidene

kloosters. Van het leggen van dijken en het inpolderen wordt niet

gesproken vóór ± 1100, toen de genoemde dijk bij Damme gelegd werd. Het

komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat in die eerste eeuwen het

leggen van zware dijken niet noodig was, evenmin als in Holland,

zoodat er enkel lagere kaden werden aangetroffen.

Toen evenwel de rijzing van het niveau der zee na de 10e eeuw zich

langs de geheele kust openbaarde, die in het noorden de Zuiderzee

deed ontstaan (zie I pag. 14 en 341), nam ook hier aan de kust de

landvernieling aanvang. Langs de waterarmen, misschien wel door

lage kaden omringd, spoelde het slappe land weg en het water drong

er dieper in door. Aldus loste Zeeuwsch-Vlaanderen, voor zoover de

bewoners door het leggen van dijken er geen voldoenden tegenstand

aan boden, zich op in onderscheidene eilanden, door breede wateren

gescheiden. Dit proces zette zich voort tot de 16e eeuw en deed heel

wat land teniet gaan. Het Zwin werd breeder, hoewel tevens in het

zuiden langzamerhand ondieper; de Braakman vormde zich tot een woest

water (± 1440), het Land van Saeftinge in het oosten verdween in de

golven (bij onderscheidene vloeden in de 16e eeuw); het Hellegat werd

een breede inham, enz. In dien strijd werd de gedaante van het land

geheel veranderd en weken de bewoners terug voor het water, terwijl

de onrustige oorlogstijden der 16e eeuw niet de noodige zorg deden

besteden aan het onderhoud van de verdedigingsmiddelen voor het land.

Doch na die woeste overwinningen der zee begon weder de aanwinst

van land. Toen het proces der landvernieling gestaakt werd, toen

de bevolking tot eenige rust kwam en de dijken werden aangelegd of

versterkt, terwijl alleen enkele binnenwateren met de zee in betrekking

bleven, voerde het vloedwater bij elk getijde nieuw slib aan, dat in

die doodloopende wateren bezonk. Sliklagen vulden de binnenwateren op,

en vroeger goede havensteden als Damme en Sluis konden weldra niet

meer bereikt worden door de schepen uit de zee.

De ontwikkelende landbouw maakte zich meester van de aanwassen, om

het verloren land te herwinnen, en zoo werd Staats-Vlaanderen in een

gebied met aaneengesloten bedijkingen veranderd. Het vroegere Zwin,

waar oudtijds zulk een aanzienlijke handel gedreven werd, waarvan

Maerlant getuigt in de Wapene Martijn:

"Al waert al dijn, dat comt in 't Zwin,

Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;"

waar in 1340 voor Sluis een zeeslag geleverd werd, bij welke

de Fransche vloot, 123 zeilen sterk en met 40000 koppen bemand,

door de Engelschen overwonnen werd, aangevoerd onder koning Eduard

in persoon; waar in 1484 aartshertog Maximiliaan met wel anderhalf

honderd schepen binnenliep, is langzamerhand geheel verdwenen. In

1648 werd het uit naijver der provinciën afgesloten, waarna het door

opgroeiing en inpoldering steeds verkleinde. In 1872--73 verdween het

laatste gedeelte door de bedijking van den Willem-Leopoldpolder. Nog in

onzen tijd zet die arbeid van landaanwinst zich voort; in den Braakman

en in het Land van Saeftinge hadden de laatste inpolderingen plaats.

Zoo is Zeeuwsch-Vlaanderen van een handelsgewest met bloeiende

koopsteden en levendige zeevaart in den loop der laatste vier eeuwen

een landbouwstreek geworden. De steden hebben daardoor veel van hun

beteekenis verloren, doch het land is er bij vooruitgegaan. Door de

herhaaldelijk nieuwe ingepolderde landen kwam er grond beschikbaar

en vestigden zich hier ook kolonisten van Zeeuwsche eilanden, zelfs

uit vreemde landen. Dit had ten gevolge, dat men er tegenwoordig nog

zooveel volkselementen kan opmerken, die niet zelden van polder tot

polder verschillen in godsdienst, zeden, gewoonten en kleederdracht.

Staatkundig heeft Vlaanderen in de oudheid een groote beteekenis

gehad. Men verstond daaronder in de latere middeleeuwen het graafschap,

dat ten N. grensde aan de Noordzee en den mond der Schelde, zoodat

het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot het graafschap Vlaanderen

behoorde en de Schelde de grens ervan uitmaakte. Verder vormden in

het O. het markgraafschap Antwerpen, het hertogdom Brabant en het

graafschap Henegouwen de grens, in het Z. Henegouwen, het graafschap

Artois en een gedeelte van Picardië, en in het W. de Noordzee. In

den tijd van Lodewijk den Vrome had Vlaanderen reeds een zekere, doch

beperkte uitgestrektheid verkregen en kwam het als een afzonderlijk

land voor. Als zoodanig wordt het vermeld in het voorschrift, dat

Lodewijk gaf omtrent de verdeeling van zijn landen in 838. Een streek

bij Brugge komt in de 7e eeuw het eerst voor onder den naam van Pagus

Flandrensis, waaraan de naam van het graafschap ontleend schijnt te

wezen. Men meent, dat de Frankische koningen het land tot in de 9e eeuw

door houtvesters (forestiers) deden besturen. Een van hen, Boudewijn

met den IJzeren Arm, verwierf in 863 de hand eener dochter van Karel

den Kale, die het gebied van zijn schoonzoon vergrootte en tot een

graafschap verhief. De graven van Vlaanderen leefden herhaaldelijk

in oorlog met hun naburen, vooral met de Graven van Holland, over

het bezit van Zeeland ten westen van de Schelde (zie pag. 192),

dat zijn de eilanden Walcheren, Zuid-Beveland, Noord-Beveland e. a.,

welke na 1323 aan Holland kwamen.

Bij de oorlogen van Vlaanderen met Frankrijk, de inwendige beroeringen,

den vrijheidsstrijd van Jacob van Artevelde, waardoor de Fransche

invloed in Vlaanderen bedwongen en de grond tot de zelfstandigheid

van het land gelegd werd, zullen wij niet stilstaan. Door Philips den

Goede werd Vlaanderen, met nog andere deelen van Nederland, onder

één bestuur vereenigd, in 1429 met het graafschap Namen, in 1430

met de hertogdommen Brabant en Limburg, in 1433 met de graafschappen

Holland, Zeeland en Henegouwen. Al die bezittingen, vermeerderd met

het hertogdom Luxemburg, vielen in 1467 ten deel aan Karel den Stoute,

in 1477 aan zijn dochter Maria, en door haar huwelijk met Maximiliaan

van Oostenrijk kwamen zij aan het Oostenrijksche huis. Onder Philips

den Schoone kwam Vlaanderen met de andere Nederlandsche gewesten

in nadere betrekking tot Spanje en deze duurde voort onder Karel V

en Philips II, totdat de opstand losbarstte onder laatstgenoemden

vorst. Vlaanderen nam daaraan aanvankelijk met ijver deel, schaarde

zich voor en na aan de zijde van den Prins van Oranje, maar bleef

ten slotte een provincie van de zuidelijke of Spaansche Nederlanden.

In het noordelijk gedeelte van Vlaanderen werd echter de grensstrijd

tusschen Spanje en de Nederlanden gedurende den tachtigjarigen oorlog

voortgezet. Hier werd door de noordelijke Nederlanden een gedeelte

van Vlaanderen veroverd, dat in 1648 bij den vrede van Munster aan de

Algemeene Staten werd afgestaan. Dit gedeelte verkreeg destijds den

naam van Staats-Vlaanderen en behoorde tot de Generaliteitslanden. De

grensscheiding was in het vredesverdrag niet nauwkeurig bepaald,

doch nader werd die omschreven in het verdrag van 28 Sept. 1664;

later kwam er in 1715 een nieuw, gewijzigd grensverdrag tot stand. Nog

herhaaldelijk hadden er grenswijzigingen plaats, o. a. in 1718 en 1786.

