Wij bevinden ons thans in het hart van het tegenwoordige Zuid-Beveland,
dat naar de stad van dien naam bij het landvolk veelal als het
Land van Ter-Goes wordt aangeduid. Goes vormt hier vrijwel het
geographisch centrum van het land en was sedert lang het economische-
en handels-centrum van het eiland, zelfs het wetenschappelijk
middelpunt van dit gebied.
Het geographisch centrum van westelijk Zuid-Beveland is Goes echter
nog niet zeer langen tijd. Van de steden van het oude Zuid-Beveland en
van Zeeland in 't algemeen kan wel gezegd worden, dat zij niet zijn
ontstaan in het binnenland, maar aan de randen van de eilanden langs
de wateren, of daar, waar een bevaarbare waterarm dieper landwaarts
liep, ook verder in het land. Het oude Zeeland heeft alles aan het
water te danken: zijn kracht en energie, zijn opkomst en bloei,
zijn vruchtbaren bodem en zijn welvarende steden.
Reimerswaal en Ierseke, evenals Goes, lagen in hun opkomst aan zee;
Vlissingen, Veere en Arnemuiden eveneens en ook Middelburg had
een zeehaven, gelijk mede met Zieriksee het geval was. Waar de zee
zich terugtrok, vervielen de steden veelal geheel, zooals Veere en
Arnemuiden ons aantoonen, wanneer niet andere bronnen van welvaart
het verlies van den handel op zee konden neutraliseeren.
Goes verkeert in deze laatste gelukkige omstandigheid. Hoewel thans
ver van de zee verwijderd en alleen door een gegraven haven er mede
vereenigd, is Goes een bloeiende plaats gebleven, de marktplaats
van het eiland, de stad, waarin zich het karakter van westelijk
Zuid-Beveland concentreert.
Als wij de kaart beschouwen, waarop Ab Utrecht Dresselhuis den
vermoedelijken toestand van Zeeland omstreeks 1200 geteekend heeft--ook
de kaart, die wij overnamen, komt daar veel mede overeen--dan zien
wij, dat in dien tijd het westelijk Zuid-Beveland bestond uit een
groot eiland, ten westen van Ierseke, waarop in 't noorden Goes
lag aan een water, dat Wolfaertsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland
scheidde, terwijl het eiland in het westen niet verder liep dan 's
Heer-Arendskerke. Heinkenszand lag als een afzonderlijk eilandje ten
westen (niet op onze kaart) en Baarland (Borland) en Borsele vormden
een of meer afzonderlijke eilandjes in het zuiden.
Naar het zuidwesten had al vroeg de aanzienlijkste uitbreiding
plaats. Het breede water, de Zwake, dat Borsele in 't noorden
begrensde, verlandde en werd reeds vroeg bedijkt, het laatst daarvan
misschien de St.-Anthoniepolder in 1516, waardoor Baarland en Borsele
met Zuid-Beveland verbonden werden.
Vóór deze verlanding vormde Heinkenszand een belangrijk handelspunt,
omdat de scheepvaartweg van Middelburg naar Antwerpen hierlangs liep,
zoodat dit dorp een bloeiend verkeer verkreeg, hetwelk evenwel door
het verlanden der wateren en de daarop gevolgde inpolderingen geheel
verliep en in het begin der 17e eeuw had opgehouden te bestaan.
De Schenge, de Puye en het Goesche diep, die Wolfaartsdijk (Westerdijk)
van Zuid-Beveland scheidden, bleven nog bestaan tot 1809, toen door
de indijking van den Wilhelminapolder het oostelijk gedeelte van dit
water werd afgesloten, terwijl in 1874 het westelijk gedeelte van
den Schengepolder werd bedijkt.
Op deze wijze werd het westelijk Zuid-Beveland uitgebreid door
verschillende bedijkingen en aanhechtingen van omliggende eilanden,
waarvan wij slechts eenige noemden, tot het zijn tegenwoordige
gedaante verkreeg. Verliezen had het eiland echter ook te lijden,
doch niet zoo aanzienlijk als het oosten van Zuid-Beveland.
Het Land van Ter-Goes draagt nog de sporen van die
ontwikkelingsgeschiedenis op 't gelaat; de wateren, welke vroeger de
eilandjes scheidden, kan men dikwijls gemakkelijk herkennen aan de
lange, smalle polders tusschen twee hooge dijken. Op vele plaatsen
evenwel is die herkenning moeilijker, omdat de wateren bij gedeelten
werden ingedijkt en daardoor de vorm van het oorspronkelijke water
niet altijd in dien der polders bewaard bleef.
Wij vangen onze wandelingen aan in de stad Goes, een vriendelijk
provinciestadje met ongeveer 7000 zielen. Zeer zeker heeft de stad
haar ontstaan te danken aan de nederzetting bij een sterkte, welke op
den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land aan de Gosaha werd
opgeworpen en later als het slot Oostende bekend was. De huizen, die in
den omtrek van dat slot gebouwd werden, vormden het dorp ter-Gosaha,
waaruit volgens de meening van sommige schrijvers de naam der latere
stad Goes zou ontstaan zijn.
Het slot Oostende (Ostende) is waarschijnlijk door een der heeren
van Borsele gesticht; het verkreeg zijn naam naar de ligging op het
oosteinde van het eiland. In zijn bloeienden toestand had het binnen
den zwaren muur van het opperhof, behalve de woongebouwen, ook nog
een fraaie, met een toren versierde slotkapel.
Het slot Oostende heeft een niet onbelangrijke geschiedenis voor
Zuid-Beveland en herhaaldelijk werd de belegering om de zware muren
geslagen, o. a. in 1300 door Jan van Renesse, toen het door de bewoners
van Reimerswaal ontzet werd. Maar de meeste bekendheid erlangde dit
gebouw als de verblijfplaats van Jacoba van Beieren.
Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet,
Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen,
Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongen
En 't ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;
Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer,
Van 't krijgstooneel gekeerd en moe van 't roem behalen,
Een stille rustplaats zocht in 't lommer van uw zalen
En zorgde voor 's lands bloei en zorgde voor 's lands eer;
Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stond
Graaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden,
En met des lijdens last tot stervens toe beladen,
Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.
't Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd,
In 't vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten,
Wijl 't opgewonden volk, bij luide jubelkreten,
Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.
't Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man,
Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven,
In 't zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw dreven
En, hoe door 't lot getergd, zich zalig wanen kan.
't Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond,
Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen;
Vrij moog' de storm des tijds met uwe puinen spelen,
En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.
R. C. H. Römer.
Dit slot Oostende behoorde tot de weinige goederen, die in 1428 aan
de ongelukkige gravin Jacoba van Beieren overbleven. Terwijl zij
hier haar verblijf hield, trachtte zij haar leed te vergeten door
den omgang met den adel en het landvolk, die de gravin gaarne hulde
bewezen. Zij gaf hier wedstrijden in het gaai- of vogelschieten,
waaraan zijzelf deelnam, en werd soms tot koningin van het feest
verheven. Niet alleen door de edellieden en haar deelgenooten,
maar ook door een deputatie van edelvrouwen en van het landvolk,
in nationale kleeding gedost, met korte jakjes en lange rokken, het
hoofd met een muts of aan de zijden loshangenden doek bedekt, werden
der gravin hier huldigingsgeschenken gebracht. En deze, verrukt over
zooveel trouw, zooals zij maar al te weinig had gekend, beloonde hen
rijkelijk: aan de ingezetenen van vijf dorpen werd vrijheid van de
vlastienden geschonken, welke vrijheden steeds bleven bestaan. Het
gaaischieten is op Zuid-Beveland sedert nog een geliefd volksfeest
gebleven; en bij tal van dorpen ziet men nog de hooge palen verrijzen,
met een "prang" en een "hoofdvogel" in het midden gekroond, die dit
bewijzen. Bovenal is dit bij de Katholieke het geval.
Het oude slot van Oostende ging in het laatst der 16e eeuw over
aan het geslacht Van der Goes, doch na het overlijden van Adriaan
Van der Goes in 1747 werd het door de erfgenamen verkocht aan den
Raad van State. De zalen, die zoo dikwijls de oude edelen met hun
feestvreugde in gala hadden ontvangen, werden toen bestemd voor
een militair hospitaal; in het volgende jaar werd het kasteel tot
stadskazerne ingericht. Doch de oude muren werden hoe langer hoe
bouwvalliger en in 1750 werd besloten, het gebouw te verkoopen. De
kooper sloeg tegen den ringmuur paardenstallen op en in 1751, toen een
gedeelte afgebroken en verbouwd was, verkreeg de eigenaar het recht,
hier bier en drank te mogen schenken aan de landlieden. Zoo was het
kasteel, waaraan de oorsprong van Goes te danken is, afgedaald tot
den rang van een boerenherberg.
Thans is het niets anders; enkel eenige zware muurstukken in de
schuur houden de herinnering aan het kasteel levendig; onder den
grond moeten nog de overblijfselen van een onderaardsche gang gevonden
worden. En in den hof groeit een moerbezieboom aan den muur, welke,
bijna enkel schors, op hoogen ouderdom wijst, maar toch nog vruchten
draagt; deze boom zou, volgens de overlevering, nog door Jacoba van
Beieren zelf geplant zijn.
Het slot moge de aanleiding geweest zijn voor het ontstaan van de
nederzetting te Goes, de ontwikkeling en bloei der plaats was niet
aan het kasteel te danken. Hoezeer ook het aanzien der heeren van
Oostende daalde, Goes heeft daardoor weinig geleden. De stad heeft haar
bloei en uitbreiding te danken als marktplaats aan de dorpen van het
eiland. Minder dan de andere Zeeuwsche steden heeft Goes zijn welvaart
door de ongunst der tijden of de verlegging der wateren verloren. De
handel deed Goes wel bloeien, maar het was geen internationale handel,
zooals voor de steden op Walcheren en in Vlaanderen; het was de handel
in produkten van en voor het eiland. Het nadeel van 't verloopen der
haven kon daardoor gemakkelijk overwonnen worden. Toen dan ook die
oude haven, het overblijfsel der Gosaha, in het midden der 15e eeuw
dichtslibde en niet meer op "den Diepe" uitkwam, werd die gedeeltelijk
vergraven; in 1651 werd eindelijk een nieuwe haven aangelegd. Ook deze
werd echter door de aanlandingen van den mond weder afgesloten van
het buitenwater, en toen in 1809 de Wilhelminapolder in de Schenge was
afgedamd, moest het havenkanaal verlengd worden, wilde Goes niet van
het buitenwater worden afgesloten. In 1810 werd deze verlenging voor
de scheepvaart geopend, doch door ontgronding der sluis kwam zij eerst
in 1819 voor goed gereed. Eigenlijk is die haven niet meer dan een
kanaal, dat met een boog van de stad naar het noordoosten loopt naar
het gehucht Sas-van-Goes, aan den mond bij de Ooster-Schelde. Niet
ver van dien havenmond, enkele minuten noordelijker bij den
noordoosthoek van het Oost-Beveland-poldertje, waar Zandkreek
en Ooster-Schelde samenkomen, staat op een dijk een lantaarn ten
dienste der zeevarenden. Den bekenden loods der O.-I. Compagnie,
Frans Naerebout, wiens onverschrokken en zelfopofferend streven, om
schipbreukelingen uit de woedende golven op de Zeeuwsche wateren te
redden, zoo dikwijls met glansrijken uitslag bekroond en beroemd werd,
zoodat Nierstrasz en Bellamy die daden door hun zangen vereeuwigden,
zag men op zijn ouden dag dat licht ontsteken, totdat hij hier zijn
bescheiden doch roemrijke aardsche taak voorgoed nederlegde, den 29en
Aug. 1818, in den ouderdom van 71 jaren.
