V. ZUID-BEVELAND.

Wie met den spoortrein van Bergen-op-Zoom naar Goes reist, volgt eerst

korten tijd in zuidelijke richting den hoogen landzoom, waarmede

Noord-Brabant aan Zeeland grenst. Doch na weinige minuten verlaat

de spoorweg het afwisselende, heuvelachtige gebied der diluviale

zandgronden, en wanneer men op eenigen afstand links op een hoogte

het schilderachtige kerkje van Woensdrecht op een heuvel ziet liggen,

buigt de weg zich naar het westen. Binnen weinige oogenblikken bevinden

wij ons daarna op den spoorwegdam, die sedert 1867 de Ooster-Schelde

van de Wester-Schelde afscheidt en Zuid-Beveland met het vasteland

heeft verbonden.

De dam, die bij den aanleg nog te midden van de wel is waar ondiepe

wateren lag, wordt thans aan beide zijden reeds ingesloten door

uitgestrekte gorzen, met gras en zeekraal begroeid, welke alleen bij

hoogen vloed onder water komen en op verderen afstand overgaan in de

naakte slikken, glibberige grijs-zwarte banken, die bij de eerste eb in

de zon glinsteren door den vochtigen slijkbodem en de plassen, welke

er overal op verspreid liggen. Eentonig, zonder eenige verheffing,

effen als de waterspiegel, terwijl geen boom of hooge plant zich hier

vertoont, breiden de gorzen zich uit in de Ooster-Schelde. Alleen

wordt de effene oppervlakte afgebroken door kronkelende waterloopen,

die in zonderlinge bochten door de gorzen slingeren en met steile

oevers er enkele voeten diep in doordringen. Deze riviertjes zijn

ontstaan en worden onderhouden door het afloopende ebwater, dat na

hooge vloeden wegloopt van de gorzen, doch bij de na-eb zijn zij

veelal zoo goed als droog. Het vee en de schapen, die op de gorzen

weiden, moeten hierop letten en, als de vloed opkomt, op de hoogste

gedeelten of op de dijken van het land een toevluchtsoord zoeken.

Van de hoogste aanslibbingen, de gorzen nabij het land van

Noord-Brabant, zijn er reeds onderscheidene ingepolderd ten zuiden van

den dam, die door dijken bij het land werden gevoegd. Ten noorden van

den dam gaat de landaanwinst niet zoo snel voort, sedert de Schelde

geen slibstoffen meer aan de Ooster-Schelde toevoert na het leggen

van den dam.

Hoewel de aanslibbing langs de Ooster-Schelde thans zeer gering

is, zien wij toch uit den trein, die in het eerst dicht langs den

noordelijken dijk van Zuid-Beveland loopt, dat zich hier groote

platen uitbreiden in de Ooster-Schelde, welke bij hooge vloeden

geheel wegduiken onder de wateren. Het gebied, dat wij daar vóór ons

zien liggen, een slijkvlakte van twee uren breed en ongeveer vier

uren lang, is, helaas! een terrein, waarop de mensch in zijn strijd

tegen de natuur een nederlaag heeft geleden; hier heeft vóór eenige

eeuwen de zee tegen de Zeeuwen een slag geleverd, waarbij zij met

zware verliezen werden teruggedreven, om eerst daar stand te houden,

waar zich thans de hooge dijk verheft. Buiten dien dijk ligt het

"Verdronken land van Zuid-Beveland", zooals de kaarten het aanduiden,

en daar ver over de watervlakte, op niet grooten afstand van de kust

van het eiland Tolen, op de Speelmansplaat, liggen de fondamenten van

de oude stad Reimerswaal. Op de ruïnen van dit vernielde landschap

oefent de Iersekesche oestervisscherij thans haar bedrijf uit.

Groote veranderingen hebben op dit oostelijke, smalle gedeelte van

Zuid-Beveland plaatsgegrepen in den loop der eeuwen. In geen gedeelte

van Zeeland is zooveel land aan de golven ten offer gegeven, dat

nooit herwonnen werd, als hier. Omstreeks het jaar 1200 had het land

in het oostelijk gedeelte een uitbreiding naar het noorden ongeveer

tot een rechte lijn, welke men van Bergen-op-Zoom naar Wemeldinge

kan trekken. Ook naar het zuiden was Zuid-Beveland destijds veel

breeder en in het oosten was het eiland door een arm van de Schelde

van Noord-Brabant gescheiden.