Staats-Vlaanderen nu stond onder de oppermacht van de Algemeene

Staten der Vereenigde Nederlanden, die uit hun midden jaarlijks

Gedeputeerden afvaardigden om de regeering der steden te bezetten,

rekeningen op te nemen, enz. De Raad van State had het beheer

over de geldmiddelen. Alleen langs de noordkust was een gedeelte,

"het Committimus" geheeten, dat meer onder Gecommitteerde Raden van

Zeeland stond.

De ingezetenen van Staats-Vlaanderen hebben in den tachtigjarigen

oorlog met warmte de zaak der vrijheid omhelsd en daardoor was

hun aansluiting bij de noordelijke gewesten bepaald, terwijl zij

in de afscheiding van het overige Vlaanderen geen bezwaar zagen. De

economische belangen, welke het gedeelte, dat sedert Staats-Vlaanderen

heette, met het zuidelijke Vlaanderen hadden verbonden, hadden na

de 16e eeuw niet meer de beteekenis van vroeger, gelijk wij nader

zullen aantoonen, en daardoor werd de band tusschen beide deelen van

Vlaanderen losser. Zelfs zag men daar niet zelden een bijzonderen

ijver aan den dag leggen voor de belangen van het noorden.

Sluis en Hulst hebben bij de Pacificatie van Gent met kracht er

op aangedrongen, dat de Spaansche, Hoogduitsche en Italiaansche

krijgsbenden uit het land zouden verdreven worden, en zij hielden

zich aan de Unie van Utrecht. Staats-Vlaanderen werd dan ook meest

Protestantsch, alleen uitgezonderd het Land-van-Hulst, dat in de

macht van Spanje viel en eerst in 1645 heroverd werd, evenals eenige

gedeelten van heerlijkheden en dorpen, die eerst door den vrede

van Munster er bijgevoegd werden, n.l. de streek lands tegenover

Axel, ten zuiden van het Canisvliet, en de Staatsche gedeelten

van de heerlijkheden Watervliet en Waterland en van het graafschap

Middelburg. De kapellen, die de Roomsch-Katholieken hadden te Sluis

en IJzendijke, waren meer in 't belang van de bezetting dan van

de burgerij.

Na de herstelling van onze onafhankelijkheid in 1815 werd het vroegere

Staats-Vlaanderen tot de provincie Zeeland gerekend en is daarbij

gebleven, al zijn de grenzen niet geheel dezelfde. Sedert wordt dit

gedeelte van Nederland meest Zeeuwsch-Vlaanderen genoemd.

In economisch opzicht was Vlaanderen een tijdlang het belangrijkste

gewest der Nederlanden. Vlaanderen trok voornamelijk voordeel

van den door de kruistochten in het leven geroepen nieuwen staat

van zaken op het gebied van handel en verkeer. In dien tijd werd

in Vlaanderen de eerste groote tusschenmarkt voor den wereldhandel

geopend. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. Vlaanderen

was van de zuidelijke gewesten der Nederlanden het eenige, dat door de

zee bespoeld werd, en tevens het meest bevolkte gebied. De Vlaamsche

steden waren in dien tijd reeds de aanzienlijkste, met een levendige

nijverheid, terwijl de bodem er uitermate vruchtbaar was en goed

bebouwd werd. Van de zee kon men langs de onderscheidene waterarmen

in het land doordringen, en op deze inhammen had zich een drukke

scheepvaart ontwikkeld met stoute zeelieden, die met de Zeeuwschen

het eerst flinke tochten over den oceaan waagden. In den tijd der

kruistochten werden kruisvaarders uit het westen door Vlaamsche

schepen overgebracht naar de Middellandsche Zee en met Oostersche

voortbrengselen kwamen die terug. Daardoor werd Vlaanderen als vanzelf

de markt voor de Oostersche waren, en door zijn geographische ligging,

ongeveer midden tusschen de Oostzee en Middellandsche Zee, was dit

gewest in de middeleeuwen aangewezen, om de handelaren der Hanze en

die der Italiaansche steden aan de Middellandsche Zee tot elkander

te brengen. Vlaanderen werd het ontmoetingsgebied tusschen noord en

zuid; zoo ontwikkelden zich deze havens tot centrale markten voor

den wereldhandel. De Vlaamsche nijverheid gaf daaraan tevens voedsel,

terwijl zij op haar beurt door den handel werd gesterkt.

Tot de belangrijkste steden van Vlaanderen behoorden Brugge, Gent,

Yperen, Oudenaarden, Rijsel, Aalst en Kortrijk. In al deze steden,

bovenal te Gent, bestonden lakenfabrieken. Voor de scheepvaart was

vooral Brugge het gunstigst gelegen. Deze stad lag wel niet dicht

bij de kust, maar zij had met de zee gemeenschap door het reeds

beschreven Zwin langs Damme en Sluis. In de 13e eeuw werd Brugge de

groote voorraadschuur der voortbrengselen van Europa en het Oosten,

de stapelplaats van den geheelen Nederlandschen handel. De toevloed

van vreemdelingen te Brugge en de toeneming der bevolking maakten de

stad een tijdlang tot de aanzienlijkste der Nederlanden; hier waren

in het midden der 14e eeuw ongeveer 150.000 inwoners gevestigd en

de beurs van Brugge beheerschte den wereldhandel. Het Hanzeverbond,

Londen, Bristol, Avignon, Lissabon, Barcelona, Pisa, Genua en Venetië,

alsmede Noord-Nederlandsche steden, hadden hier hun handelskantoren;

papier op Brugge was gangbaar door de geheele wereld.

Toen de waterverbinding van Brugge met de zee slechter werd in de

16e eeuw, werd Antwerpen, zoo gunstig gelegen aan de Schelde, de

opvolger van Brugge en de beheerschende stad van den wereldhandel,

om die rol te blijven vervullen, tot de inneming van Antwerpen door

de Spanjaarden in 1585.

Door dit alles vormde de kuststreek van het tegenwoordige

Zeeuwsch-Vlaanderen tot de 16e eeuw het voorland van het

aanzienlijkste handelsgebied der aarde en ontwikkelden zich hier

aan de mondingen der wateren belangrijke voorhavens, die grooter

welvaart verkregen, naarmate het verkeer op de hoofd-handelssteden

door de dichtslibbende wateren meer bemoeilijkt werd. Daardoor

waren de steden van Staats-Vlaanderen met den bloei der zuidelijke

handelssteden van Vlaanderen verbonden. Doch sedert de handelsbloei

van het achterland achteruitging of ophield, werd ook die betrekking

minder, de behoefte aan nauwe aaneensluiting geringer. Dat was reeds

het geval in het midden der 16e eeuw. Het noordelijke kustland van

Vlaanderen gevoelde zich toen los van het in verval gerakende Brugge,

trachtte zelf daarvoor in de plaats te komen, dewijl het nog open

toegangen had uit zee, en deze omstandigheid bevorderde de scheiding

tusschen noordelijk en zuidelijk Vlaanderen, deed het noordelijke

nauwer bij Noord-Nederland aansluiten.

Dezen invloed der geographische ontwikkeling van den bodem op de

staatkunde meenden wij kortelijk te moeten aanduiden, omdat die

medegewerkt heeft, om een deel van Vlaanderen aan Noord-Nederland

te verbinden, waardoor wij een strook lands ten zuiden van de

Wester-Schelde als een Nederlandsch gewest kunnen doorwandelen, hoewel

het in afkomst nader aan het Belgische Vlamingenland verbonden is.

Door de geschiedenis is de bevolking van Zeeuwsch-Vlaanderen in

karakter Vlaamsch, maar vanouds met internationale bestanddeelen

vermengd, welke door het drukke verkeer in dit bedrijvig gewest

gebracht zijn. In den tijd, toen het als Staats-Vlaanderen zijn

wereldhandel reeds verloren had, maar als vruchtbaar landbouw-gewest

bleef bloeien, was dit gebied een grensgebied, dat verdedigd moest

worden en daarvoor ook vreemde elementen in zich opnam. Vooral

de nieuw aanwassende polders vormden van tijd tot tijd een nieuw

gebied, geschikt tot vestiging van vreemdelingen. De gastvrijheid,

binnen de landpalen der Nederlandsche gewesten verleend aan hen, die

elders om hun geloof vervolgd werden, maakte Staats-Vlaanderen tot een

toevluchtsoord voor vele emigranten. Tal van familienamen herinneren

er nog aan Fransche afkomst. Men ontmoet er de namen Du Rieu, du Pré,

Risseeuw (Rossé), Toussaint, de Hulu, Erasmus e.a. schier overal; de

naam Hennequin wijst op afkomst eener familie uit Noord-Frankrijk. De

hartelijke ontvangst maakte voor de vreemdelingen de vestiging in deze

gewesten aangenamer, en vooral de Franschen, die hier veelal kwamen

met kapitaal, waren er zeer gezien. Zij vormen nog een aanzienlijke

klasse onder de bevolking, een soort van aristocratie, en hebben er

veel bijgedragen tot de ontwikkeling der welvaart.

