Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk
geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd,
om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er
verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige
opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk
op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en
enkele oude wetten.
Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de
Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste
stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van
de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in
een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda
(Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd
melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.
Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit
eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt,
in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of
Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis)
heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat
de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had
die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen
kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door
waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als
thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des
lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.
Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De
opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke
in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering
doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel
van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij
het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in
Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog
standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen,
is niet onwaarschijnlijk.
Tot ongeveer het begin der 9e eeuw behoorde Zeeland tot het
land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch
als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche
wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal
in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwin in
Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met
Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag. 176),
nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de
verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de
oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een
Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij
de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er
nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland
de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel
op de bevolking gedrukt.
De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte
Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland
er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het
West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door
handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche
rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische,
dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel
als hetzelfde werden beschouwd.
Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland
en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen
en de Krammer.
De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en
Holland. In de 9e eeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van
Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na
dezen, doch niet vóór de 11e eeuw, zien wij de graven van Vlaanderen
en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen
beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij
gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen
de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander
herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden
de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323
deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III
van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde
(de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II,
bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele,
Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland,
Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op
Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den
Brabantschen wal.
In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie
uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde
uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied
tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland
als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als
Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.
Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in
den tijd der Republiek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met
Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde
krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot
bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen
der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog
spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:
'k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde,
Door 't wereldrond om trouw en deugd vermaard,
Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde,
Den schrik verspreidden over de aard.
Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?
De Lange's [17] overmoed, of Ewouts [18] vuist,
Die 't eerst den trots van Arragon kon dwingen,
Medina's vloten heeft vergruisd?
Of Hollands redders, toen 't aemechtig Leyden
Welhaast in 't wee, te lang geduld, verzonk,
Toen bij den lof van 't nameloos verblijden
Boisots [19] en Willemsz [20] eerzang klonk?
De Moor [21], vol vuur zich offrend voor uw zonen,
Of Lieven [22], de eer van 't trouwe Zieriksee;
En Haeck [23], wien, al te vroeg, zijn moed betoonen
De stoute ziel ontvlieden dee?
Of de Evertsens [24], om 't bloed, zoo mild vergoten,
Den lofzang van geheel een wereld waard;
De Bankerts [25], roem en trots van Neerlands vloten,
Verdedigd door hun leeuwenaard.
In 't midden prijkt, gelijk bij minder lichten
Aan 't helder zwerk de zilverblanke maan,
De Ruyter, voor wiens staf de volk'ren zwichtten,
De schrik van d' ouden Oceaan!
In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het
eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet
tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21en Juni de
wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins
het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging
over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen,
terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de
verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog
uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere
den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen,
waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden
in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder
opschudding, en den 28en April 1747 werd door de Staten van Zeeland
de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten
eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen
politieke: zij welde op uit den boezem des volks.
Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land
voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in
den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel;
Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn
geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer
welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten,
en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de
middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor
Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat
Heye schreef:
Uit zee hebt gij uw grond gewrocht,
O Nederland--en wat onze oogen
In uw landouw bewondren mogen,
Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht,
En uit haar diepe, wilde golven
De reinste parels opgedolven.
Als visschersvolk staakt gij in zee
En bracht, na strijd van tachtig jaren,
Als oorlogsschatting van de baren
Euroop'de Vrijheid en de Vree,
En zaagt voor 't dundoek van uw kielen
Elk volk in vreeze en eerbied knielen.
Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de
kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis
van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk
etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater,
het overvloedige water des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van
kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed
geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe
had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer
Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij,
volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.
Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden
vele eeuwen de meekrap geweest.
Geen boekweit siert der Zeeuwen erf,
Schoon ze elders de oogen vleit
Door 't levend wit, met rozenverf
Bekoorlijk overspreid,
Maar Zeelands kleigrond voedt een plant,
Wier schoon, wier heilzaam rood
Voor eeuwen reeds aan 't vaderland
Een tak van welvaart bood.
Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort:
De meekrap, hier zoo schoon,
Spreidt nog in 't afgelegenst oord
Haar kleur vol zwier ten toon.
Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is
de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur
vervangen.
De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt
de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet
anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De
schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden
op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een
bijzonder smakelijk vleesch.
Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia
herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in
Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel
tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.
Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden
voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.
II. VAN STEENBERGEN OVER TOLEN EN ST. FILIPSLAND NAAR DUIVELAND
EN SCHOUWEN.
