HET ZUID-HOLLANDSCHE EN ZEEUWSCHE DELTA-LAND.

I. EEN ALGEMEENE BLIK OP DE WORDINGSGESCHIEDENIS DES LANDS EN OP

DE BEWONERS.

De toestand van het land langs de Nederlandsche kusten is in den

loop der eeuwen veel veranderd. Wij hebben daarop reeds de aandacht

gevestigd in de inleiding van het eerste deel. Terwijl wij toen meer

de algemeene gesteldheid van het vasteland van Holland op het oog

hadden en de wordingsgeschiedenis van dit gedeelte des lands nagingen,

willen wij thans iets nader stilstaan bij de ontwikkeling van het

Zuid-Hollandsch-Zeeuwsche eilandengebied, dat zich van de Nieuwe Maas

tot de Nederlandsche grens in Zeeuwsch-Vlaanderen langs de zeekust

uitstrekt. Ook hierbij moeten wij eenige hoofdtoestanden aannemen,

gelijk wij die reeds vroeger schetsten, en daarvan uitgaan bij de

algemeene wordingsgeschiedenis.

Wij hebben reeds in deel I aangetoond, dat in een tijdperk vóór den

aanvang der historie de waterspiegel der Noordzee veel lager moet

geweest zijn dan thans. In dien tijd heeft zich aan de landzijde achter

de duinen in de kustlagunen, welker ontstaan wij reeds geschetst

hebben, een laag laagveen gevormd. Ook het delta-gebied, waarop

wij thans het oog gericht hebben, werd in dien tijd grootendeels met

laagveen bedekt, dat doorsneden was door de monden der groote rivieren

met onderscheidene vertakkingen, welker water van tijd tot tijd het

land overstroomde, terwijl enkele verbindingswateren de hoofdstroomen

met elkander in aanraking brachten.

Na dit voorhistorische tijdperk der eerste laagveenvorming kwam

een periode, waarin de waterspiegel der Noordzee langzamerhand

hooger werd. De zee drong bij vloed en vooral bij stormvloed steeds

dieper en met meer kracht het land binnen en drenkte de veenlaag

met zoute wateren, welke een gedeelte van hun zoutdeeltjes in het

veen achterlieten [16]. De bruisende en schuimende wateren der zee,

in vereeniging met die der riviermonden, sloegen groote gedeelten van

het reeds gevormde laagveen uit het deltaland weg en vormden aan den

zeekant weer een groote plas, waarin slechts enkele veenbanken op

den bodem achterbleven, terwijl in andere gedeelten, vooral dieper

landwaarts, het laagveen in groote uitgestrektheid bleef bestaan. Zoo

vormde zich een landruïne met afwisseling van zee en land, dit laatste

versnipperd in eilandjes van verschillende grootte, onregelmatig in

de wateren verspreid. Langs den zeekant lagen nog de duinen, wel niet

aaneengesloten, zooals ten N. der Maas, maar toch met veiliger plekken,

en aan den binnenkant achter deze hoogten bleven ook de landvlakten

meer bewaard.

Hiermede werd een nieuwe periode van landvorming en landvervorming in

deze gewesten ingeleid, die zich in de eerste eeuwen onzer jaartelling

ongeveer moet hebben afgespeeld. Hoe kunnen wij ons in dien tijd de

gesteldheid en de verandering dezer landen voorstellen?

Wie in de eerste eeuwen onzer jaartelling van den noordelijken

Maasoever bij Vlaardingen zijn blik naar het zuiden richtte, zou,

als hij het landschap tot nabij Vlaanderen in vogelvlucht had kunnen

overzien, aan zijn rechterhand in de streek, waar tegenwoordig op

de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden de duinen liggen, een rij

meer of minder groote eilanden hebben kunnen waarnemen, die zich ten

O. langs de enkele, afzonderlijke stukken duingrond gevormd hadden,

niet geheel ongelijk aan de duineilanden in het noorden van ons land

aan de Wadden.

Achter deze reeks kleine duineilanden strekte zich een wijde

watervlakte uit, een half afgesloten lagune, waarin enkele gorzen

en naakte platen uit het water opdoken als kleine eilandjes, sommige

alleen bij eb zichtbaar, andere bij niet te hoogen vloed ook boven het

water uitkomende. Het was deze kustlagune, die door den Romeinschen

geschiedschrijver Plinius met den naam Helium werd aangeduid en welke

Tacitus als een verbazend grooten mond afschildert.