Minder in aanzien waren de Salzburgsche immigranten. Toen in de eerste

helft der 18e eeuw tal van plaatsen in Staats-Vlaanderen door koortsen

ontvolkt waren, kwam er behoefte aan arbeiders op het land, dewijl vele

boerenzoons geen lust hadden in den landarbeid en liever te scheep

gingen of zich in de steden als heerenknechts verhuurden. Om hierin

te voorzien, wisten de Staten-Generaal in 1732 een 700tal Salzburgers,

die wegens hun Lutherschen godsdienst vervolgd werden, over te halen,

zich hier te vestigen. Die lieden, verjaagd en verdrukt, kwamen na

veel ellende in Staats-Vlaanderen aan, in de hoop hier geloofsvrijheid

en arbeid te zullen vinden.

In de consistoriekamer van de Luthersche kerk te Groede hangt

nog een plaat, gemaakt naar een schilderij uit die dagen, welke

de uitdrijving dier verdrukten voorstelt. Hier wordt een drietal

afgebeeld, in eenigszins theatrale houding voortschrijdend, het hoofd

omhoog geheven, den bijbel aan het hart gedrukt, terwijl verder een

moeder haar zuigeling in de armen heeft en een paar kleine kinderen met

zich voert. Een man is neergevallen op den kruiwagen, waarop hij zijn

bundeltje heeft geladen: alles, wat hem overbleef van zijn welvaart;

hij is door smart overmeesterd. Een vrouw heeft zich omgekeerd; zij

is op de knieën gezonken en strekt de armen uit naar de heerlijke

bergen van haar vaderland. Zij kan niet scheiden. Maar naast haar,

achter de anderen, overal staan de dragonders, om hen weg te drijven

in ballingschap, naar een vreemd, onbekend land.

Doch hoe goed ook bedoeld, het leven hier viel den Salzburgers

tegen, terwijl zij evenmin de behoefte aan werkkrachten op het land

aanvulden. De Hollanders meenden, dat zij volstaan konden met de

Salzburgers zoo goed mogelijk in hun huishouden te zetten en gaven

nog eenige voorschotten in den eersten tijd. Voor de verzwakte lieden

evenwel was het verschil in stand en arbeid te groot. Gewoon, in

goud- en zoutmijnen te werken, bij metaalsmelterijen te arbeiden,

konden zij niet gewennen aan den arbeid op de zware klei. Van den

aanvang af zag men rusteloosheid, teleurstelling en moedeloosheid

bij velen hunner. Bij troepen trokken zij het land door, in alle

dorpen zoekend naar iets, wat op hun vaderland geleek. Er werd een

kunstmatige werkverschaffing voor hen in 't leven geroepen; een

wolfabriek o. a. werd opgericht, om daardoor de schapenteelt aan te

moedigen en den Salzburgers een arbeid te verschaffen, zooals zij

dien wenschten. De Salzburgers zijn in aantal verminderd; velen

vertrokken weder en hoofdzakelijk komen zij nog voor in Groede,

waar de Luthersche gemeente een kerk heeft.

Na dit algemeene overzicht zetten wij onze wandeling voort

door het landschap. Wij zullen eerst het Land-van-Kadzand in

Zeeuwsch-Vlaanderen, ten westen van den Braakman, doortrekken. Wij

bevinden ons in Breskens, een flink dorp, waar de nette, lage

huizen grootendeels langs een breede straat zijn gebouwd. Er ligt

reeds een Belgische tint over dit dorp. De bloei van Breskens

dagteekent voornamelijk van den aanleg van den grooten weg, den

breeden "Calcey-weg", dien Napoleon I van Gent tot hier, in 1808,

liet leggen, om de verbinding met Middelburg te verkrijgen, en die

eerst tien jaren later voltooid werd.

De polders van deze gemeente zijn pas in 1619 op het water

teruggewonnen. Toch was deze plek al in den Romeinschen tijd bewoond,

zooals uit opgegraven penningen blijkt. Doch het oude Breskens werd in

de 15e eeuw overstroomd. Hoewel in 1480 (of 86) op de golven herwonnen,

ging het in 1570 door het bezwijken van den zeedijk opnieuw te gronde,

om eerst later weer te worden aangelegd.

De weg van Breskens naar Groede, over de klinkers, is een lieve

wandeling; olmen en populieren spreiden er hun beschuttend looverdak

uit. Aan afwisseling ontbreekt het niet. Ter weerszijden zien wij nu

eens uitgestrekte bouwlanden, waarop de voortreffelijke Zeeuwsche

tarwe golft, dan weer heldergroen vlas, sierlijk gepluimde gerst,

frissche suikerpeeën of welige weilanden, waarop het vee rustig

graast in de schaduw der bloeiende, hooge meidoornstruiken. Houtgewas

wordt niet gemist en de groote bouwhoeven liggen soms als in een

bosch verscholen. De arbeiderswoningen zien er meer schilderachtig

dan welvarend uit, en waar gij er enkele aantreft bij een klein,

ouderwetsch, houten molentje, kunt gij u een paar eeuwen terugdenken,

in den tijd, toen onze landschapsschilders dergelijke tafereeltjes

zoo schoon op het doek wisten te brengen. De menschenbeweging is

echter schaarsch in deze streken; het is er buitengewoon stil,

zelfs tot het drukkende toe. Of die stilte ook invloed heeft op den

geest en de opgewektheid der bewoners? De heer Nagtglas meende bij

de arbeidersbevolking hier niet dat pit te vinden als elders.

Boven het lommer steekt een torentje uit: dat is Groede, een goed

bevolkt dorp, met een schier uitsluitend Protestantsche bevolking. In

den tijd der worsteling tusschen dwang en vrijheid stak men hier

de dijken door en het land liep onder water. De kerk bleef toen

achter te midden van het verwoeste land. Doch in de 17e eeuw ving

men opnieuw met het dijken aan, en toen het land weder droog lag en

in bezit genomen werd, is ook het oude kerkje in eere hersteld. Op

een pleintje, tusschen frisch en bloemrijk plantsoen, staat daar het

eerwaardige bedehuis, omringd door kleine, maar nette woningen.

In Groede vindt men een Luthersche gemeente met een eigen predikant

en school. Zij dankt haar ontstaan aan de Salzburgers, wier komst

in deze gewesten wij beschreven. Hoewel deze kerkelijke gemeente

door belangrijke giften gesteund werd,--de wonderdokter Ludeman te

Sloterdijk o. a. schonk er in 1749 tienduizend gulden aan--bleef zij

kwijnen. De nakomelingen der Salzburgers zijn thans zoo verstrooid,

dat men er nauwelijks meer sporen van kan vinden.

Ook de Fransche gemeente, uit rijker en arbeidzamer réfugié's

ontstaan, ging in het eerste gedeelte der 19e eeuw teniet, evenals

de Doopsgezinde.

Vervolgens loopt de weg verder door de vruchtbare kleilanden naar

Kadzand. Overal op dezen tocht zien wij, dat wij ons in een uiterst

vruchtbare streek bevinden. Nergens ruischt de gerst voller en zwaarder

dan in het land van Kadzand en het kan gebeuren bij donkeren avond,

dat de boer op den weg stilstaat, om te onderscheiden, wat daar zoo

ruischt: zijn "baardtarwe" of de zee. Nergens vlammen de klaprozen

heller op uit de zwartgroene, zoetrokige klaver of trappelen de

breedschonkige, fijnschoppige paarden luchtiger voor zware vrachten

over de hooge kleidijken dan in het land van Kadzand.

