MIDDELBURG.

De geschiedenis van de opkomst der steden is in geen gewest van

Nederland zoo nauw verbonden met die van de ontwikkeling der

bodemgesteldheid als in Zeeland. Daarom moeten wij met de laatste

aanvangen, om het ontstaan der steden te verklaren, en wij willen dit

thans in 't licht stellen voor Middelburg, de hoofdstad der provincie.

De geschiedenis van den bodem van Walcheren is die van de meeste

eilanden: langzamerhand is in de laatste eeuwen dit eiland uitgebreid

door aanwassen en inpolderingen. Gevormd tegen en gedeeltelijk uit de

zandplaat, waaruit de duinen in het westen zijn opgebouwd, was het

eiland in de dertiende eeuw van vele wateren doorsneden, die thans

schier alle verdwenen zijn, maar toch nog sporen van hun bestaan

hebben achtergelaten. Als men het eiland overziet, bemerkt men, dat

de bouwlanden het meest voorkomen in eenige smalle strooken, die als

armen het eiland doorsnijden. Dit gebruik van den grond wijst ons

de vroegere breede waterloopen aan, die eens door het land liepen,

doch later dichtslibden, bedijkt werden en door de zware klei het

best voor bouwland geschikt waren, terwijl het andere land meer als

grasland is gebruikt.

Een breed water, de Arne, liep oudtijds van het Sloe diep in

het eiland, en hieraan was in het midden van 't land een burcht

gebouwd, misschien een wapenplaats in den strijd tegen de Noorsche

zeeschuimers, die naar zijn ligging Middelburg werd geheeten. Onder

de bescherming van dit slot ontstond een dorp, dat naar den burcht

eveneens "Middelburg" werd genoemd. Op deze plek, veilig gelegen,

zoowel tegen de zee als tegen invallen van vreemden beschut, maar

toch geschikt voor de groote scheepvaart, ontwikkelde zich een druk

verkeer te water en daarbij een handel, die al vroeg op verre landen

gedreven en door de nabijheid van het levendige Vlaanderen gevoed

werd. Omstreeks 1383 ving de handel op Lombardije en Spanje voor

Middelburg aan, in 1393 op Portugal en in 1404 bepaalde Willem van

Beieren, dat geen goederen door Walcheren gescheept zouden worden,

tenzij zij eerst in Middelburg waren opgeslagen. Daardoor werd

Middelburg een belangrijke plaats met rijken handel, tevens met een

drukke weefindustrie, terwijl het verkeer door verdere voorrechten

werd bevorderd.

Aldus was Middelburg in de vroege middeleeuwen reeds een aanzienlijke,

rijke koopstad; in 1217 bezat zij een keur, waarin de stad genoemd

wordt een besloten veste, een oppidum, voorzien van een recht- of

raadhuis, waar de poorters met klokgeklep werden samengeroepen. En

die keur verwijst naar een vroegere, terwijl ook van elders bekend is,

dat Middelburg in de 12e eeuw een "villa franca" genoemd werd.

In het laatst der 16e eeuw nam de bevolking van Middelburg sterk toe

door het uitwijken van vele Hervormden uit de Spaansche Nederlanden,

zoodat alleen van 1584-86 tot de Hervormde gemeente 2300 lidmaten van

elders overkwamen. Toen vervolgens de vaart op Oost- en West-Indië

aanving, waaraan Middelburg aanzienlijk deelnam, was er spoedig geen

ruimte genoeg voor de snel vermeerderende bevolking en de bedrijven,

zoodat de stad herhaaldelijk moest worden uitgelegd. Bij de laatste

uitlegging tusschen 1570-1598 werd zij voorzien van aarden wallen,

waarvan na 1840 een gedeelte met plantsoen is beplant.

De vreemdelingen, die uit de Zuidelijke Nederlanden zich te Middelburg

vestigden, hebben niet weinig tot den bloei der stad bijgedragen. Het

waren ondernemende lieden, vurig in geloof, dat van geen wijken

wist, maar ook energiek in hun handelen, niet wankelmoedig, als een

tegenstroom hun plannen bemoeilijkte. Zij stortten een krachtig,

nieuw leven uit in de geheele bevolking, en daardoor loken handel en

nijverheid op tot een vroeger ongekenden bloei. Kooplieden als Ten

Haefs, de Moucheron's, Coolen e. a. deden de Middelburgsche vlag met de

Bourgondische kleuren: geel, wit en rood, op alle zeeën wapperen. In

de vroegste tochten der Nederlanders op Indië hadden deze handelaren

een belangrijk aandeel; met klokgelui en feestgezang werden in 1599

de eerste Oost-Indievaarders: "De Lange Berdsche" en "De Zonne"