Het centrum van Goes vormt de Groote Markt, een flink, vierkant plein,
door burgerlijk nette huizen omringd, zonder dat hun bouw zich door
iets bijzonders kenmerkt. Aan den eenen kant verheft zich het stadhuis,
een oud gebouw, dat in 1771 en volgende jaren grootendeels vernieuwd
is. Aan den rechterkant verrijst een zware, vierkante toren, met een
pui er voor en in een dubbelen, achtkanten koepel van hout eindigend,
aansluitend bij een gebouw van later dagteekening. Deze toren werd
waarschijnlijk in de 14e eeuw gebouwd, maar is in uiterlijk veel
veranderd; toch doet hij nog eenigszins denken aan de belfroi's uit de
Vlaamsche steden, die zulk een grooten invloed hadden op het politieke
leven. Van den toren te Goes valt dit laatste evenwel niet te zeggen;
omtrent zijn invloed op de geschiedenis is weinig bekend. Aan den
anderen hoek van het stadhuis verrijst eveneens een vierkante toren,
met gebogen dak afnemend en in een achtkant houten koepeltje eindigend,
terwijl op den gevel tusschen de torens wapens zijn aangebracht.
Inwendig is de groote zaal van het stadhuis belangrijk; de door
Geeraerts geschilderde grauwtjes van deze groote zaal zijn in 1874
door de Rijks-adviseurs voor de monumenten gered en met Rijks-subsidie
gerestaureerd; de gemeente bracht daarna de zaal terug in den stijl
Lodewijk XV.
Het belangrijkste gebouw van Goes is de Groote kerk, ook wel Maria
Magdalenakerk genoemd, een trotsch gebouwde, Gothische kruiskerk,
die haar wedergade in Zeeland niet heeft. Jhr. de Stuers noemde deze
kerk een der fraaiste en rijkst uitgevoerde monumenten der bouwkunst.
De lengte der kerk is 66 meter, de breedte 52. Zij is verdeeld in
vijf schepen, waarvan de buitenste tot kapellen waren ingericht, en
heeft een breed, uitstekend transept, terwijl de koorsluiting wordt
gevormd door absiden, waarvan de buitenste eigenaardig elk twee der
schepen overspannen.
Het geheel der kerk vertoont den stijl der latere Gothiek en de beide
transeptgevels vooral, in tuf- en bergsteen uitgevoerd, zijn zeer
fraaie voorbeelden daarvan. Van binnen doet het ruim, met zijn fraai
behakte kapiteelen en schijnbaar triforium, even denken aan de Leidsche
St.-Pancraskerk. Alleen het koor heeft thans nog steenen gewelven,
waarmede vroeger het geheele gebouw zeker bedekt was; die van het
westelijk deel zijn ingestort bij den zwaren brand in de 19e eeuw.
Vroeger had de kerk geschilderde glazen, waarvan thans niets meer
overig is. Gelukkig is het gebouw beter onderhouden, ook al werd het
van zijn sieraden ontdaan.
Het is niet bekend, wanneer met den bouw der kerk is aangevangen, doch
toen in den aanvang der 15e eeuw het westelijk gedeelte gebouwd werd,
bestond het oostelijke reeds. Deze kerk werd in 1423 ingewijd. Het
houtwerk brandde den 11en Sept. 1618 af, doch werd van 1619-1621
hersteld. In 1578 kwam deze kerk aan de Hervormden.
De toren loopt uit in een spits, welke een doorsnede van acht
rozebladen vormt en niet hoog is.
In de zoogenaamde wandelkerk ligt het stof bewaard van den Zeeuwschen
kroniekschrijver Smallegange en een groote, blauwe steen, door de
Maatschappij tot N. van 't Algemeen hier in 1819 gelegd, wijst de
rustplaats aan van den onverschrokken menschenvriend Frans Naerebout,
den 30en Aug. 1748 te Veere geboren en te Sas-van-Goes overleden,
29 Aug. 1818.
Wanneer wij nog het Gothische huis op de Turfkade met zijn fraaien
gevel uit het begin der 16e eeuw beschouwen en de fraaie pomp op
de beestenmarkt met kinderengroep, door A. Vervoort, van 1774, dan
hebben wij de merkwaardigheden van Goes bezichtigd. Oude, artistieke
poorten heeft de stad niet meer; van 1855-1862 werden de West-, Koe-,
Nieuwe-, Oost-, Donkere en Zuidpoort gesloopt.
Doch al vindt men er geen buitengewone gebouwen, burgerlijk welvarende
huizen, de verblijfplaatsen der neringdoenden, die in het marktverkeer
een bron van bestaan vinden, ziet men in alle straten van Goes. Vooral
de graanmarkt is de bloei der stad. Op de marktdagen is het er zeer
levendig.
Wij verlaten thans Goes en wandelen langs een veelal beschaduwden
weg, die begrensd wordt door bouwlanden, graslanden en boomgaarden,
naar het dorp Kloetinge, op ongeveer twintig minuten van Goes gelegen.
Vriendelijk in het geboomte verscholen, doet Kloetinge zich reeds van
verre als een fraai Zuid-Bevelandsch dorp kennen. De nederzetting is
grootendeels uit flinke, doch eenvoudige huizen, gebouwd om een open
plein, met boomen beplant en met een gemetselde waterkom of wed in het
midden. Aan dit plein ziet men op het zuideind de kerk, een Gothische
kruiskerk uit de 15e eeuw, met in lood gevatte ruiten, terwijl
op het eind een vierkante toren verrijst, met fraaie, pyramidale
spits, in een peer eindigend. De kerk is in den laatsten tijd geheel
gerestaureerd. Het houten ribgewelf in de kerk is met apostelbeeldjes
versierd en de beide transepten zijn met steenen gewelven gedekt. Het
koor is bovenal fraai en rijk met colonnetten en een boogfries
versierd. In de kerk vindt men vele oude grafsteenen. Rondom het
godshuis is het kerkhof, met kastanjes beplant.
Op een uur afstands van Goes ligt het dorp Kapelle. De nette,
welvarende plaats is schilderachtig gelegen tusschen het zware
geboomte, dat zich aan alle kanten verheft; uit de verte is zij reeds
kenbaar aan haar 65 meter hoogen kerktoren, die statig uitkomt boven
den heuvel van groen, waarin zich het dorp schijnt te verschuilen op
de vlakte.
