Een watertochtje op de Hollandsche groote riviermonden is iets eenigs,
dat geen waar vaderlander mag verzuimen, eens of meermalen in zijn
leven te maken, ook al is zijn woonplaats verre van die gewesten. Ga
niet den Drachenfels beklimmen, vóór gij den Nederlandschen Rijn gezien
hebt, zooals hij zich met statige fierheid langs de Geldersche heuvelen
buigt; ga niet naar het Schwarzwald en Schaffhausen vóór gij de
wateren kent, die met trotsche majesteit het lage deltaland van Holland
besproeien. Hoewel kinderen der hooge gedeelten van Europa, spreiden
eerst in het lage land de rivieren de grootschheid ten toon van hun
machtig scheppingsvermogen naast de wilde vernielingskracht. Spelend
met dat, wat zij zelf uit liefde voortbrachten, vernietigend hetgeen
zij schiepen, om het daarna weder met gelijken moed op te bouwen, zoo
omslingeren de groote wateren het delta-land, de meest tegenstrijdige
gevoelens opwekkend bij de bewoners.
Wij stappen te Gorinchem op den steiger, zien een der booten, die op
Rotterdam varen, met statigen zwaai zich wenden naar den wal, om den
steiger te halen, en stappen aan boord, om op het dek plaats te nemen.
De nederzettingen aan beide zijden glijden wij rustig voorbij en
weldra schuurt naar het Z.W. een landtong met een seinpaal vooruit
in de rivier, als om die te scheiden. Nog weinige oogenblikken, en
wij zien links voorbij Werkendam een breeden waterarm zich afscheiden
van de Merwede. Dat is de Nieuwe-Merwede, thans een kunstmatig kanaal,
door dijken ingesloten, dat een gedeelte van het Merwedewater naar het
Hollandsch-Diep voert. Met den aanleg dier kanaalwerken is aangevangen
na 1850, ten einde door dat kanaal de Boven-Merwede, waar bij hoogen
rivierstand het water hoog kon opstuwen en dat door den meer en meer
aanslibbenden Biesbosch niet voldoende kon wegloopen, te ontlasten.
Vóór 1421 was de Merwede een onverdeeld doorloopende rivier tot bij
Dordrecht. Een hooge dijk liep van Woudrichem tot Dordrecht door en
beschermde de Groote Zuid-Hollandsche Waard, een vruchtbaren polder
met bloeiende dorpen overdekt. Herhaaldelijk was het gebleken,
hoe gevaarlijk deze Waard lag. In 1288 was zij reeds gedeeltelijk
overstroomd, zooals blijkt uit de Rijmkroniek van Melis Stoke,
die zegt:
Suuthollant verdronc ooc mede
Ende ic ne weet ghene stede,
Bi der see, en ghinc al onder,
waar met Suuthollant de Hollandsche Waard bedoeld wordt. Nog hadden
hier overstroomingen plaats in 1379, 1393 en 1396, maar telkens werden
de wateren weder bedwongen.
Doch de zwaarste ramp trof de bewoners in den nacht van den 18en
Nov. 1421. Toen de westerstorm het zeewater in de riviermonden
dreef en het stroomend water der gezwollen rivieren opstuwde tot
boven de kruin van den dijk, ontstonden er doorbraken van de Merwede
beneden Werkendam, gevolgd door andere doorbraken in het westen van
de Waard. De geheele Zuid-Hollandsche Waard, de Tiesselenswaard en
onderscheidene dorpen langs den noordrand van Noord-Brabant lagen
weldra geheel onder de golven. Van Dordrecht en de Merwede tot
Zevenbergen, Geertruidenberg en Waalwijk was het land in één bare
zee veranderd; 48 kerkdorpen lagen geheel onder water en de dorpen
aan de dijken, hoewel niet overstroomd, leden veel. In 't geheel zijn
door deze ramp 23 kerkdorpen met hun kerken voor altijd verdwenen. Het
aantal menschen, dat hierbij omkwam, wordt op ongeveer 10000 gerekend,
wat te meer beteekent, als wij weten, dat geheel Holland omstreeks
1514 slechts circa 300000 zielen telde.
Deze overstrooming verwoestte een groot gedeelte dezer landstreek
geheel en al en bracht duizenden tot de diepste armoede. Vroeger
rijke edellieden, wonende op hun kasteelen te midden van de voor
hen arbeidende bevolking, werden tot den bedelstaf gebracht; de
haveloos geworden bewoners vormden, door nood gedrongen, bedel-
en rooversbenden, die het land onveilig maakten.
Toen de elementen tot rust gekomen waren, zag men, dat de Merwede een
nieuwen arm gevormd had. Bij Werkendam stortte de rivier zich in een
breede, ronde kom van het weggeslagen land, die wel niet diep was, maar
toch geheel onder water lag. Daar groeiden in de ondiepste gedeelten
weldra riet en biezen en hiernaar verkreeg het nieuw gevormde water
den naam van Biesbosch.
De Merwede had de Zuid-Hollandsche Waard grootendeels vernield, doch
arbeidde vervolgens weder, om het landverlies te herstellen. Zij
voerde voortdurend het slib aan, dat zich aan het riet en de biezen
in 't bijzonder vasthechtte, en zoo ontstonden er weldra slibbanken,
vervolgens ondiepe platen in den Biesbosch, welke eerst afzonderlijk
uit het water opdoken als kleine eilandjes en eindelijk door nieuwen
aanwas zich meer bij elkander aansloten. Zoo werd langzamerhand de
onregelmatige archipel van vruchtbare eilandjes in den Biesbosch
gevormd, die zich echter van jaar tot jaar uitbreidden en de
scheidingswateren verminderden of geheel deden dichtgroeien. Dat
proces zet zich ook thans nog voort bij de overgebleven eilandjes,
die wij daar voor ons zien, door ondiepe kreeken en gaten gescheiden,
welke laatste hun ondergang dag aan dag meer tegemoet gaan. Zoo
is het eiland van Dordrecht, dat wij links van ons waarnemen, en
hetwelk kort na 1421 slechts tot een klein stadsgebied beperkt was,
sedert dien tijd langzamerhand uitgebreid met vele nieuwe polders.