De noordelijkste eilandenrij van Zeeland valt het gemakkelijkst van
Noord-Brabant uit te bereiken.
Van Breda over Oudenbosch loopt een stoomtram naar Steenbergen en
hier vangt een lijn aan, die thans de beste verbinding geeft met
de eilanden. Wij zullen deze route in hoofdrichting volgen, ook al
veroorloven wij ons van tijd tot tijd flinke zijuitstapjes.
Wanneer wij met den stoomtram van Oudenbosch reizen, bemerken wij
al spoedig, op korten afstand ten westen van dit plaatsje, dat wij
feitelijk in het delta-land zijn aangekomen. Al bevinden wij ons hier
thans in het midden van het land, al schuimen nergens in de nabijheid
de woedende wateren, het vette kleiland, door onderscheidene hooge
dijken doorsneden, hoe achteloos kalm ook in cynische rust gelegen,
zij beide wijzen duidelijk aan, dat hier eens de golven het vruchtbare
slib hebben aangevoerd, waarop de schoone tarwe en bieten worden
verbouwd. Doch al is het feitelijk in het deltaland, het water heeft
hier zijn gaven van nieuwland nog aan den zandbodem van Noord-Brabant
vastgehecht.
Wij naderen Steenbergen, waar de zandgronden in een rug tusschen de
kleigronden vooruitschuiven, een laatste worsteling tusschen Diluvium
en Alluvium. Stil en vergeten ligt daar het oude stedeke; in zijn
straten heerscht diepe rust. Merkwaardigheden zoekt ge vruchteloos
in deze plaats, al zou de hooge ouderdom der stad hier allicht iets
uit het verre verleden doen vermoeden, want volgens de meening van
enkele historieschrijvers zou de nederzetting te dezer plaatse haar
oorsprong te danken hebben aan een tolhuis, dat in 603 aan het kanaal,
gegraven van Strienemonde tot Strienham, door zekeren Strenius,
landvoogd van dit gewest, gebouwd werd. In elk geval was Steenbergen
in de 14e eeuw een vrij aanzienlijke koopstad, die handel dreef op
Engeland en Denemarken. De nederzetting was toen veel grooter dan
thans. Doch met het aanslibben van het delta-land gingen de voordeelen
van haar ligging aan de groote stroomen verloren. Er vormde zich
een voorland voor Steenbergen; de plaats werd een landstad, en de
handel ging hiermede teniet. En toen in 1365 een zware brand de stad
trof en bijna geheel vernielde, werd zij wel herbouwd, maar binnen
een engeren ringmuur dan vroeger. Men verhaalt, doch dit lijkt niet
waarschijnlijk, dat het nieuw herbouwde Steenbergen nauwelijks een
tiende gedeelte van zijn vorige grootte zou verkregen hebben.
Steenbergen was destijds een vesting, maar slechts een enkele muur
omringde de stad, en in den tijd van den tachtigjarigen oorlog was zij
niet in staat aan de belegeringen van den hertog van Parma in 1583, en
later aan die van Prins Maurits in 1590, tegenstand te bieden. Eerst
in 1629 werd zij volgens de beginselen der nieuwere vestingbouwkunde
versterkt met een aarden wal. Hiervan is echter niets meer over dan
enkele sporen van den omtrek; Steenbergen ligt thans open en is een
onbeduidend landstadje met ruim 2000 inwoners, die hoofdzakelijk
hun bron van bestaan vinden in de landelijke omstreken en door de
beetwortelsuiker- en stoommeelfabrieken. Architectonisch schoon zoekt
men vruchteloos in het oude plaatsje; het was reeds economisch te
gronde gegaan, vóór de Hollandsche bouwkunst zich tot haar typische
schoonheid ontwikkelde. De burgerhuizen, ruim gebouwd met breede
gangen, staren wezenloos en als zonder karakter op de stille straten.
Wij volgen de lijn van den tram, die de jonge polders van
noordwestelijk Noord-Brabant naar Nieuw-Vosmeer doorsnijdt. Over 't
geheel is dit een weinig aantrekkelijk landschap. Maar hoe eentonig
ook, een bron van produktieve levenskracht is in dien vetten aardbodem
verborgen. Vóór 500 jaren lag de noordwestelijke hoek van Noord-Brabant
tot dicht bij Steenbergen nog bijna geheel onder water: een woeste
vlakte met slikken en platen, bij vloed één waterzee, welker golven
woest over de ondiepten heenstroomden, terwijl bij ebbe de slibberige
gewassen grijsglanzend uit het water kwamen opduiken.
