I. EEN ALGEMEENE BLIK OP DE WORDINGSGESCHIEDENIS DES LANDS EN OP
DE BEWONERS.
De toestand van het land langs de Nederlandsche kusten is in den
loop der eeuwen veel veranderd. Wij hebben daarop reeds de aandacht
gevestigd in de inleiding van het eerste deel. Terwijl wij toen meer
de algemeene gesteldheid van het vasteland van Holland op het oog
hadden en de wordingsgeschiedenis van dit gedeelte des lands nagingen,
willen wij thans iets nader stilstaan bij de ontwikkeling van het
Zuid-Hollandsch-Zeeuwsche eilandengebied, dat zich van de Nieuwe Maas
tot de Nederlandsche grens in Zeeuwsch-Vlaanderen langs de zeekust
uitstrekt. Ook hierbij moeten wij eenige hoofdtoestanden aannemen,
gelijk wij die reeds vroeger schetsten, en daarvan uitgaan bij de
algemeene wordingsgeschiedenis.
Wij hebben reeds in deel I aangetoond, dat in een tijdperk vóór den
aanvang der historie de waterspiegel der Noordzee veel lager moet
geweest zijn dan thans. In dien tijd heeft zich aan de landzijde achter
de duinen in de kustlagunen, welker ontstaan wij reeds geschetst
hebben, een laag laagveen gevormd. Ook het delta-gebied, waarop
wij thans het oog gericht hebben, werd in dien tijd grootendeels met
laagveen bedekt, dat doorsneden was door de monden der groote rivieren
met onderscheidene vertakkingen, welker water van tijd tot tijd het
land overstroomde, terwijl enkele verbindingswateren de hoofdstroomen
met elkander in aanraking brachten.
Na dit voorhistorische tijdperk der eerste laagveenvorming kwam
een periode, waarin de waterspiegel der Noordzee langzamerhand
hooger werd. De zee drong bij vloed en vooral bij stormvloed steeds
dieper en met meer kracht het land binnen en drenkte de veenlaag
met zoute wateren, welke een gedeelte van hun zoutdeeltjes in het
veen achterlieten [16]. De bruisende en schuimende wateren der zee,
in vereeniging met die der riviermonden, sloegen groote gedeelten van
het reeds gevormde laagveen uit het deltaland weg en vormden aan den
zeekant weer een groote plas, waarin slechts enkele veenbanken op
den bodem achterbleven, terwijl in andere gedeelten, vooral dieper
landwaarts, het laagveen in groote uitgestrektheid bleef bestaan. Zoo
vormde zich een landruïne met afwisseling van zee en land, dit laatste
versnipperd in eilandjes van verschillende grootte, onregelmatig in
de wateren verspreid. Langs den zeekant lagen nog de duinen, wel niet
aaneengesloten, zooals ten N. der Maas, maar toch met veiliger plekken,
en aan den binnenkant achter deze hoogten bleven ook de landvlakten
meer bewaard.
Hiermede werd een nieuwe periode van landvorming en landvervorming in
deze gewesten ingeleid, die zich in de eerste eeuwen onzer jaartelling
ongeveer moet hebben afgespeeld. Hoe kunnen wij ons in dien tijd de
gesteldheid en de verandering dezer landen voorstellen?
Wie in de eerste eeuwen onzer jaartelling van den noordelijken
Maasoever bij Vlaardingen zijn blik naar het zuiden richtte, zou,
als hij het landschap tot nabij Vlaanderen in vogelvlucht had kunnen
overzien, aan zijn rechterhand in de streek, waar tegenwoordig op
de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden de duinen liggen, een rij
meer of minder groote eilanden hebben kunnen waarnemen, die zich ten
O. langs de enkele, afzonderlijke stukken duingrond gevormd hadden,
niet geheel ongelijk aan de duineilanden in het noorden van ons land
aan de Wadden.
Achter deze reeks kleine duineilanden strekte zich een wijde
watervlakte uit, een half afgesloten lagune, waarin enkele gorzen
en naakte platen uit het water opdoken als kleine eilandjes, sommige
alleen bij eb zichtbaar, andere bij niet te hoogen vloed ook boven het
water uitkomende. Het was deze kustlagune, die door den Romeinschen
geschiedschrijver Plinius met den naam Helium werd aangeduid en welke
Tacitus als een verbazend grooten mond afschildert.