Dit gedeelte van Zuid-Beveland, ten oosten van Ierseke, heette

oudtijds Oostwatering of "beoosten Ierseke" en het overige

Westwatering. Het oude Oostwatering was geheel een polderland,

bestaande uit afzonderlijke bedijkingen, welke aan elkander sloten.

Wie voor een viertal eeuwen stond op een hoogte bij Ierseke en naar

het oosten blikte, zou daar op korten afstand vóór zich den toren

van Kouwerve en van Duivenee hebben zien verrijzen, en verderop de

spitsen van het klooster Mariënhof, de torens van Nieuwerkerk, den

ouden en sterken ridderburcht Lodyke, die met de heerlijkheid aan

een der heeren van Reimerswaal behoorde.

Nog verschillende andere dorpen zouden hier van verre in het

vruchtbare land gezien zijn geworden, als: Machole, Broecke en Kreecke;

Steenvliet, Everwaarden, Schaudee, Nieuwlande, beide laatstgenoemde

met bevoorrechte jaarmarkten begunstigd en met een voor die tijden

niet onaanzienlijken handel, en andere. Maar wie het land beschouwde

met helderen blik, zou er met groote bezorgdheid vele meer of minder

diepe kuilen en plassen in den bodem bemerkt hebben. Dat waren de

veengaten, waaruit de zoutbranders het zoutveen hadden gegraven, om dit

te branden, en die om de voordeelen van het zout den bodem vernielden.

De belangrijkste plaats in dit landschap was Reimerswaal of Romerswaal,

een belangrijke stad, aan de toen nog niet breede Ooster-Schelde

gelegen, tegenover Schakerloo op Tolen, waarnaar een overzetveer

bestond. Reimerswaal was een oude stad, omtrent welker ontstaan

echter niets bekend is, en werd als een der voornaamste steden van

Zeeland beschouwd. In 1374 werd Reimerswaal door Hertog Albrecht van

Beieren omwald, waarna de voorrechten, door onderscheidene graven

aan de stad verleend, aan de burgers een aanzienlijke welvaart deden

toevloeien. In 1315 had de stad het voorrecht verkregen, dat alle

goederen, die van Zeeland naar Brabant of omgekeerd werden vervoerd,

te Reimerswaal ter markt gebracht moesten worden. Rudolf van Diepholt,

de 53e bisschop van Utrecht, schonk in 1449 aan de stad Reimerswaal

het kerkelijk rechtsgebied over geheel Zuid-Beveland.

Die weelde bracht de bevolking telkens tot overmoed. In 1454 overviel

en verdreef zij zelfs de regeering uit de stad, en voor dit misdrijf

werd haar door den stadhouder Karel van Bourgondië alleen na voldoening

van zekere boete vergiffenis geschonken. De burgers moesten, volgens

berichten, barrevoets en blootshoofds in hun hemd zich voor den

Stadhouder verootmoedigen.

Steeds nam Reimerswaal nog toe in bloei en vermeerderden zijn

voorrechten. Maria van Bourgondië schonk de stad verschillende

privilegiën, in 1477 o.a. dit, dat de dijkgraven van Oostwatering

altijd in deze stad moesten wonen. Karel V vergunde der stad, dat de

schepenen er dagelijks recht zouden spreken, in plaats van driemaal

per week, wat voorheen het geval was, ten gerieve van den grooten

toevloed van kooplieden. In 1559 ontving Filips II als graaf van

Zeeland in Reimerswaal nog de hulde van dit gewest, welke huldiging

volgens sommige schrijvers steeds in deze stad zou zijn geschied.

Maar dreigende machten stormden weldra te vuur en te water los op het

rijke Reimerswaal en zijn omstreken. Een vreeselijke brand had reeds

in 1520 meer dan 300 huizen en pakhuizen in de stad vernield. Toch

herstelde de koopstad zich spoedig weder.

