Roem vrij, o Holland! op uw schatten,
Noem u de kroon van Neerlands macht,
En blijf het rijk tresoor bevatten
Van 't geen de kunst heeft voortgebracht;
Doe, Geldersch Tempe, uw luister stralen,
Verhef u vrij op al uw schoon,
En sprei uw heuvlen en uw dalen
Voor 't opgetogen oog ten toon;
Maar laat geen trotschheid u verleiden,
Als hieldt ge alleen den staf in hand:
Ook elders prijken bosch en weiden,
Ook elders vindt ge een lustwarand.
Vertrouw u aan de Zeeuwsche stroomen,
En zet uw voet op Walchrens grond,
Waar de olmen fier zijn vest omzoomen,
Die pal voor Spanje's heerschzucht stond.
Wend daar langs kaai en wal uw schreden,
En richt uw blik naar 't Raadhuis heen:
Daar toont verbeelding u 't verleden,
Daar prijken nog der vaadren zeên.
En gaat gij dan uit spelemeien,
Waar 't voorgeslacht reeds vreugd in vond,
Dan leert ge er in de gulle reien
De waarheid van 't "goed Zeeuwsch, goed rond"!
Dan klimt gij op de hooge duinen,
De vesting, die het land omzoomt,
En schouwt met wellust van hun kruinen
Het welig groen en dicht geboomt.
Dan zegt gij: heerlijke landouwen,
Ook gij, bekoorlijk lustwarand,
Moogt roemen op uw schoonste vrouwen,
Ook gij zijt Neêrlands diamant.
P. Bosscha. 1839.
'k Doolde vol vreugd door uw malsche landouwen,
'k Heb aan uw duinzoom weldadig gerust;
't Oog mocht uw lieflijke Mantling aanschouwen
En heeft bewondrend gestaard op uw kust.
S. J. v. Den Berg.
Het schoonste, meest afwisselende eiland van Zeeland is ongetwijfeld
Walcheren, door tal van bezoekers reeds sedert lang met allerlei
vleiende eerenamen aangeduid. Keizer Karel V roemde Walcheren reeds om
de heerlijke vruchten, welke het land opleverde, en die de produkten
van de zuidelijke landen nabijkwamen of zelfs overtroffen. Lodewijk
Napoleon noemde Walcheren "een aardsch paradijs"; in den mond van
velen is het "de tuin van Zeeland", en wegens zijn vierkanten vorm te
midden van de wateren spreekt men dichterlijk van "een fraaie bloem
op een schaal van zilver".
Wel is Walcheren niet meer, wat het was voor een paar eeuwen, toen
het nog prijkte in al den glans van welvaart, rijkdom en weelde des
tijds, zoodat een reiziger zich gemakkelijk kon voorstellen, hier in
een grooten lusthof te wandelen, waarin de bekoorlijkste tooneelen
van bosch en akkers, dorp, duin en zee voortdurend afwisselden.
Nergens toch vond men in onze toen nog zoo rijke Republiek binnen
een eng bestek drie volkrijke steden en een zoo talrijke menigte
schoone dorpen, terwijl meer dan honderd kasteelen en vele flinke
landhuizen over het eiland verspreid lagen, te midden van de
schoone, bloeiende velden, met een hoog ontwikkelden landbouw. In
het werk van Z. Paspoort, verschenen 1820, wordt een lijst van 74
buitenplaatsen op Walcheren vermeld, welke toen reeds gesloopt of in
boerenhofsteden veranderd waren. Toch telde men twintig jaren later
nog 51 buitenplaatsen op Walcheren. Zoo was het oude Walcheren, meer
dan eenig ander deel van Nederland, een uitgezocht gewest voor den
Arcadia-beschrijver, en de gemoedelijke predikant Mattheus Gargon
trok dan ook in 1715 met zijn speelwagen vroolijk over het eiland,
om de heerlijkheid er van in scherts en ernst te beschrijven.
Wel zijn talrijke buitens sinds lang verdwenen en vindt men er niet
meer den rijkdom en de weelde van den tijd, toen Middelburg, Veere
en Vlissingen bloeiden door handel en scheepvaart, toen de rijke
kooplieden der steden zich bij gemis van snelverkeer op het land of
aan de duinen een vriendelijk buitenverblijf schiepen op het eiland,
maar toch blijft Walcheren nog steeds een heerlijk oord.