Waar bloeien de boonen zóó rijk, als wilden ze met hun zoete, zware

geuren bedwelmen, die langs de akkers gaat, en waar lachen de blauwe

vlasbloempjes zoo koketjes uit het lichtgroen omhoog? Waar schuilen

oude boerderijen en felrood bepande, zwarte schuren in hun blauwe

wilgen deftiger en ongenaakbaar vriendelijker onder de hooggesnoeide,

donkere olmen, en waar zijn ouderwetscher ploegen, waar wagens, die

zóó hotsen, vrouwen, die zoo kunnen "commeeren", en rijke boeren,

die zoo statig kunnen rentenieren als in het land van Kadzand? Aldus

schetst de heer G. Haspels den indruk van dit land door het doen

uitkomen van de sprekende contrasten.

Het oude eiland Kadzand is al sedert lang door bedijkingen van

verslijmde en opgeslibde stroomen aan het vasteland verbonden. Het

dorp komt met zijn oud kerkgebouw schilderachtig uit tegen de duinen

op den achtergrond. Van deze plaats maakt Dante gewag in zijn Divina

Commedia, als hij in zijn XVen zang der Inferno, volgens de vertaling

van Hacke van Mijnden, zegt:

"Gelijk de Vlamen 't land, aan zee gelegen

Bij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloeden

Door zware dijken te beschermen plegen".

Stiller dorp dan Kadzand kan men zich op dit oogenblik nauwelijks

denken. De vrij nette woningen zijn aan de voorzijde veelal gesloten en

op de kunstig gesnoeide palm- en taxisstruiken, tusschen de bloembedden

der kleine tuintjes, sjilpen de musschen rustig.

Het dorp Retranchement, of eigenlijk: "Retranchement Cadsandria",

door het spraakgebruik tot "Trezjement" verbasterd, dankt zijn naam

aan de versterkingen, door Prins Maurits aangelegd, om meester te

blijven van den zeearm het Zwin.

Waar gij thans onafzienbare akkers aanschouwt, door bloeiend koolzaad

als verguld, waar het kostelijk graan golft of bieten groeien, zag men

voor niet lange jaren alleen kale schorren en slikken, waarop slechts

wat zeekraal werd ingezameld en de scheper zijn kudde weidde. De

smalle, ondiepe kreek, welke er doorheen kronkelde, was het overschot

van de beroemdste der zeeboezems van Europa, de reeds besproken

"Sincfala", de zuidelijke grens van het oude Friesland, aan welker

oevers Brugge eens tot een der aanzienlijkste havens van Europa werd.

Wij naderen het stedeke Sluis. Een hoogte buiten de stad, achter de

begraafplaats, wijst de plek aan, waar eens het vermaarde kasteel

van Sluis stond.

Filips van Bourgondië, gehuwd met Margaretha, erfdochter van

Vlaanderen, en sinds 1384 graaf van Vlaanderen, wilde de dikwijls

onstuimige Vlamingen, die vrijheid niet zelden met bandeloosheid

verwarden, in bedwang houden. Om verder ook den Engelschen, hetzij

een inval in of een gemakkelijke verbinding met het licht tot

opstand geneigde Brugge te beletten, besloot Filips, den doorgang

van het Zwin door een sterkte te verzekeren. Daar lag, op den meest

westelijken uithoek der schor Bewester-Eede, tegenover den mond van den

Budansvliet en waar deze zich met het Zwin vereenigde, het plaatsje

Sluis, dat Filips had ingeruild en aan Vlaanderen bracht. Hier wilde

hij een kasteel bouwen, dat zoowel het vrije verkeer van Engeland met

Vlaanderen kon beletten als de Vlamingen in toom houden. In 1385 werden

er de grondslagen voor gelegd, ten N. van de stad, aan de oostzijde

der haven, en er verrees een bouwgevaarte, in vorm aan de Bastille te

Parijs herinnerend, sterk en hecht van metselwerk, geschikt, om den

stormram te trotseeren. De zware muren vormden een vierkant, welks

buitenzijden, binnen de grachten, van het oosten naar het westen 86

M. besloegen en van het oosten naar het zuiden 80 M. Op regelmatige

afstanden waren de muren door ronde torens versterkt; aan de hoeken

verrezen de zwaarste torens. Het muurwerk had een dikte van 3,8 M. Aan

de binnenzijden liepen, zoowel langs de torens als aan den wal, twee

rijen gewelfde gangen boven elkander, die een veilige gemeenschap

van het eene punt met het andere verleenden. De benedenste gang,

welke ongeveer een meter onder den beganen grond van het plein lag,

voerde naar de kelders of onderste gewelven der torens:

Grauwe kluizen, donk're holen,

Nimmer door de zon bestraald,

Waar geen lichtglimp heen kwam dolen,

Dan in scheemring gansch verdwaald;

Waar de wanden en gewelven

Altoos biggelden van 't vocht,

Of zij weenden om zichzelven

Of om 't wee van zulk een krocht,

aldus Hofdijk. Het geheel bevatte 36 kelders en vertrekken.

Hertog Jan zonder Vrees deed aan de westzijde der haven, tegenover

het kasteel, nog een nieuwe sterkte bouwen, kleiner, doch niet minder

sterk, die gewoonlijk "de toren van Bourgondië" genoemd werd; met een

keten tusschen beide gespannen, kon de haven worden afgesloten. Nog

in 1794 was die keten op het raadhuis te Sluis aanwezig.

Het reusachtig slot vervulde een belangrijke rol in de geschiedenis van

Sluis; het heeft menige belegering moeten doorstaan en onderscheidenen

aanzienlijken diende het tot gevangenis. Dit was het geval met den

hertog van Bouillon in 1553, met den Admiraal de Coligny in 1557 en

met Lamoraal van Egmond, den zoon van den onthoofden graaf van dien

naam, in 1582.

De veranderde krijgskunst had in de 16e eeuw reeds den toren van

Bourgondië nutteloos gemaakt, zoodat die werd afgebroken, doch

het groote slot werd versterkt. In de 17e en 18e eeuw verviel het

kasteel al meer en meer; in 1794 hebben de Franschen het sterke slot

gedeeltelijk doen springen en in 1840 zijn de bouwvallen voor afbraak

verkocht. De steenklompen zijn grootendeels gebruikt als zinkstukken

voor de dijken te Ellewoudsdijk. Zoo werd, in puin gevallen, het

kasteel nogmaals tot een bolwerk des lands bestemd.

"Sluis" of "Sluis in Vlaanderen" is onder den naam Lammensvliet

ontstaan aan het Zwin en verkreeg in 1290 stadsrechten van Guy van

Dampierre. Door visscherij, scheepvaart en koophandel wies de stad

aan en in het begin der 15e eeuw bedroeg het aantal makelaars te

Sluis reeds 87. Het dichtslibben van het Zwin bij Brugge en boven

Sluis deed den handel verder benedenwaarts verplaatsen. Kooplieden

en schepelingen uit alle landen van Europa ontmoetten toen elkander

hier, en Sluis bloeide in het Bourgondische tijdperk zoozeer, dat de

vorsten er dikwerf vertoefden en feestvierden.

Isabella van Portugal, de bruid van Filips den Goede, toen graaf

van Vlaanderen, kwam op Kerstdag 1429 te Sluis aan en werd hier door

haar bruidegom opgewacht; volgens enkelen zou het huwelijk te Sluis

zijn voltrokken. Margaretha van York, de zuster van den Koning van

Engeland, kwam den 25en Juni 1468 met 16 schepen te Sluis binnen,

waar zij door een stoet van aanzienlijken en haar bruidegom werd

ontvangen; de ondertrouw had hier plaats. De bloeitijd van Sluis

viel in het midden der 15e eeuw; destijds telde Sluis 7 markten,

69 straten, 2 parochiekerken, 3 openbare kapellen, 3 kloosters en

tal van openbare gebouwen.

