VLISSINGEN.

Thans terug naar Middelburg, om verder de zuidelijkste plaats van het

eiland te bezoeken, de havenstad Vlissingen, met 18.900 inwoners, het

eindpunt van de spoorweglijn, vanwaar men oversteekt naar Albion. Wij

kunnen van Middelburg per spoor, per tram, maar ook gemakkelijk per

fiets gaan.

Op een plek ten W. van de tegenwoordige stad, waar in het begin

der 19e eeuw het gehucht Oud-Vlissingen nog gevonden werd, dat

bij uitbreiding der vestingwerken in 1810 is gesloopt, ontstond

Vlissingen. Een overzetveer naar Vlaanderen was waarschijnlijk de

eerste aanleiding tot het vestigen van een nederzetting; en van het

oude Vlissingen trokken al vroeg (± 1227) bewoners verder oostelijk,

misschien een gevolg van het verloopen der vaargeul, naar de plaats

waar het tegenwoordig Vlissingen ontstond.

Schippers en visschers met hun vennooten of maats en huurknapen of

bootsgezellen waren voornamelijk de eerste bewoners. Daar de zee voor

hen open lag, sloot de handel zich bij het visschersbedrijf aan, gelijk

op menige plek in de Nederlanden. De oudste handel was op Vlaanderen

gericht. Graaf Willem III begiftigde in 1315 Vlissingen met de Nieuwe

haven, welke nog in de stad aanwezig is. Ten O. hiervan werd in 1581

de Pottehaven en in 1612 een dokhaven aangelegd, thans de Marinehaven,

onder den naam Oude- of Koopmanshaven. De haringvangst vooral droeg

oudtijds veel bij tot den bloei van de stad.

Aanzienlijke voorrechten had Vlissingen te danken aan Prins Willem

I, zoowel tot belooning van de dapperheid der burgers als wegens de

bevordering der vrijheid door deze stad. De poorters en poorteressen

van Vlissingen zouden niet in confiscatie van goederen vervallen, ook

al konden wegens misdrijven hun lijfstraffen opgelegd worden. Aan de

Vlissinger visschers werd verder vrije vaart op de reede te Arnemuiden,

te Middelburg en te Antwerpen toegestaan.

Door deze bevoorrechting werd Vlissingen een belangrijke koopstad,

al moest zij ook in aanzien voor Middelburg onderdoen. In oorlogstijd

bloeide hier de kaapvaart, die wel groote voordeelen gaf, wel kloeke

mannen vormde, maar den eigenlijken handel ondermijnde. En in de

laatste helft der 18e eeuw ging ook hier de handel snel achteruit,

evenals in de meeste Hollandsche steden.

In de 19e eeuw kwam de stad langzamerhand weer tot ontwikkeling,

vooral na den aanleg van nieuwe havens in 1867, mede de beste van

West-Europa. Met deze groote werken ontwaakte een nieuwe hoop voor

de toekomst der Scheldestad.

O Vlissingen! de breede Noordzeebaren

Besproeien trotsch uw welgelegen wal;

't Is grootsch, haar gang en golving aan te staren

En haar gedruisch te hooren overal.

Die zeemuziek galmt vroolijk langs uw boorden,

Zij zingt van heil, van handel en vertier,

En gij, gij hoort aandachtig naar die woorden

En heft uw hoofd naar boven, vlug en fier.

Wat schoon verschiet geeft u de zee te aanschouwen!

Zij brengt voor u de hoogste welvaart aan:

Een handelsschat uit verre zee en ouwen,

Die uit uw vest door gansch Euroop zal gaan.

Mercurius vliegt ijlings naar uw wallen

En plant zijn staf op uw gewenschte ree:

Daar zal het lied der koopvaardije schallen,

Elk groet u daar als koningin der zee.

Werk ijvrig voort aan al uw weidsche dokken,

Opdat de vloot der wereld tot u koomt,

Die 't voordeel zoekt en dus naar u getrokken,

De winst geniet, waarvan de handel droomt.

Niets hindert u; geen barre wintervlagen,

Geen wind noch storm versperren uwen wal;

O, breid u uit, opdat de stond moog dagen,

Die Middelburg met u vereenen zal.