Nergens in ons vaderland wordt men nog zoozeer aan de 18e eeuw
herinnerd als op Walcheren. "Als men de smalle, kronkelende wegen
volgt, door boomen of geschoren heggen netjes omzoomd, waar hier en
daar de elegante steenen palen van een groot rococo-hek de aanwezigheid
of het vroeger bestaan van een buitenplaats verraden aan het einde van
rechte lanen of wegen; wanneer men die lange risten van zeven of acht
gelijke en gelijkvormige boerinnetjes ontmoet, welvarende gezichten in
stijve, doch kleurige kostuums, en de nette, stille dorpjes doorkruist,
de eenvoudige, welonderhouden kerkjes opmerkt met hun zware, kort
gespitste torens in het vriendelijk groen--dan denkt men onwillekeurig
uit een der steeds gesloten huizen de landschapteekenaars der 18e
eeuw als Jan de Beyer of Cornelis Pronk te zullen zien buitenkomen,
in gebloemde kamerjapon en gepoederde pruik, de lange pijp even uit
den mond nemend, om ons deftig te presenteeren: "'t dorp Serooskerke
op Walcheren, 1747", aldus ongeveer geeft Mr. S. Muller zijn indrukken
van dit eiland weer.
Walcheren is rijk aan innige, intieme schoonheid door een natuur,
die in haar kunsteloosheid nooit vervelen zal, die een zekere charme
heeft, welke niet onder woorden valt te brengen, een afwisseling,
die niet vermoeit, maar opwekt.
En naast het echt landelijke, dat idyllische van rust, die niet drukt
maar doet leven, wordt overal op Walcheren de gunstige invloed van
de zee gevoeld of zelfs haar eeuwig lied gehoord.
Door Walch'rens hof ruischt d' echo van de zee;
De zwoele nachtwind zendt die zoete klanken
Terug naar 't hooge helm, dat met de ranken
Der wilde winden fluistert van de zee.
Het licht der kusten flikkert langs de zee,
Door wolkensluiers glimm'ren bliksemspranken,
Een hooge pijl doorklieft de nevelbanken,
De stemma Zeus rolt dreunend langs de zee.
De roode maan rijst boven donkre kruinen,
De starren fonklen boven donkre duinen,
Een roode slang schiet over 't zwart kristal.
Natuur wordt stil; de maan schuilt weg in 't duister,
En Zeus keert lichtend naar der goden hal,
Zijn echo is de zee--in 't phosphorluister,
zong Louise v. Nagel.
Het uiterlijk van het Walcherensche landschap komt in vele opzichten
met dat van Zuid-Beveland overeen, maar vertoont toch ook kenmerkende
verschillen. Het aantal dijken op Walcheren is minder; men kan zien,
dat het niet in die mate als Zuid-Beveland in de laatste eeuwen
stukje bij stukje op de zee is veroverd, al vindt men daarvan in het
oosten ook voldoende voorbeelden. Ook is Walcheren in alles netter
afgewerkt en draagt het als land achter de duinen niet zoo sterk een
polderlandskarakter. De meer onregelmatige indeeling van den bodem
met de gebogen grenzen der landen en kronkelende wegen wijst op een
hooger ouderdom der inbezitneming van den grond dan bij de meeste
deelen van Zuid-Beveland; de kleinere grasvlakten, omboord met groen
en bloemen, en de talrijker hofsteden, weggescholen onder het loover,
nog afgewisseld door enkele buitens en landhuizen, geven Walcheren
een ander karakter.
Dat Zeeland reeds vroeg bewoond was, blijkt uit de vluchtheuvels of
hillen, welke er op alle oude eilanden worden gevonden, maar bovenal
op het eiland Walcheren. Deze vluchtheuvels onderscheiden zich van
de Friesche terpen, doordien het kleine, afgeronde heuvels zijn,
niet groot genoeg, om er dorpen op te bouwen, zooals op terpen en
wierden, maar enkel dienende, om er met het vee van het lage omliggende
land tijdelijk op te vluchten bij hooge vloeden. Zij wijzen er op,
dat de oude eilanden door veehouders bezocht werden met hun vee,
vóór de dijken bestonden, en dat toen van tijd tot tijd het land
overstroomde. Waarschijnlijk hadden de oudste bewoners zich voor
vast gevestigd aan den duinkant, zoodat zij van daar des zomers met
hun vee over de onbedijkte schorren en slikken trokken en bij hooge
vloeden zich op de vluchtheuvels terugtrokken.
