WALCHEREN

Roem vrij, o Holland! op uw schatten,

Noem u de kroon van Neerlands macht,

En blijf het rijk tresoor bevatten

Van 't geen de kunst heeft voortgebracht;

Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen,

Verhef u vrij op al uw schoon,

En sprei uw heuvlen en uw dalen

Voor 't opgetogen oog ten toon;

Maar laat geen trotschheid u verleiden,

Als hieldt ge alleen den staf in hand:

Ook elders prijken bosch en weiden,

Ook elders vindt ge een lustwarand.

Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen,

En zet uw voet op Walchrens grond,

Waar de olmen fier zijn vest omzoomen,

Die pal voor Spanje's heerschzucht stond.

Wend daar langs kaai en wal uw schreden,

En richt uw blik naar 't Raadhuis heen:

Daar toont verbeelding u 't verleden,

Daar prijken nog der vaadren zeên.

En gaat gij dan uit spelemeien,

Waar 't voorgeslacht reeds vreugd in vond,

Dan leert ge er in de gulle reien

De waarheid van 't "goed Zeeuwsch, goed rond"!

Dan klimt gij op de hooge duinen,

De vesting, die het land omzoomt,

En schouwt met wellust van hun kruinen

Het welig groen en dicht geboomt.

Dan zegt gij: heerlijke landouwen,

Ook gij, bekoorlijk lustwarand,

Moogt roemen op uw schoonste vrouwen,

Ook gij zijt Neêrlands diamant.

P. Bosscha. 1839.

'k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen,

'k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust;

't Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwen

En heeft bewondrend gestaard op uw kust.

S. J. v. Den Berg.

Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld

Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei

vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om

de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten

van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk

Napoleon noemde Walcheren "een aardsch paradijs"; in den mond van

velen is het "de tuin van Zeeland", en wegens zijn vierkanten vorm te

midden van de wateren spreekt men dichterlijk van "een fraaie bloem

op een schaal van zilver".

Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen

het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des

tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in

een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen

van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.

Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen

een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte

schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke

landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de

schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In

het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74

buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in

boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later

nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer

dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den

Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon

trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland,

om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.

Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet

meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere

en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke

kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of

aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland,

maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.

Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18e eeuw

herinnerd als op Walcheren. "Als men de smalle, kronkelende wegen

volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en

daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid

of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van

rechte lanen of wegen; wanneer men die lange risten van zeven of acht

gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in

stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist,

de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort

gespitste torens in het vriendelijk groen--dan denkt men onwillekeurig

uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18e

eeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen,

in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit

den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: "'t dorp Serooskerke

op Walcheren, 1747", aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken

van dit eiland weer.

Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur,

die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme

heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling,

die niet vermoeit, maar opwekt.

En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt

maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van

de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.

Door Walch'rens hof ruischt d' echo van de zee;

De zwoele nachtwind zendt die zoete klanken

Terug naar 't hooge helm, dat met de ranken

Der wilde winden fluistert van de zee.

Het licht der kusten flikkert langs de zee,

Door wolkensluiers glimm'ren bliksemspranken,

Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken,

De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.

De roode maan rijst boven donkre kruinen,

De starren fonklen boven donkre duinen,

Een roode slang schiet over 't zwart kristal.

Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in 't duister,

En Zeus keert lichtend naar der goden hal,

Zijn echo is de zee--in 't phosphorluister,

zong Louise v. Nagel.

Het uiterlijk van het Walcherensche landschap komt in vele opzichten

met dat van Zuid-Beveland overeen, maar vertoont toch ook kenmerkende

verschillen. Het aantal dijken op Walcheren is minder; men kan zien,

dat het niet in die mate als Zuid-Beveland in de laatste eeuwen

stukje bij stukje op de zee is veroverd, al vindt men daarvan in het

oosten ook voldoende voorbeelden. Ook is Walcheren in alles netter

afgewerkt en draagt het als land achter de duinen niet zoo sterk een

polderlandskarakter. De meer onregelmatige indeeling van den bodem

met de gebogen grenzen der landen en kronkelende wegen wijst op een

hooger ouderdom der inbezitneming van den grond dan bij de meeste

deelen van Zuid-Beveland; de kleinere grasvlakten, omboord met groen

en bloemen, en de talrijker hofsteden, weggescholen onder het loover,

nog afgewisseld door enkele buitens en landhuizen, geven Walcheren

een ander karakter.