De kerk van Kapelle dagteekent, volgens een opschrift boven den
hoofdingang aan de voorzijde van den toren, uit het begin der 15e eeuw;
zij vormt met den toren één geheel en is als een der merkwaardigste
monumenten van dien aard in Zeeland te beschouwen.
Het gebouw staat op een ruim terrein, de voormalige begraafplaats,
thans met plantsoen begroeid en door geboomte overschaduwd; de
richting der lengteas is naar het oosten; als bijna alle Katholieke
kerken van vroegeren tijd is zij dus "georienteerd". Het geheele
gebouw werd in baksteen uitgevoerd met een spaarzaam gebruik van
zandsteen; het heeft binnenwerks een lengte van 50 meter bij 17
meter breedte. De inwendige ruimte is verdeeld in drie schepen of
beuken met een veelhoekig gesloten koor aan het middenschip, waaraan
door den lateren uitbouw van een koepel blijkbaar een verdubbeling
ten deel is gevallen. Een fraaie houten kap dekt als torengewelf het
kerkruim. De geprofileerde ribben zijn versierd met rijk gebeeldhouwde
figuren, vermoedelijk voorstellingen der Apostelen, onder baldakijns
en steunende op karakteristiek gehouwen draagsteenen.
Dit alles was tot voor kort, helaas! overdekt met een zwaar
lijkkleed van witkalk en pleisterwerk, waaronder de fijnheid van het
beeldhouwwerk geheel verborgen was, terwijl ook het schilderwerk er
geheel onzichtbaar door werd. Ook van het blauw geschilderd plafond
met gouden sterren, waarvan oude lieden in het dorp nog spraken,
was niets te zien.
Het kerkgebouw is thans gerestaureerd en in den ouden toestand
teruggebracht, voor zoover dit mogelijk was. Van de oude beschilderde
kerkramen zijn in de koren nog enkele brokstukken aanwezig, die
slechts een vaag denkbeeld kunnen geven van het schoone geheel,
dat hier vroeger werd gevonden.
De toren, waarin zich de hoofdingang bevindt, heeft een vierkanten
vorm; hij is afgedekt met een gemetselde spits en versierd met vier,
mede gemetselde hoektorentjes, een constructie, die in ons land
slechts zelden voorkomt, o. a. ook bij den toren der Oude Kerk van
Delft. Omtrent de beteekenis dier vier torentjes, welke vroeger meer
gevonden werden, zijn de meeningen verdeeld. Sommigen vermoeden,
dat dit een teeken zou zijn van een moederkerk, anderen van een
kapittelkerk. Ab Utrecht Dresselhuis ontdekte uit een testament van
het begin der 15e eeuw, dat Kapelle de oudste hoofdplaats was van
het dekanaat van Zuid-Beveland, en kwam daardoor tot de conclusie,
dat de kerk als teeken harer waardigheid waarschijnlijk die bekroning
draagt. In de kerk vindt men, behalve een fraaie schepenbank van
1674, nog een gedeelte der Gothische koorbanken, zeer waarschijnlijk
dagteekenend uit den tijd, toen de kerk is gesticht.
Verder vindt men er vele hardsteenen grafzerken, uitstekend gebeiteld,
die niet alleen een bewijs leveren van den kunstsmaak in vervlogen
tijden, maar tevens een bijdrage leveren voor de kennis der
kleederdrachten uit het verleden.
In het koor der kerk staat de graftombe van Philibert van Tuyl van
Serooskerken, vrijheer van Tienhoven, heer van Maalstede, Kapelle,
Biezelinge enz., overl. 1639, en van zijn echtgenoote Anna van
Heer-Jansdam, overl. 1643. Deze edelman, die het slot Maalstede
bewoonde, behoorde tot een geslacht, dat van 1398 af tot het midden der
17e eeuw een merkwaardige plaats heeft ingenomen in de geschiedenis
van Zeeland. Op staatkundig gebied vervulde genoemde Philibert van
Tuyl een belangrijke rol; W. te Water rekent hem onder "de Zeeuwen,
door geleerdheid lofwaardig" en prijst zijn "weergalooze wetenschap
in de kennis van vaderlandsche en Zeeuwsche zaken".
Op het twee meter hooge, fraai bewerkte voetstuk der tombe ligt
een zware dekzerk, waarop in relief, tusschen de familiewapens en
zestien kwartierschilden, de levensgroote beelden van den ridder
in zijn wapenrusting en van zijn echtgenoote in een deftig, lang
gewaad. Waarschijnlijk is dit grafgesteente door een Antwerpensch
beeldhouwer gebeiteld. Het werk werd met veel zorg en nauwkeurigheid
en in edelen stijl uitgevoerd.
Jaren lang had dit alles aan verwaarloozing ten prooi gestaan,
en wat de grafschenders van 1798 waren begonnen, had de
tijd voortgezet. Gelukkig trok de Commissie uit het Zeeuwsch
Genootschap, belast met de zorg voor het opsporen en bewaren der
oude gedenkteekenen, zich dit werk in 1876 aan, en door den steun
van Mr. W. R. baron van Tuyl van Serooskerken en Zuylen te Zuylen
bij Utrecht werd het geheel gerestaureerd, zoodat het weder prijkt
in vollen luister.
Het kerkplein te Kapelle is aan alle zijden omringd door welvarende,
doch eenvoudige burgerhuizen, welke geen opmerkenswaardigheden
aanbieden, evenmin als het overige van het dorp. De vraag moet echter
onwillekeurig bij den bezoeker van Kapelle oprijzen, waaraan dit
landelijk dorp een zoo prachtig kerkgebouw te danken heeft? Om dat
te verklaren, moeten wij ons terugdenken in de geschiedenis van deze
plaats. Het thans zoo landelijke Kapelle, enkel bestaande van den
landbouw, had in de 14e eeuw reeds bloeiende lakenweverijen, welke
den naijver der Goesche burgers opwekten en, door hun concurrentie
gedrukt, in den tachtigjarigen oorlog te gronde gingen. Kapelle is
sedert een landbouwersdorp geworden, maar de kerk kan nog als een
monument van dien vroegeren rijkdom beschouwd worden.