verwelkomd. En toen later de afzonderlijke maatschappijen voor de

vaart op Indië tot de groote "Vereenigde Oost-Indische Compagnie"

samensmolten, was de Kamer van Zeeland te Middelburg van niet geringe

beteekenis. Daarvoor werd in 1670 het kolossale Oost-Indische Huis

gebouwd op de Rotterdamsche Kade. Ook in de West-Indische Compagnie

had Middelburg een aanzienlijk aandeel; deze Compagnie bezat hier

een eigen gebouw in de Langedelft.

Kooplieden, rijk geworden door den Indischen handel, bouwden hier

huizen als paleizen. Een dergelijk gebouw was "de Gouden Sonne" met

kostbaar bewerkten en rijk versierden gevel van basreliefs in gehouwen

steen, in 1628 gebouwd door Guililmo Quirijnssen, een Middelburgsch

koopman, later door den Engelschen Koning tot ridder-baronet verheven.

Doch 't ging den handel niet steeds voor den wind. Hij schommelde

in de 17e en 18e eeuw op en neder. Daarbij kwam, dat de verzanding

van de haven de geographische ligging van Middelburg deed

achteruitgaan. Telkens had men daarmede gesukkeld en verbeteringen

hierin gebracht.

De eerste haven van Middelburg werd omstreeks 1100 gegraven, van

de groote reede af, die destijds te Arnemuiden was. De tweede werd

gegraven volgens octrooi, door Karel V verleend in 1530, en in 1535

geopend. Deze kwam in een rechte lijn uit het kanaal van Welzinge,

doch was spoedig onbruikbaar door de dichtslibbing. In 1610 verkreeg de

stad verlof voor den aanleg van een nieuwe haven. Doch de naijver van

Vlissingen en Veere belette het totstandkomen daarvan en vruchteloos

werden er veel sommen gelds verspild, om de oude haven diep te houden.

Door den slechten toestand der haven, in verband met de veranderde

tijdsomstandigheden, ging de handel van Middelburg achteruit;

de scheepvaart verliep. In de 14e, 15e en 16e eeuw was Middelburg

herhaaldelijk uitgelegd, maar in 1593 had de stad haar hoogsten bloei

bereikt. Zij stond nu stil en ging allengs kwijnen. In het laatst

der 16e eeuw telde Middelburg 30000 inwoners, in 1739 nog 25000;

in 1796 had het niet meer dan 20146, welk aantal nog verminderde tot

13000 in 1822.

Wel trachtte Koning Willem I Middelburg op te beuren en verkreeg

de stad in dien tijd een nieuwe haven, in 1817, doch deze voldeed

niet. Eerst met het graven van het kanaal door Walcheren, in 1873,

heeft Middelburg een betere verbinding met de Schelde verkregen. Maar

het getij was thans verloopen en de eens zoo fiere stad heeft van

haar vroegere handelsbeteekenis weinig teruggewonnen. Middelburg

is meer een marktstad voor het eiland gebleven met slechts eenigen

buitenlandschen handel, doch de laatste is onbeduidend. Het aantal

inwoners nam slechts langzaam toe. In 1830 bedroeg het 14700, in 1850:

15800, in 1890: 17100 en in 1900: 18800.

Van het rijke verleden heeft Middelburg nog onderscheidene

herinneringen in het stadsbeeld en vele aanzienlijke gebouwen

bewaard. Duidelijk ziet men, dat Middelburg een oud-aristocratische,

stad is en voorheen bepaald deftig en rijk moet geweest zijn. Talrijke

oude burger- en heeren-woonhuizen, waarvan vele thans van bestemming

veranderd zijn, vertoonen nog genoegzame sporen van de ruimte van

middelen, waaruit ze gebouwd werden. Vele huizen in Middelburg bezitten

nog fraaie onderdeelen, zooals gevelankers, cartouches, slotplaten,

gebeeldhouwde draagstukken onder de goten, deuren, poortjes, enz.,

terwijl menig aardig trapgeveltje gunstig afsteekt tegen de platte,

vormlooze lijsten van lateren tijd. Door dit alles was Middelburg een

artistieke stad geworden, die geroemd werd als "de schoonste bloeme in

't Zeeuwsche priëel".