In het oosten zou men een drietal groote stroomen hebben kunnen

waarnemen, die hun geel-witten waterovervloed in de lagune

uitstortten. Die rivieren hadden toen nog niet de namen van

tegenwoordig; wij zullen ze noemen met de namen van thans: de Lek,

de Merwede (met de Waal) en de Maas, welke laatste zich niet bij

Woudrichem met de Merwede vereenigde, maar ten zuiden van Dordrecht

liep, om langs het benedengedeelte van de tegenwoordige Oude Maas

uit te monden in de kustlagune.

Dat zij slib van de gebergten medevoerden naar deze gewesten, blijkt

niet alleen uit de kleur van het water, maar ook uit de aanslibbingen,

welke zij in dit breede kustwater hebben doen ontstaan en waardoor zij

niet zelden het laagveen op den bodem van vroeger met slib bedekten. In

het oosten, langs den kant van het land, waar die wateren uitmonden,

zien wij reeds meer of minder uitgestrekte eilanden van vruchtbaren

kleigrond, die als 't ware tegen het oudere land zijn aangelegd,

terwijl onderscheidene begroeide gorzen half boven de wateren

zichtbaar zijn.

Verder naar het zuiden zien wij nog een vierde rivier zich in deze

kustlagune uitstorten, een water, dat wij tegenwoordig de Schelde

noemen, hetwelk zich met twee hoofdvertakkingen in zee stort, en verder

door zijarmen met de noordelijke wateren verbonden is. Ook aan de

monding van de Schelde en tusschen haar armen zien wij onderscheidene

eilandjes op de plaatsen, waar tegenwoordig Zuid-Beveland en

Zeeuwsch-Vlaanderen gevonden worden, terwijl in het westen kleine

duineilanden liggen, waar men tegenwoordig Schouwen en Walcheren ziet.

Deze rivieren zijn gedurende dien tijd met het proces der

landaanwinning in de lagune begonnen, dat zich van het oosten naar

het westen voortzette en bij de duinen aansloot. Telkens vingen de

stroomen aan slibbanken, te vormen, die zich voortdurend uitbreidden

en ophoogden, aldus eilandjes werden, terwijl de oudere, in de lagune

overgebleven eilandjes naar de kanten aangroeiden. Vooral wanneer

de banken begroeid werden met planten, hielden deze het slib vast en

waren zij derhalve een krachtig middel, om het proces der aanslibbing

te bevorderen.

Zoo zijn de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche eilanden gedurende

historischen tijd aan een proces van landaanwinning onderworpen, dat

evenwel van tijd tot tijd door afschuring en ondermijning der oevers

en door daaropvolgende dijkvallen wordt afgewisseld. De dijkvallen

vormen een verschijnsel, dat in Zeeland herhaaldelijk voorkomt. Soms

ziet men op het onverwachtst, dat een gedeelte van den oever over een

aanzienlijke lengte en enkele meters breedte afschuift of wegzinkt

in de diepte, zoodat dijk en land geheel verdwijnen.

Aldus is de geschiedenis dezer landen een voortdurende strijd om het

bestaan en om ruimte met de wateren geweest, waarbij nu de een, dan

de ander weer de overwinning behaalde, doch waarbij ook niet zelden,

als in het eene gedeelte het land toenam, op andere plaatsen de zee

haar invallen met des te grooter woede deed. Is het te verwonderen,

dat bij deze geschiedenis de Zeeuwen zich het "luctor et emergo"

"ik worstel en kom boven" tot wapenspreuk kozen, voorgesteld door

een leeuw van keel, half opduikende uit een zee, met welker baren

hij worstelt? De Zeeuwen zijn steeds trotsch op dit wapen, dat door

Mr. Joh. de Brune aldus in een raadsel beschreven wordt:

Een groot en fel ghediert, met langh ghecrolde tuyten

Ten halven in de zee, ten halven ook daer buyten;

Een teecken van het volck, dat daer het woont te land,

Meest ploeghet in de zee, meest bouwet aen de strand.