Als wij Dordrecht naderen, zien wij op niet verren afstand van de
stad aan de linkerzijde der rivier, te midden van het grasland,
aan den dijk en omringd door ruw opschietend struik- en boomgewas,
eenige oude muurresten hun grijze massa in eenzaamheid opbeuren. Dit
is de ruïne van het oude Slot-te-Merwede. Omtrent den tijd van den
bouw van dit slot verkeert men in het onzekere, doch velen zijn van
meening, dat het niet later dan uit de 12e eeuw dagteekent. Al weten
wij niet, hoe het in zijn oorspronkelijken toestand geweest is, toch
blijkt uit de overblijfselen, welke een deel van den westelijken
zijvleugel met fragmenten van een toren en een trap uitmaken, dat
het een sterk gebouw was. Merkwaardig is het blinkende verglaassel,
dat de muren aan de westzijde overdekt, waardoor dit muurwerk tegen
den invloed van het weer gevrijwaard is gebleven.
Ook dit kasteel is tenondergegaan in den St.-Elizabethsvloed van
1421. De hevige stroom, die bij dezen vloed om de muren bruiste,
heeft een groot gedeelte der fundamenten ondermijnd en vernield,
en ook latere overstroomingen en ijsgang hebben er nog groote schade
aan toegebracht.
Het Huis-te-Merwede staat in den Merwedepolder. Toen de aanwassen
in dezen polder in 1815 door de stad zijn verkocht, werd hierbij
deze voorwaarde gesteld: "De stad Dordrecht reserveert aan zich
den eigendom van den grond, alwaar het Huis-te-Merwede op staat, te
meten met Rijnlandsche maat, vijf roeden uit den oost- en zuidmuur van
voorschreven huis van de rivier de Merwede zuidwaarts aan, van de kille
van het Huis-te-Merwede oostwaarts aan". Door die gelukkige bepaling is
de bouwval bewaard gebleven, die zoo eigenaardig past in deze streek,
als om de oude historie dezer landen een teekenend relief te geven.
Nog eenige oogenblikken en wij bevinden ons op de bedrijvige rivier
vóór Dordrecht. Als de stad zich daar van verre het eerst in haar
sierlijke lijnen ontplooit, treft ons de machtige silhouet van de oude
Hoofdkerk, die reeds mijlen in den omtrek het landschap domineert
en het oog boeit door kracht van lijn en kleur. Aan den voet haast
omspoeld door den breeden stroom en aan twee zijden begrensd door
Dordrechts teekenachtige havens, rijst de kerk schilderachtig boven
het gewirwar van daken en groen. "Een wijding van rust en kracht
uit een tijd, toen geen verschillen de godsdienstigen nog in tal
van groepjes scheidden, toen gansch een volk een kunstwerk stichtte
en de machtige gewelven met zijn lofzang vulde", aldus laat de heer
Mr. Overvoorde zich uit over dit bouwwerk.
Wij zetten thans den voet aan wal in de Merwedestad en willen in de
eerste plaats haar opkomst nagaan.
Dordrecht is in de oudste tijden waarschijnlijk opgekomen als een
buurt van visschers, jagers en veehoeders, die zich aan den deels door
de rivier bespoelden, deels door welige landouwen omringden dijk,
(de tegenwoordige Voor- of Hoofdstraat) hadden neergezet. Onder
de bescherming van het Slot-te-Merwede breidde die buurt zich van
jaar tot jaar uit; zij verkreeg beteekenis als een marktplaats,
doch werd door de Noormannen verwoest. Opnieuw opgebouwd werd de
nederzetting door Graaf Dirk III in het begin der 11e eeuw tot
een poort bevestigd. Sedert breidde Dordt zich spoedig uit als een
belangrijke handelsstad. Wel negenmaal moest de stad in vroeger eeuwen
vergroot en uitgelegd worden.
Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van de kaart van ons land
zal men spoedig tot het besluit komen, dat Dordrecht door zijn
ligging aan de hoofdmonding van den Rijn, den arm, die gedurende
de geheele geschiedenis het best bevaarbaar is gebleven, en door
zijn betrekking met het Zuid-Hollandsch delta-land, zelfs nabij den
waterarm van dat eilandengebied, die door de natuur nog het best als
een toegang uit zee voor groote schepen werd bewaard (Goereesche gat,
Haringvliet, Hollandsch-Diep, Dordtsche Kil), door de geographische
gesteldheid eigenlijk aangewezen was tot de hoofdhandelplaats van
Nederland aan den Rijn op Duitschland, tot de transito-haven van
Nederland bij uitnemendheid voor het achterland van het Maas- en
Rijngebied. Wanneer wij de geschiedenis van Dordrecht overzien, blijkt
ook, dat de stad eeuwen lang de handelsheerscheres is geweest in dit
gebied, een rang, haar in de eerste plaats door haar geographische
ligging toegedeeld. Doch daarenboven begunstigden de Hollandsche
graven de stad met de privilegiën van stapelrecht en tol, waardoor
iedere Rijnschipper gedwongen werd, zijn waren in Dordrecht te koop
aan te bieden, een voorrecht, dat medewerkte, om haar te maken tot
een rijke plaats, tot de "koningin van den Rijnmond", tot een stad,
die zich van haar waarde bewust was. Dordrecht gedroeg zich reeds
in 1444, zooals koningin Isabella, de echtgenoote van Philips den
Goede, zeide, "als ware zij zelve Heer in Zuid-Holland", en bewerkte,
dat 40 dorpen en zelfs de stad Geertruidenberg werden gedwongen,
daar hun turf en koren ter markt te brengen en hun bier te koopen. In
Dordrecht vloeiden de voordeelen van den Rijn- en den Maashandel samen,
zooals later die van den handel op Indië in Amsterdam, en de bewoners
der stad gaarden schatten op. De nakomelingen dier echte Dordtenaren
worden nog altijd beschouwd als een rijke bevolking; Dordrecht geldt
voor een stad van patriciërs. Bij een wandeling door Dordt zijn de
sporen van den rijkdom, die er toenmaals zetelde en zich uitte in
kunstzin, nog te ontdekken in talrijke bouwgewrochten.