In het oosten zou men een drietal groote stroomen hebben kunnen
waarnemen, die hun geel-witten waterovervloed in de lagune
uitstortten. Die rivieren hadden toen nog niet de namen van
tegenwoordig; wij zullen ze noemen met de namen van thans: de Lek,
de Merwede (met de Waal) en de Maas, welke laatste zich niet bij
Woudrichem met de Merwede vereenigde, maar ten zuiden van Dordrecht
liep, om langs het benedengedeelte van de tegenwoordige Oude Maas
uit te monden in de kustlagune.
Dat zij slib van de gebergten medevoerden naar deze gewesten, blijkt
niet alleen uit de kleur van het water, maar ook uit de aanslibbingen,
welke zij in dit breede kustwater hebben doen ontstaan en waardoor zij
niet zelden het laagveen op den bodem van vroeger met slib bedekten. In
het oosten, langs den kant van het land, waar die wateren uitmonden,
zien wij reeds meer of minder uitgestrekte eilanden van vruchtbaren
kleigrond, die als 't ware tegen het oudere land zijn aangelegd,
terwijl onderscheidene begroeide gorzen half boven de wateren
zichtbaar zijn.
Verder naar het zuiden zien wij nog een vierde rivier zich in deze
kustlagune uitstorten, een water, dat wij tegenwoordig de Schelde
noemen, hetwelk zich met twee hoofdvertakkingen in zee stort, en verder
door zijarmen met de noordelijke wateren verbonden is. Ook aan de
monding van de Schelde en tusschen haar armen zien wij onderscheidene
eilandjes op de plaatsen, waar tegenwoordig Zuid-Beveland en
Zeeuwsch-Vlaanderen gevonden worden, terwijl in het westen kleine
duineilanden liggen, waar men tegenwoordig Schouwen en Walcheren ziet.
Deze rivieren zijn gedurende dien tijd met het proces der
landaanwinning in de lagune begonnen, dat zich van het oosten naar
het westen voortzette en bij de duinen aansloot. Telkens vingen de
stroomen aan slibbanken, te vormen, die zich voortdurend uitbreidden
en ophoogden, aldus eilandjes werden, terwijl de oudere, in de lagune
overgebleven eilandjes naar de kanten aangroeiden. Vooral wanneer
de banken begroeid werden met planten, hielden deze het slib vast en
waren zij derhalve een krachtig middel, om het proces der aanslibbing
te bevorderen.
Zoo zijn de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden gedurende
historischen tijd aan een proces van landaanwinning onderworpen, dat
evenwel van tijd tot tijd door afschuring en ondermijning der oevers
en door daaropvolgende dijkvallen wordt afgewisseld. De dijkvallen
vormen een verschijnsel, dat in Zeeland herhaaldelijk voorkomt. Soms
ziet men op het onverwachtst, dat een gedeelte van den oever over een
aanzienlijke lengte en enkele meters breedte afschuift of wegzinkt
in de diepte, zoodat dijk en land geheel verdwijnen.
Aldus is de geschiedenis dezer landen een voortdurende strijd om het
bestaan en om ruimte met de wateren geweest, waarbij nu de een, dan
de ander weer de overwinning behaalde, doch waarbij ook niet zelden,
als in het eene gedeelte het land toenam, op andere plaatsen de zee
haar invallen met des te grooter woede deed. Is het te verwonderen,
dat bij deze geschiedenis de Zeeuwen zich het "luctor et emergo"
"ik worstel en kom boven" tot wapenspreuk kozen, voorgesteld door
een leeuw van keel, half opduikende uit een zee, met welker baren
hij worstelt? De Zeeuwen zijn steeds trotsch op dit wapen, dat door
Mr. Joh. de Brune aldus in een raadsel beschreven wordt:
Een groot en fel ghediert, met langh ghecrolde tuyten
Ten halven in de zee, ten halven ook daer buyten;
Een teecken van het volck, dat daer het woont te land,
Meest ploeghet in de zee, meest bouwet aen de strand.