Wij wenden ons vóór alles naar het midden der stad.

De groote markt is een der ruimste stadspleinen in ons land, 7800

M2. oppervlakte, waarop acht straten uitkomen. In zeer ouden tijd

verrees hier de St. Maarten- of West-Monsterkerk, die reeds in 1188

bestond, doch in 1575 wegens bouwvalligheid werd afgebroken. In de

afbeelding op de volgende pagina wordt de markt voorgesteld, zooals

zij gezien werd ten jare 1605. De afbeelding is een photographische

reproductie op ruim 1/4 der grootte van een teekening in O.-I. inkt,

voorkomende in de Zeelandia Illustrata; zij geeft daar de samenvatting

van de Markt met het Raadhuis, de pomp en het versterkte huis Domburg,

terwijl nog tal van houten en geluifelde geveltjes met de huifkar

en het costuum dier dagen een kijkje bieden op het stadsleven in het

begin der 17e eeuw.

Vele der gebouwen, welke de plaat te zien geeft, zijn verdwenen. Maar

nog altijd verrijst daar het prachtige Raadhuis met de Vleeschhal

er naast.

Het stadhuis te Middelburg vervangt een vroeger, in 1468 gebouwd,

dat in 1492 door brand vernield werd. De voor- en westelijke zijgevel

zijn gebouwd in 1512-1513, de toren van 1507-1513, de vleeschhal

1513-1518. De kunstenaarsfamilie Kelderman: Anthonius Kelderman,

de oude, diens zoon Anthonius, Joos Kelderman, Rombout van Mansdale,

gezegd Kelderman, allen van Mechelen, en Mattheus Kelderman van Leuven

waren de bouwmeesters; verbouwd en uitgebreid werd het stadhuis nog in

1670 en 1780-84. De 25 beelden in den gevel zijn gemaakt in 1514-1518

door Michiel Ywyns uit Mechelen.

De gevel van het stadhuis kan als een van de schoonste overblijfselen

der latere Gothiek beschouwd worden, toen de invloed der Renaissance

reeds merkbaar was. Door zuiverheid der lijnen en harmonie der

deelen kan hij als een der beste typen van dien bouwvorm worden

aangemerkt. De voorgevel is van Bentheimer steen en buitengewoon

rijk versierd met lijsten, rosetten, consoles en steenen loof- en

kantwerk. In den gevel vindt men vijf en twintig bijna levensgroote

beelden der graven van Holland, beginnende met Dirk V en eindigende

met Karel V. Oorspronkelijk waren die figuren gekleurd en verguld;

dit is later weggelaten. De toren is 55 meter hoog; een zeeridder

dient tot windwijzer.

Inwendig was het stadhuis niet minder grootsch ingericht dan uitwendig:

dat blijkt nog uit de teekenachtige vierschaar, in 1639-40 gebouwd

door Mahy van Seel. Doch in het begin der 19e eeuw is het schoone

binnenwerk door muurtjes en beschotten weggeknutseld en bedorven. Eerst

toen in het laatste kwart der 19e eeuw de stedelijke geldmiddelen door

liquidatie der weeskamers en de opheffing der wisselbank eenigszins

werden versterkt, kon men er toe overgaan, om met krachtige staatshulp

den bouwvalligen toren weder te herstellen. En na opheffing van het

Provinciaal Gerechtshof in Zeeland en de daarop gevolgde verhuizing

der rechtbank kwamen in het stadhuis eenige ruime vertrekken vrij,

welke toen werden ingericht voor de verzameling der stedelijke

oudheden. Daar werd ook de reeds genoemde, kunstig met eikenhout

bewerkte vierschaar geplaatst.

Het is een rijke verzameling van kunstprodukten uit den bloeitijd der

historie. Men ziet er sierlijk met lofwerk en figuren gebeeldhouwde

portalen, kasten en deuren, waaruit de kunstontwikkeling der

16e en 17e eeuw spreekt; fraai beschilderde glasramen; met smaak

gestikte vaandels; wapenen en oude muziekinstrumenten, alsmede eenige

doelenstukken met portretten van fiere schutters. In een der glazen

toonkasten kan men de oorspronkelijke keur zien, in 1253 door den

Graaf en Koning Willem aan Middelburg gegeven, een der oudste in het

Nederlandsch geschreven staatsstukken, zoo niet het oudste. In een der

kamers vindt men de portretten van de Evertsens, "een heldengeslacht

zonder weerga", waarvan de admiralen Jan en Cornelis Evertsen wel

het meest bekend zijn. De laatste kon een maand voor zijn sneven in

's lands vergaderzaal getuigen:

Vier mijner broeders en mijn vader en mijn zoon

Zijn strijdend voor 's lands recht gesneuveld.