De onrustige tijden aan het eind der 15e eeuw, de belegering in 1492,

die een groot gedeelte van de stad vernielde, den handel knakte,

brachten den eersten slag toe aan Sluis. Het ondieper worden van het

Zwin, waardoor groote schepen niet in de stad konden komen, deed

het verdere, en in de 16e eeuw ging Sluis snel achteruit, zoodat

geheele straten vervielen. De stad kwam aanvankelijk geheel onder

Brugge te staan, en hoewel zij gedurende den opstand tegen Spanje meer

zelfstandig werd, zich van Brugge afscheidde en zich bij de Unie van

Utrecht aansloot, toch stond Sluis gedurende den oorlog en ook later

als grensstad aan vele belegeringen bloot en nooit kwam zij tot haar

ouden bloei terug. Het aantal bewoonde huizen en inwoners kromp in en

in 1840 telde Sluis niet meer dan 257 huizen binnen de kom. Sedert is

het aantal bewoners wel weder iets toegenomen, zoodat dit bedroeg 2300

in 1900, maar het is toch een rustig, stil landstadje gebleven, alleen

kleinhandel op den omtrek drijvend. Van de eens zoo aanzienlijke haven

is niets meer over dan een ligplaats voor de schepen in het kanaal naar

Brugge. Zoo is Sluis een dood stadje geworden, met smalle straten. Het

bombardement van 1794 verwoestte een gedeelte der nederzetting; de

prachtige St. Janskerk geraakte in 1811 in brand en werd vernield en

aldus zijn vele schoone gebouwen van Sluis te gronde gegaan.

Het belangrijkste gebouw van Sluis is nog het stadhuis, in 1396

gebouwd, met zijn in den trant der Vlaamsche belfroits gebouwden

toren, die zich trotsch verheft met zijn vier spitsen. Dit gebouw is

gerestaureerd en in den oorspronkelijken toestand teruggebracht.

Bij het uurwerk van den toren, in een der galmgaten, zetelt de oudste

burger van Sluis, een houten beeldje, in 1424 vervaardigd, dat bij

het slaan enkele tonen aangeeft en als "de klokman Jantje van Sluis"

bekend staat.

Al is Sluis in verval, toch getuigt menig geveltje nog van de ruime

beurs, waaruit het eens is gebouwd.

Een eenvoudige grafnaald op de begraafplaats van Sluis wijst de

rustplaats aan van den bekenden geschiedvorscher en taalkundige,

J. H. Van Dale, den 21en Mei 1872 hier overleden, waar hij als

onderwijzer werkzaam was. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal,

door Van Dale vervaardigd, is nog altijd een vraagbaak en draagt,

hoe ook herzien, steeds nog zijn naam.

Aan den buitenkant van Sluis ontwaart men op korten afstand over de

bouwlanden een zwaren, stompen toren, die boven eenig geboomte en

enkele huizen uitsteekt. Dat is de toren van St. Anna-ter-Muiden,

eens ook havenstad van het vermaarde Brugge, doch thans slechts

een gehuchtje.

St. Anna-ter-Muiden is een zeer oud plaatsje, welks jaar van opkomst

men niet kent; het is ontstaan aan de monding of samenkomst van

een paar wateren met het Zwin, naar welke uitmonding het zijn naam

kreeg. In 1241 werd deze plaats verheven tot een smalstad met tol

vrijheid. Toen het land aan de westzijde langzamerhand aanslibde,

geraakte de stad verder van zee verwijderd. De bewoners verplaatsten

nu hun huizen meer zeewaarts, doch bij brieven van 1445, gegeven door

Filips van Bourgondië, werd hun dit verboden, omdat de vijand zich

in oorlogstijd daarachter ging verschuilen bij de aanvallen op Sluis.

De haven van St. Anna-ter-Muiden in het Zwin was oudtijds hoogst

belangrijk en de stad had een aanzienlijke visscherij. Doch in de 16e

eeuw was de stad reeds in verval; Ter-Muiden was in 1650 bijna geheel

afgebrand en werd grootendeels door de inwoners verlaten. Aan opkomst

van het plaatsje viel sedert niet meer te denken en het verviel tot

een gehucht, dat er arm, maar schilderachtig uitziet. Hoewel hier

sinds eeuwen geen schepen meer gezien werden, sprak men tot voor kort

nog van "de kaai", als ware het een havenstad.

Van Sluis richten wij ons naar het oosten en vervolgens naar het

zuiden; over de vruchtbare landouwen zien wij eindelijk vóór ons,

te midden van het geboomte, het stedeke Aardenburg verrijzen, dat

algemeen bekend is in den lande door zijn beroemde verdediging in 1672.

Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden,

Uit bosch en beemden 't hoofd omhoog,

Ten sieraad dier bekoorlijke oorden,

De lusthof voor des vreemdlings oog?

Wie prijkt daar in die vruchtbre streken,

Maar schier den strakken blik ontweken,

Die langs de golvende akkers weidt,

En toont ons, door 't verblindend pralen

Van vorstenhof en marmren zalen

't Bekoorlijk beeld der needrigheid?

O, wandlaar! voor geen plaats op aarde

Wijkt die vergeten, kleine stad!

Zij is een steen van hooge waarde,

In Neerlands gloriekroon gevat;

't Is zij, die eens de slaafsche keten

Met forsche vuist heeft losgereten,

Die 't zuchtend vaderland omgaf;

Zij dreef in 't barnen der gevaren

Den roem van Frankrijks legerscharen

Grootmoedig van haar muren af.

Aldus bezong P. Ph. de Kanter deze stad in 1835.

Aardenburg doet zich kennen als een net stadje; het ziet er uit, of

het pas uit een doosje kwam, zoo proper lijkt alles, en geen hout,

dat ongeverfd is. Ook vindt men er menig sierlijk en met kosten

gebouwd huis, zoodat de plaats, hoewel sedert lang geen havenstad

meer, toch de welvaart niet ingeboet heeft. Een oude poort verleent

toegang tot de hoofdstraat der stad. Het sieraad van Aardenburg is de

prachtige St. Bavokerk, zeker een der fraaiste kerken van Zeeland,

in middeleeuwschen stijl gebouwd, gelegen tusschen hoog opgaand

geboomte. Het weeshuis met twee spitse gevels, uit 1631, valt terstond

in het oog. Naar den buitenkant, aan een met olmen beplant plein,

staat het raadhuis, een net gebouw, dat aan een villa doet denken.

Aardenburg is een oude stad, die vóór de opkomst van Brugge van

zooveel beteekenis was, dat zij als een der aanzienlijkste steden

van Vlaanderen en als de hoofdstad der zeeplaatsen van dat gewest

werd beschouwd. Zij had een haven, waarvan vermeld wordt, dat zij

wel 600 schepen kon bevatten, terwijl haar wallen ongeveer 70 bunder

besloegen. Belangrijk was de handel van Aardenburg, die o. a. op de

Oostzee gedreven werd, en door de privilegiën, welke de graven van

Vlaanderen aan Aardenburg schonken, werden Spaansche, Duitsche en

andere kooplieden naar deze stad gelokt. Ook bloeiden er in de 12e

en 13e eeuw reeds wol- en lakenweverijen. Een kanaal, dat in de 13e

eeuw naar zee werd gegraven, bevorderde den handel niet weinig.

Doch oorlogsrampen, watervloeden, het dichtslibben van de haven

vernietigden de welvaart der plaats, die van een havenstad in een

landstad veranderd werd.

In 1604 werd Aardenburg door Prins Maurits voor de Unie veroverd. De

stad werd nu aanzienlijk versterkt en van bezetting voorzien. Na 1648

liet men de vestingwerken vervallen en in 1672 besloot men zelfs ze

te sloopen. Op aanhouden der bewoners en der Zeeuwen werd dit nog

uitgesteld. Doch toen de Franschen in dat jaar op den morgen van den

26en Juni voor Aardenburg kwamen met 8000 à 9000 manschappen was de

stad schier zonder voorraad, waren de wallen niet versterkt en had

men slechts vier bruikbare stukken. Terwijl de bezetting kort van

te voren naar Sluis was vertrokken, scheen er voor de overgebleven

30 manschappen onder den vaandrig Elias Beekman en de 175 weerbare

burgers, die op de been waren te brengen, geen kans op behoud.