Maar de bewoners der hooge gronden van Brabant, die van den hoogen
zoom des lands in de uitgebreide Zeeuwsche wateren staarden en ook
den slappen Hollandschen veenbodem aan den noordkant hunner provincie
kenden, welke voor een groot gedeelte in den Biesbosch was ondergegaan,
zagen die naburige, onzekere landstreken met een soort van medelijden
aan en maakten zich hun schrale zandgronden daardoor tot een meer
begeerlijk oord, waarop zij rijmelden:
"Neerlandt, eellandt,
Hollandt, bollandt,
Zeelant, geen landt,
Ik houwe het met den Heykant".
De bewoners der eilanden evenwel dachten er anders over. Op de
oude kernen, geïsoleerd in de wateren en langs den duinkant, hadden
zich ongetwijfeld Friezen gevestigd, echte zwervers over de zeeën
en onverschrokken waterbouwers der oudheid, die zich in de lage,
moerassige kustlanden thuis gevoelden en ook in het noorden van
ons land reeds in den oudsten tijd dijken wist te bouwen. De zonen
of verwanten van dat ras op de eilanden in het deltagebied deden
hetzelfde. In den oudsten tijd bouwden zij hier ook hun terpen, die
echter enkel als vluchtheuvels dienst deden en waarvan vele nog op
Walcheren, Schouwen, Duiveland, Tolen en Zuid-Beveland voorkomen,
gelijk Dr. de Man heeft onderzocht en in kaart gebracht.
Die vluchtheuvels of hillen vertegenwoordigen het eerste stadium
van de bewoning der eilanden in deze gewesten. Het waren geen vaste
woonplaatsen--die had men op de hooge gronden langs de duinen--maar
tijdelijke wijkplaatsen, waar men met het vee op vluchten kon, als de
zee de onbedijkte landen overstroomde. Op de Zuid-Hollandsche eilanden
zijn ons bijna geen vluchtheuvels bekend, zoodat men daaruit mag
afleiden, dat deze, de hoogere streken langs de duinen uitgezonderd,
later bewoond zijn geworden en in het eerste tijdperk, toen in Zeeland
vluchtheuvels gebouwd werden om aan het water te ontkomen, nog niet
bestonden of bijna niet bezocht werden.
Op dien primitieven vorm, om voor het water een veilige wijkplaats te
vinden in het lage land, volgde een periode van hoogere technische
bekwaamheid, toen de dijken gebouwd werden. Wanneer de dijkenbouw
hier is aangevangen, kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Doch
eenmaal aangevangen, werd deze wijze, om het land te verzekeren,
uitgebreid en voortgezet. Zoo werden de lage eilanden al vroeg met
zware, sterke bolwerken omringd, die elk land-individu insloten en
tegen de woedende baren der zee beveiligden.
De bewoners dezer zeelanden werden in dien zin vestingbouwers van
groote beteekenis, die van hun hooge wallen den vijand kloekmoedig in
't aangezicht blikten en, zoodra hij terugweek, weer gereed stonden,
het verlaten terrein te omwallen en aan te sluiten bij het vorige,
of tot een nieuwe vesting te vormen.
Zoo zijn de eilanden van dit geheele deltagebied niet alleen met
zware dijken omringd, maar ook met hooge dijken in alle richtingen
doorsneden, die elk eiland in een aantal afzonderlijke polders
verdeelen, alsof het eenige naast elkander liggende kommen zijn,
aan elkander gesloten. Die binnendijken door het land wijzen aan,
hoe de eilanden zich uitbreidden in den loop der tijden; eens waren
dit veelal buitendijken, die midden in het land kwamen te liggen, toen
een nieuwe bedijking buiten de oude ontstond. Zoo draagt elk eiland
zijn wordingsgeschiedenis nog op 't gelaat; gelijk de jaarringen
den aangroei en ouderdom der woudreuzen verhalen, vertellen de
polderdijken in dat wordende land ons de geschiedenis der eilanden
uit het delta-gebied.
Doch niet alleen waren het overwinningen, welke op de wateren
werden behaald: menige plek wijst ook aan, hoe de zee door haar
aanvallen terreinen terugwon, die zij vroeger verloor. Daar, ten
noorden van het oostelijk Zuid-Beveland, wijzen in de Ooster-Schelde
de ondiepe platen de streek aan, waar het oude Reimerswaal in de
golven is verdwenen; bij Zeeuwsch-Vlaanderen wees het Verdronken
land van Saeftinge een dergelijk gebied aan, dat evenwel thans weer
grootendeels is teruggewonnen. In den breeden mond der Ooster-Schelde,
tusschen Noord-Beveland en Schouwen, ligt Westen-Schouwen begraven
en is het eilandje Orisant ondergegaan. Een voortdurende afwisseling
van overwinnen en wijken, maar toch ten slotte van zegepraal is
de geschiedenis van het deltaland. Terecht noemt de gemoedelijke
Zeeuwsche predikant Gargon dit gebied een
Verwonderlijk land,
Daar diepte verzand,
En scheeprijke stroomen
Met bloemen en boomen
Staan vrolijk geplant;
En d' aarde verslonden
Door stortbraak van gronden,
Laat huizen, noch strand.
