ARNEMUIDEN.

Naar Middelburg terugkeerend, gaan wij een bezoek brengen aan

Arnemuiden. Niet, dat dit oude, eens aanzienlijke stedeke belangrijke

gebouwen geeft te zien,--Arnemuiden heeft niets, wat aan 't verleden

herinnert--doch thans is het ons doel, om kennis te maken met de

eigenaardige bevolking, de visschers van Arnemuiden.

Eens lag Arnemuiden meer zuidwestelijk, dichter bij Middelburg. Het

was in de 14e eeuw een aanzienlijke, neringrijke stad, met veel handel

en scheepvaart, overtrof zelfs Middelburg en had een deftig slot,

waar de heeren van Arnemuiden zetelden. Destijds lagen de polders ten

Z.O. van Walcheren nog diep onder water en liep voorbij Arnemuiden de

breede stroom, die Walcheren van Zuid-Beveland scheidde. In het begin

der 15e eeuw werd Arnemuiden onder de aanzienlijkste koopsteden van

Europa gerekend en in 1418 werd het opgenomen in het Hanze-verbond.

De aanvallen der zee op het land waren aanleiding, dat men verder

noord-oostwaarts de huizen bouwde en den grondslag legde tot de

tegenwoordige plaats. Door grondbraken aangetast, ging de oude stad

in het laatst der 15e eeuw te niet, en van dat tijdstip dagteekent

de opkomst van Nieuw-Arnemuiden. In de 16e eeuw had Arnemuiden nog

een belangrijke haven. Van hier vertrok in 1496 Johanna van Arragon

met 135 schepen naar Spanje en in 1522 zeilden er 150 schepen uit,

om Karel V uit Engeland te halen. In dien tijd wemelde het aan de

haven van Arnemuiden van Nederlandsche edelen en Spaansche grandes

met hun schitterende costuums. Doch, helaas! de haven verzandde

langzamerhand, en zoo ging de plaats achteruit, om tot den rang van

een nederig visschersdorp te dalen, welks ondiepe haven thans tusschen

aangedijkte polders ligt.

Een smalle, vervaarlijk hobbelig geplaveide straat loopt door het

plaatsje, aan beide zijden begrensd door lage huizen, meest van één

verdieping, alle uiterst eenvoudig of sober. Sommige herinneren nog

iets aan de 17e eeuw, toen de rijk geworden schipper de voordeur zijner

kleine, nette woning gaarne met fraaie, in hout gesneden krulwerken

en bloemen versierde. Als de mannen op zee zijn en de vrouwen op de

"schorren" of aan 't "leuren", terwijl de kinderen op school zitten,

is 't er buitengewoon stil.

De "Arremuenaers" zijn een bijzonder ras van menschen, zegt Nagtglas,

van wiens schetsen wij hier dankbaar gebruik maken, menschen, die zich

maar zelden met andere Zeeuwen vermengen. De mannen zijn doorgaans niet

groot, doch forsch gebouwd, "ineengestuukt" en sterk gespierd. In den

regel zijn ze donker van opslag, met een trek van ernst en stoutheid op

het schraal, door wind en weer gebruind gelaat; voor vreemden zijn zij

stug, tot onvriendelijk toe, en zoo teruggetrokken, dat men meenen zou,

dat hun klanklooze en teemende spraak slechts met inspanning kan worden

voortgebracht. Als de meeste visschers zijn zij gehecht aan het oude

en afkeerig van het nieuwe; kerksch en stijf gereformeerd. Opgekweekt

onder het bruisen der golven en het loeien van den storm, kennen zij op

het water geen vrees, en het "saevis tranquillus in undis" (gerust te

midden der woeste baren) is voor hen een eenvoudige waarheid. Een leven

van rusteloozen arbeid onder dagelijksche ontbering en onophoudelijke

gevaren stempelt het karakter en veroudert vroeg, maar schenkt ook

aan deze zielen eigenaardige deugden, want over het algemeen zijn

zij spaarzaam, trouw, ernstig en godsdienstig.

