Van Gorkum verlaten wij de hoofdrivieren, om onzen tocht te vervolgen
langs den benedenloop der Linge, die het zuidoostelijk gedeelte
van Zuid-Holland, spelende tusschen hooge rivierdijken met breede
uiterwaarden, in bevallige kronkelingen doorsnijdt en dit gedeelte van
Holland een bekoorlijkheid geeft als nergens in deze provincie wordt
aangetroffen. De Vliet, de Rijn, de Alblas, de Giesen, de Oude Waal en
de Linge, zij hebben alle hun eigenaardig natuurschoon, zelfstandig
en typisch, zoodat de kenner des lands, die geblinddoekt in een van
deze streken geplaatst wordt, onmiddellijk als hij de oogen openslaat
zal weten, in welk gedeelte hij zich bevindt, ook al is die plek op
zichzelf hem geheel vreemd. De typische vorm der wateren, de plaatsing
der dijken, de eigenaardige groepeering van den plantengroei, het
karakter van de nederzettingen en de aard der bevolking, de lucht,
die men inademt, de natuurkleuren, die ons boeien, en de geuren,
die ons vervullen, de vorm van het landbezit en het landgebruik, dit
alles werkt samen, om door elk zintuig indrukken te ontvangen, die ons
doen zien, gevoelen, ruiken als het ware, waar wij zijn in Nederland.
De Linge is in haar bovenloop een Geldersche rivier. Als wij de Linge
van Gorkum langs reizen, zullen wij al spoedig den overgang naar het
Geldersche, en wel in 't bijzonder het Betuwsche, opmerken. Eerst is
alles nog echt Hollandsch.
De hooge Lingedijk voert ons in de eerste plaats van Gorinchem naar
Arkel, een klein dorpje, op ongeveer 1/2 uur van Gorinchem tegen den
dijk gebouwd. Het dorpje Arkel, met zijn eenvoudig kerkje, trekt thans
geen bijzondere aandacht meer. Doch historisch belangrijk is deze plek,
omdat hier eens het stamhuis van het beroemde, aanzienlijke geslacht
van Arkel gevonden werd. In de nabijheid van de tegenwoordige kerk
verrees eenmaal de Arkelsburg, die in de 10e eeuw door Foppo of Poppo,
den zoon van Herman, stamheer van het geslacht van Arkel, gesticht of
vergroot was. Het moet een prachtige, "koninklijke" burcht geweest
zijn. Jan de Sterke [12], die in 1272 overleed en 32 jaren heer van
Arkel geweest is, deed echter dien burcht afbreken en in plaats daarvan
een keizerlijken burcht bouwen, even buiten Gorinchem aan de oostzijde
dier stad. Dit kasteel werd geroemd als een der eerste bouwwerken,
zoodat er in geheel Duitschland geen slot of kasteel zou geweest zijn,
dat met dit laatste gebouw viel te vergelijken. Het was een burcht
met zeven, schier onverwinnelijke torens en bevatte een buitengewoon
fraaie kapel, met vele kostbaarheden, waarin de godsdienstplichten
der vrome vrouwen werden verricht. Het middelste hof had vier
zware torens en werd, evenals het buitenhof, door een breede gracht
omringd. Het binnenhof was omringd door een hoogen, dikken ringmuur,
met onderscheidene torens bezet en van een groote voorpoort voorzien;
in het midden van dat binnenhof stond een fraaie en ruime kerk.
Die fiere, keizerlijke burcht, omringd door lusthoven en boomgaarden,
werd in 1412 door Graaf Willem IV in brand gestoken. Doch hij deed
een nieuw kasteel ten zuiden der stad verrijzen, hetwelk in 1461
door Karel den Stoute zoozeer verbeterd werd, dat het boven alle
Nederlandsche kasteelen uitmuntte. Ook dit kasteel bleef slechts zeer
korten tijd gespaard: in Juni 1573 moest het prijsgegeven worden aan
de Watergeuzen onder Marinus Brand, en reeds zes jaren later viel
het onder de handen des sloopers. De slooping duurde lang; nog in
1600 waren eenige overblijfselen er van te zien, maar sedert verdween
ook dat laatste gedeelte, zoodat van de oude kasteelen dier machtige
heeren niets over is dan een vage geschiedenis.