Zoo sprak M. H. de Graaf, uit Antwerpen, in 1871 de stad vol optimisme

toe. En hoewel niet al die verwachtingen vervuld zijn, door de

vestiging der stoomvaartmaatschappij Zeeland en van de scheepsbouw- en

stoomwerktuigenfabriek der Kon. Maatschappij de Schelde is Vlissingen

toch tot vooruitgang gekomen, terwijl de spoorwegverbinding, in 1872,

voor de stad van het grootste belang werd. Van de 5700 bewoners in

1795, een aantal, in de 17e eeuw veel grooter, was de bevolking van

Vlissingen in 1815 geslonken tot 4538. Langzaam nam die weder toe,

in 1840 tot 7800, in 1860 tot 10700. Na eenige schommelingen telde

de stad in 1890: 13100 bewoners en in 1900: 18900.

Vlissingen maakte vroeger met zijn nauwe straten en meest oude

huizen een pover figuur tegenover het ruimer, grootscher en

rijker aangelegde Middelburg. Het oude gedeelte van Vlissingen

biedt dan ook weinig merkwaardigs aan, al zal men er ongetwijfeld

rondwandelen, om de plekken te bezoeken, die aan de jeugd van Michiel

de Ruyter herinneren. Wie zal niet den blik slaan naar den toren der

St. Jacobskerk, waaraan de legende van den jongensstreek verbonden

is; naar het kantoor der Gebroeders Lampsens, 1646, thans kantoor

van het Nederlandsch loodswezen? De lijnbaan bij het Waaigat, waar

de Ruyter als jongen het wiel draaide, is verdwenen, en het wiel is

tot groot leedwezen der Vlissingers naar Middelburg overgebracht. De

schoonste huizen in de oude stad staan langs de havens, doch vele

belangrijke gebouwen vindt men hier niet. Het oude raadhuis, dat een

der schoonste van Zeeland was, een navolging van dat te Antwerpen,

geraakte bij het bombardement in 1809 door de Engelschen in brand

en werd vernield. Het raadhuis van tegenwoordig is een particulier

huis van Anthonie Pieter van Dishoeck, "het Paleis" genoemd, dat in

1812 door de Fransche Regeering werd aangekocht. Daartegenover staat

het "Beeldenhuis", in denzelfden stijl als het raadhuis gebouwd,

met beelden in den gevel. De oudheidkamer boven het stadhuis met

herinneringen aan de Ruyter, Naerebout, Betje Wolff, Bellamy e. a. is

wel een bezoek waardig.

Doch hoofdzakelijk gaat men Vlissingen bezoeken, om de havens te zien

en de zee. De eerste liggen in het oosten der stad. Wij willen daarbij

niet vertoeven, doch begeven ons naar het westen, naar de Schelde en

de zee. De gedempte vesten hebben hier een uitgestrekt bouwterrein

geopend, waar een nieuwe stadsaanleg is begonnen, met ruime, breede

straten. Hier verrijst op de plek, waar de hoofdstraat van de stad

naar het Badhuis zich met den weg naar Middelburg vereenigt, op het

Elizabeth Wolffsplein een fontein, ter eere dezer schrijfster en

harer vriendin gesticht.

Elizabeth Wolff was te Vlissingen geboren. Een kade in de stad

is naar Bellamy genoemd, die ook in Vlissingen het levenslicht

aanschouwde (Bellamykade), terwijl een gedenksteen geplaatst is in zijn

geboortehuis. Het standbeeld, dat in 1841 voor de Ruyter werd opgericht

op de Haringplaats (later de Ruyterplein genoemd) werd in 1894 naar den

Westwal, thans Zeeboulevard geheeten, overgebracht, waar de onthulling

herhaald is door H. M. Koningin Wilhelmina. Bij het naderen van dit

standbeeld zagen wij vreemdelingen zoowel als Nederlanders eerbiedig

het hoofd ontblooten en in zwijgende beschouwing het aanstaren.