Ten noordoosten van Kapelle lag oudtijds het kasteel Maalstede
of Maelstede, dat voor een der oudste kasteelen van het eiland
gehouden werd en van omstreeks het jaar 1200 moet dagteekenen. Het
was een zwaar, vierkant gebouw, van voren met een voorhof en op
den noordwesthoek een torentje, terwijl het van binnen voorzien
was van ruime zalen en vertrekken; het was omringd door grachten en
plantages. In het laatst der 18e eeuw werd dit inmiddels vervallen
kasteel afgebroken.
Verder noordoostelijk, nabij het kanaal van Zuid-Beveland en
aan de Schelde, ligt het dorp Wemeldinge, een fraaie, in dicht
geboomte verscholen plaats, hoofdzakelijk bestaande uit een lange
straat. Het dorp wordt veel door schilders bezocht. Oudtijds verhieven
zich in deze plaats een adellijk nonnenklooster en een convent
der Tempelieren, later een bezitting der ridders van St. Jan. Het
inwendig gerestaureerde oude kerkje is schilderachtig gelegen aan
het eind van het dorp, op een iets hooger terrein; het bezit fraaie
gestoelten en bewerkingen.
Van Kapelle naar het zuiden wandelende, bereiken wij op korten
afstand het dorp Biezelinge. Thans is Biezelinge een lief, eenvoudig
plaatsje met een net kerkje. Eens was het een niet onbelangrijke
havenplaats. In de nabijheid van het dorp lag vroeger het rijk
begiftigde nonnenklooster Jeruzalem.
Onze plaatsruimte laat niet toe, alle flinke dorpen van Zuid-Beveland
te beschrijven of de bijzonderheden er van op te sommen. Wij wijzen
hierop, om niet de gevolgtrekking uit te lokken, dat alleen de door
ons genoemde dorpen een bezoek waard zijn. Men vindt er nog vele,
die dit voorrecht deelen. Wij zouden kunnen wijzen op den schoonen
Wilhelminapolder, die langs een prachtigen, door olmen belommerden weg
langs de haven van Goes te bereiken is, waar met merkwaardige zorg de
landbouw gedreven wordt en schier geen voet gronds verloren gaat, een
vriendelijk tooneel van genoegelijkheid en welvaart, dat u tegenlacht.
Hier, waar eens vloed en ebbe viel
Bij 't ruischen van de breede baren,
Daar schiep de kunst, door 's menschen hand,
Een zee van gouden korenaren
Rond golvend over 't vruchtbaar land.
Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Doch wij moeten ons vergenoegen met
een algemeen beeld van den indruk, dien het Land van Ter-Goes maakt
op den bezoeker. En dat beeld valt uit zeer ten gunste van dat gewest.
Holland prijz' zijn klaverweiden,
Roeme op 't zuivelrijke gras,
Zeeland, van dat erf gescheiden
Door een woesten waterplas,
Uit uw slibben, uit uw stroomen,
Beurt gij, als Neptunus' bruid,
Die de baren kan betoomen,
't Hoofd ter groene golven uit!
Niet, als van uw nageburen,
Welig, rijk Zuid-Beveland!
Schonk natuur u steile muren,
Duinen van onvruchtbaar zand;
Neen, o neen! maar kunst van dijken,
Die u van rondom beschermt,
Woekerde uw zoo vruchtbre slijken
Uit de Scheld, die u omarmt.
O, Zuid-Bevelandsche beemden,
Vruchtbaar zonder wederga,
Dat u 't starend oog der vreemden
Diep getroffen gadesla.
Zooveel duizenden gemeten,
Trotsche bosschen, goudgeel graan,
Staart uw dankbre ingezeten
Jaarlijks met verrukking aan.
Dat uw hooge, breede dijken,
't Bolwerk tegen 't golfgeweld,
Vrij met trotsche boomen prijken,
Spieglend zich in zee en Scheld.
Zij verschuilen, zij omvatten
Meekrapstoven, schuren vlas,
Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten,
De oogst en kiem van 't veldgewas.
Zij omvatten dorpen, steden,
Lustwaranden, groot en schoon,
Landbouwrijkdom stemt de zeden
Op een gullen, lossen toon.
Boeren, die geen reuzen wijken,
Met boerinnen, rond en frisch,
Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijken
Kracht en vuur te trekken is.
Kracht en vuur, die niet ontaarden,
Schenkt hier de ijzerharde grond
Aan de forsche, breede paarden,
't Kouter scheurend door de klont;
Of die ons in zomertijden,
Onder lachen en gestoei,
Door de gouden kamers rijden,
Waar het lijnzaad staat in bloei.
Aldus bezong een beschrijvend dichter, wiens naam ons onbekend is, in
1843 den roem van het toenmalige Zuid-Beveland. En niet ten onrechte.
Al vindt men hier geen afwisseling van terreinen, de eentonige vorm
van het landschap wordt allerwegen afgebroken door hooge dijken, zware
bolwerken, die het krachtigste getuigenis afleggen van den strijd om
ruimte, door den mensch tegen de wateren gestreden, terwijl de meeste
wegen met rijen zwaar iepengeboomte beplant zijn. De ruimten binnen
die dijken wordt ingenomen door uitgestrekte akkers, waarop uitstekend
graan golft, waar vroeger meer het vlas zijn zachtblauw bloempje
deed schemeren en waar in den laatsten tijd de bietencultuur in den
zomer het geel van de tarwe met het donkergroen doet afwisselen. En
daartusschen liggen de landhuizen verspreid: flinke gebouwen met
hooge schuren om het graan te bergen en meestal door boomen omgeven,
terwijl zoo hier en daar aan de dijken of meer in de polders de
kerktorens hun spitsen uit het geboomte, dat zich in de dorpen
verheft, ten hemel beuren. Schilderachtige partijen, wel niet door
forsche lijnen, maar door huiselijkheid en vriendelijkheid uitmuntend,
vindt men er vele. Onderscheidene dorpen worden dan ook veel bezocht
door schilders, zelfs uit het buitenland, die in den kleurentoon en
de lichteffecten van het land en zijn wateren de inspiratie voor hun
schoonste scheppingen vinden. Een dergelijk dorp is o. a. Wemeldinge,
gelijk wij zeiden.