Dordrecht kon in vele opzichten als het evenbeeld van Amsterdam in
het zuiden beschouwd worden, ja, het was Amsterdam zelfs vóór: zijn
geslachtsboom klimt tot hooger oudheid. Dat gevoelden de Dordtenaren
steeds; zij stelden zich altijd hoog boven de Rotterdammers. De
dichters der 17e eeuw noemden de handelsstad aan de Merwede vleiend "de
kroon", "de koningin der steden", "de roem van Holland". Niet minder
dan de handel en scheepvaart werden ook kunsten en wetenschappen er
aangekweekt. Ten tijde van Cats en de Witt bezat Dordt een bloeienden
dichter- en schilderskring en een beroemde Illustre school, terwijl
zijn invloed op de hooge staatsaangelegenheden, als eerste stemhebbende
stad der provincie, zeer groot was.
De aristocratie van het oude Dordrecht blijkt uit de bevordering,
welke kunsten en wetenschappen daar vonden. Aanzienlijke Dordtenaren
stelden er een eer in, als Maecenassen der kunst op te treden. Wij
wijzen op de Blijenburgers, van Beverens, Beelaertsen en Pompes
uit vroeger tijd. Onder hun begunstiging werkten de eerste meesters
der schilderkunst, en de salons in de stad hunner inwoning werden
met kostbare doeken voorzien. Ook de welvarende burgerij moedigde
deze kunst aan door het koopen van kabinetstukjes, waarmede zij de
wanden harer pronksaletten versierde, en in de woningen der geringe
poorters mochten evenmin schilderijen ontbreken. Zelfs op de hoeven
van welvarende boeren vond men niet zelden een "Cuypie".
Zoo was het in de 17e eeuw. Na de kwijning der kunst in het midden
der 18e eeuw brak te Dordrecht in de daaropvolgende het eerst een
nieuw tijdperk der kunstgeschiedenis voor Nederland aan en werd de
Merwedestad weer "een paradijs der const". De oude liefde herleefde;
de aristocratie en de rijke kooplieden legden weder kabinetten aan; de
neringdoende burgers wenschten weder schilderijen te bezitten. Evenals
voorheen stelden de aanzienlijken, ook de vrouwen van rang, er roem
in, den eernaam van voorstanders en voorstandsters der schoone kunsten
te dragen.
Verder was Dordrecht in de 17e eeuw beroemd door de taalkennis zijner
burgers. Men kon in dien tijd noch in den staat, noch in de kerk
eenig ambt bekleeden, of men moest de oude talen meester zijn. Het
was zelfs geen zeldzaamheid, jonge vrouwen aan te treffen, die Latijn,
Grieksch en Hebreeuwsch verstonden en in die talen schreven en verzen
maakten. Dordrecht nu stond in de beoefening der oude talen in de
Nederlanden bovenaan; geen stad, waar bij den aanvang der 17e eeuw
voortreffelijker Latijnsche dichters en uitstekender beoefenaars van
de oude talen gevonden werden dan in Dordrecht, en de roem dezer stad
wegens haar geleerden verbreidde zich over geheel Europa. De beroemdste
mannen der wetenschap uit Frankrijk, Duitschland, Engeland en Italië
reisden naar Dordrecht, om daar de kenners der klassieken te begroeten;
de Dordtsche Illustre school hield men voor de uitnemendste van alle,
waar Latijnsche dichters gevormd werden.
Ook die klassieke geest begon na een tijd van verzwakking in Dordrecht
te herleven met den aanvang der negentiende eeuw.
Dordrecht en Amsterdam vormden aldus niet alleen rijke koopsteden,
maar waren in hun bloeitijd tevens de kweekplaatsen van kunst en
wetenschap. De vergelijking van beide steden gaat nog verder: evenals
Amsterdamsche letterkundigen zich in de 17e eeuw op het Muiderslot
vereenigden, kwamen bij Dordrecht de uitstekendste geesten van den
lande samen op het kasteel Develstein [13], een half uur ten westen van
Zwijndrecht aan den Devel, waar de Dordtsche Beverens de kunstminnende
en ontwikkelde gastheeren waren.