Maar de bewoners der hooge gronden van Brabant, die van den hoogen

zoom des lands in de uitgebreide Zeeuwsche wateren staarden en ook

den slappen Hollandschen veenbodem aan den noordkant hunner provincie

kenden, welke voor een groot gedeelte in den Biesbosch was ondergegaan,

zagen die naburige, onzekere landstreken met een soort van medelijden

aan en maakten zich hun schrale zandgronden daardoor tot een meer

begeerlijk oord, waarop zij rijmelden:

"Neerlandt, eellandt,

Hollandt, bollandt,

Zeelant, geen landt,

Ik houwe het met den Heykant".

De bewoners der eilanden evenwel dachten er anders over. Op de

oude kernen, geïsoleerd in de wateren en langs den duinkant, hadden

zich ongetwijfeld Friezen gevestigd, echte zwervers over de zeeën

en onverschrokken waterbouwers der oudheid, die zich in de lage,

moerassige kustlanden thuis gevoelden en ook in het noorden van

ons land reeds in den oudsten tijd dijken wist te bouwen. De zonen

of verwanten van dat ras op de eilanden in het deltagebied deden

hetzelfde. In den oudsten tijd bouwden zij hier ook hun terpen, die

echter enkel als vluchtheuvels dienst deden en waarvan vele nog op

Walcheren, Schouwen, Duiveland, Tolen en Zuid-Beveland voorkomen,

gelijk Dr. de Man heeft onderzocht en in kaart gebracht.

Die vluchtheuvels of hillen vertegenwoordigen het eerste stadium

van de bewoning der eilanden in deze gewesten. Het waren geen vaste

woonplaatsen--die had men op de hooge gronden langs de duinen--maar

tijdelijke wijkplaatsen, waar men met het vee op vluchten kon, als de

zee de onbedijkte landen overstroomde. Op de Zuid-Hollandsche eilanden

zijn ons bijna geen vluchtheuvels bekend, zoodat men daaruit mag

afleiden, dat deze, de hoogere streken langs de duinen uitgezonderd,

later bewoond zijn geworden en in het eerste tijdperk, toen in Zeeland

vluchtheuvels gebouwd werden om aan het water te ontkomen, nog niet

bestonden of bijna niet bezocht werden.

Op dien primitieven vorm, om voor het water een veilige wijkplaats te

vinden in het lage land, volgde een periode van hoogere technische

bekwaamheid, toen de dijken gebouwd werden. Wanneer de dijkenbouw

hier is aangevangen, kunnen wij niet met zekerheid zeggen. Doch

eenmaal aangevangen, werd deze wijze, om het land te verzekeren,

uitgebreid en voortgezet. Zoo werden de lage eilanden al vroeg met

zware, sterke bolwerken omringd, die elk land-individu insloten en

tegen de woedende baren der zee beveiligden.

De bewoners dezer zeelanden werden in dien zin vestingbouwers van

groote beteekenis, die van hun hooge wallen den vijand kloekmoedig in

't aangezicht blikten en, zoodra hij terugweek, weer gereed stonden,

het verlaten terrein te omwallen en aan te sluiten bij het vorige,

of tot een nieuwe vesting te vormen.

Zoo zijn de eilanden van dit geheele deltagebied niet alleen met

zware dijken omringd, maar ook met hooge dijken in alle richtingen

doorsneden, die elk eiland in een aantal afzonderlijke polders

verdeelen, alsof het eenige naast elkander liggende kommen zijn,

aan elkander gesloten. Die binnendijken door het land wijzen aan,

hoe de eilanden zich uitbreidden in den loop der tijden; eens waren

dit veelal buitendijken, die midden in het land kwamen te liggen, toen

een nieuwe bedijking buiten de oude ontstond. Zoo draagt elk eiland

zijn wordingsgeschiedenis nog op 't gelaat; gelijk de jaarringen

den aangroei en ouderdom der woudreuzen verhalen, vertellen de

polderdijken in dat wordende land ons de geschiedenis der eilanden

uit het delta-gebied.