De "zeeboerinnen", zooals men de vrouwen vroeger wel eens noemde,

zijn meestal krachtige vrouwlui, "kante wuven", gehard tegen het weer

en onvermoeid arbeidende. Jong zijnde en "knap op er lief" (zindelijk

op haar lichaam), zien zij er dikwerf jolig en frisch uit, met een

blozende kleur, donker-guitige oogen en glanzende, zwarte haren, die

onder een wit mutsje tegen het voorhoofd worden opgerold. Het gladde,

zwarte jakje, waartegen de met zorg geplooide, zacht gekleurde doek

netjes afsteekt, omsluit gevulde vormen en laat een paar stevige,

roode, tot boven den elleboog ontbloote armen zien. Zij verouderen

echter snel na het huwelijk, wanneer de houten wieg dikwijls maar al

te spoedig bezet raakt, verscherpen de trekken, vergrijzen de haren

en worden de welgemaakte beenen, zichtbaar onder de korte en zwart

gestreepte baaien rokken, mager en stokkerig.

Die vrouwen verdienen zuur hun brood, want 't is een vracht zoo'n

ganschen dag te "leuren mè 'n paer zwaere kurve"; het "venterswerk"

mocht wel "veinterswerk" (mannenwerk) wezen en "kraekt minnig wuuf"

(breekt menige vrouw). Het is waarlijk niet te verwonderen, dat men

nu en dan langs den weg zoo'n troepje vrouwen puffend naast de manden

ziet neerstrijken, om zich 't zweet af te drogen.

Gewoonlijk verlaat de vrouw bij 't eerste morgenkrieken haar schamel

leger. Over "de guus" (het kind) houdt een buurvrouw het oog,

wat niet verhindert, dat het jonge volkje den ganschen dag over de

straat kruipt, in de modder wriemelt en, als ze wat grooter worden,

een ouden klomp, als visschersschuit getuigd, in goot of sloot te

water laten. Moeder slaat den ouden, zwarten schoudermantel om, zet

een strooien hoed op, legt het juk met de gisterenavond uitgeschuurde

"bennen" over de schouders en wandelt naar de "kaaie". Daar is de visch

uitgeladen, door de schippers aangebracht, die nu aan de leursters

ieder voor "een partje" wordt verkocht, om, naar oud gebruik, des

Zaterdagsavonds af te rekenen.

De manden worden met kabeljauw, schelvisch, tongen of mindere soorten

van zeebewoners gevuld en op een eigenaardig, schommelend drafje, om

de zware korven in evenwicht te houden, gaan de vrouwen, des zomers

meestal barrevoets, in troepjes naar de steden, of somtijds verre

het land in. Aan stof tot gesprek schijnt het hun niet te ontbreken

en reeds in de verte hoort men ze met lijmend stemgeluid naderen,

maar hun gepraat valt moeielijk te begrijpen.

Zoo trekken zij rond, van huis tot huis, dingende en kibbelende bij den

verkoop; zoo gaat het altijd door, zomer en winter, in zonneschijn en

regen, door aanzienlijke wijken en geringe achterbuurten, onderwijl

terende op het brood, dat zij koopen, en op 'n "bakkie" koffie,

door goede bekenden geschonken.

En als de visschen in de manden hebben plaats gemaakt voor wortels,

uien, kroten en andere groenten, zakjes koffie en thee, en ook wel

zoetekoek en suikergoed, waarvan sommigen veel houden, keeren zij des

middags, dikwijls laat, naar hun woonplaats terug. Daar wacht hun dan

het huiswerk. De kinderen moeten worden verzorgd; er dient te worden

gestopt en gelapt, gewasschen en geschrobd. Op deze wijze brengt de

vrouw der Arnemuidensche visschers het leven door, volgens een naar

de natuur geteekende schets, die Nagtglas er van gaf.

Deze vrouwen worden al vroeg aan een hard leven gewend. Als jonge

meisjes beginnen zij reeds op de schorren zeekraal te zoeken. Van het

laatst van April tot het einde van Juli kan men hun bij het opgaan

der zon in groepen van 30 à 40 in roeibootjes naar de schorren van

het Sloe of Kamperland zien roeien, om daar de zeekraal te halen. Op

die in wording zijnde landen blijven de meisjes een uur of zes met

bloote voeten door slik en water "dobberen", om de heldergroene,

vliezige stengeltjes der zeekraal, die als kleine pijpestelen in

ontelbare menigte uit het slijk te voorschijn komen, af te snijden. De

gevulde bennen worden tehuis "in 't ruwe" schoongemaakt, o. a. van de

alikruikjes gezuiverd, die meestal weggeworpen, doch in het voorjaar

afzonderlijk gerookt en veel gegeten worden. Den volgenden dag wordt

de groente als "mooie, vorsche zeekraele"! in "klusjes" uitgeleurd,

waarmede een aardig centje verdiend wordt.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 45 / 74 题