Was Dordrecht aan den eenen kant aristocratisch aangelegd, daarnaast
bleven ook nergens oude zeden en gebruiken zoo lang in stand als
hier. De ligging op een eiland kan daarvan niet uitsluitend de oorzaak
geweest zijn, omdat men in de druk bezochte stad geenszins geïsoleerd
stond; het verschijnsel is eerder te verklaren uit den zelfstandigen
volksgeest, zoowel geestelijk als economisch. Gedurende het eerste
gedeelte der 19e eeuw was hier de wijze van leven bij de aanzienlijken
nog als in de eerste helft der 17e eeuw, zegt Dr. Schotel van de
stad zijner geboorte. Nog gingen de eerzame burgers in dien tijd des
zomers tusschen thee- en koffie- of na koffietijd naar hun tuintjes en
werkhuisjes aan de singels, of zaten in de schemering, de vrouwen in
hare peliezen met de breikous in de hand, de mannen in de poederjas of
japon met den gouwenaar in den mond, op de banken hunner stoepen. De
Latijnsche scholen waren nog ingericht als in den tijd, toen Jan en
Cornelis de Witt er ter schole gingen. Op Kerstmis at men korseweggen,
op Paschen bont-gekleurde paascheieren, die ook aan den meester
werden vereerd; op Hemelvaartsdag sloeg men den dauw; op Pinksteren
gingen de pinksterbloemen rond; men vierde pinksterdrie op het veld
van Mars en den eersten Mei danste men om den Meiboom. De volkstaal
was nog dezelfde gebleven; de burgers spraken nog in het oude dialekt
of liever plat Dordtsch. Nog zei men "jochie", "koeksie", "meissie",
"mannechie", "ien stiene hoisie", "een blaachie roiie koil", "voile
geuten", enz. Zoo was men er gehecht gebleven aan het volkseigene,
dat zich hier had ontwikkeld.
Hoe lang Dordrecht ook uitblonk boven Rotterdam in wetenschap, kunstzin
en rijkdom, in hoogen naam der oude familiën, toch is het in de 19e
eeuw op handelsgebied niet de eerste gebleven. De Merwedestad heeft
zich door de Maasstad de kroon laten ontnemen. Dordrecht was rijk
geworden door de stapelrechten, maar in den tijd, dat de vrijhandel
in de Nederlanden zijn gunstigste resultaten gaf, klemde Dordrecht
zich te angstvallig vast aan de verkregen middeleeuwsche rechten,
die gedurende de 17e en 18e eeuw meer en meer in verval kwamen. Tot
1795 heeft Dordrecht zijn stapelrechten in naam behouden; de wind
der Fransche revolutie evenwel deed ook de laatste overblijfselen
van dit feodale recht verstuiven.
Bij dien strijd om het behoud van het stapelrecht was de stad niet
medegegaan met de economische eischen des tijds; de bakens waren niet
verzet, toen het getij verliep. Andere steden kwamen op en wisten
het aandeel in den wereldhandel te verwerven, waarop Dordrecht
door zijn ligging aanspraak kon gemaakt hebben. Dordrecht had de
meerdere kunnen blijven; het was ook in de 19e eeuw aangewezen door
zijn prachtige riviersituatie, om de eerste havenstad van Holland te
zijn. Het beschikte tevens over groote financieele kracht. Maar het
beleid, om die te gebruiken, heeft Dordrecht ontbroken; het liet zich
alles door Rotterdam ontnemen, tot zelfs in den laatsten tijd zijn
marktverkeer met het omringend eilandengebied. Het heeft zich bijna
zonder protest laten afsluiten door een spoorwegbrug en daarmede een
dam laten stellen in zijn vrij verkeer met de zee. En al is het nog
een welvarende plaats, toch is de stad van 18000 zielen in 1796 tot
niet meer dan 39000 aangegroeid, terwijl Rotterdam bij minder gunstige
ligging veel sterker toenam (zie II pag. 75).
Dordrecht is ontstaan op een hoek van de Groote Zuid-Hollandsche Waard,
op het land, ingesloten door de Maas, die toen nog haar ouden loop
had vóór het ontstaan van den Bieschbosch in 1421, en de Merwede,
terwijl de Dubbel dit land nog doorsneed en de Tiesselens waard in
het westen afscheidde.
Door de overstrooming van 1421 zijn de geographische gesteldheid
en de omstreken der stad geheel veranderd en werd Dordrecht een
eiland. Aan den noord- en noordwestkant stroomde de diepe rivier;
aan den zuidoostkant lagen ondiepe plassen, waaruit op korten afstand
ten zuidoosten van de stad een laag, vlak eilandje oprees, dat weldra
met riet begroeide, terwijl enkele gedeelten van den verwoesten
zuidelijken Merwededijk en de muren van het oude Huis-te-Merwede
treurig en verlaten boven de uitgebreide watervlakte uitstaken. Zoo
vertoont zich de gesteldheid des lands nog op een kaart, door Pieter
Sluiter in 1560 geteekend.
Langzamerhand veranderde de toestand weder in de omstreken van
Dordrecht. De rietgors ten zuidoosten van de stad werd in 1589 weder
met een zomerkade bedijkt en in 1620 door een volledige bedijking
omringd. Hier verrees sedert het dorp Dubbeldam, vriendelijk langs
den weg gelegen te midden van bouw- en graslanden. In 1630 werd hier
weder een kerk gebouwd. Na dien tijd breidde de aanwas zich uit en
in de eerstvolgende veertig jaren werden talrijke polders bedijkt.
Het Eiland van Dordrecht is aldus langzamerhand aangewassen tot zijn
tegenwoordige gedaante en talrijke dijken, de grenzen der afzonderlijke
polders, welke vroeger het buitenwater keerden, doch die thans midden
in het land liggen en met hun groene ruggen of boombeplantingen het
land in schilderachtige lijnen doorsnijden, verleenen het eiland een
eigenaardig cachet.
