Jason à Pratis noemde in de 16e eeuw de Zeeuwen

Een volk, aan God gehecht, eenvoudig, goed van zeden

En rijk aan mannen, waar de wetenschap op boogt.

Een sterke gehechtheid aan vrienden, niet na de eerste kennismaking,

maar als eens de band gelegd werd en men weet op elkander te kunnen

vertrouwen, is een kenmerk der Zeeuwen. Na jaren scheidens blijven

de Zeeuwen nog aan hun oude vrienden gehecht: dat is het oordeel

van vele ambtenaren van elders, die zich in Zeeland wisten in te

burgeren. Dezen zelfden karaktertrek vindt men bij de Friezen: hij

wijst op een verwantschap tusschen beide volken.

Reeds hebben wij met een enkel woord er op gewezen, dat de bewoners van

het delta-gebied hoofdzakelijk tot het ras der Friezen behooren. In

hun taal en eigenaardigheden vindt men nog veel, dat op Friesche

verwantschap wijst; de kleeding der vrouwen, en tot voor kort

ook die der mannen, draagt nog een Friesch karakter. De sierlijke

hoofdbedeksels der vrouwen zijn een nuanceering van de Friesche, het

oorijzer is er zelfstandig opgevat en ontwikkeld; ook de oude kleeding

der stam-Friezen en der echte Zeeuwen stemt met elkander overeen.

Dat overheerschend Friesche karakter vindt men in het delta-gebied van

den noordelijken Maasoever tot de grens van Vlaanderen. In Vlaardingen

en Maassluis droegen tot in het midden der 19e eeuw de vrouwen, ook uit

den deftigen stand, nog mutsen met lange, over de schouders hangende

strooken, evenals in het Over-Maasche gebied, en oorijzers met krullen

of boeken. En van hier blijft het oorijzer of zijn teekens in krullen,

platen of boeken langs de wangen bestaan tot aan de Nederlandsche

grens in Vlaanderen, zij het ook overal in gewijzigden vorm.

In het algemeen gesproken zijn bij de mutsen der vrouwen, die het

meest een volkseigen karakter in de kleeding bewaard hebben, tot

aan de Wester-Schelde drie typen te onderscheiden. Op de eilanden

ten Z. van de Maas tot op Schouwen en Tolen en nog op Noord-Beveland

zijn, met geringe variaties, de mutsen van lange, over de schouders

hangende strooken van kant voorzien, dikwijls keuvels geheeten,

terwijl grootere of kleinere kurketrekkervormige gouden spiralen

aan beide kanten van het hoofd onder de mutsen uitsteken, krullen

genoemd. Zuid-Beveland heeft een eigen dracht, welke wij bij dit

eiland zullen beschrijven, en ook Walcheren heeft een eigen type van

vrouwenmutsen. Zeeuwsch-Vlaanderen heeft in onderscheidene deelen

een eigen kleederdracht.

Gelijkt de Zeeuw op den echten stam-Fries in karakter, toch valt

niet te ontkennen, dat zich in de bewoners der delta-eilanden

andere elementen hebben opgelost, vooral in den oudsten tijd. Wie

de Zuid-Bevelandsche bevolking beschouwt, vooral de vrouwen, omdat

bij dezen het teekenachtige uitkomt, de fijn besneden gezichten, de

donkere haren en de vroolijke, levendige geest, zal reeds spoedig tot

de overtuiging komen, dat hij hier geen echt Friesch ras voor zich

heeft, maar dat zich een kern van andere elementen aan het Friesche

heeft aangepast, waarschijnlijk met Friezen heeft vermengd. Niet

te verwerpen is de veronderstelling, dat op deze oude eilanden en

ook op Walcheren een groep der vóór-Germaansche bevolking, misschien

wel van Kelten, is samengedrongen, opgeduwd door de later aankomende

Germanen, en hier in den uithoek, vanwaar zij niet verder kon, heeft

standgehouden en zich later met de Germanen, voornamelijk met de

Friezen, heeft vermengd. Daar zouden wij dus kennelijk met eenige

Keltische overblijfselen te doen hebben, welke nog voortbloeien in

het Zuid-Bevelandsche ras, hoe ook gewijzigd door de geschiedenis en

de latere vermenging.

Ook is het zeker, dat zich van denzelfden kant van de Frankische

provincie uit eenige elementen met het Zeeuwsche ras hebben

vermengd. Groot zal die invloed evenwel niet geweest zijn. De Franken

hielden het te veel met "den heikant", om naar de Zeeuwsche en

Zuid-Hollandsche eilanden te verhuizen. Ook van andere hooge gronden

trok men niet bij voorkeur op het delta-land aan, geïsoleerd als het

lag, en tevens een broeinest der gevreesde Zeeuwsche koortsen.

In vroeger eeuwen was die afzondering der delta-eilanden grooter

dan thans. Zelfs toen omstreeks 1850 de Duitscher J. G. Kohl in de

Nederlanden reisde, zeide hij nog, "dass der Inselarchipel von Seeland

zu den am seltensten besuchten und am wenigsten gekannten Strichen der

Niederlände und man kann hinzusetzen Europa's gehört". Gedeeltelijk

moge dit waar zijn, erg overdreven is het, als hij vervolgt: "Es

rangirt dieser Inselarchipel in dieser Beziehung mit den Western

Islands an der schottischen Küste, mit dem Nordende von Jütland". Waar

is het echter, dat men ook uit de overige provinciën tot voor korten

tijd deze eilanden weinig bezocht en er zich liever niet vestigde.

Daardoor hebben de Zeeuwen en de eilanders zich over het algemeen

vrij onvermengd gehouden, nadat in den vroegsten tijd de bewoning

van de oudste kernen der eilanden tot stand was gekomen en daar de

vermenging der eerst naast elkander gevestigde volkplanters had

plaatsgegrepen. Van de oude kernen breidden de bewoners zich uit

over de jonger gevormde eilanden. Zooals de bewoners der zandgronden

bij de toeneming der bevolking in de woeste heiden door ontginningen

het bewoonde gebied uitbreidden, deden de delta-bewoners dit door de

bedijkingen, waardoor zij nieuwe polders wonnen, waar hun zonen en

dochteren zich vestigden.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 31 / 74 题