De Franschen besprongen in dezen hachelijken toestand de veste, vielen

onder het geschreeuw: "sla dood, sla dood!" op de landpoort aan, maar

door den dapperen Elias Beekman aangevoerd, werd niet alleen de aanval

der Franschen afgeslagen, doch werden er zelfs 620 krijgsgevangenen

gemaakt, waaronder 9 officieren, terwijl de Aardenburgers geen enkel

man verloren. Evenals eens in Haarlem, hadden ook de vrouwen dapper

medegewerkt tot het behoud der stad, Margaretha Sandra, huisvrouw

van den voorzittenden schepen, zat met een hoop jongens op een stoep,

om de kogels, die te groot waren, door te hakken, welke bij hoedenvol

naar den wal werden gebracht. Zoo bleef de stad in dit ongeluksjaar

voor Nederland behouden.

Den roem dezer overwinning houdt men in Aardenburg hoog, en van

Beekman zegt een dichter der stad:

Uw roem, door moed en trouw verkregen,

Blijve, als uw fiere heldendegen,

Voor 't laatste nageslacht bewaard,

hierbij zinspelende op den degen van den vaandrig, die op het stadhuis

berust. Het tweede eeuwfeest dier gebeurtenis, waartoe Tollens reeds

opwekte,

Dan loov' men God en vier' men feest,

Opdat de naneef niet vergeet,

Wat Aardenburg voor Neêrland deed,

werd op 26 en 27 Juni luisterrijk gevierd.

Aardenburg ligt in de schoonste kleistreken van Zeeuwsch-Vlaanderen.

Het goud der koopmanswinsten op de stroomen is vervangen door de

voordeelen, die de landbouw oplevert. Het stadje ligt echter nabij den

zoom der zandgronden. Niet heel ver van hier, te St. Kruis en Eede,

kunt ge reeds den overgang van den zwaren Zeeuwschen kleibodem tot

den Vlaamschen, meer boomrijken zandgrond ontdekken.

In de met zooveel zorg overal bebouwde akkers zult gij thans

moeielijk de woeste wouden van Hulsterloo herkennen, waar de

dichter den Reinaert-roman spelen laat. En toch zijn hier overal nog

herinneringen aan dit gedicht levendig. Bij Aardenburg moet een schuur

staan, welke "Malpertuis" heet, naar het kasteel van den slimmen vos,

en onder Schoondijke, bij Waterlandskerkje, ligt het aloude gehucht

Steenhove, een overblijfsel van het verdronken Elmare, waar Reinaert

zijn zoogenaamden oom Isegrim aan het klokketouw bond, zoodat men in

den omtrek

Zwoer,

't Was of de duivel òf zijn moer,

Die de klok zoo geweldig deed gaan.

Van Aardenburg begeven wij ons naar Oostburg, een plaats met een

vriendelijk, niet onwelvarend voorkomen, die evenveel van Sluis en

Aardenburg verschilt als deze twee plaatsen onderling. Op marktdag

komt er in het stadje meer leven; dan ziet gij hier de stille, stijve,

Zeeuwsche boeren met de vlugge, babbelende, blauwgekielde Vlamingen

handeldrijven en menig "kapke" bier te zamen verschalken.

Ook Oostburg is een zeer oude nederzetting, waar Eligius in het begin

der 7e eeuw het evangelie predikte en waar de Noormannen plunderend

doordrongen. Eens door den koophandel bloeiend als een volkrijke

havenstad, ging het in den Spaanschen tijd sterk achteruit, en in

1673 werden de vestingwerken geslecht.

Wij vinden geen tijd, om verder bij de historische herinneringen

dezer plaats stil te staan.

Door een landschap, dat de Zeeuwsch-Vlaamsche dichterboer Faro aldus

schetst:

Hier ziet men popels, daar abeelen,

Ginds bloeiend vlas en golvend graan

Door zoele westenwindjes streelen,

Of wieglend op en nedergaan.

Waar eens bij 't argloos rijzen, duiken,

Het kroost der zee door net en fuiken

En raaf en meeuwen werd bespied,

Stijgt nu de leeuwrik fier naar boven

En 't looverdak en bosch en hoven

Weergalmt van 't juublend lentelied,

bereiken wij IJzendijke, eveneens een overoude nederzetting, waarvan

reeds in 984 melding wordt gemaakt, die in de 12e eeuw onder de steden

werd geteld, en in de 13e eeuw lid der Hanze was. Deze stad ging in

de 14e eeuw grootendeels te gronde en het overgebleven deel werd in

1570 door overstrooming vernield.

Doch ongeveer 800 meter zuidoostwaarts ontstond een nieuwe

nederzetting, het tegenwoordige IJzendijke, in deze gewesten

"Isendieke" genoemd.

Een welbebouwde straat voert ons naar de markt, een ruim, langwerpig

plein, ingesloten door vele nieuwe gebouwen, maar eveneens eenige

met trap- en puntgevels. Enkele dagteekenen nog uit den tijd, toen

prins Maurits, na een beleg van zeven dagen, deze bijna onneembare

vesting innam, 10 Mei 1604. Maurits deed dien voorburcht van Zeeland

met geduchte versterkingen omringen. In Oct. 1830 deed het bendehoofd,

Ernest Gregoire, de Belgische vlag hier op den toren plaatsen, maar

spoedig daarna werd die weder door Nederlandsche troepen verwijderd. De

vestingwerken zijn in 1842 voor goed geslecht.

Belangrijke gebouwen vindt men er niet. De achtkante koepelkerk

(Herv.), die spits toeloopt en in een peer eindigt, is een net gebouw

van 1612, maar heeft weinig bijzonders.

Ten N.W. hiervan ligt Schoondijke, eigenlijk Willemsdorp geheeten,

een vriendelijke plaats. Tusschen de lage doch nette woningen zien

wij hier en daar gezellige tuintjes, in den zomer kleurrijk door tal

van pioenen, goudsbloemen en duizendschoonen, omsloten door met zorg

geschoren palm- en taxisstruiken. De nederzetting ontstond in 1651

bij het bedijken van het tweede gedeelte van den Prins-Willempolder

en werd aanvankelijk Willemsdorp genoemd, maar de herinnering aan de

door overstrooming vernielde parochie Schoondijke was nog zoo levendig,

dat men de nieuwe plaats aldus noemde.

Van IJzendijke bezoeken wij het door Willem Beukelsz. algemeen bekende

Biervliet, thans een dorp met verstrooide huizen. Biervliet was eens

een bloeiende stad, waar aanzienlijke edelen en zelfs vorsten van

tijd tot tijd, willig of onvrijwillig, vertoefden. Graaf Floris V

werd hier een tijdlang door den Vlaamschen graaf Guy van Dampierre

gevangen gehouden, en Keizer Karel V zou hier met zijn beide zusters

op het graf van Willem Beukelsz. haring hebben genuttigd. Een straat

in het vervallen, kleine plaatsje, kaai genoemd, herinnert nog aan de

welvarende, machtige zeestad, wier krijgshaftige burgers hun landvorst

naar "die landen van over zee" volgden, en de eersten zouden geweest

zijn, die de banier met den zwarten leeuw van Vlaanderen op de wallen

van Jeruzalem plantten.

In de in 1660 gebouwde, nette kerk herinneren een paar overblijfselen

van geschilderde glazen aan Willem Beukelsz., die als de uitvinder

of verbeteraar van het haringkaken wordt beschouwd.

Hiermede hebben wij den Braakman bereikt, die Zeeuwsch-Vlaanderen

nog in twee gedeelten scheidt. Dit water heeft echter zijn besten

tijd reeds gehad en voortdurend wordt het verkleind door vernieuwde

inpolderingen. Het gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen ten W. van den

Braakman wordt door de Zeeuwen veelal onder den algemeenen naam van

"Land-van-Kadzand" aangeduid en de bewoners als Kadzandtenaars.

Wij overzien ten slotte nog, vóór wij dit gebied verlaten, de

kleederdracht der landbevolking, hoofdzakelijk in dezen geleid door

Dr. de Man.