Eerst langzamerhand drong de dijkenbouwende bevolking in deze vlekken
door, en van tijd tot tijd werden de nieuwe gedeelten door den mensch
geannexeerd voor het bedrijf, die zich het best er toe leenden. Het
eerst werden de Nieuw-Vosmeersche en de Nieuwe Heipolder, waarlangs de
trambaan loopt, in 1433 bedijkt (herdijkt in 1565). 't Was een eiland,
midden in het water, door de bewoners van Oud-Vosmeer op Tolen bedijkt
en zeker ook grootendeels bevolkt. Daardoor werd Nieuw-Vosmeer als
polder tot Zeeland gerekend, hoewel door het breede water der Eendracht
er van gescheiden, en tot 1809 bleef Nieuw-Vosmeer een Zeeuwsch dorp,
dat eerst in dat jaar provinciaal tot Noord-Brabant gebracht werd. In
natuurkundigen zin echter zijn wij hier reeds in Zeeland.
Door het verloopen en dichtslibben der wateren rondom den genoemden
oudsten polder hadden naar alle kanten nieuwe bedijkingen plaats:
de Oude Heipolder in 1515, de West-Graaf-Hendrikpolder 1528-1538,
de Heenepolder in 1610, de Boerengors 1630, de Heerenpolder 1633, de
Oude Vlietpolder 1649, de Noord-Heenpolder in 1655. Zoo is, stukje na
stukje, de noordwesthoek van het oude Noord-Brabant aangegroeid met
delta-land, van een geheel ander karakter dan de echte Brabantsche
grond, en Steenbergen was aldus geheel een landstadje geworden.
Het landschap van Steenbergen tot Nieuw-Vosmeer biedt weinig
afwisseling aan. Uitgestrekte, vruchtbare bouwlanden ziet men aan
beide zijden, effen, met geen andere afwisseling in het relief dan de
dijken, die de geschiedenis des bodems aanwijzen als de jaarkringen
van de boomen des wouds. De boerenhuizen staan op zichzelf, meestal
tusschen eenig geboomte, over de velden verstrooid, typen van groote
landbouwhuizen. In den zomer overdekt een donkergroen dit landschap
door de velden, met beetwortels beplant, die er hun breede bladen
uitspreiden, afgewisseld met tarwevelden, ajuin en enkele weiden. 't
Is hier een echte landbouwstreek.
Zoo bereiken wij Nieuw-Vosmeer, bijna op de grens van Noord-Brabant,
een flink dorp, in de lengte langs den dijk gebouwd, waarboven de
roode pannendaken uitkomen. Een weinig ten noorden van het dorp den
blik naar het westen richtend zien wij links vóór ons het eiland Tolen,
rechts St. Filipsland.
Wij laten ons eerst naar Oud-Vosmeer overzetten, om een kijkje te nemen
op het eiland Tolen. Starende van den hoogen dijk over het land, blijkt
het ons, dat dit eiland uit onderscheidene polders is aaneengevoegd,
alle verschillende tijdperken van bedijking aanwijzend. Het eigenlijke
Land-van-Tolen is een der oudste eilanden van Zeeland en wordt gerekend
onder de landen, die sedert 850 bedijkt zijn, al kent men het juiste
jaar niet. In de 13e eeuw bestond Tolen uit tal van kleine eilanden,
die allengs door bedijkingen aan elkander werden gesloten. Door het
bedijken van het noordelijk deel van den Pluimpot werden in 1556 de
oostelijke ambachten aan de westelijke verbonden, en ook in de volgende
eeuwen zetten de aanwinst van land en de aaneensluiting zich voort.
Van het nette dorp Oud-Vosmeer, langs den dijk, bereikt men weldra het
stadje Tolen met ongeveer 3000 inwoners, een oude vesting, waarvan de
wallen en grachten nog gedeeltelijk zijn overgebleven. Het is een aan
elkander gebouwd plaatsje, met een ruime markt, terwijl onderscheidene
oud-Hollandsche gevels den straten een vriendelijk karakter geven. De
kerk met haar vierkanten toren en stompe spits ligt tusschen hoog
geboomte. Het oude stadhuis is een smal en hoog gebouw van arduin,
met een dubbelen arduinsteenen opgang en vier verdiepingen hoog;
de trans is als van schietgaten voorzien en het torentje met hooge
spits draagt een speeluurwerk.