Verder onzen weg vervolgend langs de Linge komen wij te Arkelschendam,
in vroeger eeuwen Beerendam of Beerenswarande geheeten, doch in
den omtrek enkel "den Dam" genoemd. Het dorp bestaat enkel uit
zeer eenvoudige burgerwoningen, langs het Zederikkanaal gebouwd aan
den weg naar Hoog-Blokland. Het Merwedekanaal buigt zich thans ten
noorden van de plaats van het Zederikkanaal af, om verder westelijk
naar Gorkum te loopen. Op deze plek had in 1403 een verwoed gevecht
plaats tusschen de troepen van Jan van Arkel en Albrecht, Hertog van
Beieren. Van het nonnenklooster, in 1499 gebouwd, eerst Mariënhagen
en later Oudenhagen geheeten, is niets meer aanwezig; eenige huizen
ten oosten van het dorp dragen enkel nog den naam "het Klooster."
Van hier buigt de Lingedijk zich meer naar het oosten en wij volgen hem
over Kedichem, een eenvoudig, vriendelijk boerendorp, gebouwd binnen
langs den dijk, dat in 1000 door Fop van Arkel zou zijn gesticht,
en over Oosterwijk, eveneens een klein dorp, vriendelijk binnen den
dijk gelegen, naar Leerdam.
Hoe vertrouwelijk is thans de Linge met het landschap, dat zij
doorstroomt en als het ware schijnt te ontzien. Boven Kedichem buigt
zij zich zelfs van den hoogen dijk af, schijnbaar om die zijde te
ontwijken, doch bij het dorp nadert zij dezen kant weer met een lach
op het gelaat, als ware het een spelemeien van den minnaar met zijn
bruid. En toch, dit watertje, zoo onbeduidend en onschuldig thans,
dat, naar het ons voorkomt, die zware dijken als uiting van het
menschelijk wantrouwen pijnlijk moeten aandoen, is niet zoo vreedzaam,
als 't er uitziet. Hoog kan die rustige Linge hier haar wateren
doen opstuwen, de uiterwaarden overstroomend, en, van dijk tot dijk
rijzende, die zware borstweringen zelf bedreigen. Ziet gij daar die
meertjes beneden Kedichem achter den dijk? Dat zijn walen of gaten,
bij vroegere doorbraken van den Lingedijk gevormd. Den 21en Januari
1726 ontstond hier een zware doorbraak van de Linge, waardoor het dorp
geheel onderliep; den 3en Januari 1741 brak de dijk op bijna dezelfde
plaats weder door, en eveneens in 1809 en 1820. Ook Oosterwijk werd
in 1809 en 1820 zeer door doorbraken van den Lingedijk geteisterd.
Het oud-adellijke Huis te Oosterwijk, door grachten en boomgaarden
omgeven, dat in het midden der 19e eeuw nog bestond, is in 1854
gesloopt; alleen in de pastorie vindt men daarvan nog enkele
overblijfselen.
Langs de oude en nieuwe glasblazerij aan den Lingedijk komen wij
vervolgens in het stedeke Leerdam, gedeeltelijk aan den Lingedijk
gebouwd, die het met een straat doorsnijdt, gedeeltelijk daarnaast,
een plaatsje, dat ruim 5000 inwoners telt. Leerdam maakt bij
het betreden geheel den indruk van een oud stadje; de slechte
keienbestrating doet meer denken aan een plaatsje van het diluvium
dan van de kleistreken aan de Linge. Behalve de hoofdstraat, waar
men burgerlijke, nette huizen vindt, ziet men onderscheidene smalle
straten met arbeiderswoningen welke geen gunstigen indruk maken; in den
laatsten tijd worden er echter nieuwe arbeiderswijken bijgebouwd. Het
is in het plaatsje stil en rustig overdag en die indruk wordt nog
versterkt door de ooievaars, welke op enkele huizen ongestoord hun
nesten gebouwd hebben; als de arbeiders der fabrieken 's middags of
des avonds weder tehuiskomen, is 't er levendiger. De hoofdbronnen
van bestaan voor Leerdam zijn de landbouw en veeteelt der omstreken,
maar bovenal de fabrieksnijverheid. De witglasfabriek heeft ongeveer
1000 arbeiders, de flesschenfabriek 600 arbeiders. Een aanzienlijke
stoomhoutzagerij werkt met meer dan 100 werklieden; in houtvlotten
wordt over de Linge het hout aangevoerd.