De bodem is vruchtbaar door de zware kleilagen en wordt grootendeels
voor bouwland, ten deele voor grasland gebruikt. De iepeboomen langs
wegen en dijken geven het land een boomrijk karakter, terwijl overal
langs de scheidingsslooten der landen de knotwilgen en populieren
verrijzen; aan de rivierkanten spitsen de scheepsmasten over de dijken
heen. Ook om de groote boerenwoningen, welke meestal geïsoleerd staan
te midden van het land, vindt men doorgaans kleine boomgroepen. Dit
alles schenkt aan het landschap een vriendelijke afwisseling, niet
geteekend door scherpe contrasten, maar echt Hollandsch, rijk aan
frissche kleuren en schilderachtige effecten, die onder den eenigen
Hollandschen hemel zoo teekenachtig uitkomen. Daardoor is het eiland
een lievelingsplek geworden voor schilders, die uit alle oorden van
Europa en Noord-Amerika hier eenigen tijd vertoeven, om het landschap
te bestudeeren, dat het penseel van zoovele groote kunstenaars heeft
bezield.
Dordrecht heeft in zijn naasten omtrek een vriendelijke omgeving. Aan
den eenen kant stroomt de grootsche rivier in een boog om de stad,
met de schoonste vergezichten op het levendige water en op de dorpen
aan den overkant, en aan de landzijde wordt Dordrecht omringd door een
krans van villa's met geboomte en tuinen. Ten Z.O. van de stad ligt
het park Merwestein met hoog en laag geboomte, met een hertenkamp,
enz. Vroeger was dit een buitenplaats, die door de gemeente werd
aangekocht. Daarnaast ligt het Oranjepark, een villapark.
De intrede der stad van het station langs moderne gebouwen en villa's
geeft nog niet het echte stadskarakter te zien, dat Dordrecht beroemd
heeft gemaakt. Daarvoor moet men zijn in het oude Dordrecht, met zijn
schilderachtige grachten en zijn talrijke mooie gevels.
Eenig waren de echte oud-Hollandsche steden met een bouwstijl, die
de uitdrukking was van een opgewekten geest, een gezonden humor. Wie
gevoelt in onzen tijd niet den weldadigen indruk dier schilderachtige
geveltjes, sommige met den eenvoud tot eenig sieraad, andere in volle
gratie van kleur, lijn en plastiek? Daarbij is het merkwaardig, dat
het niet alleen enkele openbare gebouwen zijn, die als monumenten
van oude architectuur het karakter der oud-Hollandsche stad bepalen.
Dordrecht was in de bouwkunde de meeste Hollandsche steden nog
vooruit. Hier zag men vóór 1500, toen er nog bijna uitsluitend houten
gevels voor de particuliere gebouwen in de steden werden aangetroffen,
ook in Amsterdam, reeds verschillende particuliere steenen gevels
aan beide zijden van de Oude Haven. De oude particuliere gebouwen
van vóór 1500 zijn echter alle verdwenen.
Van de latere bouwprodukten vindt men in Dordrecht nog overblijfselen
uit verschillende tijdperken.
Uit den laat-Gothischen tijd heeft men te Dordrecht twee uitstekend
bewaarde steenen trapgevels, Groenmarkt 43 en Wijnstraat 59. Uit den
overgang tusschen Gothiek en Renaissance dateeren de fraaie gevels
van de huizen "de Sleutel" aan de Groenmarkt en "de Rozijnkorf" aan
de Voorstraat, (zie de fig. pag. 148) die reeds de hoofdlijnen van
het Dordtsche type vertoonen.
Uit het begin der Renaissance stammen grootendeels de gevels met
houtconstructie, waarbij de steen slechts als vulling dient en
de draagkracht gevormd wordt door het houten geraamte van stijl-
en regelwerk, waarbij de constructie tevens de omtreklijnen van de
vensters vormt. Hiervan vindt men nog voorbeelden aan den achterkant
van de haven, tusschen het Schefferplein en de Leuvebrug.
De Renaissance-gevels zijn in Dordt, evenals in de meeste steden
van Holland, eenvoudig, doch sierlijk. De rijke pracht der
Italiaansche Renaissance, in Vlaanderen veel nagevolgd, zoekt men
hier tevergeefs. Slechts vindt men een herinnering hieraan bij de
koorbanken der Groote kerk (1538-1542) en het Muntpoortje (1555). Bij
de Renaissance-gevels is baksteen, afgewisseld met zandsteen, het
materiaal en de trapgevel overheerschend. Het aantal daarvan is in
Dordt aanzienlijk, en vele hebben een eigen karakter, dat als het
Dordtsche type kan worden aangeduid [14].
Het meest domineerende type is daarbij het burgerwoonhuis in den stijl,
die ook wel eens de Zuid-Hollandsche genoemd wordt, omdat Dordrecht
en Delft de middelpunten daarvan waren. Het sterkst typeerende
deel van die huizen zijn de gemetselde rondbogen, die eenigszins
vooruitspringen en in hun zware profileeringen nog terugwijzen naar
den tijd der Gothiek. De uiteinden der rondbogen rusten in den regel
op gebeeldhouwde kraagsteentjes van zandsteen in den vorm van koppen,
kapiteelen en pilastertjes, terwijl het halfronde veld, dat binnen
den boog besloten is, klaverbladvormig is ingeschulpt.
