Van Middelburg kunnen wij naar Veere wandelen, maar wij maken gebruik
van de Middelburgsche boot naar Zieriksee of Rotterdam, die over het
Walcherensche kanaal dicht voorbij Veere vaart.
Al spoedig zien wij van verre de hooge, zware kerk met haar stompen,
afgekoepelden toren verrijzen boven de lage huizen van het doode
stadje, en als wij niet beter wisten, zouden wij hier heel wat
verwachten. Doch zoodra wij Veere binnentreden, zien wij onmiddellijk,
dat het een afgestorven plaats is, maar die door enkele gebouwen,
zij het ook, dat zij vervallen zijn, aan het rijke verleden herinnert.
Buiten de tegenwoordige dorpskom, waaromheen aardappels groeien en
kool geplant wordt, werden eens flinke straten gevonden, vele met
huizen van aanzienlijke kooplieden of met pakhuizen, enz. Dat alles
is lang voorbij. Alleen de kerk en het stadhuis zijn nog tamelijk
bewaarde overblijfselen van vroegere grootheid en een enkel bouwvallig,
particulier huis wijst op den kunstzin, die hier eens zetelde. Deze
bouwgewrochten staan schier eenzaam en verlaten als voelen zij zich
niet te huis binnen de kleine gedeelten der weggeslonken stad.
Veere is een stille, doode stad, waar de stilte spreekt met eigen
stem uit de geluidlooze straten of verdwenen huizenrijen, misschien
krachtiger dan in een van onze doode steden. Zij klaagt en jammert
en weent over het zwijgen, dat hier heerscht van den morgen tot den
avond. Al is Veere weer een weinig bijgekomen, al wil de Veerenaar met
voldoening op eenigen vooruitgang wijzen [26], bij eene vergelijking
met het verleden is Veere niets meer. De hoofdstad van het vroegere
Markgraafschap, de markiezenstad Veere, waar in 1862 Koning Willem
III bij een bezoek nog als "de geliefde markies" werd aangesproken,
iets, wat den Vorst zeer trof, is tot een onbeduidend dorpje verlaagd.
Veere, veelal Ter-Veere of ook wel Kamp-Veere genoemd naar de
overvaart, die hier plaats had op het dorp Kampen op Noord-Beveland,
is in opkomst een oude stad, omtrent welker stichting geen zekerheid
bestaat. Floris V moet hier al verblijf gehouden hebben en men meent,
dat in zijn tijd de plaats reeds versterkt was, hoewel anderen dit op
1358 stellen. In het midden der 14e eeuw was Veere een handeldrijvende
plaats met tolvrijheden en daardoor bloeiende koopmanschap. De
grootste bloei van Veere valt in de 16e eeuw; in de laatste helft
dier eeuw begon de stad, reeds te kwijnen. De verondieping van het
Veersche Gat was de oorzaak van den achteruitgang der stad, die meer
en meer inkromp en door de bewoners verlaten werd. In 1700 telde
men er nog 700 huizen; in 1840 werden er 173 opgegeven, in 1890:
175 waarvan 26 onbewoond en in 1890: 204 huizen. In den bloeitijd
bedroeg de bevolking zeker niet meer dan 4000 zielen; in 1795: 1860,
in 1840: 849, in 1870 was zij weer gestegen tot 1100, maar in 1890
weder gedaald tot 514. In 1900 telde het plaatsje 874 bewoners.
't Was een kloeke koopmansbevolking, de poorterschap van het oude
Veere, ondernemend en vaderlandslievend, die, zooals Van Haren schreef,
"het voorbeeld wist te geven, als men 't vaderland zag beven", doelende
op den drang tot verheffing van den Prins als Stadhouder in de jaren
1672 en 1747 (zie pag. 194) die van Veere uitging.
Mag Veere's geschiedenis met eere noemen ondernemende kooplieden als
Moucheron, zij draagt ook roem op dappere zeelieden, als Sebastiaan
de Lange, op den menschlievenden loods Frans Naerebout, hier geboren,
en op vrouwen als de geleerde Anna van Borsele, overl. 1519, tevens
een beschermster der geleerden, en bovenal op Maria van Reigersbergen,
de nooit volprezen echtgenoote van Hugo de Groot (zie pag. 135). Aan
haar denkende, zong Robidé van der Aa in 1829 van Veere:
Hef van uit de Zeeuwsche stroomen
Vrij de grijze kruin omhoog!
Wat de tijd u hebbe ontnomen,
Wat hij wreed aan u onttoog,
Nog versiert u eeuwige eer,
Klein en nederig ter Veer!