De verbreiding dier oude vluchtbergen werd door Dr. de Man in kaart
gebracht. Vele er van zijn afgegraven, doch op Walcheren vindt men er
nog ruim een twintigtal. Bovenstaand plaatje geeft een afbeelding
van een goed bewaarden vluchtberg te Boudewijnskerke. Een niet
betrouwbare overlevering zegt, dat hij gebouwd zou zijn op de plek,
waar de evangelieprediker Willebrord een afgodsbeeld van Wodan had
stukgeslagen voor de oogen der beangste bewoners.
De bevolking van Walcheren verschilt in aard en karakter met die van
Goes. Wij hadden reeds gelegenheid, op te merken, dat de bewoners
van schier alle eilanden zelfstandige of gedeeltelijk aan naburige
landschappen ontleende eigenschappen bezitten. Op Tolen vindt men
eenigszins den Noord-Brabantschen karaktertrek, op Schouwen iets van
het Hollandsche overgeplant.
Dat op Walcheren, met zijn eens zoo talrijken adel, die meest
uit het buitenland afkomstig was, met zijn vroeger zoo levendige
buitenlandsche scheepvaart, vreemde invloeden zich bij de bevolking
hebben doen gelden, lijdt geen twijfel. Dit blijkt uit de vele sporen,
dienaangaande overgebleven, alsmede uit de namen van onderscheidene
buitens en landhuizen. Voor niet lang trof men op Walcheren een
landhuis aan met het opschrift: "I am fond of a country life" en op
een ander: "This plan is my quite satisfaction", herinneringen aan
't verblijf der Engelschen in 't begin der 19e eeuw op dit eiland. Een
hofstede bij Nieuwland heette: "Nihil sine labore", d. i. Niets zonder
arbeid; een andere bij Vrouwenpolder: "Macte animo", d. i. Houd
moed; een andere onder Serooskerke had tot opschrift: "De gustibus
non est disputandum", d. i. Over den smaak valt niet te twisten. Een
hofstede onder Vlissingen drukt de berusting des eigenaars uit in de
woorden: "Fiat voluntas Dei", d. i. Uw wil geschiede, Heer. Namen en
opschriften als: "Bon repos", "Favorite", "l'Espérance", "La maison
de haute montagne", kon men hier vinden in het vlakke land. Maar
die invloed van buiten is op Walcheren, evenals op elk ander eiland,
zelfstandig tot ontwikkeling gekomen en heeft bij deze bewoners een
eigen geaardheid doen ontstaan.
De Walcherensche plattelandsbewoners missen het levendige van den
Zuid-Bevelander. Als zij thuis zijn en niet op feest of kermis,
zijn zij stemmig en stil. De meisjes onder elkander hebben niet
dat vroolijke en dartele, dat haar oostelijke zusters kenmerkt; zij
praten als verstandige menschen, niet meer dan noodig is. Op gewone
dagen kan men den vrijer naast zijn vrijster zien loopen zonder
veel te spreken. De landman wandelt met langzamen en gelijken tred;
luidruchtige gesprekken houdt hij niet, en dansende kinderen op straat
ziet men er evenmin. Gezongen wordt alleen op school en in de kerk,
en natuurlijk op de kermis; overigens is de landbouwer kalm en bedaard.
De Walchersche vrouw bezit de Hollandsche zindelijkheid en onderscheidt
zich daardoor zeer van haar naburige Vlaamsche zusters; zij is uiterst
huishoudelijk. Terwijl in de Vlaamsche dorpen des Zondags feest
gevierd wordt, is het op "den dag des Heeren" in de Walcherensche
dorpen stil. Godsdienstig en nederig is hier de bevolking; van harte
zeker goedaardig.