Wanneer men van de Markt de lijn van de stoomtram naar Vlissingen

volgt, komt men door de "Langeviele", waar de fraaie gevel van

het huis "De bonte Olymolen" de aandacht trekt. De gevel is in

1899 gerestaureerd. Dit huis en het huis "de Vijgeboom" op de

Markt, waar het "Bureel der Vereeniging tot bevordering van het

Vreemdelingenverkeer" gevestigd is, zijn de eenige antieke gebouwen

met luifels in Middelburg.

Wij richten thans onze schreden naar de meest klassieke plek van

Middelburg, de Abdij.

Nauw verwant aan de geschiedenis der stad is de O. L. Vrouwe of

St. Nicolaas-abdij. Met zekerheid valt niet te zeggen, wanneer zij

gesticht is. Volgens sommigen vond de bouw der Abdij plaats in 1106

en ging zij in 1125 of 1128 reeds over aan de Norbertijnen. Volgens

anderen zou zij gesticht zijn in 1123 door den prior van Wormezeele,

Albaldus, die als eerste abt optrad en er in 1130 werd begraven.

Het eerste gebouw der Abdij schijnt niet zeer veel weerstand te

hebben kunnen bieden aan den tand des tijds, want in 1156 was het

sterk beschadigd en bleek herstel reeds noodzakelijk.

Willem II, de Roomsch Koning, was Middelburg goed gezind en schonk de

Abdij bijzondere rechten en gunsten, terwijl hij ruime giften toestond

tot den herbouw, die met veel pracht kon worden uitgevoerd. De rijkdom

der Abdij werd vervolgens zeer vermeerderd door Graaf Willem III en

andere aanzienlijken en zij verkreeg aldus bezittingen van grooten

omvang over verschillende landstreken.

De Abdij werd als zoodanig opgeheven door Paus Paulus III den 12en Mei

1559, wegens de oprichting van het bisdom Middelburg. De toenmalige

abt van de Abdij, Nicolaas de Gastro, werd _de_ eerste bisschop van

Middelburg. Doch niet lang mocht hij den bisschopshoed dragen; hij

stierf in 1573 tijdens het beleg der stad. Het Katholicisme had toen

in Middelburg zijn tijd gehad; zijn opvolgers konden den zetel niet

meer innemen, doordien alles aan de Hervormden was overgegaan.

Sedert was het met den glans der Abdij gedaan en een treurige tijd

van vandalisme brak aan voor dit monument uit het verleden. Hoewel

de Abdijgebouwen nog een merkwaardig geheel vormen, zijn toch overal

de sporen te bemerken van de vernielzucht en onkunde, welke deze

eens zoo schoone stichting beschadigd en het smaakgevoel beleedigd

hebben. Om onbeduidende redenen werden torentjes gesloopt, prachtige

kruisgangen weggebroken.

De Abdij werd in de 18e en in de eerste helft der 19e eeuw

geheel bedorven en verwaarloosd, zoodat men haar nauwelijks meer

herkende. Sedert 1884 is men echter dit schoone gebouw onder

toezicht van den kunstlievenden architect voor de Rijksgebouwen,

J. A. Frederiks, weder in zijn ouden toestand gaan herstellen. Veel

is daaraan reeds geschied.

De schoone hoofdpoort heeft haar ouden vorm herkregen. In de

hoofdgebouwen aan de zuidwestzijde, het zoogenaamde paleis, woonde de

abt, later de bisschop, en tijdens de Republiek noemde men die "het

logement van den Graaf van Zeeland". Tegenwoordig dient dit "paleis"

als woning van den Commissaris der Koningin, tevens tot verblijf van

de koninklijke familie bij een bezoek aan Middelburg. Daaraan grenst

de vergaderkamer der Staten van Zeeland,

de deftige zale,

Waar menige zeestrijd herleeft op den wand,

en waar het "saevis tranquillus in undus", "rustig te midden der

golven" boven den schoorsteen te lezen staat.

Dit was eens de eetzaal of reefter der Abdij, waar in haar bloeitijd

menig vorst, die de Abdij bezocht, heeft aangezeten met zijn

schitterenden stoet. Hier belegde Filips de Schoone, vóór hij in 1505

naar Spanje vertrok, een kapittel der ridders van het Gulden Vlies.