Doch niet alleen waren het overwinningen, welke op de wateren

werden behaald: menige plek wijst ook aan, hoe de zee door haar

aanvallen terreinen terugwon, die zij vroeger verloor. Daar, ten

noorden van het oostelijk Zuid-Beveland, wijzen in de Ooster-Schelde

de ondiepe platen de streek aan, waar het oude Reimerswaal in de

golven is verdwenen; bij Zeeuwsch-Vlaanderen wees het Verdronken

land van Saeftinge een dergelijk gebied aan, dat evenwel thans weer

grootendeels is teruggewonnen. In den breeden mond der Ooster-Schelde,

tusschen Noord-Beveland en Schouwen, ligt Westen-Schouwen begraven

en is het eilandje Orisant ondergegaan. Een voortdurende afwisseling

van overwinnen en wijken, maar toch ten slotte van zegepraal is

de geschiedenis van het deltaland. Terecht noemt de gemoedelijke

Zeeuwsche predikant Gargon dit gebied een

Verwonderlijk land,

Daar diepte verzand,

En scheeprijke stroomen

Met bloemen en boomen

Staan vrolijk geplant;

En d' aarde verslonden

Door stortbraak van gronden,

Laat huizen, noch strand.

Door golven en wind

Zijt gij steeds bestreden,

Maar 't water geeft steden,

Als 't dorpen verslindt.

Vernielt het uw waard,

Gij wint weder aard,

En mist gij de kielen,

De ploeg met zijn wielen

Weer overvloed baart.

O land, dat zoo strijdt,

Wie kan u vernielen?

Gij wint, als gij lijdt.

Maar die onafgebroken kamp heeft ook den strijder gestaald, hem

geleerd, nooit den moed op te geven; hij heeft hem gebracht tot

volharding. Zulk een strijd leert ook woekeren met kleine krachten,

leert zuinig zijn, hoogst zuinig, want er zal geen einde komen aan

de uitgaven, terwijl dan toch de inkomsten beperkt blijven.

"Die zilte watervlakte, steeds tot aanvallen gereed, voedt op tot moed,

geen moed, die opbruist, om straks neer te ploffen, als tegenspoeden

treffen, neen, echte, taaie, droogleuke burgermansmoed, als die van

een muis, welke zich knagend een doortocht baant, en zuinigheid, de

echte landmans zuinigheid, welke zich cent na cent slechts zuchtend

laat ontwringen, omdat men op het platteland weet, dat het goud nog

langzamer groeit dan de vruchten, welke harde arbeid aan den grond

ontwoekert."

Het Zuid-Hollandsch-Zeeuwsch deltaland is de groote school, waar onze

waterstaatswetenschap zich heeft ontwikkeld tot wereldberoemdheid

sedert vroege tijden. Daar slaan onze ingenieurs met bespiedenden blik

steeds elke beweging van het zeedier gade, om zijn zwakke zijde te

ontdekken en partij te trekken van zeer kleine, voor den oningewijde

niet merkbare zwakheden, en hem aan te vallen, niet ridderlijk van

voren, maar van uit een hinderlaag, in het schemerduister, en hem

aldus te dwingen op zijn hoogst tot een wapenstilstand. Daarin ligt

de overwinning, doch dat is ook alles, wat kan gedaan worden. Want

watervrede kent men hier niet; gedurende dien wapenstilstand kunnen

nieuwe krachten vergaderd worden, om den strijd weldra weer voort te

zetten, maar den vijand overwinnen is onmogelijk. Daarom moeten onze

waterstaatsmannen steeds op hun post staan, naar de omstandigheden

hun taktiek wijzigen en steeds op nieuwe hulpmiddelen peinzen in dien

strijd, want al is de vijand geketend, telkens tracht hij weer zijn

boeien te verbreken.

Het delta-land, dat wij thans bezoeken, vormt in zijn geheel een

algemeene eenheid, een gebied, welks bodem, in de onderscheidene

deelen met de noodzakelijke nuanceeringen, dezelfde geschiedenis en

hetzelfde karakter heeft. Het isolement der eilanden, de afscheiding

door breede, holle wateren, die dikwijls moeielijk zijn over te varen,

het wonen in afzonderlijke polders en bedijkingen, elk met een eigen

tijdperk van wording, met een eigen binnenlandsche kolonisatie op het

nieuw aangewonnen land, met een eigen strijd tegen de elementen en met

eigen belangen, die steeds verdedigd moeten worden, niet zelden ten

koste van anderen, dit alles gaf echter aan de bewoners, bij dezelfde

algemeene karaktertrekken, een individualisme en afgeslotenheid,

gelijk men die schier nergens zoo teekenend aantreft. Elk eiland,

soms zelfs elk afzonderlijk gedeelte, heeft zijn eigen kleeding,

zijn eigen teekenend dialect, zijn eigen zeden en gewoonten. En

terwijl schier overal het moderne verkeer de schaaf van geestdoodende

nivelleering en gelijkvormigheid gevoerd heeft, de volkseigene teekens

wegstrijkend, de nationale zeden doende verzaken, heeft men hier,

waar spoorwegen lang vreemd waren, nog tot op dezen tijd veel van

het oude en karakteristieke bewaard.