In de kleeding en enkele andere gewoonten heeft men op Walcheren
door zijn afzondering in deze eeuw nog lang veel van het oude
bewaard. Terwijl op andere eilanden de invloed van de buitenwereld
zoowel in kleeding als gewoonten overal merkbaar is, treft men
hier in enkele opzichten nog een bijna onveranderd beeld aan van
den eeuwenouden toestand. Aldus schreef in 1894 de heer Frederiks
over het land, dat hij door en door kent. Dagelijks, vervolgt hij,
kan men in de straten van Middelburg nog bij tientallen de typische
melkkarren zien, die, wat samenstelling en vorm aangaat, herinneren
aan de wagens, waarin de graven en gravinnen van Holland hun
"joyeuse entrée" deden bij de aanvaarding van het bewind en andere
plechtigheden. Deze karren, uit constructief oogpunt zoo uitstekend
geschikt voor zware kleiwegen, maken met hun blauwe schildering,
afgezet met veelkleurige vellingkanten en uitgesneden versieringen, en
beladen met de glinsterende koperen melkkannen, een eigenaardig effect.
Als geleiders dier melkkarren kan men meestal nog zien den echt
Walcherenschen boer, gekleed in korte kuitbroek en wambuis, het
hoofd gedekt met een hoogen, eenigszins spits toeloopenden, vilten
hoed met kleinen, omgeslagen rand, een type, dat zijn vorm schijnt
ontleend te hebben aan den Spaanschen ridderhoed uit den tijd van
Filips II. De vrouw draagt als hoofdbedekking een hagelwitte, gladde
muts, een bijna onveranderd model van de ondermutsen der edelvrouwen
uit de XVe eeuw, waarover een kaphoed, aan de achterzijde met een
smaakvolle, waaiervormige garneering van gekleurd zijden lint en aan
de voorzijde met linten van dezelfde stof. De tegenwoordige kaphoed
verving, voor ongeveer een eeuw, den grooten, platten hoed van fijn
stroo met zijden voering en veelkleurige, afhangende linten, mede
een type der riddertijden.
Het is wel opmerkelijk, dat de mannen over 't geheel meer geneigd zijn
tot het moderne; de kuitbroek en typische hooge hoed van Walcheren
beginnen reeds tot de zeldzaamheden te behooren. De meerdere aanraking
der mannen met vreemdelingen heeft aanleiding gegeven tot verwisseling
met een costuum, zooals men overal vindt, waardoor zij in den vreemde
niet worden nagestaard of bespot. De vrouwen daarentegen, meer aan
huis en hof gehecht, bleven de schilderachtige kleeding behouden, die
zij als kinderen droegen. Misschien ook is het hun niet ongevallig,
dat dit de aandacht trekt, het tegendeel van de mannen.
Het ronde hoedje (zie 9 der gekleurde plaat) was voor den
Walcherenschen boer vroeger typisch; in den tijd, toen het algemeen
was, waren de randen breeder en beter beschuttend tegen zon en
regen. Thans draagt hij een gesloten buis en vest en alleen aan
den hals ziet men twee groote, gouden knoopen; vroeger was het
wambuis open en zag men op den veelal gekleurden borstrok één of
twee reeksen zilveren knoopen, die bij sommige rijken uit dubbele
scheepjesschellingen bestonden. Aan de pantalon zag men zilveren
broekstukken, en zilveren gespen maakten de kuitbroek van onderen vast.
Bij de vrouwenkleeding, die het best bewaard is, gelijk wij zeiden,
kan men op Walcheren nog eenige hoofdtypen onderscheiden, nl. het
Walcherensche, die van Middelburger Ambacht, van Westkapelle,
Arnemuiden en van Nieuw- en St. Joosland. Te Middelburg op de markt
ziet men deze niet zelden alle door elkander.