De vergaderzalen der Staten van Zeeland in de Abdij zijn hoogst

interessant, niet alleen door hun restauratie in ouden stijl,

maar bovenal omdat zij weder zijn "aangekleed", ten deele door

de wederophanging der gobelins en verder door een viertal groote

schilderstukken van Ferdinand Bol (1616-1680).

Men vindt er thans zeven gobelins, alle oorspronkelijk op last der

Admiraliteit van Zeeland vervaardigd in de fabriek van Jan de Maeght

te Middelburg, ter versiering van haar lokalen. Al deze stukken zijn

nu gerestaureerd. De meeste stellen zeeslagen voor, een bijzonderheid,

want gobelins met schepen zijn zeldzaam.

Aan den grooten wand van de Statenzaal hangen de drie grootste. Links

ziet men de afbeelding van den slag bij Bergen-op-Zoom (31 Januari

1574, onder Romero en Boisot). Dan volgt achter den zetel van den

voorzitter de slag bij Lillo, waar door de Zeeuwen een overwinning werd

bevochten op 23 Spaansche oorlogsschepen; rechts hangt de zeeslag op 't

Sloe, waarop men de kust van Walcheren met Veere en het fort Rammekens

ziet. De kleuren van het middenstuk zijn veel helderder dan die der

beide andere, waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat het zoo langen

tijd opgeborgen bleef en dus niet aan het licht was blootgesteld.

Het schoorsteenstuk aan den wand bij den ingang geeft een portret

van Willem den Zwijger te zien, met het wapen van Zeeland en die van

verschillende steden uit de provincie er omheen.

Daarnaast hangt de afbeelding van 't z.g. admiraalschip, een gobelin,

dat één geheel vormt met een ander, waarvoor echter geen plaats was

in deze zaal, zoodat het met het zevende gobelin is gehangen in de

voorkamer, die leidt naar een van de sectiekamers boven.

Den grootsten indruk maken echter de vier kolossale doeken van

Ferdinand Bol, aangebracht in de sectiekamers. Zij zijn oorspronkelijk

geschilderd als wandversieringen in een heerenhuis te Utrecht en

later aan het Rijk geschonken.

In de andere gebouwen der Abdij zijn gevestigd: het Rijksarchief, het

Polderbestuur van Walcheren en de bureaux der Provinciale Griffie. Een

prachtig gedeelte vormen de zuilengangen rondom het plein van de

Munt der grafelijkheid van Zeeland; niet minder schilderachtig is de

noordzijde met haar krans van slanke torens.

Het stille binnenplein, omringd door zooveel gebouwen in schoonen

stijl, is een eenig stadsgedeelte, bekorend door ernstige rust. Op de

Abdijplaats werden menigmaal, al wandelend onder de statige olmen en

linden, die het plein overschaduwden, door de vertegenwoordigers van

den Eersten Edele en de stemhebbende steden de belangrijke staatszaken

besproken, waarover men had te beslissen. En in vroeger eeuwen kunnen

wij ons voorstellen, dat daar de abt met de aanzienlijke geestelijken

zich dikwijls verpoosde, als hij niet buiten kon zijn op het landelijk

Westhoven aan de duinen.

Bij de Abdij sluit zich de vroegere Kloosterkerk aan, die in 1575 den

naam van Nieuwe Kerk heeft verkregen, waaronder zij nog bekend is. De

naam Nieuwe Kerk heeft geen betrekking op de stichting der kerk, want

zij is van vroeger dagteekening dan de zoogenaamde Oude Kerk, die

in het midden der 19e eeuw werd afgebroken. De Nieuwe Kerk is echter

later dan de Oude Kerk door de Hervormden tot hun eeredienst geopend,

nl. den 1en April 1575; op dien dag althans is er het eerst door de

Hervormden in gedoopt. Vóór de Kerkhervorming droeg zij den naam van

"Oostmonster", als een der drie parochiekerken der stad. De andere

waren de Noordmonster of St. Pieters (Oude) Kerk en de Westmonster,

die op het midden van de Markt stond en in 1575 is afgebroken. Van

deze was de Nieuwe Kerk of de Abdij- of Kloosterkerk, gelijk zij ook

heette, verreweg de voornaamste, want zij was het heiligdom van de

rijke Abdij. Men mag aannemen, dat de bouw dezer kerk in het midden

der 12e eeuw heeft plaatsgevonden, toen ook de Abdij gegrondvest werd,

hoewel met het toenemen van den rijkdom der Abdij ook de kerk zal

zijn uitgebreid. De kerk was destijds gewijd aan de Maagd Maria.