De Kadzandtenaars zochten in de onrustige tijden, toen dit land

veel door de Spaansche of door de Staatsche troepen te lijden had en

later bij de invallen van de Franschen, dikwijls veiligheid op het

eiland van Walcheren, om later naar hun woonplaats terug te keeren. De

overeenkomst in godsdienstige opvatting en strengheid van zeden deed

de Kadzandtenaars nader aansluiten bij Walcheren dan bij het zuidelijk

Vlaanderen, waarvan zij door religie gescheiden waren. Daardoor had de

Kadzandsche kleeding vroeger veel overeenkomst met die van Walcheren,

hoewel een gedeelte in dit land ook Vlaamsche kleeding droeg.

Toch bleven in het Land-van-Kadzand de Walcherensche invloeden niet

overheerschend. De vele uitgeweken Walen, Franschen, Doopsgezinden en

Salzburgers, welke zich hier van lieverlede met de oorspronkelijke

bewoners verbonden, terwijl men er tevens veel Katholieken vond,

waren oorzaak, dat de bevolking zeer gemengd werd. Wel bleef de

grondtrek lang iets Walcherens behouden, doch de invloed van het

Belgisch-Vlaamsche neemt hier in de laatste halve eeuw sterk toe

wegens de nadere aanraking met België, en doordien het grondbezit

voor een groot gedeelte in handen van Belgische heeren is gekomen. Het

Walchersche karakter der kleeding is daardoor verloren gegaan.

De kleeding der mannen in het Land-van-Kadzand is geheel burgerlijk

geworden. De vrouwenkleeding heeft er nog iets eigenaardigs en is

niet Zeeuwsch en niet Vlaamsch, hoewel het eenvoudige, stemmige aan

het Walchersche herinnert. Over 't geheel komen de kleeding en mutsen

der vrouwen wel iets overeen met die der vrouwen in Overijsel, bij

Zwolle. Vroeger had de echte Kadzandsche muts een door karkas rondom

het gelaat en ook om de kin gespannen, breeden rand, welke wijd van

de wangen af stond. Thans is de muts veel enger, de rand veel smaller

en veranderd in een ouderwetsche Hollandsche neepjesmuts, zooals die

voor een halve eeuw bekend was. Vroeger droegen de vrouwen hoeden,

doch thans ook niet meer.

Van krullen en strikken of van een beugel rondom het hoofd is geen

sprake. De ooren zijn vrij en men hangt er lange sieraden in, die

men bellen noemt; het zijn puntbellen van nieuwerwetschen vorm en van

goud. Het jak der vrouwen is stemmig, veelal donkerbruin van kleur,

en wordt van voren zonder eenige elegantie zoo hoog mogelijk tot den

hals gesloten. Het onderstuk, de schoot, dien men in Kadzand het "zet"

noemt, is buitengewoon lang; de beuk ziet men in 't geheel niet. Een

satijnen schort wordt hierbij gedragen, en hoewel de rokken niet zoo

talrijk zijn als op Walcheren, kan men toch aan de vrouwenfiguren zien,

dat men die meer in aantal draagt dan noodig is tot bescherming tegen

de koude.

Wij wenden ons thans naar het oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. De ruimte

verbiedt ons, lang te verwijlen bij dit gewest. Wij zullen er daarom

meer een overzicht van nemen dan in een gedetailleerde beschrijving

treden, en bezoeken slechts kortelijk enkele plaatsen.

Op de smalle landstrook, die ten Z. van den Braakman nog tot Nederland

behoort, ligt het visschersplaatsje Philippine (mosselen en garnalen),

eens een vesting, thans niet meer dan een armoedig dorp met veel

herbergen. Als eenmaal de Braakman geheel is ingedijkt, wat in een

niet ver verschiet het geval moet zijn, zal de visschersbevolking

zich van hier moeten verplaatsen.

Zoo komen wij ten O. van den Braakman.

Het westelijk gedeelte van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen wordt

veelal aangeduid als het Land-van-Axel, waartoe ook Ter-Neuzen en

Zaamslag behooren, het overige als het Land-van-Hulst. Het valt al

spoedig in het oog, als wij het Land-van-Axel doorwandelen, dat de

bevolking zich in kleeding, gewoonten en denkwijze onderscheidt van

die in het 4e District, maar eveneens van die van het Overkwartier

en het Land-van-Hulst. In het oogvallend is in vele opzichten

de overeenkomst van de bevolking in het Land-van-Axel met die op

Walcheren. Dit verschijnsel valt te verklaren uit de geschiedenis. In

het Land-van-Axel kende men slechts één kerk, en wel de oud-Hervormde,

doch vroeger gewijzigd door de gestrenge Walcherensche artikelen, en

men was er dus kerkelijk in overeenstemming met dat eiland. Verder

behoorde het Land-van-Axel in den tijd der Republiek tot het

zoogenaamde "Committimus", een gebied in Staats-Vlaanderen, waar

Gecommitteerde Raden van Zeeland het hoogste gezag hadden en Zeelands

hoofdstad den toon aangaf, terwijl de Generaliteit elders heerschte.

Hierdoor vond men in Axel oudtijds navolging van de Walchersche

kleeding, van geloofsijver, van kerkelijke tucht, enz. en toen het

aan de zijde der Staten gekomen was, ook afscheiding van het naburige

Land-van-Hulst, dat meer Katholiek bleef. In het Land-van-Axel vindt

men strenge orthodoxie, die zich scherp onderscheidt van het Katholieke

element en ook in kleeding en gebruiken daarvan afwijkt. De Axelaar wil

geen Vlaming zijn: hij wil blijven, wat hij was, en heeft daardoor van

zijn oud-nationale kleeding nog veel bewaard. Wij leeren de Axelsche

kleeding kennen door de voorbeelden op de gekleurde plaat. (Zie ook

de fig. op pag. 176).

De mannen hebben de oude kleeding niet zoo goed bewaard als de

vrouwen; toch hebben wij daarvan op de plaat nog een voorbeeld. De

Axelaar had vroeger, als alle Zeeuwen, zijn knoopen en broekstukken,

zijn gebloemden hemdrok, zijn signetten en cachetten, zijn pijpekot en

zijn gespen. Fluweel was hier veel meer in gebruik dan op Walcheren,

en omdat het een rijke streek was, waren de sieraden er grooter. Veel

er van wordt door de erfgenamen bewaard, maar niet gedragen; het ronde

hoedje wordt door een pet vervangen, maar de ernst van het karakter

en het uiterlijk blijven nog dezelfde als voorheen. Vroeger was het

des Zondags aan den hoed te zien, of men een gewoon mensch dan wel

een magistraat voor zich had.

De Axelsche boerenmeisjes, vooral de gegoede boerendochters, zijn

nog eigenaardig gekleed (zie 6, 7, 12 en 13 der gekleurde plaat). De

hooge schoudertoppen, waartusschen het hoofd als is weggezonken,

herinneren min of meer aan de kleeding in den tijd van vader Cats, en

het geheel dezer vrouwendracht doet denken aan de rijke, maar stijve

kleederen der Spanjaarden. Waar de Axelsche kleeding vandaan komt en

wanneer deze is ingevoerd, weet men niet. Op de hofsteden wordt de

oude kleeding nog gedragen door de meisjes; in de grootere plaatsen,

als Axel en Ter-Neuzen, is de gewone burgerkleeding al meest ingevoerd.

Gaan wij enkele deelen dier kleeding nog nader na. Vroeger droeg men

hier een stijve Walcherensche muts, en onder den arbeid doet men dat

nog, een herinnering aan de betrekking tusschen beide gewesten. In de

dorpen en steden dragen de meisjes thans reeds mutsen, overeenkomende

met die op Tolen of Schouwen, terwijl overigens de kleeding burgerlijk

is.

De oude Walcherensche versierselen worden nog door de landmeisjes

gedragen, maar de vormen zijn anders en rijker. De "naelde" van

vroeger is afgeschaft, maar de Walcherensche krullen ziet men

hier weder. Zij staan loodrecht en worden veel hooger gedragen,

niet naast, maar boven de oogen. Naast de krullen schitteren bij

ongehuwden twee prachtige spelden of knoppen, zooals men ze niet op

Walcheren, maar wel op Tolen ziet; zij zijn van goud, met of zonder

pareltjes er bij. Aan de krullen hangen geen bellen, zooals bij de

dames in de steden, maar andere "hangers", die prachtig en zeer groot

zijn, met steentjes of parelen. Men spreekt hier ook van "strikken",

zooals men op Walcheren gewoon is te dragen. Uit alles blijkt, dat

de landman hier in den regel ruimer met aardsche goederen gezegend is

dan de Walcherensche boer, en dat men, bij allen eenvoud des gemoeds,

toch gaarne zijn rijkdom laat uitkomen door een soliede weelde.