Maar daarna kwam de vreeselijke overstrooming van 1530. De

Novemberstorm van dat jaar joeg de wateren der zee op in de Zeeuwsche

monden en over bijna geheel Zeeland, maar ook elders hadden zware

overstroomingen plaats. Het vreeselijkste lot trof Zuid-Beveland,

dat bijna geheel onder water werd gezet. Het binnenstroomende water

vernielde het door het uitmoeren reeds half verwoeste land geheel,

en in het noordoosten bleef alleen Reimerswaal met een poldertje,

gezamenlijk door een eigen dijk ingesloten, als een afzonderlijk

eilandje gespaard. Bijna al het overige land van Oostwatering ging

geheel te loor.

Reimerswaal zette helaas! zijn zoutbranderij nog voort, waartoe de

"wilde moer" bij de stad het veen leverde, en had in 1541 nog vele

zoutketen, waar zout werd bereid.

Door dit landvernielen werd de algeheele ondergang van het laatste

overblijfsel lands in het verdronken land bevorderd. De beide

watervloeden van Januari en Februari 1551 vernielden den dijk en deden

het poldertje bij de stad, als ook de stad zelf, onderloopen. Wel

werden de dijken weder hersteld, maar in 1555 had er nogmaals

een overstrooming plaats, waardoor de polder om de stad verloren

ging. Reimerswaal was thans niet meer dan een stad-eilandje, welks

muren reeds onmiddellijk door water werden ingesloten. De stormvloed

van 11 en 12 Januari 1557 tastte de stad zelf opnieuw aan; de poorten

en muren werden vernield, de plaats liep onder, en de meeste huizen,

benevens het stadhuis, kerken en kloosters, bezweken voor de kracht

der woedende golven. Slechts weinig bleef van deze aanzienlijke stad

gespaard en dit laatste werd nog te gronde gericht door een fellen

brand in het volgende jaar.

Toch hield een gedeelte der bewoners nog stand, worstelende tegen de

elementen. Maar nadat de watervloeden van 1561 en 1563 de overgebleven

stadsgedeelten weder geteisterd hadden, drongen de bewoners aan

op hulp bij de Staten van Zeeland en den Prins van Oranje. Men

beschouwde echter den toestand van Reimerswaal als onherstelbaar;

de bewoners moesten zich redden, zooals zij konden, en toen in 1573

Zeeuwsche krijgsbenden het laatste overblijfsel der stad belegerden,

innamen en vervolgens, wijl de stad niet meer tegen de Spanjaarden te

verdedigen was en zij haar evenmin aan den vijand in handen wilden

laten vallen, in brand staken, was het lot van Reimerswaal voorgoed

beslist. De plaats werd in 1574 geheel ontmanteld; de bewoners,

verarmd en ontmoedigd als zij waren, verlieten de sombere plek,

die steeds door overstrooming bedreigd werd; de regeering der plaats

deed vrijwillig afstand van den rang der stad, die niet meer onder de

vijf goede steden verscheen op de statenvergaderingen der provincie,

en er bleven slechts enkele visschershuizen over in de verlaten stad,

een ruïne te midden der golven.

De overgebleven burgers hielden stand tot 1631, toen een 4000-tal

Spaansche soldaten, die bij een sloepgevecht op het verdronken

land van Zuid-Beveland gevangen genomen waren, op Reimerswaal waren

gebracht, om daar bewaard te worden. Bevreesd voor den overlast van het

krijgsvolk, vertrokken de laatste bewoners uit de stad, die hun niets

meer aanbood. Zij vestigden zich meest in de stad Tolen, waar zij zich

nauw aan elkander sloten en lang een afzonderlijke volksgroep vormden,

die allengs opging in de Tolenaars. Hoofdzakelijk vonden zij hier in

de mosselvangst een bron van bestaan.