Door golven en wind
Zijt gij steeds bestreden,
Maar 't water geeft steden,
Als 't dorpen verslindt.
Vernielt het uw waard,
Gij wint weder aard,
En mist gij de kielen,
De ploeg met zijn wielen
Weer overvloed baart.
O land, dat zoo strijdt,
Wie kan u vernielen?
Gij wint, als gij lijdt.
Maar die onafgebroken kamp heeft ook den strijder gestaald, hem
geleerd, nooit den moed op te geven; hij heeft hem gebracht tot
volharding. Zulk een strijd leert ook woekeren met kleine krachten,
leert zuinig zijn, hoogst zuinig, want er zal geen einde komen aan
de uitgaven, terwijl dan toch de inkomsten beperkt blijven.
"Die zilte watervlakte, steeds tot aanvallen gereed, voedt op tot moed,
geen moed, die opbruist, om straks neer te ploffen, als tegenspoeden
treffen, neen, echte, taaie, droogleuke burgermansmoed, als die van
een muis, welke zich knagend een doortocht baant, en zuinigheid, de
echte landmans zuinigheid, welke zich cent na cent slechts zuchtend
laat ontwringen, omdat men op het platteland weet, dat het goud nog
langzamer groeit dan de vruchten, welke harde arbeid aan den grond
ontwoekert."
Het Zuid-Hollandsch-Zeeuwsch deltaland is de groote school, waar onze
waterstaatswetenschap zich heeft ontwikkeld tot wereldberoemdheid
sedert vroege tijden. Daar slaan onze ingenieurs met bespiedenden blik
steeds elke beweging van het zeedier gade, om zijn zwakke zijde te
ontdekken en partij te trekken van zeer kleine, voor den oningewijde
niet merkbare zwakheden, en hem aan te vallen, niet ridderlijk van
voren, maar van uit een hinderlaag, in het schemerduister, en hem
aldus te dwingen op zijn hoogst tot een wapenstilstand. Daarin ligt
de overwinning, doch dat is ook alles, wat kan gedaan worden. Want
watervrede kent men hier niet; gedurende dien wapenstilstand kunnen
nieuwe krachten vergaderd worden, om den strijd weldra weer voort te
zetten, maar den vijand overwinnen is onmogelijk. Daarom moeten onze
waterstaatsmannen steeds op hun post staan, naar de omstandigheden
hun taktiek wijzigen en steeds op nieuwe hulpmiddelen peinzen in dien
strijd, want al is de vijand geketend, telkens tracht hij weer zijn
boeien te verbreken.
Het delta-land, dat wij thans bezoeken, vormt in zijn geheel een
algemeene eenheid, een gebied, welks bodem, in de onderscheidene
deelen met de noodzakelijke nuanceeringen, dezelfde geschiedenis en
hetzelfde karakter heeft. Het isolement der eilanden, de afscheiding
door breede, holle wateren, die dikwijls moeielijk zijn over te varen,
het wonen in afzonderlijke polders en bedijkingen, elk met een eigen
tijdperk van wording, met een eigen binnenlandsche kolonisatie op het
nieuw aangewonnen land, met een eigen strijd tegen de elementen en met
eigen belangen, die steeds verdedigd moeten worden, niet zelden ten
koste van anderen, dit alles gaf echter aan de bewoners, bij dezelfde
algemeene karaktertrekken, een individualisme en afgeslotenheid,
gelijk men die schier nergens zoo teekenend aantreft. Elk eiland,
soms zelfs elk afzonderlijk gedeelte, heeft zijn eigen kleeding,
zijn eigen teekenend dialect, zijn eigen zeden en gewoonten. En
terwijl schier overal het moderne verkeer de schaaf van geestdoodende
nivelleering en gelijkvormigheid gevoerd heeft, de volkseigene teekens
wegstrijkend, de nationale zeden doende verzaken, heeft men hier,
waar spoorwegen lang vreemd waren, nog tot op dezen tijd veel van
het oude en karakteristieke bewaard.
