Met veel bochten, doch in hoofdrichting naar het noorden, loopt de
stoomtram thans van Brouwershaven dwars door Schouwen. Langs welig
begroeide bouwlanden, grazige weiden en belommerde dijken buigt de
straatweg voorbij het fraaie geboomte der buitenplaats Zorgvlied,
waarbij zich aansluiten de villa's Welgelegen, Mon Plaisir, Buitenrust
en andere, die te zamen het gehucht "Schuddebeurs" vormen, aldus
genoemd naar een uitspanning met fraaien tuin. Deze vriendelijke,
boschrijke oase, te midden der kleilanden, was al vroeg door de
Zierikseesche familiën zeer gezocht.
Niet ver van hier, aan den Kloosterweg, verhief zich eens het rijke
Karthuizer klooster Zion of Berg Zion, dat in 1575 verwoest werd bij
de belegering van Zieriksee door de Spanjaarden. Wij komen voorbij
Noordgouwe, een dorp in een jong aangewassen polder, waar in 1304
nog een scheepsstrijd plaats had tusschen Hollandsche, Fransche en
Vlaamsche vloten, voorbij Zonnemaire, omstreeks 1400 ontstaan in
een toen bedijkten polder, door Bommenede, een bloeiend dorp aan den
zeedijk, en bereiken spoedig Brouwershaven.
Brouwershaven is een oude smalstad aan de Grevelingen en telt thans
ongeveer 1400 inwoners. Het stedeke maakt een melancholischen indruk;
zoo stil en vergeten ziet het er uit, wat te meer uitkomt door het
ruime marktplein bij de haven, waar het raadhuis verrijst met zijn
schilderachtigen gevel, en dat er op wijst, dat deze plaats eens
grooter beteekenis moet hebben gehad.
Het stadhuis van Brouwershaven werd in 1599 gebouwd en is in 1890
gerestaureerd naar het oorspronkelijk plan; de gevel is een beeld van
den levendigen, opgewekten Renaissancestijl. Als men het bordes met
dubbelen hardsteenen opgang betreedt, ziet men boven den fraaien ingang
een nis met het beeld der gerechtigheid, waaronder in 't Latijn staat,
dat "de wet het behoud voor 't gemeenebest is." De klapvensters,
de in lood gevatte, kleine ruitjes, de levendige afwisseling van
kleuren en vormen, brengen ons den gouden tijd voor den geest, toen
welvaart en kunst hun hoogtij vierden in deze landen en zich uitten
bij schier elk openbaar gebouw, zelfs in de kleinste landstad.
In het stadhuis vindt men het archief der stad met het oudste stuk
uit 1344, waarbij aan Brouwershaven een vrije haringmarkt werd
geschonken. Een folio-exemplaar der werken van Cats met eigenhandig
geschreven opdracht en sierlijke zilveren sloten wordt op het stadhuis
bewaard ter herinnering aan het feit, dat Jacob Cats in deze plaats
het levenslicht aanschouwde, 10 Nov. 1577.
Van Brouwershaven is Cats de groote burger. Een klein, nederig huisje
in de Noorderstraat, met twee ramen en een deur in de benedenverdieping
en één raam in den dakgevel, wordt als het geboortehuis van den dichter
van "den Boerenbijbel" aangewezen. In het begin der 19e eeuw zag dit
huisje er nog juist zoo uit als in den tijd, toen Cats er opgroeide;
later is het veranderd. Op de Markt is in 1829 een standbeeld van
Cats opgericht, rustende op een vierkant voetstuk van arduin. Om den
Hollandschen schoonmaakgeest eer aan te doen, wordt het jaarlijks
zorgvuldig gewit.
Een hoogst belangrijk gebouw is de kerk van St. Petrus en Paulus,
een der mooiste bouwgewrochten in Nederland; het werd van 1876-1892
door het Rijk en de stad gezamenlijk gerestaureerd. Het koor met
ambulatorium, vijf absidiale kapellen en transept, alles gewelfd
met baksteen, dagteekent van 1293; de tegenwoordige drie schepen
zijn uit de 15e eeuw. Toen men er aan dacht, dit gebouw te sloopen,
trok de Regeering zich het gelukkig aan en zoo bleef het voor de
geschiedenis onzer bouwkunst behouden. Het antieke orgel, dat het
jaartal 1557 droeg, is aan het Rijk verkocht en bevindt zich in het
Rijks-Museum te Amsterdam.