Spoedig ging Reimerswaal nu geheel te gronde. In 1634 werden de

straatsteenen door de Staten bij openbare veiling verkocht voor 1081

gulden, welk bedrag onder de schuldeischers bij preferentie verdeeld

werd. Daarmede was de eens zoo roemrijke stad, waarvan Hofferus in

het op haar in 't Latijn gedichte grafschrift zeide:

"In haar gaf eens de vorst, tot hoog bestier ontboden

Van 't vrije recht, aan 't volk zijn woord van trouw en eer",

doelende op Filips II, voorgoed vernietigd. Al te fel bestookt door

de gramschap van twee goden, nl. van Thetys en Vulkaan, was het een

insolvente boedel geworden, door de schuldeischers verkocht.

In de Ooster-Schelde, niet ver van Tolen, op de zoogenaamde

Speelmansplaat, wordt de plek nog aangewezen, waar eens Reimerswaal

gevonden werd. Een tochtje naar de niet ten onrechte als "groot

kerkhof" aangeduide plek, met een zeilboot van Tolen uit, is altijd

een groote aantrekkelijkheid en wordt dikwijls gedaan.

Als men de Eendracht uitzeilt en vervolgens naar het westen

koerst, ziet men ten zuiden van het diep, dat langs de zuidkust

van Tolen loopt, bij eb weldra een plaat opglinsteren. Dat is de

Speelmansplaat, die zich met de plaat "de Vogelaar" als een arm naar

het N.W. uitstrekt. Hier kan men bij laag water de overblijfselen

van Reimerswaal nog zien. Een lange rij van palen, die noordwaarts

zich in het diep verliest, wijst nog op de haven; dwarsbalken en

planken verbinden enkele palen nog. Groote steenen, vrij regelmatig

geplaatst, wijzen er op, dat hier eenmaal een druk veer was op het

eiland Tolen. Op dat eiland vindt men bij Schakerloo door de polders

een weg, die den naam van "Veereweg" nog draagt. Op de plaat ziet

men een vreemde grondstof, die voor selkasch, een overblijfsel van

het zoutbranden, gehouden wordt. De richting der straten kan men

nog goed onderscheiden, daar fundamenten van gebouwen nog zichtbaar

zijn. Blauwe schalien, de vroegere dakbedekking, groote moppen,

zooals eertijds de steenen gebakken werden, potscherven, enz. liggen

overal verspreid. De plaats, waar eens de groote parochiekerk stond,

is nog duidelijk te zien; de ingeheide palen, waarop de pilaren en

muren rustten, wijzen haar plaats aan; zelfs ligt nog een gedeelte

van den kerkvloer bloot. Bij opmeting bleek, dat de lengte der kerk

25 Meter bedroeg, de breedte 15 M.

In de nabijheid hiervan vindt men het kerkhof, thans door zand

bedolven. Wanneer de golfslag het zand wat losgewoeld heeft, kan

men den doodenakker duidelijk onderscheiden door overblijfselen van

doodkisten, van geraamten, enz. In 1883 verrichtte Dr. Sasse hier nog

opgravingen; hij vond hier onderscheidene merkwaardige schedels, die

hij voor anthropologisch onderzoek bewaarde. Tal van pottebakkerijen en

ook leerlooierijen schijnen hier eens gevonden te zijn; looierskuipen,

waarin nog run aanwezig is, wijzen op dit bedrijf.

De legende heeft ook de geschiedenis van Reimerswaal omhuld met

haar dichterlijk waas. Ook hier wordt gesproken van een meermin,

die den vloek uitsprak over de stad, een verhaal, dat ook elders

is gelocaliseerd. Dat Reimerswaal eens een aanzienlijke stad was,

kan niet betwijfeld worden; de volksoverlevering, dat de weelde hier

zoo ver was gegaan, dat gouden kloppers de deuren versierden en de

paarden met zilveren hoefijzers beslagen waren, echter wèl.

Na een korten tijd toevens moeten wij de verzonken stad weer

verlaten. De eb is voorbij; de wateren der Schelde rijzen; zij stuwen

voort over de platen, en als wij weer met ons scheepje dobberen, zien

wij den grondslag van Reimerswaal op nieuw bedolven onder de wateren,

die spelemeien in lustigen golfslag over het groote kerkhof.