Als wij de Kerkstraat doorwandelen, valt ons oog op een liefdadige
instelling, een hofje, door Mevrouw van Aarden in 1770 gesticht voor
dames en vrouwen van haar familie. Het is een vierkant gebouw met een
binnenplaats, waar omheen eenvoudige, nette woningen gebouwd zijn,
terwijl aan het eind de regentenkamer gevonden wordt, met eenige
schilderstukken van Ruysdael, Frans Hals, Jan Steen, Rubens e. a. Door
een 15tal vrouwen wordt dit hofje thans bewoond.
Op de plek van dit hofje verhieven zich oudtijds de zware muren
van het kasteel van Leerdam, dat in het begin der 16e eeuw werd
afgebroken. Aan de overzijde van de straat valt hier een merkwaardig
poortje in het oog, met het opschrift: "Vryheyt is met gheen Ghelt te
coop". Het is een dier mooie poortjes, waarmede de Nederlandsche steden
in vroeger eeuwen zoo kwistig waren bedeeld, uitmuntende door rijke
ornamentatie. Waarschijnlijk dagteekent deze poort uit de 16e eeuw. Zij
vormde vroeger een der ingangen van het zoogenaamde Drostenhuis,
dat als een jachthuis der graven van Leerdam gesticht moet zijn. De
sierlijke bouworde bevestigt deze meening. Immers, rijker edelman dan
Frederik van Egmond, die in 1492 door den Roomsch-koning Maximiliaan
tot eersten graaf van Leerdam verheven werd, kende Holland in dien
tijd niet. Toen door het huwelijk van Prins Willem van Oranje met
Anna van Egmond dit graafschap aan 't huis van Oranje kwam, werd
dit jachthuis de bestendige zetel der drossaards, die tot 1795 de
belangen der Nassaus te Leerdam behartigden. Het drostenhuis prijkte
voortaan, behalve met deze poort, met tal van vorstelijke wapens,
in arduinsteen gebeiteld. De overlevering verhaalt, dat in dit huis
de gemalin van Prins Willem V, Frederika Sophia Wilhelmina, den
brief aan haar broeder, den koning van Pruisen, geschreven heeft,
om hulp tegen de Patriotten te vragen, wat aanleiding gaf tot de
komst der Pruisen in 1787. In het tegenwoordige huis vindt men nog
een goudleeren behangsel, dat aan den vroegeren tijd herinnert.
Leerdam is een oud stadje. Volgens de overlevering zou hier door Fop
van Arkel in 1008 een dorp gesticht zijn, terwijl hij, die van zijn
moeder veel goud en zilver geërfd had, nog vier andere dorpen aan
de noordzijde der Linge stichtte, welker eerste naamletters tezamen
den naam Arkel vormden, nl. Arkel, Rietveld, Kedichem, Eterwijk (nu
Oosterwijk) en Leerdam. Nabij de grens van Gelderland gelegen, kwam
Leerdam herhaaldelijk in het bezit der Gelderschen; in 1496 werden
de stad en het kasteel door de Gelderschen veroverd. Doch Albrecht,
hertog van Saksen, verscheen daarop met een groote macht te Gorinchem,
legde sterke bezettingen in Asperen en Heukelum, sloeg een blokhuis
op te Leerdam en dwong de Gelderschen tot overgave.
Wij noemen dit feit uit de geschiedenis, omdat het ons wijst op de
betrekking, die hier tusschen Gelderland en Holland bestond, op de
afwisseling en vermenging van Hollandschen en Gelderschen invloed, die
hier te bemerken valt en sterk uitkomt bij vergelijking van den bouw
der boerenwoningen te Heukelum, dat nog tot Zuid-Holland behoort, te
Acquoy en Rhenoy (Geldersch) met die van de westelijker gelegen dorpen.
In een regelmatige ronding buigt zich de Lingedijk van Leerdam
naar Asperen en sluit zich hier aan bij den Diefdijk, die van
de Linge tot de Lek niet alleen de provinciale grens vormt, maar
tevens de hydrographische en de ethnographische scheiding tusschen
het Hollandsche en het overheerschend Geldersche element. Ten
O. van den Diefdijk ziet men schier onmiddellijk de Geldersche
kenmerken in den woningbouw (Acquoy en Rhenoy, zooals wij zeiden),
en de volkselementen met zuiverder Frankische kenmerken dan in het
aangrenzende Zuid-Hollandsche gedeelte, hoewel misschien Saksische of
andere invloed nog iets stijfs en houterigs er bij heeft ingesmolten,
waardoor de bewoners der Betuwe van het Noord-Brabantsche type zijn
te onderscheiden.