Tolen is waarschijnlijk opgekomen als een tolhuis van den hertog van
Brabant, dat hier gebouwd werd aan de Eendracht, eens een druk bevaren
water. De naam der stad staat met tol in verband. In de eerste helft
der 13e eeuw kwam de plaats in het bezit der Graven van Holland en
Zeeland, die er een steenen huis voor den ontvanger van den tol lieten
bouwen, en aan het tolhuis ontstond een nederzetting, die in 1335
de vrijheid verkreeg, om stapelvrij koren en haver Holland binnen te
voeren. In 1431 hebben eenige Brabantsche kooplieden vele aanwassen en
schorren om het Oude dorp van het land van "Ter-Tholen" laten bedijken
en zoo verkreeg de nederzetting een handelsgebied op het aanwassende
eiland. Daardoor had Tolen in 1438 zooveel beteekenis erlangd, dat
het, evenals Reimerswaal, Kortgene, Goes, Vlissingen e. a. steden,
een oorlogsvloot moest uitrusten tegen de Oosterlingen. Toch kon de
plaats zich niet verheffen boven den rang van een landstadje met
winkelnering van een klein eiland. De visscherij, die er vroeger
levendig was, is meest naar Bergen-op-Zoom verplaatst.
Van Tolen doorkruisen wij het eiland over Poortvliet, een boerendorp,
naar Scherpenisse, een steedsch gebouwd dorp, en St. Maartensdijk. De
twee laatstgenoemde plaatsen lagen vroeger aan het breede water den
Pluimpot, dat het land van Scherpenisse van dat van Tolen scheidde,
doch boven genoemde plaatsen in 1556 reeds is ingedijkt tot een smalle
kreek en alleen in het benedengedeelte door een smaller water nog
met de Ooster-Schelde is verbonden. St. Maartensdijk was vroeger een
smalstad, een stad met beperkte rechten; het is thans een flink dorp
met een groote markt, die door boomen overschaduwd is. Het is een
vrij drukke marktplaats van het eiland. De kerk dagteekent van vóór
de Hervorming; men vindt er een praalgraf van Frederik van Borsele
uit 1470, dat zeer geschonden is.
In de nabijheid verrees vroeger het adellijk huis "het hof te
St. Maartensdijk", een oud, aanzienlijk gebouw, aan den voorkant met
een ruim plein, waartoe een groote voorpoort toegang verleende. Een
breede gracht omringde het slot met zijn stallingen, tuinen en
bosschen. Vroeger was dit slot de woning van den Graaf van Oostervant;
Frank van Borselen, de laatste gemaal der ongelukkige Jacoba van
Beieren, verkreeg dezen titel en was heer van St. Maartensdijk. In de
groote kerk van het dorp zou het geheime huwelijk tusschen Frank van
Borselen en Jacoba van Beieren gesloten zijn. Op de plek van het slot,
waar vóór een halve eeuw nog uitgestrekte bosschen gevonden werden,
staat tegenwoordig slechts een arbeiderswoning, en een gemetselde
kelder is het eenige overblijfsel van het eens zoo sterke gebouw.
In het westen van het eiland ligt het dorp Stavenisse, langs een
breede met boomen beplante straat gebouwd, benevens met enkele huizen
om de kerk. Het vroegere kasteel van den ambachtsheer is verdwenen;
wij zagen nog de fundamenten van het slot. In de kerk vindt men een
fraai marmeren praalgraf van Jhr. Hieronymus van Tuyl van Serooskerke,
overl. 1669, gebeiteld door R. Verhulst.
Van hier is een veer, dat over het Keeten naar Vianen op Duiveland
overzet. Wij zullen van dat middel gebruik maken, om Duiveland te
bereiken, teneinde de oude verbindingsmiddelen der Zeeuwsche eilanden
te leeren kennen.