Dat Zeeland reeds vroeg bewoond was, blijkt uit de vluchtheuvels of

hillen, welke er op alle oude eilanden worden gevonden, maar bovenal

op het eiland Walcheren. Deze vluchtheuvels onderscheiden zich van

de Friesche terpen, doordien het kleine, afgeronde heuvels zijn,

niet groot genoeg, om er dorpen op te bouwen, zooals op terpen en

wierden, maar enkel dienende, om er met het vee van het lage omliggende

land tijdelijk op te vluchten bij hooge vloeden. Zij wijzen er op,

dat de oude eilanden door veehouders bezocht werden met hun vee,

vóór de dijken bestonden, en dat toen van tijd tot tijd het land

overstroomde. Waarschijnlijk hadden de oudste bewoners zich voor

vast gevestigd aan den duinkant, zoodat zij van daar des zomers met

hun vee over de onbedijkte schorren en slikken trokken en bij hooge

vloeden zich op de vluchtheuvels terugtrokken.

De verbreiding dier oude vluchtbergen werd door Dr. de Man in kaart

gebracht. Vele er van zijn afgegraven, doch op Walcheren vindt men er

nog ruim een twintigtal. Bovenstaand plaatje geeft een afbeelding

van een goed bewaarden vluchtberg te Boudewijnskerke. Een niet

betrouwbare overlevering zegt, dat hij gebouwd zou zijn op de plek,

waar de evangelieprediker Willebrord een afgodsbeeld van Wodan had

stukgeslagen voor de oogen der beangste bewoners.

De bevolking van Walcheren verschilt in aard en karakter met die van

Goes. Wij hadden reeds gelegenheid, op te merken, dat de bewoners

van schier alle eilanden zelfstandige of gedeeltelijk aan naburige

landschappen ontleende eigenschappen bezitten. Op Tolen vindt men

eenigszins den Noord-Brabantschen karaktertrek, op Schouwen iets van

het Hollandsche overgeplant.

Dat op Walcheren, met zijn eens zoo talrijken adel, die meest

uit het buitenland afkomstig was, met zijn vroeger zoo levendige

buitenlandsche scheepvaart, vreemde invloeden zich bij de bevolking

hebben doen gelden, lijdt geen twijfel. Dit blijkt uit de vele sporen,

dienaangaande overgebleven, alsmede uit de namen van onderscheidene

buitens en landhuizen. Voor niet lang trof men op Walcheren een

landhuis aan met het opschrift: "I am fond of a country life" en op

een ander: "This plan is my quite satisfaction", herinneringen aan

't verblijf der Engelschen in 't begin der 19e eeuw op dit eiland. Een

hofstede bij Nieuwland heette: "Nihil sine labore", d. i. Niets zonder

arbeid; een andere bij Vrouwenpolder: "Macte animo", d. i. Houd

moed; een andere onder Serooskerke had tot opschrift: "De gustibus

non est disputandum", d. i. Over den smaak valt niet te twisten. Een

hofstede onder Vlissingen drukt de berusting des eigenaars uit in de

woorden: "Fiat voluntas Dei", d. i. Uw wil geschiede, Heer. Namen en

opschriften als: "Bon repos", "Favorite", "l'Espérance", "La maison

de haute montagne", kon men hier vinden in het vlakke land. Maar

die invloed van buiten is op Walcheren, evenals op elk ander eiland,

zelfstandig tot ontwikkeling gekomen en heeft bij deze bewoners een

eigen geaardheid doen ontstaan.

De Walcherensche plattelandsbewoners missen het levendige van den

Zuid-Bevelander. Als zij thuis zijn en niet op feest of kermis,

zijn zij stemmig en stil. De meisjes onder elkander hebben niet

dat vroolijke en dartele, dat haar oostelijke zusters kenmerkt; zij

praten als verstandige menschen, niet meer dan noodig is. Op gewone

dagen kan men den vrijer naast zijn vrijster zien loopen zonder

veel te spreken. De landman wandelt met langzamen en gelijken tred;

luidruchtige gesprekken houdt hij niet, en dansende kinderen op straat

ziet men er evenmin. Gezongen wordt alleen op school en in de kerk,

en natuurlijk op de kermis; overigens is de landbouwer kalm en bedaard.