Brouwershaven wijst in zijn geschiedenis duidelijk aan, hoe
de omstandigheden ten voor- of nadeele van een plaats kunnen
veranderen. De plaats is ontstaan aan den mond van een water, de
Duivenee, dat voorbij Brijdorpe uit het eiland kwam en hier in het
breede zeegat uitmondde. Brijdorpe, thans een onbeduidend gehucht, was
in de 13e eeuw een dorp van beteekenis, een der aanzienlijkste dorpen
van Schouwen. Waarschijnlijk beteekent de naam "Brouwersdorp". Graaf
Floris V wilde Brijdorpe tot een koopstad maken, en om een haven te
verkrijgen aan den mond der Duivenee, werd hier door den Hollandschen
Graaf van Jan van Renesse 100 gemeten lands gekocht, om er een stad en
een haven aan te leggen in 1288; door den dood van Floris V verkreeg
het plaatsje echter nog geen stedelijke rechten. Het kwam pas tot
grooten bloei na den afval van Spanje, toen het in 1590 verlof kreeg,
zich door wallen te beveiligen, de gedaante en het karakter eener stad
aannam, een smalstad werd. Het recht van stemhebbende stad verkreeg
Brouwershaven niet.
De handel in bier uit Holland was een groote bron van welvaart voor
de plaats in oude tijden; Zeeland moest bij gebrek aan goed water zijn
bier hoofdzakelijk van elders verkrijgen. Naast den bierhandel bracht
de visscherij, vooral de haringvisscherij, de plaats tot welvaart;
in de 17e eeuw kwamen vele kooplieden uit Holland hier, om de haring
in te koopen. Doch met den achteruitgang der visscherij taande ook de
welvaart van Brouwershaven. In 1822 was de plaats zoozeer in verval,
dat het aantal ingezetenen tot 322 gedaald was.
Er kwam hoop op nieuw leven en ook werkelijk vooruitgang, toen in
1838 het Brouwershavensche Gat werd betond, om te kunnen dienen
tot toegangspoort uit zee voor de groote schepen, naar Dordrecht
en Rotterdam bestemd. De verwachting was hoog gespannen, daar deze
reede in den winter steeds open was; tal van loodsen, verificateurs,
enz. vestigden er zich met het oog op het herbloeien van den handel;
een groot logement "Catsburg" werd gebouwd, om de vreemdelingen
te kunnen herbergen. Doch die hoop werd niet verwezenlijkt, en
na de opening van den Nieuwen Waterweg voor Rotterdam verliet het
scheepvaartverkeer Brouwershaven weder; de ambtenaren vertrokken, de
bedrijvigheid stond plotseling stil. Brouwershaven was weder een doode
stad geworden als vóór 1838. En die toestand was des te drukkender,
daar hij volgde op een vleugje van nieuw, opbloeiend leven.
Wij verlaten het droefgeestige stedeke, waar de tram ophoudt, om het
westelijk Schouwen nog te doorkruisen op eigen gelegenheid. Terwijl
wij den weg langs den zwaren dijk volgen, die de woedende golven der
zee in het Brouwershavensche Gat tegenhoudt, hebben wij van tijd tot
tijd gelegenheid, die hooge borstwering te beklimmen en een gezicht
over Schouwen aan den eenen, over de zee aan den anderen kant te
genieten. In het noorden zien wij over de thans rustige wateren
de duinen van Goedereede in het zonlicht blinken met den toren van
Ouddorp; in het zuiden vóór ons ligt Schouwen in een diepe kom, waar
graslanden met bouwlanden, door goudgele tarwe bedekt, afwisselen,
terwijl hier en daar een dorpje, te midden van eenig geboomte, uit
het overigens naakte land oprijst.