Daar vóór ons ligt het verbindingswater tusschen de Ooster-Schelde en
Krammer, dat van het zuiden af de namen draagt van Keeten, Mastgat en
Zijpe. Zulke wateren tusschen de hoofdarmen der riviermonden hebben
een zeer afwisselende geschiedenis van worden en vergaan. Waar het
eene te gronde gaat en tot land wordt, geschiedt dit niet zelden
ten voordeele van een ander water, dat gelijktijdig in breedte en
diepte toeneemt. Zoo ging het ook bij de eilanden, die vóór ons
liggen. Schouwen en Duiveland bestonden oudtijds uit onderscheidene
eilanden, door wateren doorsneden, en in de 13e eeuw scheidde de
Gouwe of Golde, een breed water, het eigenlijke Schouwen in het
westen nog van Duiveland en Dreischor in het oosten. Dit water liep
ten O. van Zieriksee naar het N., waar het tusschen Duiveland en
Dreischor den naam van Dijkwater verkreeg; het was in 1304 nog zoo
breed, dat de zeeslag tusschen de Hollandsche en Fransche schepen
tegen de Vlaamsche aan den anderen kant er geleverd kon worden. Doch
langzamerhand verlandde dit water meer en meer; in 1373 en 1374 werden
in het noorden landen ingepolderd, waardoor Schouwen met Dreischor
werd verbonden, en sedert zette dit proces zich voort. Zelfs werd in
1610 de Gouwe in het zuiden bij Zieriksee geheel afgesloten.
Terwijl deze wateren verdwenen, namen Keeten, Mastgat en Zijpe in
beteekenis toe. In de 16e eeuw kon men hier een reeks van slikken
waarnemen, door ondiepe geulen en kreeken gescheiden. Zelfs konden
de Spanjaarden in 1575 van St. Filipsland uit over de platen heen bij
eb het Keeten bereiken, dat zij doorwaadden, om op Duiveland te komen
en vervolgens het beleg voor Zieriksee te slaan. De Zijpe was in het
begin der 18e eeuw zoo ondiep, dat men aan het noordelijk einde er
door kon waden.
Sedert is dit water dieper geworden; er kwam meer vloedwater binnen,
het schuurde over den bodem en vormde een geregelde bedding. Waar
men in 1705 nog door de Zijpe kon waden, stond in 1760 reeds 40 voet
water en tegenwoordig meer dan 100 voet.
Op dit oogenblik liggen die stroomen in machtelooze rust verzonken,
weerloos tusschen de slibberige banken, die grijs en zwart
glinsteren in het zonnelicht, terwijl van verre de groene dijkwanden
het waterlandschap omboorden. De oeverhavens leveren een treurig
schouwspel op van slechts enkele verlaten plassen in de kleibedding,
waar een verdwaald vischje spartelt in het slik. De veerman staart
beschouwend over dit tafereel, dat hij nauwkeurig kent en hetwelk
schier dagelijks voor zijn aanzicht wederkeert, om na te gaan, of
aan den horizon de geest des Oceaans de wateren ook weder bezielt
met nieuw leven. Hij ziet eindelijk de krachten wederkeeren bij den
schijndoode: een golfje jaagt van verre spelemeiend over de banken,
een tweede volgt iets hooger, en zij naderen. Het water rijst, de
haven vult zich weder, zij het ook nog langzaam. Nu maakt de veerman
zich gereed, om den overtocht te aanvaarden; wel ligt het ranke
vaartuig nog een eind van den wal, maar de schipper stapt met zijn
hooge laarzen door water en slijk en op zijn rug worden wij van den
wal aan boord gezet. Het scheepje gaat van wal; zacht zwelt het zeil;
in onregelmatige zigzaglijnen naderen wij den westelijken oever. Den
oever? Neen! Op verren afstand zien wij eerst den dijk. Evenals bij
het ter scheep gaan doet de sterke gestalte van den veerman thans
weder dienst en... wij worden afgezet op den kant van een der naakte
slikken langs den dijk. Ongeveer 20 minuten moeten wij een tocht maken
over dit slijkgebied, een wel tamelijk vasten bodem, maar glibberig,
overdekt met kleine waterkommetjes, die aan elkander grenzen, door
iets hoogere wanden en pollen gescheiden. Over die hoogten als het
ware voortspringend, telkens voor onzen voet een nieuw heuveltje
uitzoekend te midden van het water, dat hooger rijst, van tijd tot tijd
misstappend, zoodat het zilte water om ons opspat, wordt eindelijk de
dijk bereikt. Een boerenwagen zagen wij voor ons uit rijden, de wielen
plassend door het water en in een stralenkrans de droppels uitwerpend
naar alle kanten, waar zij schitterden als zilveren parels in de zon;
het was het voertuig, dat de post overbracht van de veerboot naar
het eiland.