Ziedaar het algemeene type. Maar welk een verscheidenheid in de
details! Hier schilderachtige mozaïeken van zand- en baksteen: sterren,
kruisen, bloemen, vlammen; daar een rijke ornamentatie van koppen
en cartouches; ginds weder keurig bewerkte friezen, afwisselend
met een overstelpenden vormenrijkdom voor het varieeren van den
ontlastingsboog, die meestal de vierkante vensters overwelft. Dit
algemeene type van den trap- en tuitgevel wisselt af met den door
pilasterstellingen ingedeelden gevel en met den tuitgevel van een
later tijdperk.
Verleenen de in kleuren- en vormenrijkdom als met elkander wedijverende
gebouwtjes reeds op zichzelf een schilderachtig karakter aan de oude
stad, nog bekoorlijker is hun verschijning, waar zij, langs de havens
geschaard en als het ware daaruit oprijzend, hun teekenachtige lijnen
en vroolijke kleuren in het water doen weerkaatsen.
Merkwaardig is in dit opzicht de Voorstraathaven, die de stad van
oost naar west in boogvorm doorsnijdt. Overal, op elke brug, uit
ieder slop, van alle steigers, levert de haven den meest imposanten
aanblik. Ieder detail van die eigenaardige geveltjes, een balkonnetje,
een balustrade, een uitbouwtje, een vooruitstekende goot, krijgt
waarde voor de schilderachtigheid van het geheel; elk bosje gras, dat
tusschen de steenen woekert, ieder boompje, dat uit een achterplaatsje
het hoofd naar de haven vooruitsteekt, zet nieuwe bekoring aan het
stadsgezicht bij. Aldus beschrijft een kunstkenner dit stadsbeeld
(Zie de plaat pag. 153).
Uit den aard der zaak zijn vele der mooie geveltjes in Dordt,
evenals elders, verdwenen. Vooral in de winkelhuizen zijn zij in
de ondergedeelten verbouwd. Niet zelden kan men onder een fraaien
trapgevel moderne winkelramen in het benedengedeelte vinden. Een
vereeniging tot behoud van de oude gebouwen is sedert enkele jaren
in Dordrecht werkzaam, om zooveel mogelijk het karakteristieke en
fraaie der oude stad te bewaren.
Bovenal in de Voorstraat, aan den kant van het Groothoofd, vindt
men nog vele antieke gevels tusschen de moderne huizen; verder ziet
men ze in de Groote Kerksbuurt, aan de Groenmarkt, in de Wijnstraat,
Steegoversloot, de Nieuwstraat, enz.
Dordrecht herinnert nog aan onderscheidene belangrijke gebeurtenissen
uit de historie dezer landen, al zijn de gebouwen, waaraan die
herinneringen verbonden zijn, niet alle met evenveel zorg bewaard
gebleven. Dit is onder andere het geval met het gebouw, waar in
1618-19 de bekende "Synode" bijeenkwam, en naast veroordeeling van
de leer der Remonstranten, die der Nederlandsche Hervormde kerk
werd vastgesteld, een bijeenkomst, zoo veelbeteekenend voor onze
geschiedenis. Door deze Synode is Dordt in den volksmond tegenover
Rome geplaatst. Doch wie het gebouw wenscht te zien, waarin zulke
belangrijke besluiten werden genomen, gelijk met buitenlanders zoowel
als Nederlanders dikwijls het geval is, zoekt het tevergeefs. Op de
plek, waar het stond, verrijst thans de cellulaire gevangenis. De
Synode werd gehouden in den Kloveniers Doelen, in 1530 gesticht;
de maaltijd, waarmede deze plechtigheid eindigde, had plaats in de
historische herberg "de Pauw"; het was een feestelijk samenzijn,
waar de zorgen en zwarigheden onder muziek en Rijnschen wijn werden
afgespoeld, zooals de Arminianen schreven. Dit is in elk geval waar,
dat de maaltijd, waaraan 130 personen deelnamen, den Staat 1219 ponden
en 18 schellingen van 40 groot kostte.
Na de afschaffing van de gilden werd de Kloveniers Doelen aan
vendumeesters en herbergiers verhuurd; de Synodezaal, ironie der
historie! diende vele jaren tot danszaal, tot groote ergernis van
velen. Alleen de fraaie, gebeeldhouwde schoorsteen wordt in het
gemeentelijk Museum nog bewaard. Ook de groote lindeboom vóór het
gebouw, waaronder na de Hervorming eerste gedoopt werd, is verdwenen.
Voorheen werd de Munt van Holland te Dordrecht gevonden; men meent,
dat het muntrecht reeds in 1064 aan Dordrecht werd gegeven; zeker
is het echter dat Jan van Beieren in 1418 de Munt van Holland
uitsluitend te Dordrecht heeft gevestigd. Het Muntgebouw stond aan
de Voorstraat. Van de vele vertrekken, waaruit het bestond, moet de
rekenkamer hebben uitgemunt. Na de verlegging der Munt naar Utrecht,
onder Koning Lodewijk, diende het gebouw voor belastingkantoor. Het
mooie poortje van de Munt aan de Voorstraat (zie pag. 156) is uit de
vroeg-Renaissance-periode (1555); 't is het eenige, wat van het oude
gebouw is overgebleven. Nog vindt men andere artistieke poortjes in
deze stad. Van het Poortje van het Arent Maartenshofje gaven wij een
afbeelding op pag. 155.