De Walchersche vrouw bezit de Hollandsche zindelijkheid en onderscheidt

zich daardoor zeer van haar naburige Vlaamsche zusters; zij is uiterst

huishoudelijk. Terwijl in de Vlaamsche dorpen des Zondags feest

gevierd wordt, is het op "den dag des Heeren" in de Walcherensche

dorpen stil. Godsdienstig en nederig is hier de bevolking; van harte

zeker goedaardig.

In de kleeding en enkele andere gewoonten heeft men op Walcheren

door zijn afzondering in deze eeuw nog lang veel van het oude

bewaard. Terwijl op andere eilanden de invloed van de buitenwereld

zoowel in kleeding als gewoonten overal merkbaar is, treft men

hier in enkele opzichten nog een bijna onveranderd beeld aan van

den eeuwenouden toestand. Aldus schreef in 1894 de heer Frederiks

over het land, dat hij door en door kent. Dagelijks, vervolgt hij,

kan men in de straten van Middelburg nog bij tientallen de typische

melkkarren zien, die, wat samenstelling en vorm aangaat, herinneren

aan de wagens, waarin de graven en gravinnen van Holland hun

"joyeuse entrée" deden bij de aanvaarding van het bewind en andere

plechtigheden. Deze karren, uit constructief oogpunt zoo uitstekend

geschikt voor zware kleiwegen, maken met hun blauwe schildering,

afgezet met veelkleurige vellingkanten en uitgesneden versieringen, en

beladen met de glinsterende koperen melkkannen, een eigenaardig effect.

Als geleiders dier melkkarren kan men meestal nog zien den echt

Walcherenschen boer, gekleed in korte kuitbroek en wambuis, het

hoofd gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden, vilten

hoed met kleinen, omgeslagen rand, een type, dat zijn vorm schijnt

ontleend te hebben aan den Spaanschen ridderhoed uit den tijd van

Filips II. De vrouw draagt als hoofdbedekking een hagelwitte, gladde

muts, een bijna onveranderd model van de ondermutsen der edelvrouwen

uit de XVe eeuw, waarover een kaphoed, aan de achterzijde met een

smaakvolle, waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint en aan

de voorzijde met linten van dezelfde stof. De tegenwoordige kaphoed

verving, voor ongeveer een eeuw, den grooten, platten hoed van fijn

stroo met zijden voering en veelkleurige, afhangende linten, mede

een type der riddertijden.

Het is wel opmerkelijk, dat de mannen over 't geheel meer geneigd zijn

tot het moderne; de kuitbroek en typische hooge hoed van Walcheren

beginnen reeds tot de zeldzaamheden te behooren. De meerdere aanraking

der mannen met vreemdelingen heeft aanleiding gegeven tot verwisseling

met een costuum, zooals men overal vindt, waardoor zij in den vreemde

niet worden nagestaard of bespot. De vrouwen daarentegen, meer aan

huis en hof gehecht, bleven de schilderachtige kleeding behouden, die

zij als kinderen droegen. Misschien ook is het hun niet ongevallig,

dat dit de aandacht trekt, het tegendeel van de mannen.

Het ronde hoedje (zie 9 der gekleurde plaat) was voor den

Walcherenschen boer vroeger typisch; in den tijd, toen het algemeen

was, waren de randen breeder en beter beschuttend tegen zon en

regen. Thans draagt hij een gesloten buis en vest en alleen aan

den hals ziet men twee groote, gouden knoopen; vroeger was het

wambuis open en zag men op den veelal gekleurden borstrok één of

twee reeksen zilveren knoopen, die bij sommige rijken uit dubbele

scheepjesschellingen bestonden. Aan de pantalon zag men zilveren

broekstukken, en zilveren gespen maakten de kuitbroek van onderen vast.

Bij de vrouwenkleeding, die het best bewaard is, gelijk wij zeiden,

kan men op Walcheren nog eenige hoofdtypen onderscheiden, nl. het

Walcherensche, die van Middelburger Ambacht, van Westkapelle,

Arnemuiden en van Nieuw- en St. Joosland. Te Middelburg op de markt

ziet men deze niet zelden alle door elkander.