De schoonste tijd, om Zuid-Beveland te bezoeken, is de lente, als het
weder gunstig is en het nieuwe leven over het land is ontwaakt. Dan
geuren hier bloeiende meidorens in menigte; dan zijn de weilanden
frisch en groen; op de akkers golft het koolzaad als een heldergeel
kleed, geweven uit duizenden kruisbloempjes, en de boomgaarden zijn
in hun rozigen feesttooi gehuld. In dien tijd wordt overal het woord
van den genialen Goesenaar, Johannes Antonides, bevestigd:
De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwd
En 't veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.
Vroeger bood het landschap van Zuid-Beveland nog meer afwisseling
aan. Toen was ook dit eiland met tal van kloosters en kasteelen
overdekt, die door hun statigen bouw en boschrijke omstreken de
schoone tegenstellingen verhoogden. Wij noemen enkele. Goes had zijn
slot Oostende, Heer Hendrikskinderen zijn slot Huis te-Werf; 's Heer
Arentskerke had een stout kasteel, dat uit het water oprees; men vond
kasteelen of ridderhofsteden te Baarsdorp, Baarland, Heinkenszand,
Nisse, Kloetinge, Kapelle, Ellewoudsdijk en elders.
Doch met den adel zijn ook de kasteelen op Zuid-Beveland alle
verdwenen; het is een eiland met boeren bewoners, waar Ceres
den schepter voert, dien zij Neptunus ontworsteld heeft. Groote
buitenverblijven vindt men zelfs op Zuid-Beveland niet meer; hier
woont een ijverig arbeidende bevolking, die in de bewerking van den
vruchtbaren bodem haar bron van welvaart ziet. Zuid-Beveland wordt
dan ook de "korenschuur van Zeeland" genoemd, een naam, die niet
onverdiend is, omdat de bouwlanden hier de beste van Zeeland zijn,
de landen er veel opbrengen. De Bevelander, die wel de heerlijke
atmosfeer der zandgronden miste, vond in de rijke opbrengst des lands
een ruime schadeloosstelling, en drukte dat spreekwoordelijk uit:
"Brabantsche lucht, maar Zeeuwsche renten".
Verder draagt Zuid-Beveland roem op zijn uitstekende boomkweekers. Den
eerenaam "Paradijs van Zeeland" heeft het zeker mede te danken aan de
rijke boomgaarden met heerlijk ooft, die men hier vindt, terwijl de
vriendelijke, schoone vrouwen uit het Land-van-ter-Goes de gedachte
aan het Paradijs nog versterken. De volkseigene kleeding wordt in
deze streken nog het meest bewaard en wekt algemeene bewondering.
De kleeding in het land van Goes kan als de meest schilderachtige
van geheel Zeeland beschouwd worden; vooral bij de vrouwen is zij
het best in stand gehouden. Zij gevoelen het, dat in hun costuum
iets bekoorlijks, iets verhevens ligt, hetwelk aan hooger komaf
doet denken, iets adellijks met een stamboom in het verre verleden
wortelend, en leggen daarom de nationale kleeding niet af, wanneer
zij in den vreemde gaan. De dienstmeisjes uit het Goesche in Den Haag,
waar zij veel voorkomen, en in Amsterdam, waar slechts enkelen zijn,
trekken de aandacht; niet de nieuwsgierige aandacht, welke den lachlust
opwekt, zooals bij den grootstedeling te licht geschiedt, als hij den
provinciaal in eigen dracht aanschouwt, maar de eerbiedige aandacht,
die tot bewondering stemt voor het schoone en aristocratische, dat
er uit spreekt.
Wij willen hier tot afwisseling in ons reizen en trekken een
kleine geschiedenis verhalen, welke duidelijk bewijst, hoezeer de
Zuid-Bevelandsche meisjes in hun nationaal costuum de aandacht van
vreemdelingen boeien. Het verhaal, dat waar is, betreft niemand minder
dan Keizer Napoleon I. Deze bracht den 11en Mei 1810 een bezoek aan den
Zuid-Bevelandschen polder "Zuid-Kraaijert", van welken polder uit de
Franschen, na den terugtocht der Engelschen naar Walcheren in 1809,
dikwijls, doch vruchteloos gepoogd hadden, de vijandelijke schepen
uit het Sloe te verdrijven. Napoleon wilde zelf deze plek zien en had
het déjeuner besteld in een hofstede, destijds bewoond door Nicolaas
Willemse Honderd. Toen het déjeuner, dat in Goes was klaargemaakt,
helaas! niet op tijd gebracht werd en de groote Keizer op het punt
stond, gramstorig uit te barsten, wierp hij een blik op de 17-jarige
dochter van den boer. Haar lief gezicht en vorstelijk Zeeuwsen costuum
deden de zwarte wolk bij den machtige spoedig verdwijnen en hij beval,
dat er dadelijk eieren gekookt, boterhammen gesneden en koffie gezet
moest worden, maar wijl het eten nu toch op zijn boersch was, wilde
de Keizer ook door een boerin bediend worden en wel door de dochter
des huizes.
Spoedig was het bestelde gereed en de Keizer knoopte een gesprek aan
met het jeugdige boerinnetje, dat door de Fransche troepen, die hier
gelegen hadden, een weinig Fransch kon spreken.