Als men de Walcherensche meisjes in feestcostuum ziet, valt in de
eerste plaats de geel strooien kaphoed in het oog, een voortbrengsel
der Belgische nijverheid. Dit hoedje, zonder omboordsel, zonder
strikken of rosetten, is de eenvoud zelf, en wijst reeds bij het eerste
gezicht op grooter stemmigheid dan in het Goesche land. Het herinnert,
evenals de muts, wel eenigszins aan den Nehalenniatijd. Het is van
voren wijd open, zoodat het gelaat goed te zien is; van ter zijde
bedekt de hoed ook het door de muts verborgen, kastanjebruine haar. Van
achteren is het genoeg uitgesneden, om den hals goed te doen zien
en ook een klein weinig van het haar. Aan het voorhoofd is het haar
niet gescheiden maar omgeslagen en het is voor de ver van het strand
wonenden kenschetsend, dat men van dit haar bijna niets kan zien. Van
binnen is de hoed met blauwe zijde gevoerd en aan den achterkant is een
dergelijk lint met nette plooien waaiervormig aan den hoed bevestigd,
terwijl dan dit blauwe lint langs den hals zonder kreukels tot half
den rug in twee strooken neerhangt. Wandelt op de kermis een schaar
Walcherensche meisjes naast elkander, dan maken die blauwe linten
van achteren den indruk, alsof men Amazonen in uniform voor zich had.
Twee mutsen bedekken het wegschuilende hoofdhaar, dat door een
"strijklint" of haarband bijeen wordt gehouden. De ondermuts, hagelwit
en van gebloemd katoen, met kantjes er aan, sluit netjes om de slapen,
maar komt van voren met een goed stuk aan weerszijden uit de bovenmuts
te voorschijn.
De bovenmuts is op Walcheren zeer eenvoudig; zij heet trekmuts, omdat
men _ze_ van achteren met een lintje bijeenhaalt, en is van achteren
driehoekig uitgesneden, om toch iets van het haar en den hals en de
koralen te laten begluren. Vroeger bestond zij uit witte, gebloemde
of geborduurde kant, doch thans is het een eveneens sneeuwwitte,
vierkante lap, die men door een groote menigte van plooitjes van
achteren zoo weet te plooien, dat zij een goede muts vormt. Die muts
heet "langetmuts," genoemd naar Langet, den eersten fabrikant.
De door de muts verborgen ooren leenen zich niet voor sieraden en
de vrouw moet haar pronkstukken dragen vóór het oor. Naast de ooren
draagt men altoos de welbekende gouden, kurketrekkervormige krullen
en strikken, die aan een smallen, zilveren beugel of hoepel, welke om
het hoofd sluit, verbonden zijn. Deze beugel met krullen is een vorm
van het oorijzer der Friezen, en wijst op Frieschen invloed. Hij
schijnt vroeger te hebben doorgeloopen over het voorhoofd maar
is later ingekrompen en omgebogen, om er versiersels aan te kunnen
bevestigen en daaraan hangen nu strikken. Van de versierselen van het
hoofd noemen wij nog de naalden. De naald is een gouden plaat, min of
meer bladvormig, die onder de muts wordt geschoven en het voorhoofd
omsluit. Wie getrouwd is, draagt de naald rechts; de ongetrouwden
dragen haar links. Zij wordt echter niet veel meer gedragen, enkel
bij buitengewone feesten.
Het jak is thans zeer klein en van voren laag uitgesneden; de panden
of de schoot, ook al weder klein, zijn onder de schort verborgen. Het
is, zooals men zegt, om het lijf geschilderd, zonder eenige plooi
er in. De voor- en achterruimten van het jak moeten netjes en hoog
opgevuld en de boezem beschut zijn; dit geschiedt door den beuk en de
doek. De beuk is een belangrijk pronkstuk. Door de week is de beuk
blauwachtig of rozerood van kleur en van katoen; des Zondags is zij
wit van kleur en wit gebloemd en van boven hoog aan den hals gesloten
door een omboordsel van kant en koralen. Soms is de beuk van zijde of
fluweel en dan zijn er gouden, paarse of groene bloemen op geborduurd
of geweven. Door het doekje, dat van voren tusschen jak en beuk zit,
komt de laatste goed uit.
De schort verbergt een stelsel van rokken, dat men in Zeeland "keuzen"
noemt, die zeer laag afhangen. Niet zelden bedraagt het aantal dier
rokken 6 à 7 en een vrouw met veel rokken geeft daardoor het bewijs,
dat "zij er goed in zit" (welvarend is).