Als men de Walcherensche meisjes in feestcostuum ziet, valt in de

eerste plaats de geel strooien kaphoed in het oog, een voortbrengsel

der Belgische nijverheid. Dit hoedje, zonder omboordsel, zonder

strikken of rosetten, is de eenvoud zelf, en wijst reeds bij het eerste

gezicht op grooter stemmigheid dan in het Goesche land. Het herinnert,

evenals de muts, wel eenigszins aan den Nehalenniatijd. Het is van

voren wijd open, zoodat het gelaat goed te zien is; van ter zijde

bedekt de hoed ook het door de muts verborgen, kastanjebruine haar. Van

achteren is het genoeg uitgesneden, om den hals goed te doen zien

en ook een klein weinig van het haar. Aan het voorhoofd is het haar

niet gescheiden maar omgeslagen en het is voor de ver van het strand

wonenden kenschetsend, dat men van dit haar bijna niets kan zien. Van

binnen is de hoed met blauwe zijde gevoerd en aan den achterkant is een

dergelijk lint met nette plooien waaiervormig aan den hoed bevestigd,

terwijl dan dit blauwe lint langs den hals zonder kreukels tot half

den rug in twee strooken neerhangt. Wandelt op de kermis een schaar

Walcherensche meisjes naast elkander, dan maken die blauwe linten

van achteren den indruk, alsof men Amazonen in uniform voor zich had.

Twee mutsen bedekken het wegschuilende hoofdhaar, dat door een

"strijklint" of haarband bijeen wordt gehouden. De ondermuts, hagelwit

en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen,

maar komt van voren met een goed stuk aan weerszijden uit de bovenmuts

te voorschijn.

De bovenmuts is op Walcheren zeer eenvoudig; zij heet trekmuts, omdat

men _ze_ van achteren met een lintje bijeenhaalt, en is van achteren

driehoekig uitgesneden, om toch iets van het haar en den hals en de

koralen te laten begluren. Vroeger bestond zij uit witte, gebloemde

of geborduurde kant, doch thans is het een eveneens sneeuwwitte,

vierkante lap, die men door een groote menigte van plooitjes van

achteren zoo weet te plooien, dat zij een goede muts vormt. Die muts

heet "langetmuts," genoemd naar Langet, den eersten fabrikant.

De door de muts verborgen ooren leenen zich niet voor sieraden en

de vrouw moet haar pronkstukken dragen vóór het oor. Naast de ooren

draagt men altoos de welbekende gouden, kurketrekkervormige krullen

en strikken, die aan een smallen, zilveren beugel of hoepel, welke om

het hoofd sluit, verbonden zijn. Deze beugel met krullen is een vorm

van het oorijzer der Friezen, en wijst op Frieschen invloed. Hij

schijnt vroeger te hebben doorgeloopen over het voorhoofd maar

is later ingekrompen en omgebogen, om er versiersels aan te kunnen

bevestigen en daaraan hangen nu strikken. Van de versierselen van het

hoofd noemen wij nog de naalden. De naald is een gouden plaat, min of

meer bladvormig, die onder de muts wordt geschoven en het voorhoofd

omsluit. Wie getrouwd is, draagt de naald rechts; de ongetrouwden

dragen haar links. Zij wordt echter niet veel meer gedragen, enkel

bij buitengewone feesten.

Het jak is thans zeer klein en van voren laag uitgesneden; de panden

of de schoot, ook al weder klein, zijn onder de schort verborgen. Het

is, zooals men zegt, om het lijf geschilderd, zonder eenige plooi

er in. De voor- en achterruimten van het jak moeten netjes en hoog

opgevuld en de boezem beschut zijn; dit geschiedt door den beuk en de

doek. De beuk is een belangrijk pronkstuk. Door de week is de beuk

blauwachtig of rozerood van kleur en van katoen; des Zondags is zij

wit van kleur en wit gebloemd en van boven hoog aan den hals gesloten

door een omboordsel van kant en koralen. Soms is de beuk van zijde of

fluweel en dan zijn er gouden, paarse of groene bloemen op geborduurd

of geweven. Door het doekje, dat van voren tusschen jak en beuk zit,

komt de laatste goed uit.

De schort verbergt een stelsel van rokken, dat men in Zeeland "keuzen"

noemt, die zeer laag afhangen. Niet zelden bedraagt het aantal dier

rokken 6 à 7 en een vrouw met veel rokken geeft daardoor het bewijs,

dat "zij er goed in zit" (welvarend is).