Toen het gedeelte ten oosten van den toren er was bijgebouwd--wij weten

niet wanneer--dat thans is afgesneden en den naam Koorkerk draagt,

was de Middelburgsche Abdij-kerk een groote en prachtige kerk, die

hoog geroemd werd wegens haar prachtige altaren, kunstige beelden en

rijke inrichting. Geen gering deel van haar luister had zij te danken

aan Willem II, den Roomsch-Koning, die haar met geschenken overlaadde

en wiens stoffelijk overschot binnen deze muren moet rusten. Wel werd

de schoone kerk in 1492 door brand zwaar geteisterd, maar rijkdom en

godsdienstliefde deden haar weldra schooner en prachtiger dan te voren

herrijzen. De mildheid van den abt Maximiliaan van Bourgondië schonk

de kerk een zeer beroemd altaarstuk, in 1524 door Jan van Maubeuze

geschilderd, de afneming van het kruis voorstellend. Toen Albrecht

Dürer in Antwerpen vertoefde, maakte hij, alleen om dit stuk te zien,

een reis naar Middelburg en hij verklaarde in de Nederlanden geen

kunststuk te hebben aanschouwd, dat hiermede te vergelijken was.

De abt Floris van Schoonhoven liet in de kerk een prachtige graftombe

voor Graaf Willem II oprichten, den Graaf, aan wien Zeeland en bovenal

Middelburg en de Abdij veel te danken hadden.

Doch niet lang zou die heerlijkheid meer duren. De beeldstormerij

sloeg in 1566 haar woeste handen aan de Abdijkerk en nevens beelden en

schilderijen werd ook de kostbare tombe verbrijzeld door breekijzer

en hamerslagen. In 1567 tastte het vuur des hemels door brand aan,

wat nog gespaard of verborgen was; het kostbare altaarstuk verbrandde

bij die gelegenheid. En toen in 1575 de kerk aan de Hervormden kwam,

werd het laatste weggeruimd, wat nog aan den prachtigen Katholieken

eeredienst herinnerde.

De stijve eenvoud van het Calvinisme heeft de kerk jaren lang in een

somberen toestand gehouden. Het koor was afgesloten en de kerk bestond

alleen uit het voormalig schip, een langwerpig vierkante ruimte,

met twee rijen pilaren, zonder verwulf of koperwerk, slechts met

een beschoten dak. In 1603 had de kerk weder een orgel, doch in 1712

werd zij opnieuw door het hemelvuur in brand gestoken en grootendeels

vernield. Na twee jaren evenwel werd de kerk herbouwd.

Spoedig daarna verkreeg zij den predikstoel, dien men er nog

vindt. Gedurende de 19e eeuw werden eenige pogingen aangewend, om de

kerk te verfraaien.

De tombe op het graf van Graaf Willem II was bijna geheel vernield

geworden, doch in 1817 werd de plaats toevallig ontdekt in een der

kapellen. Daarna werden door het Rijk in 1820 tegen den noordelijken

muur der kerk twee gedenksteenen geplaatst, ter eere van Graaf Willem

II, en het gebeente werd hieronder later weder begraven.

In deze kerk vindt men het schoone, marmeren praalgraf der admiralen

Evertsen, een monument, dat de Staten van Zeeland terstond na het

sneuvelen van Cornelis Evertsen besloten op te richten. Aanvankelijk

was het in de Oude of St. Pieterskerk geplaatst, waar het aan

verwaarloozing ten prooi was; door het Zeeuwsch Genootschap,

dat zooveel deed voor het behoud van merkwaardige gedenkstukken,

werd bewerkt, dat het hersteld en overgeplaatst werd in deze kerk in

1818. Het gedenkteeken is het werk van Rombout Verhulst, van 1680-82

gebeiteld. Op twee donker gekleurde grafsteden rusten de wit marmeren

beelden der beide zeehelden, in volle wapenrusting, met den staf

van gezag in handen. Het vroeger Latijnsche grafschrift werd bij de

verplaatsing door het volgende Nederlandsche vervangen:

TER EEUWIGE NAGEDACHTENIS

VAN DE

ONSTERFELIJKE ZEEHELDEN

DE GEBROEDERS

JOHAN EN CORNELIS EVERTSEN

LUITENANT-ADMIRALEN VAN ZEELAND

BEIDEN

STRIJDENDE VOOR HET VADERLAND

GESNEUVELD

IN DEN JARE _MDCLXXVI_.