Van de oude poorten is de Groothoofdspoort of Merwedepoort aan de
Merwedekade nog overgebleven, een merkwaardig gebouw der Renaissance,
dat in zijn tegenwoordige gedaante dagteekent van 1618, toen het
vernieuwd werd. Deze poort wordt algemeen gerekend tot de werken van
Th. de Keyser, aan wien ook het Muntpoortje wordt toegeschreven. De
Groothoofdspoort behoort aan de stadszijde tot het pilastertype met
barokke versiering; de waterzijde is geheel decoratief ontworpen met
groot medaillon en zwaar omlijste, groote vensterkozijnen. De koepel
en de rocaille-voorpoort zijn latere toevoegsels. Boven den ingang
aan de rivierzijde is deze poort met fraai beeldhouwwerk in zandsteen
versierd. Het stelt voor de Dordtsche maagd, in een tuin gezeten,
omringd door de wapenen harer banierdragers, d. i. der steden en
dorpen, die met haar optrokken ter bedevaart. Het opschrift luidt:
"Floreas nobilis urbs
Semper te bona pax amet
Et semper amantibus
Cedant omnia recte
Pax civium et concordia
Tutissime urbem munient".
d.i.
Moogt gij bloeien, edele stad,
Moge een heilzame vrede steeds uw deel zijn,
En moge het den voorstanders daarvan in alles goed gaan:
Dan zullen vrede en eendracht der burgers het sterkste bolwerk
zijn der stad.
Ook aan de landzijde vindt men prachtig beeldhouwwerk aan deze
poort, benevens de wapens der burgemeesters, onder wie deze poort
werd gesticht.
De poortdoorgang, met zijn ingewikkelden gewelfbouw, is nog een
overblijfsel der oudere poort; de koepel en de door een boog verbonden
pilasters aan de rivierzijde, zijn in de 18e eeuw aangebracht.
In de poort is sedert 1894 een Museum gevestigd van oudheden,
betrekking hebbende op de geschiedenis van Dordrecht, alsmede van
penningen.
Buiten de Groothoofdspoort opent zich een prachtig panorama van de
Merwedekade op de rivieren. Van rechts stroomt de statige, breede
Merwede op de stad aan, ingesloten door haar groene boorden, aan de
noordzijde begrensd door een reeks van aaneensluitende dorpen langs
den dijk en verlevendigd door tal van Rijnschepen en stoombooten;
vóór ons buigt de Noord zich van den hoofdstroom af, van verre zich
tijdelijk splitsend om den groenen Sophia-polder, en links stroomt
de Merwede als Oude Maas verder, met zachte bocht zich ten zuiden
langs de Zwijndrechtsche Waard buigend.
Zwijndrecht zien wij aan de linkerhand, een eenvoudig dorp, over de
rivier gelegen, met onderscheidene fabrieken; achter de huizenreeks
strekt zich een uitgebreid gewest van tuinbouw uit. Valt het te
verwonderen, dat deze kade de gezochte wandelplaats van het oude
Dordt is?
Doch thans richten wij onze schreden weder stadswaarts.
Wij moeten nu in de eerste plaats, als op onzen weg liggend, de
aandacht vestigen op het Museum. Al mogen wij daarbij wegens den aard
van ons plan niet verwijlen, toch wijzen wij er op, dat Dordrecht
een kleine, maar zeer merkwaardige en zich voortdurend uitbreidende
collectie schilderijen bezit uit den bloeitijd der Nederlandsche
schilderkunst, alsmede van moderne meesters. Dordrechts Museum is
bovenal door aanzienlijke schenkingen tot stand gekomen. De vereeniging
"Dordrechts Museum" werd opgericht in 1842; aanvankelijk was de
Scheffer-afdeeling, bestaande uit stukken van Ary Scheffer en copieën
naar de werken van genoemden kunstenaar, die in 1795 te Dordrecht
geboren was, de hoofdzaak. Dordrecht heeft voor dien burger in 1862
een standbeeld opgericht op het Schefferplein. Door een legaat van f
100,000, haar geschonken door den Dordtschen maecenas L. Dupper, heeft
de verzameling een groote uitbreiding verkregen. Van de beeldhouwwerken
noemen wij de buste van Johan de Witt door Artus Quellinus.
Een eigenaardig museum in deze stad is het Zuid-Afrikaansche
Museum, bijeengebracht door den heer Hidde Nijland, waarin een
rijke verzameling van merkwaardigheden betreffende land en volk uit
Zuid-Afrika en herinneringen aan den Boerenstrijd, de huldebewijzen,
President Kruger aangeboden, enz. gevonden worden.
Thans wenden wij ons naar de Lieve-Vrouwe of Groote Kerk, die wij reeds
van verre bij onze aankomst zagen, een hoogst merkwaardig bouwkundig
monument. Gelijk met vele Katholieke kerken het geval is, werd ook de
bouw van deze met een sluier van legenden omhuld. De kerk zou gesticht
zijn door een vrome maagd, die rijk aan geloof, maar arm aan aardsche
goederen was, want zij bezat slechts drie penningen. Doch de vurige
begeerte, om der Moedermaagd een kerk te stichten, die een monument
kon worden, dat op zichzelf reeds een gebed zou zijn tot den Hoogen,
deed haar in gebeden verzinken. En op wonderdadige wijze werd zij
geholpen bij haar vroom doel: de drie penningen waren ternauwernood
uitgegeven, of drie andere kwamen in haar bezit en zoo ging dat voort,
tot met de stichting der kerk kon worden aangevangen.