De vrouwenkleeding onder de stad Middelburg, in Arnemuiden, Westkapelle

en Nieuwland wijkt wel in enkele opzichten van de beschrevene

Walcherensche af, doch komt er in hoofdtrekken mede overeen. Ons bestek

laat niet toe, daarbij stil te staan. Wij willen enkel er op wijzen,

dat de vrouwenkleeding van Oud- Nieuw- en St. Joosland op Walcheren

veel op de Zuid-Bevelandsche gelijkt, maar er toch van verschilt,

evenals van de Walcherensche. Dit land vormde vroeger een eiland,

dat door latere inpolderingen met Walcheren verbonden is.

Wij moeten ten slotte nog wijzen op de zilveren beugeltasch, onder

het schort verborgen, op zilveren mantelhaken, zilveren gespen,

enz., die tot de veel voorkomende versierselen behoorden. (Zie verder

Frederiks en Dr. De Man.)

Op Walcheren heeft in den laatsten tijd een geest van piëtisme veld

gewonnen, die in de vele versierselen des lichaams zonde ziet. Daardoor

worden de nationale versierselen door vele boerenvrouwen of meisjes bij

hooge uitzondering gedragen en neemt het stemmige en eenvoudige er toe.

Doet het costuum hier, zoowel als elders in Zeeland, aan den invloed

van den rijken adel denken, ook in de volksspelen ziet men daarvan

bewijzen. Het ringrijden, een vanouds geliefd volksspel, is een echt

ridderspel, en het vlechten en opbinden van manen en staarten der

paarden en het tooien der rossen met veelkleurige linten en bloemen

geschiedt volgens overoude gewoonte. Het gaai- en vogelschieten op de

overige eilanden en in Zeeuwsch Vlaanderen en de bol- en balspelen zijn

mede overblijfselen uit den tijd, toen de ridders zich bezighielden

met vermaken, waarbij kracht en behendigheid uitkwamen.

Blijft de nationale kleeding nog bewaard, verder ziet men vele

oude gewoonten hier afsterven. Sprookjes of overleveringen kent men

er bijna niet; ook het bijgeloof uit den heidenschen tijd heeft er

weinig sporen achtergelaten. Een enkelen keer hoort men nog iets van

hekserij, maar de erkende heksen en toovenaars sterven ook hier uit en

geen jongeren nemen hun plaats in. Enkele zonderlinge geneesmiddelen

of voorbehoedmiddelen, zooals het begraven van afgeknipt hoofdhaar,

omdat, als de vogels het voor hun nest gebruikten, de voormalige

eigenaar hoofdpijn zou krijgen, e. a. worden misschien nog door

enkelen toegepast, maar hun aantal is gelukkig klein geworden. De

ook elders bekende oude gewoonte, om doodenstroo te leggen voor de

deur van een woning, waarin een doode gevonden werd, bestaande in

eenige bosjes stroo, werd op Walcheren en ook op andere eilanden

voor een menschenleeftijd nog gevonden, doch bestaat thans alleen in

herinnering. Slechts één oud-Germaansch feest, het oude Meifeest,

leefde tot vóór enkele jaren in den "Meiavond". Dan haalden de

jongelieden allerlei rommel en ook wel landbouwgereedschap op het

dorp bij elkander en moesten de eigenaars den volgenden morgen het

maar terug zien te krijgen. Of dit een herinnering is aan den tijd,

toen de Meivuren nog ontstoken werden en men alles, wat brandbaar was,

bijeenbracht, gelijk nog geschiedt bij de Paaschvuren in enkele dorpen

van ons vaderland?

Zijn de meeste volksspelen op Walcheren nieuw en van elders

geïmporteerd, de Annetjes-Liisjesdag, verkort Liisjesdag, schijnt

van oude Zeeuwsche afkomst te zijn en wordt door enkelen, terecht

of ten onrechte durven wij niet beslissen, in verband gebracht met

den ouden Nehalenniadienst, zonder dat men verder er de afkomst van

kent. Twee keer in 't jaar wordt die dag door de landlieden gevierd,

op den eersten Donderdag in Mei en in October. De Donderdag wordt er

voor gekozen, omdat het op dien dag markt is te Middelburg. En op

"Liisjesdag" gaan de dienstboden, knechts en meiden naar de stad,

om hun inkoopen te doen en een soort uitgaansdag te hebben, waarbij

teedere betrekkingen worden aangeknoopt. Tegen die dagen worden ook de

loonen uitbetaald en gaan de huren in. Men kent die dagen door geheel

Walcheren, zelfs te Arnemuiden, maar anders nergens in Zeeland; ook

in het deel van Walcheren, dat men Nieuwland noemt, (zie pag. 252)

viert men die dagen niet. Daarom schijnen zij oud-Walcherensch te zijn.