De beuk en het doekje, die wij vroeger bij het Land-van-Goes als

eigenaardig voor de Zeeuwsche kleeding beschreven, vindt men ook hier

terug, maar prachtiger. Het is Vlaamsche sier, die met Zeeuwschen

eenvoud vereenigd is, zegt Dr. de Man. Het doekje is echter een doek

geworden, hoewel geen omslagdoek, maar een stuk, dat bij jak en beuk

tehuis behoort.

De beuk wordt door de meisjes zelf gemaakt. Zij zijn hier echter niet,

zooals op Walcheren, gesteld op zuiver wit voor Zondagsche kleeding,

maar houden meer van kleuren, waaruit eenigszins een zuidelijker

aard spreekt. De beuk is wel dikwerf wit, maar wordt dan toch nog

door levendig gekleurde koralen versierd. De koralenversiering neemt

van Walcheren af naar het oosten en zuiden toe. Op Walcheren vindt

men aan de beuk somtijds een rand van glasheldere koralen; bij de

Nieuwlandsche meisjes komen die al meer voor en de Roomsch-Katholieke

meisjes op Zuid-Beveland dragen reeds boven de beuk een kraag van

gekleurde koralen. Doch Axel gaat in dezen het verst.

De doek tusschen beuk en jak is een voornaam deel van de

vrouwenkleeding alhier, evenals in andere streken van Zeeland. Doch die

doek wordt in Axel anders gebruikt. Voor de meisjes uit Axel moeten

de doeken afzonderlijk geweven worden en zij kosten dan ook wel 25

gulden. Zij hebben, uitgespreid, een oppervlakte van een vierkanten

meter. De doek wordt geweven van gekleurde zijde en die kleuren moeten

echt sprekend zijn, terwijl een groote bloem met randen of rosetten

moet uitkomen. Hij versiert niet alleen boezem en rug, maar geeft

door de plooien met hooge schouders, die verder worden aangevuld met

een onderstuk, een zeer eigenaardig postuur aan de vrouwengestalte,

dat voor Axel kenmerkend is. De opspitsende schouders schijnen in de

laatste halve eeuw in hoogte te zijn toegenomen.

De rokkenomvang der vrouwen van Axel herinnert aan dien van Walcheren,

is zelfs nog grooter. De wijd uitstaande buitenrok is hier altijd zeer

stijf, zwart moiré, mooi opgelegd met een rand van gebloemd fluweel

van scherpe, sprekende kleuren. Een rood baaien rok vormt gewoonlijk

nog een van de vele, die zij dragen. De schort is bijzonder groot

en omsluit al die rokken bijna geheel; de naam "voorschoot" past er

dan ook niet voor. Zij is van gekleurde zijde, afgezet met blauw of

ander lint, en om haar vast te binden gebruikt men veelal een breeden,

doorgaans gekleurden, op fluweel gehechten band, die van voren goed

te zien is.

Het Land-van-Hulst was oudtijds afgescheiden van het Land-van-Axel

door het Hellegat, eens een breede waterarm van Hulst naar het noorden,

doch die in 1845 binnen enger grenzen werd gebracht. Dit water bewerkte

een scheiding tusschen de bewoners aan beide zijden, welke ook hierdoor

bevorderd werd, dat Axel meer met Walcheren en Gent in betrekking kwam,

Hulst meer met Noord- en Zuid-Brabant en het nabijgelegen Antwerpen.

De bewoners van het Land-van-Hulst zijn grootendeels Katholiek;

alleen in de noorderstreek vindt men nog enkele Protestanten. Het

Hulsterland vormt derhalve meer een overgang naar het Belgische.

Al is er in Hulst nog wel iets eigenaardigs in de kleeding

overgebleven, waardoor de vrouwen uit het Land-van-Hulst zich van die

uit de overige gedeelten van Zeeuwsch-Vlaanderen onderscheiden, toch

gaat het eigenaardig landelijke en ook de Hulster kleederdracht meer

en meer verloren. In de plaats Hulst ziet men alleen de stedelijke

kleederdracht. Verschil in kleeding tusschen Protestanten en

Katholieken bemerkt men hier niet.

De vrouwenmuts in het Land-van-Hulst, van fijne kant vervaardigd,

gelijkt niet op de mutsen, elders in Zeeland gedragen, maar komt

meer met de Noord-Brabantsche overeen; bij beide daalt de kant naar

beneden en van achteren komen de vleugels of slippen wel bij elkander,

maar eenvoudig tot den hals en niet met een lange strook langs den

rug. Onder de bovenmuts wordt een zwart zijden ondermutsje gedragen,

veel in kleur en stof verschillend van de Walcherensche en Goesche

muts. De muts wordt naar het zuiden meer Brabantsch, zoodat men

den overgang kan waarnemen. Bij de mutsen gebruikt men een weelde

van spelden als nergens anders; bij haar toilet gebruikt het Hulster

meisje alleen voor haar muts wel 300 à 400 kleine mutsenspelden. Het

haar, dat iets donkerder is dan op Walcheren, wordt door de vrouwen

in een scheiding gedragen. Oorijzers of beugels met krullen of boeken

aan beide zijden van het hoofd draagt men hier niet; dit wijst er op,

dat de Hulstenaars niet van dezelfde afkomst zijn als de Zeeuwen. Het

haar dragen zij zonder bellen, naalden of andere sieraden, maar bellen

dragen zij wèl in de ooren.

Van de aanzienlijke plaatsen in dit gewest wijzen wij op Sas-van-Gent,

gebouwd aan een sluis of sas aan het einde der vaart, die de Gentenaren

met vergunning van Filips II in de 16e eeuw hebben gedolven van

Gent naar het Sassche Gat, om hierlangs een kortere vaart naar de

Wester-Schelde te verkrijgen. Doch door de dichtslibbing van het

Sassche Gat en de daarop volgende bedijking kwam Sas-van-Gent in

het midden van het land te liggen, waardoor de plaats in bloei

achteruitging. Zij leefde echter weder op na het graven van het

Kanaal-van-Gent naar Ter-Neuzen in 1826. Door zijn ligging aan de

grens heeft Sas-van-Gent veel fabrieken. Het is een nette plaats.

Aan het noordelijk einde van dit kanaal ligt Ter-Neuzen, een havenstad

aan de Schelde, nog altijd met vestingwerken. De stad heeft haar

bloei te danken aan het Kanaal van Gent.

Axel is een oud plaatsje, dat reeds bloeide in de 9e eeuw, doch thans

niet meer is dan een klein plattelandsstadje.

Hulst is een aanzienlijk en ruim gebouwde plaats, met luchtige straten,

welke meest op de markt uitloopen. De door kastanjes beschaduwde

markt is omringd door nette huizen en aan het marktplein verrijst het

stadhuis met vierkanten toren, die in drie achtkante omgangen uitloopt,

terwijl een hooge, hardsteenen pui, met wapens in hardsteen, aan den

voorkant, toegang geeft tot de vestibule.

Hulst heeft een fraaie Gothische kruiskerk, met houten toren op

het kruis.

Ook Hulst is een oude stad, die in de 12e eeuw al bloeide en

ontstaan is om een burcht nabij de voormalige Asscherpoort. In 1618

werd Hulst in een sterke vesting herschapen, doch na 1795 werden de

verdedigingsmiddelen niet meer onderhouden. De stad bloeit thans door

het marktverkeer; zij staat in nauwer betrekking tot Antwerpen dan

tot Nederlandsche steden.

Wij nemen hier afscheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, gaan per tram naar

Walsoorden, varen hier weder over de Schelde, wandelen naar het station

Hansweerd om verder te reizen naar het vasteland en vervolgens onze

wandelingen door Nederland in Noord-Brabant voort te zetten.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 48 / 74 题