Het eerste, wat de belangstellende Keizer haar vroeg, was, of
zij getrouwd was. Toen het antwoord ontkennend luidde, volgde de
vraag, of zij al een vrijer had? Het meisje lachte schuchter, zooals
gewoonlijk met boerenmeisjes bij dergelijke vragen het geval is, en
toen de Keizer aanhield, bekende zij, dat haar hart niet meer vrij
was. "Dat had ik wel gedacht," zei Napoleon en streek het boerinnetje
over de wang, "gij zijt een veel te knap meisje, om niet gevrijd te
worden". "Maar," hervatte hij verder, "laat dien vrijer loopen en
ga met mij mede naar Parijs; ik zal goed voor u zorgen." Ofschoon
Napoleon dit bij herhaling vroeg en het meisje reeds bijna bezweek
voor dat schitterend aanbod, bleef zij toch op het eiland: haar ouders
konden niet met het plan instemmen. Toen Napoleon echter vroeg, waarom
zij niet huwde, antwoordde het boerinnetje, dat haar minnaar nog geen
middel van bestaan had. Napoleon was zoo getroffen door het bekoorlijke
gezichtje, dat hij haar vroeg, wat er aan ontbrak. Zij vertelde hem,
dat dit ongeveer f 300 's jaars was. "Welnu," antwoordde de Keizer,
"gij moogt wel iets hebben, omdat gij ons goed bedient." Napoleon
beloofde nu het meisje, haar jaarlijks f 300 te zullen uitkeeren en
als zij getrouwd was het dubbele, terwijl hij haar als handgeld twee
dubbele gouden Napoleons schonk.
Werkelijk moet dit meisje als loon voor haar vriendelijk optreden
bij den Keizer en voor haar bekoorlijkheid het eerste jaar dit bedrag
hebben ontvangen, doch de val des Keizers deed het jaargeld spoedig
voor de Zeeuwsche schoone verloren gaan.
De Zeeuwsche costuums te beschrijven is voor een niet-Zeeuw, ook al
heeft hij hun land in alle richtingen doorkruist en veel met het volk
omgegaan, een moeielijke taak, vooral waar de costuumkunde niet tot
zijn eigenlijke studie behoort. Doch door het gelukkig denkbeeld
der Zeeuwen, om bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de
Koningin-Regentes op 21 Aug. 1894 aan H.H. M.M. de echt nationale
kleederdrachten te toonen en in een beschrijving te verduidelijken,
een boek, waarvan slechts weinige exemplaren gedrukt werden, zijn
wij in staat, hieraan een en ander te ontleenen, dat betrouwbaar is
en op nauwgezette kennis berust. Aan Dr. J. C. de Man, den kenner van
Zeeland, hebben wij de beschrijving der tegenwoordige kleederdrachten
te danken, aan den heer J. A. Frederiks een inleiding over het
historisch costuum, en beiden zullen wij dankbaar raadplegen.
In de eerste plaats een korte schets van het Zuid-Bevelandsche
vrouwencostuum en de versiering. Onmiddellijk wordt de aandacht van
den vreemdeling getrokken door de vierkante gouden platen of boeken,
hier stikken genoemd, de Zeeuwsche naam voor stukken, welke aan
beide zijden van het voorhoofd iets boven de oogen schuin uitsteken,
terwijl hooger, aan beide zijden van het kuifje veelal zwarte haar,
dat, op het voorhoofd naar achter omgebogen, iets onder de muts
uitkomt, gouden bollen zijn aangebracht. Deze platen, die soms wel
zes c.M. hoog en vier breed zijn, worden aan een hoepel om het hoofd
bevestigd, een echte, oude haarband.
Over een nette, witte ondermuts draagt de Goesche een buitenmuts
van doorzichtig borduurwerk, die breed uitstaat terzijde van het
hoofd, aan de kanten rond afloopt en van voor en achter den fijn
gevormden hals goed laat zien, terwijl ook het gouden slot met
de kralen duidelijk zichtbaar zijn. Die mutsen met gouden stukken
geven aan de Goesche vrouw een schilderachtig, voornaam voorkomen
en de breede, uitstaande kanten zijn uitingen van een levenslustig
karakter, waardoor de vroolijke meisjes uit het land van Goes zich
van de meer stemmige op Walcheren onderscheiden. Ook kan men aan
den vorm en grootte der mutsen in het Goesche een verschil vinden
bij Protestanten en Katholieken. De laatsten hebben grooter muts met
langer, op de schouders afhangende kant, meer vierkant afgesneden.
Ter zijde van de muts zit gewoonlijk van achteren een gouden haarknop
of parel. Deze "gouden paerde", zooals de naam luidt in de taal der
bevolking, d. i. parelspelden, zijn òf effen, òf gewerkt; er behooren
in den regel nog kleine cantille spelden bij. Hierin is geen verschil
bij Roomschen en Protestanten.
De hoed moet passen bij de muts. Vroeger droegen de vrouwen hier
schelphoeden, die veel sierlijker waren dan die van Walcheren. Zij
hadden strooien randjes en een bol met velerlei lint. Doch die ziet
men thans niet meer. Ook de hedendaagsche hoed op Zuid-Beveland, die
voor een halve eeuw algemeen was, wordt weinig meer gedragen, omdat
men dien ouderwetsch vindt. Toch bezitten de meesten een hoed. Hij
is van fijn stroo, en evenals de geheele kleeding zwieriger dan de
Walchersche; aan den rand is hij omzoomd met een strooien biesje
van roosjes of pikkeltjes; de voering is fijn en niet altijd blauw
en op den hoed zelf zijn onderscheidene rosetten, of, zooals men
ze noemt, kransen van stroo, die men als navolging ook vindt in het
Walchersche Nieuwland, maar niet op Walcheren zelf. Het eigenaardige
van den Zuid-Bevelandschen hoed is, dat er noch van voren, noch van
achteren linten aan zijn, iets, waarvan men op Walcheren juist veel
werk maakt. Wil de wind zich van den hoed meester maken, dan moet
men hem met een speldje vaststeken.
Bij deze mutsen behoort ook de overige kleeding iets levendigs te
hebben. Daartoe leent zich de schilderachtige doek, om de schouders
geslagen, welke aan den voorkant een driehoekige beuk voor de borst
openlaat, eveneens met een gekleurden doek bedekt en omhangen met een
kantvormige versiering van gekleurde kralen. De bijna geheel bloote
armen passen bij dit costuum en verhoogen de aantrekkingskracht der
Goesche schoonen.