Nergens zoozeer als in het delta-gebied vindt men nog die

schilderachtige kleeding der landmeisjes met vriendelijke afwisseling

van eiland tot eiland, soms van polder tot polder, die ons aan het

Schwarzwald of Thuringen doet denken; enkele volksfeesten op deze

eilanden herinneren nog aan een ver verleden. Op de marktdagen

te Rotterdam, Goes, Zieriksee en Middelburg is het gemakkelijk,

aan de kleeding der landsvrouwen de streken te herkennen, die deze

marktplaatsen tot middelpunten hebben. De kleeding der Zuid-Hollandsche

eilanden leert de gekleurde plaat in deel I kennen, die der Zeeuwsche

eilanden de plaat in dit deel; wij voegen hier nog eenige afbeeldingen

der Zeeuwsche kleederdrachten aan toe.

Individualistisch en gescheiden aan den eenen kant, elk voor zijn eigen

kring, polder of eiland zorgend en dat gebied hoog stellend, is aan den

anderen kant het nationaliteitsgevoel levendig op deze afzonderlijke

eilanden, dat de bewoners vereenigt tot een geheel. Dit is bovenal op

de Zeeuwsche eilanden op te merken, die ook staatkundig een eenheid

vormden; ook had dit grooten invloed op de Zeeuwsche geschiedenis. Door

dat gevoel werd bij de Zeeuwen de studie van hun eigen bodem en zijn

bevolking steeds met voorliefde beoefend en daardoor waren zij ook zoo

sterk gehecht aan het huis van Oranje, waarmede zij zich één gevoelen,

een gehechtheid, die bijna spreekwoordelijk werd.

'k Zag er wel geen trotsche steden,

Geen paleizen, grootsch van bouw,

Maar te meerder reine zeden,

Gulle oprechtheid, blanke trouw,

En, door zelfzucht niet omkorst,

Liefde in 't hart voor land en Vorst.

aldus de Zeeuw J. Was over zijn volk.

Heeft de strijd tegen de wateren het karakter der eilandbewoners

gestaald, gelijk wij zeiden, nog in andere opzichten had de

geographische gesteldheid des lands hier invloed op de eigenaardige

ontwikkeling der bewoners.

Dezelfde wateren, die het land isoleerden, werden ook het element,

waarop de bewoners zich van de oudste tijden af waagden en dat hen

voerde naar de schatkamers, welke bronnen van welvaart en rijkdom

voor hen zouden ontsluiten.

Eerst als visschers en voor het onderling verkeer met booten op de

nabijzijnde wateren, later al dieper en verder, zoo van der jeugd

af gewend aan de worsteling met de woelige stroomen, werd hier een

kloek geslacht van menschen gevormd, die, in de leerschool van hun

geboorteland geoefend en gehard, ontwikkeld werden tot echte zeerobben,

voor wie schier geen plek van den oceaan onbezocht bleef. In de

geschiedenis der Nederlandsche zeereizen hebben de bewoners van het

deltaland de belangrijkste rol gespeeld. En in ditzelfde gebied van

individualisme moest de vrijheidszin zich wel krachtig uiten.

Toen de rechten en vrijheden des volks gekrenkt werden, aanvankelijk

reeds onder Karel V, maar meer nog onder Filips II, was dit den

vrijheidlievenden Zeeuwen niet minder ondragelijk dan den bewoners van

Holland, en met heldenmoed werkten ook zij mede tot de Nederlandsche

onafhankelijkheid. Op de pinken en hoogaarzen groeiden de ontembare

Watergeuzen op, die het durfden opnemen tegen den koning van Spanje

en zijn schier onoverwonnen veteranen op het oorlogsveld; hier

had de natuur het oefeningsterrein geplaatst voor de onversaagde

matrozen, die niet alleen uit Oost en West de schatten gingen halen,

maar ook onder Tromp en de Ruyter de koningsvloten van Frankrijk

en Engeland deden afdeinzen. Aan het delta-land heeft Nederland

zijn grootsten Admiraal, den wereldberoemden Michiel de Ruyter,

te danken; van het delta-gebied kwam Witte de Witt voort (Voorne);