Was thans onze overtocht lastig, niet zelden kan die ook gevaarlijk
worden. Bij hoogen waterstand en storm kan 't er dreigend zijn en
hebben oude veerlieden soms uren werk, om, worstelend met golven en
stroomen, de reizigers over te varen, hetgeen wel eens geheel mislukt.
Tegenwoordig gaat de verbinding gemakkelijker. Om die te leeren
kennen, keeren wij in gedachten terug naar Nieuw-Vosmeer en nemen
daar den stoomtram weder. Op korten afstand ten noorden van het
dorp buigt de baan zich naar het westen over den zwaren Slaak-dam,
die door de slikken van de Heene gelegd is, om St. Filipsland met
het vasteland te verbinden. Reeds in 1858 was men met het bouwen van
een dergelijken dam begonnen, die spoedig weder te gronde ging. Later
was men hiermede gelukkiger, en al werden in het begin nog gaten in
den dijk geslagen, toch hield hij stand. Deze dam heeft een lengte
van ± 2700 meter, d. i. ongeveer een half uur gaans. Aan beide zijden
breiden zich steeds aangroeiende slikken uit, welke door elken vloed
met nieuwe sliblaagjes bedekt worden en waarover enkele stroompjes
bij ebbe tijdens het afvloeien van het getijdenwater diepere geulen
openhouden. De grensscheiding van Noord-Brabant en Zeeland loopt
dwars door den dam. Men bemerkt het aan de seinen, als men de grens
gepasseerd is; op Noord-Brabantsch gebied hoort men van tijd tot
tijd het luiden der bel van de locomotief, in Zeeland eerst hoort
men de stoomfluit.
Wij bevinden ons op St. Filipsland of Filipsland, zooals de bewoners
zeggen, een jong eiland, dat een verschrikkelijken strijd met de
wateren gestreden heeft. Wel had het reeds vroeger droog gelegen, maar
op het eind der 15e eeuw lag het geheel overstroomd. In 1496 werd het
opnieuw bedijkt door Filips van Bourgondië, doch in 1511 en nog eens
in 1530 liep het geheel onder water en eerst in 1645 werd het wederom
ingedijkt. Het dorp St. Filipsland ligt aan den dijk in den hoek van
het eiland; de roode daken en een proper molentje komen van verre
boven den dijk uit. Op Zondag, als de visschers tehuis zijn, is 't een
levendig gezicht, de vloot van schuiten te zien, bij het dorp gelegen.
Flinke stoomveerbooten brengen thans de verbinding over de Zijpe
met Duiveland tot stand, om aan beide zijden bij den stoomtram aan te
sluiten. Zoo bevinden wij ons spoedig te Bruinisse, een welvarend dorp,
dat met zijn roodpannen daken schilderachtig afsteekt bij de grijze
kuststreek. Visscherij, oester- en mosselcultuur en de levendige
handel in de produkten van het water, vooral op Engeland en België,
vormen de bron van bestaan voor deze plaats. Zij telt 2600 inwoners;
de visschersvloot bestaat uit 157 schepen, waarvan 135 hoogaarzen.
De kerk te Bruinisse is een oud gebouw uit de 15e eeuw. In 1898
zou de kerk gedeeltelijk gesloopt worden, doch door bemiddeling
der oudheidkundige commissie van het Zeeuwsch Genootschap voor
Wetenschappen is het gebouw door restauratie bewaard gebleven.
Een fraaie, lommerrijke straatweg leidt van Zijperhaven, de haven
van de tramboot, ten Z. van Bruinisse, voorbij de dorpen Oosterland,
Nieuwerkerk en Kapelle naar Zieriksee. Deze weg is een der schoonste
van Duiveland; meer boschrijke gedeelten wisselen schilderachtig af
met vruchtbare bouw- en graslanden.
Oosterland is een bekoorlijk dorp; in de nabijheid ziet men het
Slot of Heerenhof te midden van geboomte en vijvers. De oude, in
een zadeldak eindigende kerktoren, dagteekent uit het eind der 14e
eeuw. Nieuwerkerk is eveneens een fraai dorp; het dorp Ouwerkerk
is reeds van verre kenbaar aan zijn toren met stompe spits, die in
drie verdiepingen oprijst. Deze en de Jacobstoren in Den Haag zijn
de eenige zeshoekige torens in Nederland.