In 1842 werd door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in deze

kerk een gedenkteeken opgericht ter eere van Adrianus Junius, den

geleerde, dien Lipsius na Erasmus voor den geleerdsten Nederlander

verklaarde, in 1575 in het koor van deze kerk begraven.

Het inwendige der kerk heeft in 1846 een geheele verandering ondergaan.

Het uitwendige der kerk werd door de haar omsluitende huisjes te veel

aan het oog onttrokken. Een daarvan, dat reeds lang is afgebroken,

was de woonplaats van Zacharias Janse, den uitvinder der verrekijkers:

een arduinsteen, in den kerkmuur gemetseld, zegt:

Tegen dezen muur stond het Huis

van

ZACHARIAS JANSE

Uitvinder der verrekijkers

in den jare MDXC.

Aan de noordzijde der beide kerken bevindt zich het kleine Binnenhof,

het zoogenaamde Muntgebouw. Vroeger was dit met kruisgangen versierd,

die in 1827 noodeloos werden afgebroken. Gelukkig heeft men de

overblijfselen daarvan teruggevonden, zoodat zij thans in den ouden

toestand hersteld werden, en, gelijk wij reeds zeiden, een prachtig

geheel vormen.

Tusschen de Oud-Munster of Nieuwe Kerk en de Koorkerk is de hooge

toren gebouwd, in den volksmond Lange Jan geheeten, die zich tot 86

Meter hoogte verheft. Deze toren van achthoekigen vorm dagteekent

uit het eind der XVe eeuw; na den brand van 1712 werd hij schooner

dan vroeger gerestaureerd; de houten spits is van 1713-1720. Iets

meer dan de helft der hoogte is van steen, het overige van meest met

koper beslagen hout, vervaardigd.

Van de "Lange Jan" heeft men een schilderachtig uitzicht over den

naasten omtrek der stad en verder over het geheele eiland. Men ziet,

hoe Middelburg in een krans van veelkleurig groen is vervat, dat over

de vroegere bolwerken in schilderachtige lanen kronkelt, te midden van

zacht hellende gras- en bloemperken. En verderaf, den straal van het

gezichtsveld uitbreidend, liggen de welige akkers en grazige weiden,

de dichte bosschen en schilderachtige dorpen. Ver in het westen

slingert een grijswitte streep, bochtig opbuigend langs den horizon:

dat zijn de duinen, die het eiland aan den zeekant begrenzen.

Bij helder weer ziet men in het zuiden de breede Schelde als een

glinsterend lint den landzoom omslingeren en van verre ontdekt het

gewapend oog zelfs den toren van Antwerpen.

De St. Jorisdoelen is een societeitsgebouw op korten afstand van de

Abdij, aan een plein, "de Balans" genoemd. Dit gebouw, een herinnering

aan krachtig ontwikkelden burgerzin, werd in 1582 voltooid, maar toen

de staatkundige invloed der schutterijen afnam, ging de Doelen te

niet en bleef er alleen een uitspanning van over, waar nog in het

midden der 18e eeuw in den tuin ridderspelen en optochten plaats

hadden. Sedert 1758 werd hier een societeit gehouden en thans dient

het gebouw, dat in 1894 gerestaureerd is in den oorspronkelijken stijl,

daartoe nog. De mooie gevel drukt een gezelligen stempel op dit gebouw

en dat binnen deze muren ook gezelligheid kan heerschen, is bekend.

Tegenover den St. Jorisdoelen ziet men aan het "Balans-plein" nog drie

antieke gevels, waarvan in 1896 twee geheel in den oorspronkelijken

stijl van het begin der 16e eeuw zijn opgetrokken, dank zij den

onbekrompen kunstzin van Mr. G. N. de Stoppelaar. Een ervan werd in

1896 hersteld door de provincie om te dienen voor den Provincialen

Waterstaat. Een antiek poortje met gekanteelden muur geeft tot dit

laatste toegang. Op het plein is in 1894 een fontein geplaatst,

ter eere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan de stad.