De vrouwenkleeding onder de stad Middelburg, in Arnemuiden, Westkapelle
en Nieuwland wijkt wel in enkele opzichten van de beschrevene
Walcherensche af, doch komt er in hoofdtrekken mede overeen. Ons bestek
laat niet toe, daarbij stil te staan. Wij willen enkel er op wijzen,
dat de vrouwenkleeding van Oud- Nieuw- en St. Joosland op Walcheren
veel op de Zuid-Bevelandsche gelijkt, maar er toch van verschilt,
evenals van de Walcherensche. Dit land vormde vroeger een eiland,
dat door latere inpolderingen met Walcheren verbonden is.
Wij moeten ten slotte nog wijzen op de zilveren beugeltasch, onder
het schort verborgen, op zilveren mantelhaken, zilveren gespen,
enz., die tot de veel voorkomende versierselen behoorden. (Zie verder
Frederiks en Dr. De Man.)
Op Walcheren heeft in den laatsten tijd een geest van piëtisme veld
gewonnen, die in de vele versierselen des lichaams zonde ziet. Daardoor
worden de nationale versierselen door vele boerenvrouwen of meisjes bij
hooge uitzondering gedragen en neemt het stemmige en eenvoudige er toe.
Doet het costuum hier, zoowel als elders in Zeeland, aan den invloed
van den rijken adel denken, ook in de volksspelen ziet men daarvan
bewijzen. Het ringrijden, een vanouds geliefd volksspel, is een echt
ridderspel, en het vlechten en opbinden van manen en staarten der
paarden en het tooien der rossen met veelkleurige linten en bloemen
geschiedt volgens overoude gewoonte. Het gaai- en vogelschieten op de
overige eilanden en in Zeeuwsch Vlaanderen en de bol- en balspelen zijn
mede overblijfselen uit den tijd, toen de ridders zich bezighielden
met vermaken, waarbij kracht en behendigheid uitkwamen.
Blijft de nationale kleeding nog bewaard, verder ziet men vele
oude gewoonten hier afsterven. Sprookjes of overleveringen kent men
er bijna niet; ook het bijgeloof uit den heidenschen tijd heeft er
weinig sporen achtergelaten. Een enkelen keer hoort men nog iets van
hekserij, maar de erkende heksen en toovenaars sterven ook hier uit en
geen jongeren nemen hun plaats in. Enkele zonderlinge geneesmiddelen
of voorbehoedmiddelen, zooals het begraven van afgeknipt hoofdhaar,
omdat, als de vogels het voor hun nest gebruikten, de voormalige
eigenaar hoofdpijn zou krijgen, e. a. worden misschien nog door
enkelen toegepast, maar hun aantal is gelukkig klein geworden. De
ook elders bekende oude gewoonte, om doodenstroo te leggen voor de
deur van een woning, waarin een doode gevonden werd, bestaande in
eenige bosjes stroo, werd op Walcheren en ook op andere eilanden
voor een menschenleeftijd nog gevonden, doch bestaat thans alleen in
herinnering. Slechts één oud-Germaansch feest, het oude Meifeest,
leefde tot vóór enkele jaren in den "Meiavond". Dan haalden de
jongelieden allerlei rommel en ook wel landbouwgereedschap op het
dorp bij elkander en moesten de eigenaars den volgenden morgen het
maar terug zien te krijgen. Of dit een herinnering is aan den tijd,
toen de Meivuren nog ontstoken werden en men alles, wat brandbaar was,
bijeenbracht, gelijk nog geschiedt bij de Paaschvuren in enkele dorpen
van ons vaderland?
Zijn de meeste volksspelen op Walcheren nieuw en van elders
geïmporteerd, de Annetjes-Liisjesdag, verkort Liisjesdag, schijnt
van oude Zeeuwsche afkomst te zijn en wordt door enkelen, terecht
of ten onrechte durven wij niet beslissen, in verband gebracht met
den ouden Nehalenniadienst, zonder dat men verder er de afkomst van
kent. Twee keer in 't jaar wordt die dag door de landlieden gevierd,
op den eersten Donderdag in Mei en in October. De Donderdag wordt er
voor gekozen, omdat het op dien dag markt is te Middelburg. En op
"Liisjesdag" gaan de dienstboden, knechts en meiden naar de stad,
om hun inkoopen te doen en een soort uitgaansdag te hebben, waarbij
teedere betrekkingen worden aangeknoopt. Tegen die dagen worden ook de
loonen uitbetaald en gaan de huren in. Men kent die dagen door geheel
Walcheren, zelfs te Arnemuiden, maar anders nergens in Zeeland; ook
in het deel van Walcheren, dat men Nieuwland noemt, (zie pag. 252)
viert men die dagen niet. Daarom schijnen zij oud-Walcherensch te zijn.