Nergens zoozeer als in het delta-gebied vindt men nog die
schilderachtige kleeding der landmeisjes met vriendelijke afwisseling
van eiland tot eiland, soms van polder tot polder, die ons aan het
Schwarzwald of Thuringen doet denken; enkele volksfeesten op deze
eilanden herinneren nog aan een ver verleden. Op de marktdagen
te Rotterdam, Goes, Zieriksee en Middelburg is het gemakkelijk,
aan de kleeding der landsvrouwen de streken te herkennen, die deze
marktplaatsen tot middelpunten hebben. De kleeding der Zuid-Hollandsche
eilanden leert de gekleurde plaat in deel I kennen, die der Zeeuwsche
eilanden de plaat in dit deel; wij voegen hier nog eenige afbeeldingen
der Zeeuwsche kleederdrachten aan toe.
Individualistisch en gescheiden aan den eenen kant, elk voor zijn eigen
kring, polder of eiland zorgend en dat gebied hoog stellend, is aan den
anderen kant het nationaliteitsgevoel levendig op deze afzonderlijke
eilanden, dat de bewoners vereenigt tot een geheel. Dit is bovenal op
de Zeeuwsche eilanden op te merken, die ook staatkundig een eenheid
vormden; ook had dit grooten invloed op de Zeeuwsche geschiedenis. Door
dat gevoel werd bij de Zeeuwen de studie van hun eigen bodem en zijn
bevolking steeds met voorliefde beoefend en daardoor waren zij ook zoo
sterk gehecht aan het huis van Oranje, waarmede zij zich één gevoelen,
een gehechtheid, die bijna spreekwoordelijk werd.
'k Zag er wel geen trotsche steden,
Geen paleizen, grootsch van bouw,
Maar te meerder reine zeden,
Gulle oprechtheid, blanke trouw,
En, door zelfzucht niet omkorst,
Liefde in 't hart voor land en Vorst.
aldus de Zeeuw J. Was over zijn volk.
Heeft de strijd tegen de wateren het karakter der eilandbewoners
gestaald, gelijk wij zeiden, nog in andere opzichten had de
geographische gesteldheid des lands hier invloed op de eigenaardige
ontwikkeling der bewoners.
Dezelfde wateren, die het land isoleerden, werden ook het element,
waarop de bewoners zich van de oudste tijden af waagden en dat hen
voerde naar de schatkamers, welke bronnen van welvaart en rijkdom
voor hen zouden ontsluiten.
Eerst als visschers en voor het onderling verkeer met booten op de
nabijzijnde wateren, later al dieper en verder, zoo van der jeugd
af gewend aan de worsteling met de woelige stroomen, werd hier een
kloek geslacht van menschen gevormd, die, in de leerschool van hun
geboorteland geoefend en gehard, ontwikkeld werden tot echte zeerobben,
voor wie schier geen plek van den oceaan onbezocht bleef. In de
geschiedenis der Nederlandsche zeereizen hebben de bewoners van het
deltaland de belangrijkste rol gespeeld. En in ditzelfde gebied van
individualisme moest de vrijheidszin zich wel krachtig uiten.