Vóór een vijftal eeuwen had het landschap hier een ander
aanzien. Onderscheidene kasteelen en aanzienlijke kloosters verrezen
zoo hier en daar uit het land, waarvan thans geen bouwvallen zelfs
meer over zijn, en meer dan één bloeiend dorp uit de middeleeuwen
is gedaald tot den omvang van een gehucht. Zoo bijv. Brijdorpe, dat
wij reeds noemden. Het slot Herkestein, waar in 1426 de Engelschen
en de Hoeksche edelen, die vrouwe Jacoba getrouw waren gebleven,
moesten onderdoen voor de Kabeljauwschen, is geheel verdwenen, zoodat
men zijn plaats niet meer weet; Looperskapelle en Klaaskinderenkerke
zijn van dorpen gehuchten geworden, en van het klooster "Bethlehem
bij de duinen van Schouwen", dat in de 12e eeuw gesticht en in 1572
door de Watergeuzen verbrand werd, is ook niets meer over; alleen is
de naam nog bewaard voor een hofstede.
Langs het dorpje Scharendijke en voorbij het gehucht Oudendijke zien
wij in het noorden weldra de duinheuvels plaats maken voor den dijk en
spoedig daarna komen de toren en trapgevels van een kasteel tusschen
het geboomte te voorschijn, terwijl de achtergrond in het westen
gevormd wordt door een schilderachtigen, boschrijken zoom langs de
duinen, die zoo hier en daar in witte blinkerts er uit oprijzen, als
om te toonen, waaraan West-Schouwen zijn heerlijke natuur te danken
heeft. Want thans bevinden wij ons op het wel meest afgelegen, maar
ook het schoonste en oudste gedeelte van Schouwen, dat in de oudheid
door den adel bijzonder gezocht was.
Het slot, dat wij vóór ons zien, is een treurig overblijfsel van het
eens zoo beroemde Moermont, in de oudheid een sterk kasteel, omringd
door wijde en diepe grachten en met vijf torens versterkt. Dit was
het stamhuis en de verblijfplaats der Heeren van Renesse, waartoe
ook de Zeeuwsche Bayard, heer Jan van Renesse, behoorde, die wegens
de wonderen van dapperheid, welke hij meer dan eens verrichtte, in
de landskronieken wordt aangeduid met den eerenaam van "de vrome en
onversaagde ridder". In 1244 vertoefde op dit slot Graaf Willem II;
in 1297 werd het maanden lang belegerd door Wolfert van Borselen en
bijna geheel vernield. Na herbouwd te zijn werd het nogmaals verwoest,
maar in 1513 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1751 werd het in den toestand
gebracht, waarin men het thans ziet, doch de trotsche bosschen met
aangename wandeldreven zijn alle verdwenen, en alleen eenig ruw,
slecht onderhouden geboomte omringt het vervallen oude huis, dat
slechts tot arbeiderswoning dient.
Weinige minuten verder ligt het dorp Renesse, te midden van de
bekoorlijke geeststreken, gebouwd rondom een ruim, met boomen beplant
kerkplein. Door een boschrijken zoom, binnenlangs de duinen, loopt de
straatweg van Renesse naar Haamstede, terwijl langs den weg de paden
zich in bosch en duin verliezen. De duinen hebben hier de aanzienlijke
breedte van een uur gaans.
Het vriendelijk dorp Haamstede, dat wij thans bereikt hebben, vormt
een breede straat, met olmen en kastanjes beplant, die zich in het
midden om de kerk verbreedt tot een plein. Hoewel het dorp van hoogen
ouderdom is, vindt men er toch geen oude gebouwen; de drieschepige
kruiskerk heeft haar tegenwoordigen vorm in 1605 verkregen en biedt
weinig belangrijks.
Ten westen, onmiddellijk naast het dorp, verrijst het oude slot
Haamstede. Een muur met zware ijzeren poort, de poortpilaren gekroond
met de wapens van Witte en Mogge, de vroegere bezitters, sluit aan de
zijde van het dorp de plaats af, en de heerlijke bosschen strekken zich
naar het westen uit tot diep in het duin. Binnen de voorpoort gekomen,
ziet men het slot, door grachten ingesloten en met een klein plein
rondom het gebouw. De steenen brug voert tot een oude steenen poort,
met klimop omrankt en met een wapen gekroond. Daar verder verrijst
de hooge, gekanteelde muur van het huis met twee torens.