Wij laten deze legende voor hetgeen zij is. Doch dit zal ieder
moeten toestemmen, dat de kerk te Dordrecht een der grootste en
voortreffelijkste bouwwerken met spitsbogenstijl in Nederland is. De
aanvang van den bouw moet hebben plaatsgegrepen in 1080 of 1090 onder
de regeering van Graaf Dirk V. Uit historische berichten blijkt, wat
elk bouwkundige bij nauwkeurige beschouwing gemakkelijk kan opmerken
aan het inwendige, dat het koor met zijn omgang van later dagteekent,
hoewel de verschillen zeer gering zijn. Want door de geheele kerk heen
heerscht over 't geheel dezelfde stijl, verdeeling en profileering,
zoodat men mag aannemen, dat bij de voltooiing van het geheel het
oorspronkelijke plan is gevolgd. Terwijl het koor ongeveer een 75tal
jaren later gebouwd is dan het schip, werd het zoogenaamde Vrouwenkoor
aan de noordzijde waarschijnlijk in de tweede helft der 13e eeuw
er bijgevoegd.
Met zekerheid weet men niet, wanneer de toren gebouwd is; de heer
Itz kwam op verschillende gronden tot het besluit, dat ook de toren
omstreeks 1080 of 1090 zou verrezen zijn, zoodat kerk en toren van
Dordrecht tot de oudste van ons land behooren. [15]
Zoodra men de kerk binnentreedt, komt men onder den indruk van het
genre des bouwmeesters, doch onaangenaam treft ons de kilheid van
toon en de smakelooze, geel gekleurde schutten aan de zijden der
transepten en bij het orgel, die de stemming van wijding bederven. Ook
de afschuwelijke loges, waarvan die boven het graf van De Witt nog
slechts van 1850 dagteekent, getuigen van veel wansmaak en overtreffen
hierin nog de zoogenaamd in stijl uitgevoerde gaskronen, die in 1865
de sierlijke oude bolkronen uit de jaren 1604-1663 vervingen.
Kil en hard van toon is de witkalk der muren, die het kostbaar en
kleurrijk bouwmateriaal overdekt. In 1590 is men met witten begonnen en
sedert voortgegaan. En waar het witsel is weggenomen ter herstelling,
blijkt een laagje cement te zijn aangebracht, waarop de voegen der
steenen zijn geschilderd.
De geschiedenis van het inwendige der kerk geeft stof tot ernstige
overwegingen.
Als men bedenkt, hoe rijk begiftigd de O. L. V. kerk is geweest na
de inwijding--in 1182 door Bisschop Baldewijn van Utrecht--hoeveel
rijker nog zij zich na den brand in 1457 heeft voorgedaan, toen de
vlammen de offers der vroomheid van bijna vier eeuwen verteerden en
van het trotsche gebouw enkel de naakte wanden overlieten--hoe haar
altaren hebben geschitterd van goud, zilver, juweelen, haar wanden
versierd waren met kostbare schilderijen en zij mild gezegend was
met voorrechten, overblijfselen van mirakelen; als men bedenkt, dat
haar kapellen, kort na de inneming der stad door de Watergeuzen,
van de altaren en de kostbare versierselen ontdaan, tot prachtige
begraafplaatsen werden ingericht--dat de wanden dezer kapellen toen
werden bedekt met wapenkassen en wapenschilden, de vloeren werden
gevormd door kunstig gebeeldhouwde zerken, waarin familiewapens
waren uitgehouwen, de ingangen afgesloten door steenen of houten,
met beeldwerk en opschriften beladen hekken; als men weet, dat van
deze prachtige monumenten en schitterende vaandels en blazoenen sedert
1795 niet veel is overgebleven, ja, de geslachten, eenmaal zoo trotsch
en fier op die gewelven, meest alle zijn uitgestorven, door andere
opgevolgd, of hun nakomelingen na 1829 elders zijn ter ruste gelegd,
dan komt het somber gevoel van den indruk der vergankelijkheid over
ons. Doch wij geven daaraan niet toe: de hooge spitsen der gewelven
wijzen naar boven, niet naar de bedruktheid der aarde.
Daar staan wij voor het prachtige koorhek met de marmeren hoofdpijlers
en borstwering en de bekende vormen der barokperiode, uit een legaat
van Philippe Diodati, in 1681 te Dordrecht geboren. Geen gedeelte
der kerk is zoo belangrijk als dit koor, wegens de historische
herinneringen hieraan verbonden.
Daar zien wij nog de zitplaatsen der voormalige geestelijken, keurig
beeldhouwwerk, dat wel veel geleden heeft, maar toch nog te beschouwen
is als het schoonste, wat Nederland uit het tijdperk der Italiaansche
vroeg-Renaissance bezit. Zij zijn in 1538 en '39 vervaardigd; het
kunstig snijwerk is afkomstig van den beroemden beeldsnijder Jan
Terwen. De banken aan de noordzijde vertoonen het wereldlijk gezag,
die aan de zuidzijde de zegepralende kerk.
Van de tot grafplaatsen veranderde kapellen gaan wij o. a. langs het
sierlijke hek der Meerdervoortskapel, in 1648 vervaardigd door H. de
Vos, langs de St. Apollonia-kapel, insgelijks met een prachtig hek
van de Vos afgesloten.
De wit marmeren preekstoel bezit uitmuntende bas-reliefs, alsmede
marmeren trap en leuning. Hij is niet, zooals wel wordt beweerd, uit
één stuk marmer vervaardigd, maar de verschillende stukken zijn zoo
zuiver aan elkander gezet, dat men met moeite de voegen kan ontdekken.
Op de drie groote paneelen zijn tafereelen voorgesteld uit het leven
van Christus, en wel: Jezus, door Johannes gedoopt; Jezus in den
tempel te Jeruzalem, en de bergrede; op de vier afgesneden hoeken
zijn voorgesteld: geloof, hoop en liefde en standvastigheid.
Wie de kerk bezoekt, ziet gewoonlijk ook het kostbare gouden vaatwerk
voor den doop en het avondmaal, kunstig drijfwerk, door legaten
verkregen in 1738.