Door de overstroomingen, welke Reimerswaal te gronde deden gaan, was

er ook van Oostwatering slechts weinig overgebleven. Eerst in 1594

tot '96 werden de Monniken-, Maagde- en Nieuw-Krabbendijkerpolder

weder drooggelegd. Enkele polders van het ondergeloopen land werden

weder gewonnen, doch op de kaart van Hattinga, in 1747 genomen,

was de Oud-Mairepolder het oostelijkste punt van het eiland

(ongeveer ten zuiden van Krabbendijke). Ten oosten daarvan lag een

breede vlakte van gorzen, schorren en slikken, met enkele geulen en

waterspranken doorsneden, die zich tot het hooge land van Noord-Brabant

uitstrekte. De geheele streek, die de spoorweg van Woensdrecht naar

Krabbendijke doorloopt, is na 1740 ingepolderd en bestaat uit jonge

dorpen, langs de polderdijken gebouwd.

Vóór wij ons afwenden van het verdronken land, moeten wij nog

een historische gebeurtenis in herinnering brengen, die zich hier

afspeelde op deze schorren. Het was in het jaar 1572, toen Goes

door de Watergeuzen onder Tseeraerts belegerd werd, dat Christoval

de Mondragon, een wakker Spaansch krijgsman, besloot de stad te

ontzetten. Met 3000 man, Walen, Spanjaarden en Duitschers, maakte

hij zich daartoe op, ging te Bergen-op-Zoom scheep en zette zeewaarts

koers, als wilde hij de Zeeuwsche vloot aantasten. Maar op het voorstel

van Dirk Bloemaert, een Noord-Brabanter van geboorte, die bekend was

in deze streken, werden zij weldra weder ontscheept, om den tocht over

het verdronken land te volbrengen. De afstand van de Agger aan den

Brabantschen wal tot het oude land van Valkenisse bedroeg ongeveer

vier uren: een aaneenschakeling van slikken en ondergeloopen land,

met kreken doorsneden, 't Was een gevaarlijke tocht, maar het waagstuk

werd ondernomen.

Toen ze op de Agger stonden, werd elk der manschappen een zakje met

mondvoorraad en krijgsbehoeften uitgereikt, om aan den hals te hangen;

de schroomvalligen werden aangemoedigd door het vooruitzicht op den

roem en den rijken buit en men trad te water, om te voet Zuid-Beveland

te bereiken. Wel was het eb, maar toch moest men tot de knieën, soms

tot het middel, door het water waden. Bloemaert ging met Mondragon

voorop, daarna volgden de Spanjaarden, verder de Duitschers; de Walen

vormden de achterhoede. Het was een verwonderlijk schouwspel, die

drieduizend krijgsknechten daar halverwege boven het water te zien

plassen. Maar het geluk begunstigde de stoutmoedigen; slechts negen

man verdronken in de diepere geulen en toen het middaggetij zijn volle

hoogte bereikt had, betraden de laatsten den dijk bij Krabbendijke. Ook

het verdere van den tocht liep gunstig af voor Mondragon en Goes viel

door deze kloeke onderneming weer tijdelijk in handen der Spanjaarden.

Is de daad van Mondragon een moedige onderneming der Spanjaarden

geweest, die wij niet mogen verzwijgen, daarginds bij Reimerswaal

had nog een dappere daad plaats, die de onversaagdheid der Zeeuwen

in het licht stelde. Toen Requesens Alva in de Nederlanden opvolgde,

wilde hij, in tegenstelling met zijn voorganger, de Nederlanders ook

op zee bestrijden. Dertig zware schepen, aangevoerd door den bekwamen

d'Avila, zouden langs de Wester-Schelde naar Walcheren zeilen en

zeventig smakken, aangevoerd door Glimes en Romero, moesten van

Bergen-op-Zoom de Ooster-Schelde afkomen.