Het slot Haamstede werd vermoedelijk in de eerste jaren der 14e eeuw
gebouwd door Witte van Haamstede. Van dit slot snelde de dappere Witte,
Grave Floreszoon, in 1304, naar Holland, plantte de leeuwenvaan op
den Blinkert, bestreed den Vlaming en wist geestdrift te wekken voor
het Hollandsche Gravenhuis. Zoo werd hij de "geesel der Vlamingen",
de "redder van Holland".
"Men vraagt zich niet, of menig held
Den eedlen Witte vergezelt,
Genoeg, genoeg is 't, dat hij kwam,
De wakkre telg uit Hollands stam!
En wat zou ook een tal van knechten
In staat zijn, meerder uit te rechten?
Een balsemdrop, een bloem bevrucht
Met geuren ieder deel der lucht;
Een enkle zon verlicht de sfeer,
Een enkle held bezielt een heir."
Tot 1454 bleef deze heerlijkheid in het bezit der Witte's van
Haamstede. Na verschillende lotswisselingen der edelen van Haamstede
viel het oude slot in 1525, toen René van Brugge er heer was en
hij de roemrijke overwinning van Karel V bij Pavia ook op Schouwen
wilde vieren, terwijl des avonds smeerpotten en teertonnen de muren
zouden verlichten, als een prooi der vlammen, waaruit weinig gered
werd. Alleen de geroosterde wanden, een paar torens en de hoofdpoort
bleven staan met enkele muurbrokken. Zoo bleef het slot een verlaten
ruïne. Toen Keizer Karel V in 1540 te Zieriksee kwam, begaf hij zich
nog naar Haamstede, om de plek te zien, waar op een aan hem gewijden
vreugdedag het roemrijke slot was verwoest.
In 1608 werd het slot herbouwd door Jacob van den Einde, den
toenmaligen bezitter der heerlijkheid. Nog werd het uitgebreid
in 1879-81, en het laatst onderging het veranderingen in 1888. De
zware bosschen, die er stonden, werden in het midden der 19e eeuw
grootendeels gekapt, maar zijn door jong hout vervangen, dat thans
weer prachtige, koele lanen aanbiedt en een heerlijken overgang naar
het woeste duinland vormt, dat daar nog ligt als een stuk onbedorven
natuur.
Door dit slot en de verdere schoone omstreken, alsmede door de
behagelijke rust, waarin het dorp ligt, is Haamstede een plaats, juist
geschikt, om het geestelijk evenwicht, dat in onzen zenuwachtigen
tijd veel heeft te doorstaan, te herstellen.
Op korten afstand, ten zuiden van Haamstede, ligt aan den voet van de
duinen het schilderachtige dorp Burg, gebouwd aan het met vruchtboomen
beplante kerkplein. De kerk is in 1674 gesticht. Zij bezit een kunstvol
glasraam uit de 17e eeuw, geschonken door de Staten van Zeeland.
Ten zuidwesten van Burg stond tot 1890 het oude slot Craayenstein, dat,
hoewel verbouwd, afkomstig zou zijn uit den tijd der Noormannen. Aan
dezen burcht dankt het dorp zijn naam. Ten O. van het dorp vindt men,
ten deele opgegraven, de fundamenten van het klooster Leliëndale, in
1459 gesticht en na verwoesting bij den beeldenstorm geheel verlaten.
Een eigenaardig volksfeest, geheel bijzonder voor Schouwen, dat
in den laatsten tijd weer toeneemt in beteekenis, moeten wij nog
vermelden. Dat is het zoogenaamde "stra-rijden," bij verkorting ook
"stra" genoemd.
Stra is een tweeledig ding: het is een kermis zonder kramen, een
paardenmarkt zonder koopers of verkoopers, een jaarmarkt zonder
nadagen, zonder officieel karakter, bij geen autoriteit bekend, in
geen almanak opgegeven, conventioneel ontstaande en eindigende, een
dag van ontspanning, die vrienden bij elkander brengt, een episode in
de wintersche dagelijkschheid, die jaarlijks komt en daarin getrouwer
is dan ijs en schaatsen.
De stra is eigenlijk een uitsluitend Schouwensch feest, men kan
het niet beter karakteriseeren dan als een volksfeest, het was een
soort van kermis op het strand, waaraan het ook zijn naam heeft te
danken. Door het weglaten der beide laatste letters is de naam strand
moeilijk meer in stra te herkennen, maar het eigenlijke van het feest
wijst toch op die afkomst.