Een eigenaardige drukte op dit eiland, evenals op Zuid-Beveland (zie
pag. 243), is de zaaddorscherij, d. i. het koolzaad dorschen, dat
in de open lucht plaats heeft. Ook in andere streken des lands wordt
dit aangetroffen doch wij zullen het hier beschrijven en afbeelden.
In het einde van Hooimaand en het begin van Oogstmaand is het
zaaddorschen een groote feestelijkheid, waaraan jong en oud
deelneemt. Het voorbereidend werk bestaat in het gereedmaken van den
zaadvloer. Daar wordt de bodem een weinig vlak gemaakt en het zware
zeil uitgespreid, het zoogenaamde "koolzeil", dat òf gehuurd wordt,
òf het eigendom is van den boer. Op het eind van den zaadvloer in
't midden wordt het "achterbord" van een wagen geplaatst en daaraan
het zeil vastgemaakt, zoodat het op die plaats een weinig schuin ligt.
Het dorschen geeft een levendig tooneel te aanschouwen op het open
veld. Gewoonlijk zijn er, behalve de boer zelf, op den dorschvloer
één vaste "overzetter", die gewoonlijk een bejaarde arbeider is, acht
dorschers, acht draagsters, één "afsteker" (een jongen van ongeveer
13-15 jaar) en vier "bandenspreeërs", gewoonlijk kinderen. Vervolgens
worden de rollen door loting verdeeld; door het trekken van strootjes
van verschillende lengte worden de groepen aangewezen, die samen
moeten werken. De vier mannen, die de langste strootjes trekken,
moeten de eerste 50 "banden" dorschen, de anderen moeten binden,
schikken en wenden of "koekenbakken."
Vijftig banden koolzaad worden in twee rijen op het dorschzeil
gelegd. De "bandenspreeërs" zorgen, dat er telkens twee "gespreed"
worden tegen het oogenblik, dat het gedorschte zaad moet gebonden
worden. De draagsters halen allereerst twee of drie leggen zaad en
plaatsen zich daarmede aan weerszijden van den dorschvloer, waar ze
hun vracht vervolgens "aanleggen". Een der mannen schikt dan het zaad
met zijn houten "rieve" of hark. De vier dorschers laten in geregelden
maatslag hun vlegels daarop beurtelings neerdalen. De "koekenbakker"
of "wender" keert het zaad om en om, een der binders schudt het uit
en vervolgens gaat de vlegel er nog eens over. Opnieuw wordt nu het
koolzaadstroo geschud, vervolgens opgebonden en aan den kant van
den zaadvloer neergezet. De "afsteker" volgt den binder, om zaad en
"peulen" met een hark naar het midden van den vloer te schuiven,
en de oversteker werpt met eenzelfde werktuig de "peulen" over het
achterbord. Zoo gaat het werk geregeld voort, tot de vijftig banden
gebruikt zijn. Als de laatste vier van een vijftigtal aan de beurt
zijn, roept de binder den dorschers toe: "A je strooê"? d. i. "Als je
stroo hebt", wat beteekent: houdt je gereed. Nu wordt de "jeneverslag"
geslagen, waarbij alle vier vlegels tegelijk neerkomen, en het viertal
dorschers wordt door een ander viertal vervangen.
Bij dien overgang wordt er gedronken: door de mannen jenever, door
de vrouwen jenever met stroop, en zoo gaat de arbeid voort, tot het
zaad gedorscht is.
Hoe druk de dorschdag ook thans nog is, het feestelijk karakter, dat
daaraan vroeger verbonden was, is eenigszins verloren gegaan. In de
17e en 18e eeuw huurden de boeren soms een speelman en werd er ook
gezongen en gedanst op de dorschdagen. In dien tijd zag men in vele
streken van ons land nog echte, luidruchtige oogstfeesten, waarmede
de wederzijdsche hulp, die de gemeentenaren elkander verleenden bij
den oogst, als het ware beloond werd. Tegenwoordig zijn die oude
oogstfeesten zoo goed als verdwenen.