Die krijgstoerustingen tegen Walcheren kwamen Oranje ter

oore; hij ijlde naar Vlissingen en verzamelde de Hollandsche en

Zeeuwsche zeemacht onder Lodewijk van Boisot, die de Ooster-Schelde

opvoer. Voortgestuwd door een noordwester koelte, ontmoette Boisot

de vloot van Glimes bij Reimerswaal; bij 't Lodyksche Gat kwamen

de vloten binnenschots. Een moorddadig vuur kostte velen der onzen

het leven en Boisot verloor een oog. De Spanjaarden sprongen zelfs

op zijn schip over; er ontstond een hardnekkig gevecht, dat weldra,

daar nu ook de andere vaartuigen aanklampten, algemeen werd. Hier

volgde Jasper Leunszoon van Zoutelande de daad van Jan Haring;

hij haalde de vlag van het admiraals-schip van Glimes en bracht

die behouden bij de zijnen. Romero deed een nieuwe vlag hijschen,

enterde aan de andere zijde van het schip van Boisot, die eindelijk,

toen hij een zestigtal vijanden had te bestrijden op zijn schip,

de lont in 't kruit stak, om zich niet over te geven. Doch hiermede

werd ook het pleit beslecht; Romero, juist gered, vluchtte met zijn

volk naar Tolen, waar Requesens met zijn hofstoet op den dijk in koude

en regen het schouwspel stond aan te zien. De Zeeuwen veroverden of

verbrandden verscheidene schepen, en het veroverde Spaansche geschut

werd naar Walcheren opgebracht. D'Avila, die op de Wester-Schelde

bij Breskens het tij liet verloopen, trok na het vernemen van de

nederlaag bij Reimerswaal terug naar Antwerpen, zonder iets te hebben

verricht. Zoo bleef Walcheren voor den Prins behouden. Ook over de

platen van dit verdronken land klinkt de geschiedenis van den roem

van Nederlands dapperen.

Wanneer wij onzen tocht met den trein voortzetten, gaan wij voorbij

Krabbendijke, een dorp, dat in 1591 na hernieuwde bedijking weder

ontstaan is en zich ten noorden en ten zuiden van de spoorweglijn

uitbreidt; nabij den zuidelijken dijk van het eiland verrijst in het

geboomte het oude dorp Waarde. Ook dit dorp is niet meer, wat het

in de middeleeuwen was, toen zich hier een sterk kasteel verhief

naast de kerk, die destijds veel grooter was, en er een proostdij

der Tempelieren gevonden werd, welke later aan de Maltheser ridders

kwam. Het eens aanzienlijke dorp is afgenomen en het grondgebied is

ten zuiden door vele overstroomingen sterk afgeslagen.

Vervolgens loopt de spoorweg op ongeveer een kwartier afstands

van Kruiningen, thans een der grootste Zeeuwsche dorpen en een der

schoonste van het eiland, met ruim 1200 bewoners binnen de kom, aan een

kruispunt langs eenige wegen gebouwd, te midden van flinke boomgaarden

en bouwlanden. Kruiningen is nog van oude dagteekening; in de 13e

eeuw was het reeds als een vrijheerlijkheid bekend en de bezitters

dier heerlijkheid werden in het begin der 15e eeuw erfburggraven van

Zeeland. Ook bezat de heerlijkheid reeds vroeg een eigen schepenbank en

afzonderlijke keuren, week- en jaarmarkten. De heeren van Kruiningen

hadden hun slot, het kasteel van Kruiningen, achter de kerk. Het

was een gebouw uit de 13e eeuw, eens zeer aanzienlijk; in 1612, na

't overlijden van Maximiliaan van Kruiningen, die geen mannelijke

nakomelingen naliet, is het in verval geraakt en in 1720 moest het

worden afgebroken.

Ongeveer tegenover Kruiningen loopt van den spoorweg de weg naar

Ierseke, een dorp, langs den dijk gebouwd en door boomgaarden

ingesloten. Aan den waterkant van Ierseke vindt men talrijke

oesterputten, die een belangrijke bron van bestaan zijn voor deze

plaats en een eigenaardig bedrijf.

Ook Ierseke is een oude plaats, die in den tijd, toen de

overstroomingen het oostelijk gedeelte van Zuid-Beveland nog niet

verwoest hadden, met Reimerswaal en Goes kon wedijveren en evenals deze

steden uitgebreide tolvrijheid, een Woensdagsche weekmarkt bezat en ook

met jaar- en paardenmarkten begunstigd werd. Te Ierseke was zelfs eens

het onderdekenschap van het westelijk deel van Zuid-Beveland gevestigd,

dat Goes in 1413 wist te verkrijgen. Op het uiterste van den oostkant

van het eiland tegen den dijk gelegen, die Oost- en Westwatering van

elkander scheidde, lag het destijds als middelpunt van een bloeiende

streek zeer gunstig, doch na den ondergang van Oostwatering is het

zeer vervallen.

