De weg buigt zich van Ouwerkerk naar het noorden langs het in 't
lommer verscholen oude dorp Kapelle, waar in de 15e eeuw de adellijke
huizen Gistelis, Maalstede en Bruëlis gevonden werden, die thans zijn
verdwenen. De weg loopt dwars door in de Gouwe aangewonnen polders (zie
pag. 200) en vóór ons ligt in het volle groen van boomen en graswallen
Zieriksee, de hoofdstad van de vereenigde vroegere eilanden Schouwen,
Duiveland en Dreischor. Van verre zagen wij reeds den zwaren, stompen
St.-Lievenstoren uit den berg van groen opplompen, maar bij een draai
van den weg staat men ineens voor de stad, waar de Noorderhavenpoort
de grens van het oude stadsgebied aanwijst.
De Noorderhavenpoort boeit door den eenvoud der Vlaamsche Renaissance
en bestaat uit twee aaneengebouwde huizen met een grooten doorgang;
in de lijnen harer vier spitstorentjes openbaart zich een fraaie
Gothiek. Vooral wanneer men deze poort van de stad uit ziet achter
de kom der oude haven, maakt zij grooten indruk.
Behalve deze heeft de stad nog de Zuidhavenpoort, een zwaar, massief
gebouw, evenals de bovengenoemde in 1491 door Albrecht van Saksen
gesticht en in 1507 gerestaureerd, en de Nobelpoort, een zwaar gebouw
met slanke torenspitsen, dat volgens de overlevering gebouwd is
door twee adellijke jonkvrouwen, Anna en Maria, naar wie de beide
spitsen genoemd zouden zijn; wellicht is het een legende geweven
om de heiligenbeelden, die in de twee torens der poort gevonden
worden. Merkwaardig is de verglaasde baksteen, bij dezen torenbouw
aangewend. De overige der zes poorten, welke de stad vroeger had,
zijn gesloopt; de breede gracht evenwel is nog bewaard.
Bij het binnentreden maakt Zieriksee den indruk van een vriendelijk
landstadje met nog enkele oude huizen, doch over 't geheel met een
modern uiterlijk. De stadsaanleg van Zieriksee heeft het aangenaam
grillige van de oude Hollandsche steden; huizen, in rijen gebouwd,
zonder plan; straten, die bij toeval elkander vinden, verrassend in
elkander loopen en dan weer nieuwe straten zoeken.
Behalve de poorten vindt men er nog andere merkwaardige gebouwen. Wij
noemen het stadhuis, in 1554 gebouwd, met twee Renaissance-gevels uit
dien tijd. Vroeger stond hier een ander stadhuis, waarvan een deel
van den belfroot of toren nog aanwezig is, thans eindigend in een
Renaissance-spits, die als symbool van den alouden koophandel en de
zeevaart dezer stad een vergulden Neptunus tot windwijzer voert. De
benedenzaal van het stadhuis is bedorven door de inbouwing van
vertrekken. De raadzaal en de schepenbank, stijl Louis XV, dagteekent
van 1772; de burgemeesterskamer, ingericht in 1661, heeft een fraaien
schoorsteen van 1673.
Een der vriendelijkste stadsgedeelten vormt het gedempte Havenplein
en het Kraanplein, met plantsoen begroeid en door flinke huizen
ingesloten. Hier ziet men in de nabijheid de Gravensteen verrijzen,
bij verkorting "het Steen" genoemd, waar vroeger de baljuw en de
Rentmeester-generaal, beoosten Schelde, resideerde, doch dat reeds
zeer vroeg als gevangenis heeft gediend, waarvoor het nog gebruikt
wordt. Het voorste gedeelte dagteekent uit den tijd van Karel V,
toen Mechelsche bouwmeesters den merkwaardigen voorgevel optrokken,
dien Mechelsche smeden versierden met ankers, welke aan de symbolen
van het Bourgondische en Oostenrijksche huis herinneren. Helaas! dat
fraaie smeedwerk werd in de 19e eeuw door den wansmaak des tijds
zeer mishandeld.
Een der weinige in ons land bewaarde steenen gevels uit de 14e eeuw
is die van het zoogenaamde Tempeliers- of St.-Janshuis met baksteenen
topgevel.
Het grootste en merkwaardigste gebouw van Zieriksee is de toren der
Groote of St. Lievens Monsterkerk. Op een met acacia's en olmen beplant
plein, door huizen omsloten, aan den buitenrand in het westen der stad,
staan kerk en toren op korten afstand van elkander; het is, of de
grijze, eerwaardige toren niet meer weten wil van de monsterachtige
kerk in Vitruviusstijl, welke men hem in 1832 tot metgezel heeft
gegeven. Hij wendt zich met trotschheid af van den karakterloozen
bastaard, dien men in zijn familie heeft willen brengen.
Hier, op deze plek, werd een kapel opgericht, aan St. Lieven toegewijd,
waarschijnlijk in 1151; vervolgens werd een nieuwe kerk gebouwd
omstreeks 1378, toen een kapittel van 24 kanunniken gesticht werd.