Zijn roem is aan geen volk of vaderland bepaald;

Hij heeft triumfen voor het wereldrond behaald,

En welk een landstreek hem het eerst haar taal deed hooren,

Hetzij hij Belg of Brit of Spanjaard waar' geboren,

Zijn deugd behoort aan hem, zijn volksnaam aan 't geval,

Zijn eer aan 't menschdom en zijn grootheid aan 't Heelal!

Dicht aan zee ziet men de beide societeiten der Nederlandsche en

Belgische loodsen naast elkander in sierlijke, flinke gebouwen, een

wijd uitzicht over de zee en de Schelde aanbiedend. Daar leven zij

een gedeelte van den dag onder de veranda's, steeds op den uitkijk

met hun kijkers, om te zien, of er schepen naderen in de verte,

die hun diensten noodig hebben.

Op ongeveer een kwartier afstands ten westen der stad staat

aan het vlakke strand, dat uitstekend tot baden geschikt is,

het badhuis. Langs de zeewering van den boulevard en den zeedijk

is de beweging van vloed- en ebstroomen te sterk, om gelegenheid

tot baden aan te bieden. Beschermd tegen noorden- en oostenwind,

ligt de strandvlakte, die bij vloed 70 M., bij eb 300 M. breed is en

800 M. lang, met helder en frisch water; zoo biedt de badplaats vele

voordeelen. Vooral Antwerpenaars, maar ook Nederlanders trachten hier

voor zenuwen en lichaam nieuwe krachten te winnen in het zilte nat

en in de zoute lucht.

Hoe heerlijk is het op een stillen zomeravond op een der banken van

den boulevard te zitten mijmeren en in de door de dalende zon zoo

schitterend verlichte zee te staren. Al is het weer nog zoo rustig,

toch zetten de golven hun aanvallen op het strand voort en slaan

met kracht op de golfbrekers, die den duinvoet beschermen tegen hun

geweld. Indrukwekkender wordt het verschijnsel, als de stormwind hen

tot teugellooze machten doet aangroeien, die in woede uitbulderend

en schuimbekkend den worstelstrijd voortzetten.

Ik min het schuim der zee, het sneeuwenblanke,

Stervende plotseling na zijn geboort;

Het is als 't hemelskind, het bleeke, ranke,

Dat niet op deze ruwe aard behoort.

Ik min het schuim der zee, kristallen blaasjes,

Waarin het zonnehart zijn wezen spiegelt;

Het is als 't bleeke wichte, zwakjes als een waasje,

Maar dat op zonlichtwiek omhoog wiegelt.

Ik min het schuim der zee, millioene atomen,

Droppeltjes, gerijgd tot witte beek!

Dat zijn aaneengebonden ziels-atomen

Van heilge kindren uit Mysteries bleek.

W. van Weide.

Wenden wij den blik van de zee af, dan ligt het Walcherensche land

vóór ons. Landwaarts ontwaart men de woeste duinen van Zoutelande en

onmiddellijk daarachter het frisch-groene weiland, dat Walcheren als

met een tapijt overdekt, zoo hier en daar afgewisseld door het roode

van de daken der hoeven, verspreid over het land en in hooge olmen half

verscholen; door groote, boschrijke buitens, als Ter-Boedde, Moesbosch

en Ter-Hooge; door de huizengroepen en torens van de dorpen en steden.

Van het badhuis zijn heel in de verte naar het Z.W. de hooge huizen

van de Belgische badplaatsen Heyst en Knocke zichtbaar en bij zeer

helderen hemel ontwaart men zelfs de torens van Blankenberghe. Doch

de badgast is daarop niet gesteld. Zooals in het bergland het scherp

geteekend uitkomen van de omtrekken der bergen, is ook hier dat

vergezicht over zee een voorbode van regen, storm of onweer.

Verder naar het zuiden lijnt de kust van Zeeuwsch-Vlaanderen uit met de

torens van Groede, het vuurlicht van Nieuwesluis en Breskens met zijn

vervallen forten. En daar vóór ons golven de wateren van den breeden

Scheldemond, verlevendigd met de vlaggen van allerlei natiën, en in de

verte de visscherspinken met witte zeilen, als een vlucht meeuwen op de

golven zwevend. Wij rusten hier en peinzen over verleden en toekomst.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 46 / 74 题