Vlissingen moog' Ruiter roemen,
Brouwershaven praal' met Cats,
Goes moog' op een zanger roemen,
Stout, oorspronklijk vol van schats;
U versiert nog hooger eer,
Klein en nederig ter Veer!
De Groote Kerk te Veere aan den buitenkant haar zwaren koepel ten hemel
beurend, hoezeer ook vervallen, is toch belangwekkend en mooi als een
gedenkstuk van het verleden. De stichting der kerk dagteekent van 1479;
de bouw werd opgedragen aan Antonius Kelderman, den oude. Sedert 1812
tot op onzen tijd werd zij achtereenvolgens voor militair hospitaal,
werkhuis, kazerne en bergplaats gebruikt. De toren heeft een hoogte
van 68 meter, de kerk is 53 M. lang en 50 M. breed. Deze kerk staat
thans in geen verhouding tot de bewoners, die er allen in zouden
gehuisvest kunnen worden, en is ook slechts gedeeltelijk in gebruik.
Zelfs in den tijd van de grootste welvaart der plaats kon de
kerkgaande bevolking, hoewel nog niet verdeeld in sekten, de ruimte
niet vullen. Het was een bedehuis, gesticht als een monument ter
eere des Allerhoogsten, om Zijn grootheid voor te stellen. Zelfs kon
het middeleeuwsche Veere daarvoor de middelen niet bijeenbrengen,
doch een kapel te Lieve-Vrouwepolder, waar jaarlijks duizenden
bedevaartgangers samenkwamen, verschafte de gelden tot dien bouw,
waartoe waarschijnlijk ook de Bourgondiërs en Borselens bijdroegen.
Op het kerkhof trekt een klein monumentje de aandacht: een achthoekig
gebouwtje, door ronde zuiltjes omgeven, die een Gothiek gewelf met
het jaartal 1551 dragen, gedekt door een leien dakje. Het heet een
fontein, doch is eigenlijk een waterput, zooals wij het noemen.
Het stadhuis is een sierlijk gebouw uit het laatst der 15e eeuw (1474),
met gevelbeelden der heeren van Borsele en Bourgondië, en gekroond
door een slanken toren met klokkenspel. In de zoogenaamde vierschaar,
met banken en beschot van donker eikenhout, zijn tafel en zitplaatsen
met rood laken bekleed en prijkt de doornstaf der justitie nog nevens
de zitplaats van den baljuw.
De beelden in den gevel stellen voor: Hendrik van Borsele, heer van
Veere 1474, diens vrouw Johanna van Halewijn, Wolfert van Borsele
1486, diens tweede vrouw Charlotte van Bourbon, Philips van Bourgondië
1498, Anna van Borsele, zijn vrouw, en Adolf van Bourgondië 1540.
Een belangrijk bezit van Veere is de verguld zilveren beker, met
kunstig drijfwerk versierd, door Maximiliaan van Bourgondië in 1551
aan de stad geschonken, onder voorwaarde, dat die nooit vervreemd of in
pand mag gegeven worden, in welke moeielijkheden de stad ook verkeert.
Onvergelijkelijk is het uitzicht van den Kampveerschen toren op
den omtrek. Daar vóór u ligt het Veersche Gat, met het in groenen
weerschijn schemerende water aan uw voet, dat verderaf opkleurt tot
zacht matblauw en van verre in schitterende glanzen opkabbelt tegen de
witte helling, waarmede Walcherens westelijke duinzoom uitsteekt naar
het noorden. En als gij u om wendt, ligt het schilderachtige eiland
vóór u, met die talrijke treffende tafereeltjes van eenvoudige
schoonheid, die dieper indruk maken dan het overweldigende
bergland. Dat zijn de wonderlichte landschapjes der Hollandsche en
Vlaamsche landschapschilders. Aan de overzijde ziet ge van verre
Noord-Beveland met zijn overal verspreid liggende hofsteden, welker
roode daken mooi tegen het frissche groen afsteken. En naar het zuiden
glinsteren de naakte schorren van het Sloe van verre, grijszwart,
terwijl nog verder de dam wordt ontwaard, die Zuid-Beveland met
Walcheren verbindt.
De contrasten van het kunstzinnig verleden met het heden maken Veere
tot een interessante plaats, die veel bezocht wordt en waar schilders
uit den vreemde vele elementen opdiepen voor hun scheppingen. Aan
de zuidzijde der haven vindt men nog eenige bezienswaardige
gevels, o. a. het Schotsche huis en het huis "Lammetje van Veere",
dagteekenend uit het midden der 16e eeuw. Eenige van deze monumenten
zijn door Haagsche kunstbevorderaars gekocht, om ze te bewaren in
hun oorspronkelijke gedaante.