Als de kortste winterdagen voorbij zijn en de rijzende zon den
aantocht van de lente verkondigt, als de veldarbeid na de winterrust
weder begint aan te vangen, of althans wordt voorbereid, viert men
vooraf het strandfeest, dat men als stra-rijden aanduidt. Elk dorp
heeft zijn bepaalden dag van stra-rijden, te beginnen met den eersten
Maandag in Maart en zoo vervolgens. Dan worden de paarden alle netjes
gekamd en geborsteld, de staart in kunstige vlechten geslagen en
de zoons en knechts der boeren stijgen te paard, om, na in het dorp
vereenigd te zijn, in optocht naar het strand te rijden. Geen paard
blijft op dien dag op stal en de zonen des huizes hebben natuurlijk
het recht op de keur van de paarden. Ongezadeld, in flinken draf,
rijdt men aldus naar zee, waar den dieren de voeten gespoeld worden,
als om den zegen voor het nieuw aankomende arbeidsjaar op het veld,
waaraan de paarden ruim hun deel hebben, uit Neptunus' hand te vragen.
Aan het strand gekomen, wordt de paardenstoet in het zilte nat
gedreven.
Zij plassen
En wasschen
De kooten;
Hun pooten
Gaan klapperen
Bij 't dapperen
Door 't water-
Geklater.
De hoeven
Beproeven
Het vochtige zand;
Een lustige kwant,
Een vroolijke ruiter,
Zet 't paard aan, maar stuit er
Bij 't stuivende duin,
aldus schetst een medewerker van de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846
het stra-rijden.
Het stra-rijden is een voetspoeling der paarden in zee. Als dit onder
vroolijke scherts geschied is, keeren de stra-rijders naar het dorp
terug, waar een soort van kermis gehouden wordt. Daar zijn thans de
stalletjes en kraampjes geplaatst met sinaasappelen en koek, en niet
meer op het strand, en in de dorpsherberg heerscht een druk leven,
dat nog voortgezet wordt, ook nadat de stra-rijders hun paarden weder
op stal hebben gebracht.
Elk dorp in het westelijk Schouwen heeft zijn eigen stra-dag, zeiden
wij. Men berekent de stra-dagen naar dien van Haamstede, waar stra
valt daags vóór vastenavond. De stra-dag van Renesse heeft een week
eerder plaats; dit dorp opent de reeks der stra-dagen. Des Zaterdags
na Haamstede heeft Noordwelle zijn stra; een week daarna Serooskerke
en nog een week later Ellemeet, vervolgens Elkersee.
Waaraan de stra-dagen hun oorsprong hebben te danken? Niet
onwaarschijnlijk behooren zij in de reeks der oude lentefeesten. Zooals
men in de landgewesten naar de bosschen toog, als de tempels der
goden, wendde men zich aan de kust naar de zee, de machtige en
indrukwekkende, die volgens het volksgeloof weer en wind beheerscht,
die door haar bruisen de stormen aankondigt, en uit wier schoot de
onweders oprijzen. Is het onnatuurlijk, dat men de goden, die daar
woonden en heerschten, eerbiedig huldigde; dat men de paarden, die den
ploeg trekken, in zee als 't ware een wijdenden doop deed ondergaan,
vóór zij het akkerwerk aanvingen?
In Zeeland gaf de zee aanleiding tot menige uitspanning. De jeugd begaf
zich steeds gaarne naar het strand, om zoowel in het duin te stoeien
als zich met de spelende golfbeweging van het water op het strand
te vermeien en in de ondiepe wateren van de kust te spartelen. De
tragische geschiedenis van Roosje heeft het gebruik, om jonge meisjes
stoeiend in zee te dragen, algemeen bekend gemaakt voor Walcheren,
doch het vond ook hier plaats.