Een eigenaardigen indruk maakt de Goesche vrouw met deze kleederdracht
in het landschap. Altijd ziet men haar met de blinkende gouden
stukken; melkmeisjes ziet men in de weide de koeien melkend, terwijl de
gouden platen van verre schitterend uitkomen in het licht der dalende
avondzon, als waren zij feeën afgedaald naar het lage land aan den
mond der Schelde. Hier komen ons de woorden van Cats voor den geest,
die de Zeeuwsche "jonckvrouwen" tot half bovenaardsche verschijningen
verhief, toen hij schreef:
Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten,
(Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten)
Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant,
Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant;
Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachten
Een onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten,
Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesicht
Een droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.
De vrouwen hebben hier nog het best hun nationale dracht bewaard;
die der mannen is meestal opgelost in de algemeene, maar toch
zien wij nog enkelen in een landskleeding, zij het ook reeds
verzwakt in bijzonderheden. Het typische oude hoofddeksel van
den Zuid-Bevelandschen boer is een lage, bolvormige hoed met naar
achter omgeslagen rand, een type, dat reeds in de 13e eeuw werd
aangetroffen. De hoed is niet effen, maar wollig, vooral in de
duurdere soorten, en dat wollige en pluizige staat goed en doet den
Goesenaar dadelijk herkennen. Men kent hem ook aan zijn twee zilveren
broekstukken; zij zijn niet, als de Walchersche, bezet met het wapen
van Holland met de leeuwen, maar keurig bewerkt met glinsterende punten
en vlokken, zoodat ieder ze mooier vindt. De Katholieke boeren gaan
evenals de anderen gekleed; alleen kan men de verschillende gezindten
leeren kennen door een wijziging van voren aan den hoed.
Wat heeft aanleiding gegeven tot dit verschil van kleeding tusschen
Katholieken en Protestanten? Bij de eersten heeft het kleurrijke steeds
meer geheerscht in de kerken, werd het schoone meer gehuldigd. De
kleederdracht der Goesche vrouwen dagteekent ongetwijfeld uit den
tijd vóór de Hervorming. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de
Katholieken zich hier uit Brabant later gevestigd hebben. Zij namen
het schilderachtige costuum over, dat met hun aard niet in strijd was,
maar wijzigden dit eenigszins naar hun smaak en zoo bleef het verschil
bestaan. Wij erkennen echter, dat dit slechts een veronderstelling is.
Noord-Beveland, Schouwen, Tolen en Duiveland verschillen in
kleeding van Goes en Walcheren en sluiten zich alle nader aan bij de
Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Noord- en Zuid-Beveland, hoewel sedert
negen eeuwen den naam van "Beveland" dragend, hebben een verschillende
bevolking, hetgeen blijkt uit lichaamsvorm, gewoonten, uitspraak der
woorden en ook uit de kleeding. Op eerstgenoemde eilanden hebben de
boeren echter meest hun nationale kleeding afgelegd; alleen de vrouwen
hebben de nationale staartmutsen bewaard. Slechts kleine variaties
komen daarin voor op de verschillende eilanden. Zoo is de "Schouwsche"
of "Toolsche muts", gelijk men haar noemt, op Noord-Beveland meer
vierkant, elders meer rond. Het algemeen model is een ronde bol
met daaromheen een rijke kant, die op Tolen weer anders is dan op
Noord-Beveland. Zij ligt over de schouders en een deel van den rug,
niet stijf, maar zwierig met plooien en golvingen.
Aan beide zijden van het hoofd worden spiraalvormige krullen gedragen
op deze eilanden. Die krullen zijn op de Zuid-Hollandsche eilanden het
grootst, op Schouwen, Duiveland, Tolen en Noord-Beveland kleiner. De
kleine Schouwensche krul is, evenals de Walchersche, misschien nog
een overblijfsel van het volk, dat in lang vervlogen tijden de kust
van Schouwen bewoonde.
Onderscheidene oude gewoonten en gebruiken hebben op Zuid-Beveland lang
standgehouden. Nog voor weinige jaren werd in Juli, als de "zaedoest"
(zaaddorsch) daar was, waarbij vrouwen en meisjes de "stukken" naar het
zaaddorschzeil droegen (zie een afbeelding bij Walcheren), dat op het
veld werd uitgespannen, en de mannen met forschen, gezwinden maatslag
"de vlui" hanteerden, na afloop van het werk de "Meie" gevlochten,
een krans van groen en bloemen, die door een paar jonge meisjes,
gevolgd door een joelenden hoop, naar den baas werd gedragen "om
hem met den geëindigden dorsch" geluk te wenschen, waarop een feest
volgde. Handboog- en gaaischieten behooren hier nog tot geliefde
uitspanningen, waarbij de koning gekroond wordt. In elk Zeeuwsch dorp
bijna vindt men de "klapbank", een plaats onder een linde of een afdak,
waar de dorpsjongens 's avonds, na afloop van den arbeid, samenkomen
om te praten en allerlei nieuwtjes te bespreken; als het mogelijk is,
vindt men die tegenover de smidse, waar het helder vlammende vuur in
den donker licht werpt op de verzamelplaats.
Eigenaardig zijn de dorpsjongelingen-vereenigingen, een soort van
jongelieden-gilden, met een bestuur en bijeenkomsten, soms ook terloops
op de "klapbank", en door wie de zaken van algemeen belang voor
't jonge volkje geregeld worden. Wanneer een jonkman uit een naburig
dorp komt, om een meisje te vrijen, zal de jongelings-vereeniging zich
daarmede bemoeien, en de huwelijkskandidaat wordt niet toegelaten,
vóór hij van haar toestemming heeft verkregen, een toestemming die
gemakkelijk gekocht kan worden tegen een tractatiegeld.
Een schaduwzijde van de maatschappelijke toestanden op vele Zeeuwsche
eilanden is, dat rijke Belgische heeren hier eigenaars van groote
boerenplaatsen trachten te worden, zoodat de Zeeuwsche boeren voor
een groot gedeelte pachters zijn. Die vreemdelingen, "poepen" genoemd,
ziet men niet gaarne; als uitlanders deelen zij niet in de lasten en
staan zij in geen nauwe betrekking tot hun pachters, zoodat het hun
eenige doel is, van de "Zeeuwsche renten" te profiteeren.
Wij zetten thans ons tochtje voort naar het eiland Walcheren.