Van de oude gebouwen, die in Middelburg bezienswaardig zijn door

hun stijl, noemen wij nog: het huis "de Gouden Sonne", in de Lange

Delft, schilderachtig en rijk versierd met cartouches, basreliefs,

wapenborden enz., thans een restauratie; de Morgensterre en het

O.-Indisch Huis, beide aan de Rotterdamsche kade, het huis de

Steenrots, (zie de fig. op pag. 258) aan de Dwarskaai, in 1590 in

Vlaamschen Renaissance-stijl gebouwd, met veel reliefvoorstellingen

uit het Oude en Nieuwe Testament. In de Noorderstraat wijst tegenover

het Postkantoor een gevelsteen het gebouw aan, waar Jacob Cats van

1603-1623 verblijf hield.

Een belangrijke instelling, welke veel heeft gedaan, om de kennis

van Zeeland en van de Zeeuwsche geschiedenis te onderzoeken en uit te

breiden, is het "Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen", dat van Prins

Willem V af Nederlandsche vorsten tot Beschermheer heeft. In 1769 werd

het te Vlissingen opgericht, waar het uit een Fransch leesgezelschap

voortkwam. In 1801 werd deze inrichting naar Middelburg overgebracht

en gevestigd in het zoogenaamde "Museum Medioburgense". Dit museum was

een stichting van Johan Adriaan van de Perre, vertegenwoordiger van den

Eersten Edele van Zeeland, een vermogend beschermer der wetenschappen

en zijn tijd verre vooruit. Deze vatte in het laatst der 18e eeuw het

voornemen op om de verschillende wetenschappelijke instellingen in

Middelburg tot één gebouw te vereenigen en daardoor nuttige kennis

te verspreiden onder de bevolking. Voor dat doel liet hij ook een

planetarium vervaardigen. Van de Perre, die reeds "University

Extension" wilde, vóór aan dit woord gedacht werd, kon wegens

vroegtijdig overlijden zijn plannen slechts gedeeltelijk uitvoeren.

De verzamelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen zijn

thans geplaatst in een ruim gebouw, in 1889 door een kunstvriend

aan het Museum geschonken. Belangrijk zijn de overblijfselen

van reusachtige dieren, opgevischt uit de Zeeuwsche stroomen, de

geloftesteenen, sieraden, munten en andere voorwerpen, opgedolven

aan het strand te Walcheren. De "Zeelandia illustrata" bestaat uit

een rijke collectie kaarten, platen, teekeningen, enz., betrekking

hebbende op Zeeland, hoofdzakelijk bijeengebracht door Mr. J. Verheye

van Citters (1769-1823), en door het Genootschap gekocht.

De oud Zeeuwsche kamer, door het Genootschap in 1882 ingericht,

geeft ons een blik op het eigenaardig huiselijk leven op dit eiland

in vroeger tijden en vormt een tegenhanger van de bekende Hindelooper

kamer.

Wenden wij ons thans naar den buitenkant. Voorheen had Middelburg

acht poorten, welke thans alle, met uitzondering van de Koepoort, zijn

verdwenen. Deze poort doorgaande vindt men een schilderachtig bruggetje

over de vest, dat de gemeenschap met den Singel onderhoudt. Tusschen

die poorten vond men oudtijds bolwerken met breede grachten en

daarlangs loopende buitensingels. Op enkele dier buitensingels zijn in

den laatsten tijd nette villa's verrezen. Van de bolwerken heeft men

op vele punten prachtige uitzichten over het Walcherensche landschap,

met zijn Arcadia-achtig karakter.

Wij verlaten thans Middelburg onder den indruk, dat het een zeer

interessante stad is, veel te weinig bekend in ons vaderland. Nog

werpen wij een blik op den buitenkant, op het bolwerk en de grachten,

die tal van schilderachtige partijen aanbieden (zie de afbeelding op

pag. 257) en nemen afscheid van deze stad met de woorden, die Beets

aan Middelburgs wapen wijdde:

Op aadlaars-borst rust, Middelburg!

Uw burg van goud en keel;

Uw naam worde, als op aadlaars vlerk,

Gedragen door het luchtig zwerk,

Naar 's werelds verste deel.

Op aardlaars-borst praalt, Middelburg!

Uw schild met glans en gloed;

Geen arends-oog ontdekte een vlek,

Maar arends-klauw en arends-bek

Waak' voor uw goed en bloed.

De Keizerskroon, die 't hoofd versiert

Uws Arends, schittert schoon;

Maar schooner en tot eedler vreugd

Blink' 't eikenloof der burgerdeugd

Rondom uw stedekroon.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 43 / 74 题