In de 19e eeuw zijn de oesterteelt en oesterhandel voor Ierseke een

bron van afwisselenden bloei geworden. Wij willen hierbij een kort

overzicht geven van de geschiedenis der oestercultuur.

De eigenlijke oestercultuur, nl. wat men thans daaronder verstaat,

dagteekent in Zeeland van 1870. Evenwel is de oesternijverheid

in Zeeland al van veel ouderen datum. Langen tijd was Zieriksee

het middelpunt van dezen handel. Job Baster, de bekende geleerde

Zeeuw uit de laatste helft der 18e eeuw, zegt, dat er destijds te

Zieriksee veel Engelsche oesters verhandeld werden, aldus genoemd,

omdat het grootste gedeelte daarvan jaarlijks met schepen hier te lande

gebracht werd. De zoogenaamde "oesterhaalders" voerden uit Engeland

in dien tijd de oesters aan, welke daarna in oesterputten, groote,

met grenen planken bevloerde bakken, waarin 4 à 6 voet zeewater stond,

geplaatst werden, waarin het water met elk getijde ververscht werd. Na

6 à 10 dagen werden de oesters dientengevolge geschuurd, d.i. van alle

slib en vuiligheid, die zij uit Engeland medebrachten, gezuiverd en

schoongemaakt en daarna in tonnen ter verzending ingekuipt.

Ook werden in dien tijd al kleine oesters uit Engeland aangevoerd;

de oesters, die te klein waren, om verzonden te worden, werden

uitgeschoten, bewaard, en in zee op die plaatsen gezaaid of

uitgestrooid, welke men geschikt achtte voor verderen groei. Deze

platen in zee noemde men oesterbanken. Zelfs kleine, jarige oestertjes,

broed genoemd, werden op die wijze gezaaid. Omdat de oesters hier niet

zoo sterk voortteelden, werd elk jaar met een opzettelijk daarvoor

bestemd schip, dat doorgaans in het laatst van April aankwam,

oesterbroed uit Engeland gehaald.

Van de bij Schouwen en Duiveland liggende oesterbanken werden in

den herfst en in den winter de oesters gevischt en de kleine weder

in zee geworpen. De groote werden in de oesterputten schoongemaakt

en gezuiverd, in vaten verpakt en verzonden. Dat waren de Zeeuwsche

oesters, die de Engelsche overtroffen.

Of de Zeeuwsche wateren in historischen tijd steeds oesters

voortbrachten, dan wel, of deze dieren zich later hier vertoonden,

is niet zeker te zeggen. Boxhorn verhaalt in zijn Kroniek van 1644,

dat zich in 1620 aan de zuidkust van Schouwen oesterbanken vertoonden,

van welke de burgers van Zieriksee menigmaal oesters haalden, maar toen

Smallegange in 1696 de Kroniek van Zeeland uitgaf, schreef hij, dat,

ofschoon de oesterbanken geheel waren verdwenen, zij de aanleiding

geweest waren van den Zierikseeschen oesterhandel, die sedert dien

tijd de oesters uit Engeland liet komen.

In het oostelijk deel der Ooster-Schelde kunnen op zijn vroegst

de oesterbanken gevonden zijn in het laatst der 17e of het begin

der 18e eeuw, maar in 1784 wordt voor het eerst melding gemaakt

van oestervisscherij op de banken beoosten Ierseke. Oorspronkelijk

was het visschen van oesters daar alleen aan visschers uit Zeeland

vergund, doch in 1799 werd het recht daartoe allen Bataafschen burgers

toegekend. In 1805 kwam de visscherij op de wateren van Zeeland aan

het Departementaal Bestuur, in 1820 onder het Domeinbestuur, en in

1825 werd daarvoor een speciaal college in 't leven geroepen, dat van

't Bestuur van de visscherijen op de Schelde en "Zeeuwsche stroomen",

hetwelk nog bestaat.