Daar deze kanunniken gemeenschappelijk leefden op de wijze der
kloosterbroeders, werd deze kerk Monsterkerk genoemd (naar 't
Gr. monasterion). Onder de kanunniken kwamen uiterst bekwame mannen
voor; wij wijzen op den geleerden Philippus à Leidis, den beoefenaar
van het kanonieke recht, die daarin onderwijs gaf te Orleans, in
1369 tot hoogleeraar te Parijs werd beroepen en eindelijk, naar zijn
vaderland teruggekeerd, de raadsheer van Graaf Willem van Beieren
werd; verder nog op den niet minder beroemden arts en geleerde
Levinius Lemnius, een Zierikseeënaar (geb. 1505), die in deze kerk
werd begraven.
De toen gebouwde kerk brandde gedeeltelijk af in 1466, maar
werd hersteld en dit gebouw bleef bestaan tot 1832, toen door de
onvoorzichtigheid van een loodgieter de kerk weder in de asch werd
gelegd. In plaats van het gebouw in zijn waardige vormen te herstellen,
werd de tegenwoordige kerk gebouwd.
Gelukkig is de toren bewaard gebleven, een zwaar Gothisch gebouw,
dat daar nog in volle majesteit verrijst. De bouw van den toren werd
in 1454 aangevangen door Anthony Kelderman uit Mechelen, gesproten
uit een kunstenaarsfamilie, aan wie Zeeland ook het merkwaardige
stadhuis te Middelburg en de kerk te Veere dankt. Deze kerk is een
der machtigste Gothische monumenten van de geheele wereld, zegt
Jhr. de Stuers. Met Rijkshulp onderging dat monument in 1836-1840
een verknoeiing en werd de toren gekroond met een in hout vervaardigd
hoofdgestel in Empire-stijl. Nadat een en ander bouwvallig geworden
was, nam het Rijk den toren van de stad over, en door stad en Rijk
werd in 1882-1895 de restauratie ondernomen.
De toren is, zooals de meeste torens uit dien tijd, onvoltooid
gebleven. Een afbeelding op het stadhuis stelt den toren voor,
zooals de ontwerper zich dien gedacht had. De toren zou dan 200
M. hoog geworden zijn, langzaam afloopend bij elken ommegang.
Zieriksee is als nederzetting ontstaan op een hoorn of hoek van het
oude eiland Schouwen, op korten afstand van de Schelde, zoowel als
van het verbindingswater met het noorden, de Gouwe. Daar had reeds
in vroegen tijd een vereeniging plaats van landbouw, scheepvaart,
handel en industrie. Als eilandstad gunstig gelegen voor het afleveren
der landbouwprodukten, werd het een locale marktplaats, en de venige,
derrieachtige aardlagen, welke men er onder de klei aan de oppervlakte
vond, gaven aanleiding tot het selbarnen of zoutbranden (zie de noot
op pag. 166), dat hier een levendige industrie werd. Een schilderij
op het stadhuis geeft van de zoutbranderij een afbeelding. Nabij de
stad had men nog lang de bewijzen der vroegere zoutbranderij in een
paar heuvels, Noord-Zelke en Zuid-Zelke, welke gevormd waren uit
de asch, die bij het zoutbranden overbleef. De heuvel Zuid-Zelke
werd op den tweeden Paaschdag door oud en jong beklommen; men wierp
van hier de hardgekookte eieren in de hoogte, sporen van de oude
lente-offers. Doch de zelkasch werd verkocht aan de glasblazerijen
en na jaren achtereen aan de stadskas groote voordeelen geschonken
te hebben, werd de laatste zelkheuvel in 1895 weggevoerd.
Toen de zoutbranderij verboden werd van overheidswege, wegens de
landvernieling, die zij tengevolge had, wist de ontluikende scheepvaart
het klipzout reeds uit Spanje en Frankrijk aan te voeren en in plaats
van zoutbranderijen ontstonden er zoutziederijen en raffinaderijen. Van
welk belang dit was, blijkt hieruit, dat er in 1526 nog 77 zoutkeeten
bestonden. Daarbij kwam nog de visscherij als bron van bestaan en
de levendige scheepvaart en handel. Deze bedrijven werkten samen,
om Zieriksee in de 15e en 16e eeuw tot een welvarende stad te maken.
Doch de groote zoutindustrie ging in de 17e en 18e eeuw langzamerhand
te gronde; de haring- en kabeljauwvisscherij, in de 16e eeuw zoo
bloeiend, terwijl er in 1711 nog ongeveer 80 visschersschepen
gevonden werden, ging teniet, zoodat er in 1800 slechts 2 waren
overgebleven. Eveneens verdween de eens zoo bloeiende scheepvaart. In
1720 telde de stad nog 75 koopvaardijschepen, maar onder het Fransch
bestuur ging zij geheel te gronde.
Toch is Zieriksee geen doode stad; zij is enkel teruggedrongen tot haar
natuurlijke handelssfeer en werd weer uitsluitend de marktplaats van
Schouwen en Duiveland. Op de marktdagen is het nog een echt levendige
plaats. Een lange haven, tusschen twee hooge dijken gelegen, de Nieuwe
haven, brengt Zieriksee in verbinding met de Schelde; in 1579 begon men
die aan te leggen. Vroeger had de stad de Oude haven, die ten oosten
der stad uitkwam in een kreek of diep, dat in de Schelde uitliep.