Toen de rechten en vrijheden des volks gekrenkt werden, aanvankelijk
reeds onder Karel V, maar meer nog onder Filips II, was dit den
vrijheidlievenden Zeeuwen niet minder ondragelijk dan den bewoners van
Holland, en met heldenmoed werkten ook zij mede tot de Nederlandsche
onafhankelijkheid. Op de pinken en hoogaarzen groeiden de ontembare
Watergeuzen op, die het durfden opnemen tegen den koning van Spanje
en zijn schier onoverwonnen veteranen op het oorlogsveld; hier
had de natuur het oefeningsterrein geplaatst voor de onversaagde
matrozen, die niet alleen uit Oost en West de schatten gingen halen,
maar ook onder Tromp en de Ruyter de koningsvloten van Frankrijk
en Engeland deden afdeinzen. Aan het delta-land heeft Nederland
zijn grootsten Admiraal, den wereldberoemden Michiel de Ruyter,
te danken; van het delta-gebied kwam Witte de Witt voort (Voorne);
aan Zeeland (Vlissingen) hebben wij het heldengeslacht der Evertsen
te danken; aan den rand van het delta-gebied werd Piet Hein geboren
(Delfshaven), die in zijn jeugd zeker ook dikwijls op deze riviermonden
ronddobberde. En wij mogen niet enkel denken aan de eerste zeehelden,
hoezeer zij door hun grootheid ook anderen overschaduwden. Wij noemen
nog den bekenden Sebastiaan de Lange, een zoon van Veere, die in 1572
in den strijd tegen de Spanjaarden op de Zeeuwsche stroomen aan den
grond raakte, door den vijand aan boord geklampt en geënterd werd,
doch zich niet wilde overgeven en liever dan dat de lont in het kruit
stak, een voorbeeld, later door meer dan één Nederlander gevolgd;
wij wijzen op Ewoud Pieters Worst en Boudewijn Ewoutz., op Jan en
Joost de Moor, Pieter Adr. Ita, Marinus Hollaer, Joost Bankert en den
dapperen Adriaan Bankert, allen uit Vlissingen, op Jasper Lijnsen uit
Zoutelande enz. enz. Moet men bij het lezen der namen van zoovele,
door hun dapperheid ter zee beroemde Zeeuwen en delta-landers niet
aannemen, dat zich hier onder den invloed des lands een heldengeslacht
heeft ontwikkeld? Kan men ook niet uit de oudere geschiedenis dezer
eilanden nog menige heldenfiguur aanwijzen? Terecht zingt Onno Zwier
van Haren van dit volk:
De Zeeuwen zijn als hunne baren,
Daar ieder makkelijk kan varen,
Als beide, stroom en lucht, zijn stil;
Maar als de stormen en de winden
De Hont's en Keeten's woede ontbinden,
Vindt Zeelands havens niet, die wil.
Dan heft de zee rondom haar golven,
Het schuimend nat beklimt den dijk,
Dan schijnen d' eilanden bedolven
En Walchren d' Oceaan gelijk.
West-Kappels breede kruin, aan 't beven,
Dreigt land en volkren op te geven,
Reeds doet de branding d' oever vliên;
En Domburg vreest de hoogste duinen,
Zoo laag geslecht als uwe puinen,
O, Nehalennia, te zien.
Dus is de Zeeuw; wanneer gevaren
Voor vrijheid zwieren op de kust,
Weet zijne moed van geen bedaren,
Noch zijne leeuw van logge rust.
Wee hem, die dezen leeuw verschrikken,
Of temmen wil, of wil verstrikken,
Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!
Nog een andere karaktertrek der delta-bewoners staat met hun reeds
genoemde eigenschappen in verband. In godsdienst en opvatting heerscht
schier overal een streng conservatisme, een rechtgeloovigheid,
waaraan niets afbreuk kan doen. Daardoor is de anti-revolutionnaire
partij op staatkundig gebied op het platteland in de meerderheid,
in de steden met eenige wijziging minder. En in Zeeuwsch-Vlaanderen,
grenzende aan België, heeft mede het Katholicisme nog vele aanhangers.
Naast dat conservatisme openbaart zich ook nog de oud-Zeeuwsche
karaktertrek van trouw en rondheid. "Goed rond, goed Zeeuwsch" is een
spreekwoord geworden, om den aard der Zeeuwen aan te duiden. De dichter
Hasebroek, die van Mei 1849 tot Oct. 1851 te Middelburg predikant was,
zegt van Zeeland, waar hij als vreemdeling kwam:
Ik vond een land, dat uit het zout
Het hoofd ten half slechts op kon halen,
Maar dat die worstling ziet betalen
Door in de pekel schuilend goud:
Het goud der gouden tarwenairen,
Gevoed door 't vocht der brakke baren,
En heel de kracht der akkervrucht,
Geteeld in Zeelands zilte lucht.
Ik vond een volk, dat in zijn bloed
't Zout van zijn wakkren schijnt te dragen
En in een zweem de schoonste dagen
Van 't voorgeslacht herdenken doet;
Dat de oude vaderlandsche zeden
Nog door geen vreemdling laat vertreden,
En schoon zijn Ruyter niet meer leeft,
Zijn Cats niet gansch vergeten heeft.