In het zuidwesten van het eiland ligt aan den breeden Scheldemond
Westenschouwen, thans een gehucht van slechts een tiental huizen,
niet een bezoek waard, als men het zeegezicht uitzondert. Doch eens
lag hier een aanzienlijke plaats, die al vroeg het bloeiendste vlek van
Schouwen uitmaakte. In den tijd, toen de Ooster-Schelde nog een minder
breed water was, had Westenschouwen door zijn ligging aan den mond
een goede haven, om de zeevaart in binnenvaart te doen overgaan. In
1438 werd van hier de vaart op Portugal en Spanje gedreven, en door
tal van privilegiën van tolvrijheid, o.a. in Lotharingen en Limburg,
in Engeland (1475) en elders, bloeide Westenschouwen op tot een
aanzienlijke plaats. Hier begon men in 1493 het eerst in Zeeland voor
de vischvangst hoekers te bouwen; vroeger werd de visscherij slechts
met kleine pinken gedreven. Toen werd Westenschouwen een bloeiend,
fraai dorp. Reigersbergh verhaalt van een dreef van boomen, aan
beide zijden van de straat tot de kerk toe, die met schoone huizen
bezet was, waarin de fraaiste kelders waren, als ware het een stad
geweest. Vreemdelingen van alle streken kwamen in Westenschouwen,
waar de Rijnsche wijn, volgens een mededeeling, in 28 herbergen
geschonken werd en waar een levendig verkeer heerschte.
Maar aan deze veranderlijke stroomen wisselt alles. De eens zoo
schoone haven verzandde en was aan het eind der 15e of in het begin
der 16e eeuw verloopen. Voor een plaats, die door haar haven alleen was
opgekomen, werd hierdoor de bron van welvaart gesloten. Daarbij kwam,
dat gelijktijdig hiermede het gevaar voor overstrooming dreigde en
de bodem werd aangetast. Reeds voor eenigen tijd waren kerk en toren
verder landwaarts verplaatst, en de plek, waar het oude Westenschouwen
stond, moest geheel buitengedijkt worden.
De bewoners verlieten Westenschouwen; het eene huis na het andere werd
afgebroken. De legende fabelt van een meermin, die hier gevangen werd,
en wrake roepende den vloek uitsprak over de plaats.
Of het door den vloek der meermin was of niet, Westenschouwen is te
gronde gegaan. De wateren der Schelde spoelen thans, waar eens het
dorp stond. In 1591 was de kerk niets meer dan een bouwval. De huizen
verdwenen, het eene voor, het andere na. Nog lang bleef de kerktoren
staan, een schilderachtige ruïne op den bodem der verlaten plaats,
maar in 1845 werd die bouwval afgebroken en verkocht.
Wij staren van hier naar het oosten in de richting van Zieriksee
en laten den blik weiden over de breede vlakte der Schelde, die
met een groote ronding in Schouwen opbuigt. Deze inham is een
gevolg van de werking van het water, dat de zuidkust van Schouwen
met nimmer rustende vraatzucht heeft afgeknaagd en uitgehold. Al
langen tijd is Zuid-Schouwen door dijkvallen en oeverafschuivingen,
die telkens gedeelten lands in de diepte deden verzinken, aangetast
en zoo zijn van Westenschouwen tot Zieriksee in den loop der tijden
onderscheidene dorpen en stukken lands in de golven verdwenen. Dicht
bij het havenhoofd van Zieriksee lag eens het dorp Borrendamme,
dat, in 1477 en 1530 reeds sterk aangetast, in 1613 geheel verwoest
werd. In 1662 ging in deze streek het dorp Rengerskerke te gronde. Het
dorp Zuidkerke is reeds vroeg hier vergaan en een nieuw dorp van
denzelfden naam, verder binnenwaarts gebouwd, is in 1534 weer
verdwenen. Simonskerke, St. Jacobskerke, Brieskerke met de buurt
's Heer-Arendshaven zijn alle vergaan door het water.
Daardoor is de eens veel smallere Ooster-Schelde een breede inham
der zee geworden in den loop der tijden. Het eiland Worigeszand of
Orisant, tusschen Noord-Beveland en Schouwen gelegen, is in de 18e
eeuw door den waterwolf geheel opgeslokt.
Doch wij willen ons niet langer met treurige gedachten aan de
vergankelijkheid der Zeeuwsche gronden bezighouden. Wij verlaten
dit eiland met de overtuiging, dat, al kon niet elke grondbraak of
oeverafschuiving beteugeld worden, onze ingenieurswetenschap door het
beperken van het landverlies toch ook hier schitterende overwinningen
heeft behaald op de natuur.