Een eigenaardige drukte op dit eiland, evenals op Zuid-Beveland (zie

pag. 243), is de zaaddorscherij, d. i. het koolzaad dorschen, dat

in de open lucht plaats heeft. Ook in andere streken des lands wordt

dit aangetroffen doch wij zullen het hier beschrijven en afbeelden.

In het einde van Hooimaand en het begin van Oogstmaand is het

zaaddorschen een groote feestelijkheid, waaraan jong en oud

deelneemt. Het voorbereidend werk bestaat in het gereedmaken van den

zaadvloer. Daar wordt de bodem een weinig vlak gemaakt en het zware

zeil uitgespreid, het zoogenaamde "koolzeil", dat òf gehuurd wordt,

òf het eigendom is van den boer. Op het eind van den zaadvloer in

't midden wordt het "achterbord" van een wagen geplaatst en daaraan

het zeil vastgemaakt, zoodat het op die plaats een weinig schuin ligt.

Het dorschen geeft een levendig tooneel te aanschouwen op het open

veld. Gewoonlijk zijn er, behalve de boer zelf, op den dorschvloer

één vaste "overzetter", die gewoonlijk een bejaarde arbeider is, acht

dorschers, acht draagsters, één "afsteker" (een jongen van ongeveer

13-15 jaar) en vier "bandenspreeërs", gewoonlijk kinderen. Vervolgens

worden de rollen door loting verdeeld; door het trekken van strootjes

van verschillende lengte worden de groepen aangewezen, die samen

moeten werken. De vier mannen, die de langste strootjes trekken,

moeten de eerste 50 "banden" dorschen, de anderen moeten binden,

schikken en wenden of "koekenbakken."

Vijftig banden koolzaad worden in twee rijen op het dorschzeil

gelegd. De "bandenspreeërs" zorgen, dat er telkens twee "gespreed"

worden tegen het oogenblik, dat het gedorschte zaad moet gebonden

worden. De draagsters halen allereerst twee of drie leggen zaad en

plaatsen zich daarmede aan weerszijden van den dorschvloer, waar ze

hun vracht vervolgens "aanleggen". Een der mannen schikt dan het zaad

met zijn houten "rieve" of hark. De vier dorschers laten in geregelden

maatslag hun vlegels daarop beurtelings neerdalen. De "koekenbakker"

of "wender" keert het zaad om en om, een der binders schudt het uit

en vervolgens gaat de vlegel er nog eens over. Opnieuw wordt nu het

koolzaadstroo geschud, vervolgens opgebonden en aan den kant van

den zaadvloer neergezet. De "afsteker" volgt den binder, om zaad en

"peulen" met een hark naar het midden van den vloer te schuiven,

en de oversteker werpt met eenzelfde werktuig de "peulen" over het

achterbord. Zoo gaat het werk geregeld voort, tot de vijftig banden

gebruikt zijn. Als de laatste vier van een vijftigtal aan de beurt

zijn, roept de binder den dorschers toe: "A je strooê"? d. i. "Als je

stroo hebt", wat beteekent: houdt je gereed. Nu wordt de "jeneverslag"

geslagen, waarbij alle vier vlegels tegelijk neerkomen, en het viertal

dorschers wordt door een ander viertal vervangen.

Bij dien overgang wordt er gedronken: door de mannen jenever, door

de vrouwen jenever met stroop, en zoo gaat de arbeid voort, tot het

zaad gedorscht is.

Hoe druk de dorschdag ook thans nog is, het feestelijk karakter, dat

daaraan vroeger verbonden was, is eenigszins verloren gegaan. In de

17e en 18e eeuw huurden de boeren soms een speelman en werd er ook

gezongen en gedanst op de dorschdagen. In dien tijd zag men in vele

streken van ons land nog echte, luidruchtige oogstfeesten, waarmede

de wederzijdsche hulp, die de gemeentenaren elkander verleenden bij

den oogst, als het ware beloond werd. Tegenwoordig zijn die oude

oogstfeesten zoo goed als verdwenen.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 42 / 74 题