In 1870 werd bij K. B. bepaald, dat de natuurlijke oesterbanken van de

Schelde en de Zeeuwsche stroomen aan de publieke visscherij onttrokken

en in 't openbaar in perceelen verpacht zouden worden.

De vrije visscherij van oesters, zooals die vroeger bestond, nam

af; na 1886 vond ze op de Ooster-Schelde niet meer plaats. Op de

Grevelingen vóór het Dijkwater is ze weer opgevat. Thans kan men

echter zeggen, dat al het op de Schelde en Zeeuwsche stroomen voor

schelpdieren in aanmerking komende water verpacht is, met uitzondering

der Wester-Schelde, waar ingevolge de regeling met België verpachting

niet mogelijk is. De beste perceelen werden gepacht door maatschappijen

of naamlooze vennootschappen, die zich op de oesterteelt toelegden. En

daarvoor is Ierseke de belangrijkste plaats.

Vóór 1870 had de oester-industrie in Zeeland zich bepaald tot

het visschen en rapen van oesters en het tijdelijk neerleggen op

daarvoor geschikte gronden of daarvoor ingerichte putten van uit den

vreemde, uit Engeland of Schotland aangevoerde oesters. Omstreeks

1850 waren er in Zeeland 5 voorname oesterputten: één te Vlissingen,

één te Veere, één te Zieriksee en twee te Bruinisse. Ongeveer 200

visschers hielden zich in dien tijd daarmede bezig. Vooral van Tolen,

Bruinisse en Arnemuiden uit werd in dien tijd de oestervisscherij op

de Ooster-Schelde gedreven.

Na 1870 was het hoofddoel der oester-cultuur meer oesters te

verkrijgen, zoowel voor den verkoop als voor de teelt van volgende

jaren. De cultuur bestond in den aanvang voornamelijk in het opvangen

van broed op de daartoe gepachte perceelen. Voor dat opvangen gebruikte

men takkenbossen, gekalkte buizen, gekalkte dakpannen, enz.; de laatste

voldeden het best. Snel breidde zich het gebruik van dakpannen op de

perceelen eerst uit, doch omstreeks 1900 verminderde dit weder. Daar er

genoeg broed valt op de banken en de voorwerpen, die zich van nature

daarop bevinden, voldoende zijn voor de aanhechting van het broed,

zijn deze dure hulpmiddelen niet meer zooveel noodig.

Over 't geheel heeft in de laatste jaren de teelt van oesters op deze

banken veel van het kunstmatige verloren, daar ook de kweekbakken

verminderd zijn; zij bepaalt zich tegenwoordig bovenal tot het

opkorren en sorteeren van de oesters en het overbrengen daarvan naar

andere perceelen, waar men een snelleren groei kan verwachten. De

Iersekebank is bovenal het terrein voor het vet worden der oesters;

op de Bergsche bank (Bergen-op-Zoom) valt veel broed, en zoo hebben

de verschillende banken hun eigenaardigheden.

De oester-cultuur heeft sterke fluctuatiën ondergaan, niet alleen in

de produktie, maar ook in de prijzen. De grootsche verwachtingen van

de rentabiliteit, eens dienaangaande gekoesterd, zijn niet vervuld

voor de maatschappijen, die hier optraden. Daarmede schommelde ook

de welvaart van Ierseke. In de laatste jaren daalden de prijzen sterk

en was de vraag naar Zeeuwsche oesters minder, mede als gevolg van de

slechtere hoedanigheid van het produkt. Er schijnt een overproduktie te

zijn bevorderd, welke de qualiteit deed achteruitgaan. De verbetering

daarvan is een belangrijk vraagstuk.

Wij mogen ons hier niet langer ophouden, maar stappen weder in den

trein, passeeren het Kanaal van Hansweerd naar Wemeldinge, dat in

1867 is voltooid, om de Ooster- met de Wester-Schelde te verbinden,

sedert de spoorwegdam gelegd is--een recht kanaal, door hooge dijken

ingesloten, dat als het ware over het land heen loopt--en reizen

ineens door naar Goes, om van hier het westelijk Zuid-Beveland nader

te bezoeken en te doorwandelen.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 40 / 74 题