aan Zeeland (Vlissingen) hebben wij het heldengeslacht der Evertsen

te danken; aan den rand van het delta-gebied werd Piet Hein geboren

(Delfshaven), die in zijn jeugd zeker ook dikwijls op deze riviermonden

ronddobberde. En wij mogen niet enkel denken aan de eerste zeehelden,

hoezeer zij door hun grootheid ook anderen overschaduwden. Wij noemen

nog den bekenden Sebastiaan de Lange, een zoon van Veere, die in 1572

in den strijd tegen de Spanjaarden op de Zeeuwsche stroomen aan den

grond raakte, door den vijand aan boord geklampt en geënterd werd,

doch zich niet wilde overgeven en liever dan dat de lont in het kruit

stak, een voorbeeld, later door meer dan één Nederlander gevolgd;

wij wijzen op Ewoud Pieters Worst en Boudewijn Ewoutz., op Jan en

Joost de Moor, Pieter Adr. Ita, Marinus Hollaer, Joost Bankert en den

dapperen Adriaan Bankert, allen uit Vlissingen, op Jasper Lijnsen uit

Zoutelande enz. enz. Moet men bij het lezen der namen van zoovele,

door hun dapperheid ter zee beroemde Zeeuwen en delta-landers niet

aannemen, dat zich hier onder den invloed des lands een heldengeslacht

heeft ontwikkeld? Kan men ook niet uit de oudere geschiedenis dezer

eilanden nog menige heldenfiguur aanwijzen? Terecht zingt Onno Zwier

van Haren van dit volk:

De Zeeuwen zijn als hunne baren,

Daar ieder makkelijk kan varen,

Als beide, stroom en lucht, zijn stil;

Maar als de stormen en de winden

De Hont's en Keeten's woede ontbinden,

Vindt Zeelands havens niet, die wil.

Dan heft de zee rondom haar golven,

Het schuimend nat beklimt den dijk,

Dan schijnen d' eilanden bedolven

En Walchren d' Oceaan gelijk.

West-Kappels breede kruin, aan 't beven,

Dreigt land en volkren op te geven,

Reeds doet de branding d' oever vliên;

En Domburg vreest de hoogste duinen,

Zoo laag geslecht als uwe puinen,

O, Nehalennia, te zien.

Dus is de Zeeuw; wanneer gevaren

Voor vrijheid zwieren op de kust,

Weet zijne moed van geen bedaren,

Noch zijne leeuw van logge rust.

Wee hem, die dezen leeuw verschrikken,

Of temmen wil, of wil verstrikken,

Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!

Nog een andere karaktertrek der delta-bewoners staat met hun reeds

genoemde eigenschappen in verband. In godsdienst en opvatting heerscht

schier overal een streng conservatisme, een rechtgeloovigheid,

waaraan niets afbreuk kan doen. Daardoor is de anti-revolutionnaire

partij op staatkundig gebied op het platteland in de meerderheid,

in de steden met eenige wijziging minder. En in Zeeuwsch-Vlaanderen,

grenzende aan België, heeft mede het Katholicisme nog vele aanhangers.

Naast dat conservatisme openbaart zich ook nog de oud-Zeeuwsche

karaktertrek van trouw en rondheid. "Goed rond, goed Zeeuwsch" is een

spreekwoord geworden, om den aard der Zeeuwen aan te duiden. De dichter

Hasebroek, die van Mei 1849 tot Oct. 1851 te Middelburg predikant was,

zegt van Zeeland, waar hij als vreemdeling kwam:

Ik vond een land, dat uit het zout

Het hoofd ten half slechts op kon halen,

Maar dat die worstling ziet betalen

Door in de pekel schuilend goud:

Het goud der gouden tarwenairen,

Gevoed door 't vocht der brakke baren,

En heel de kracht der akkervrucht,

Geteeld in Zeelands zilte lucht.

Ik vond een volk, dat in zijn bloed

't Zout van zijn wakkren schijnt te dragen

En in een zweem de schoonste dagen

Van 't voorgeslacht herdenken doet;

Dat de oude vaderlandsche zeden

Nog door geen vreemdling laat vertreden,

En schoon zijn Ruyter niet meer leeft,

Zijn Cats niet gansch vergeten heeft.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 30 / 74 题