Wij zullen ons thans enkel op het Hollandsch gebied ophouden. Na een
langen omweg bereiken wij Asperen, dat reeds even buiten Leerdam als
in de nabijheid vóór ons lag, maar waar de weg zich in een cirkel
omheenboog. Asperen is een plaatsje met ruim 1400 inwoners. Het dorp
is zeer regelmatig ten zuiden van de Linge gebouwd; het bestaat
uit twee evenwijdige straten en nog een derde straat, te midden
van boomgaarden gelegen. Na den brand van 1896 vindt men er nette,
nieuw gebouwde, burgerlijke huizen, vooral aan de Voorstraat. Het
belangrijkste gebouw is de Hervormde kerk, welker muurwerk bij den
brand bewaard bleef. Het is een fraai, Gothisch kruisgebouw met kleine,
in lood gevatte ruitjes, dat zich verheft aan het eind van het dorp
op een lagen heuvel, die uit de kleilanden oprijst, te midden van
schaduwrijke olmen op een klein kerkhof. Na den brand van 1896 werd
de kerk geheel gerestaureerd. Ten westen van de kerk staat de zware
en sierlijke toren, die ver in den omtrek overal in het oog valt.
Asperen is een oude nederzetting. Of men hieronder het oude
Caspingium van Peutingers reiskaart heeft te verstaan, durven
wij niet beslissen. Het is wel bekend, dat in den tijd, toen de
Arkelsche heeren hier regeerden, Asperen als een sterke vesting werd
beschouwd. Herhaaldelijk klonken de krijgsklaroenen van deze muren
en werden er de wederzijdsche krachten gemeten.
In 1204 werd Asperen door Graaf Willem I van Holland belegerd, die
het eene kasteel slechtte; in 1480 werd het door de Bourgondische
krijgsknechten bezet en geplunderd; in 1497 had het veel last van
de Hollandsche soldaten, die de stad en de omstreken beschermden
tegen de Gelderschen. Nog zwaarder werd Asperen getroffen, toen
in 1517 de Zwarte Hoop op deze plaats afkwam, de dapper verdedigde
stad stormenderhand innam en ze tot een roofnest maakte, vanwaar de
plunderaars Holland afliepen. Toen de Graaf van Nassau, stadhouder van
Holland, hun dit stroopen wilde beletten en den toevoer van Asperen
afsneed, moesten zij eindelijk met hun buit opbreken uit de stad. In
1574 namen de Spanjaarden Asperen in; in 1672 viel het in handen
der Franschen. Voor zeker een reeks van historische herinneringen,
welke men niet bij een dergelijk plaatsje zou verwachten.
Van het oude Asperen is zoo goed als niets over. De muren bestaan
niet meer, en de twee kasteelen, welke hier eens verrezen, zijn
sedert lang verdwenen. Het eene zou, meent men, gestaan hebben aan
den kant van Gellikum, waar vroeger de Gellikumsche poort was; het
andere, Waddestein, hebben de Franschen later in 1672 in de lucht
laten springen. Doch hoewel geen vesting meer, ligt Asperen nog in
de inundatielijn tusschen de Lek en de Merwede. Ten zuiden van den
Diefdijk ziet men hier een rij van forten, die den toegang tot de
Vijfheerenlanden van het oosten beletten, waarvan een tweetal bij
Asperen gevonden worden.
Over 't geheel is Asperen een stil en rustig landstadje, doch wanneer
de paardenmarkten gehouden worden, die reeds vanouds beroemd zijn,
is het levendig en druk in de stille dorpsstraten door het gedraaf
en gejaag der rossen en het loven en bieden van opgewonden kooplieden
tegenover de kalme boeren.
Van Asperen keeren wij terug. Langs de kerk komen wij op een weg,
die midden door vruchtbare bouwlanden loopt, met kostelijk graan en
bieten beteeld, vanwaar wij in de verte als een groen eiland uit
het landschapsgoud een statig geboomte zien oprijzen. Het is het
kasteel van Heukelum, dat zich aan den zuidelijken Lingedijk verheft
te midden van dicht geboomte van eiken, beuken, olmen en esschen. Het
nieuwerwetsche, eenvoudige, vierkante gebouw wordt door een gracht
geheel omsloten, waarover een ophaalbrug naar den kant van Heukelum
aan het eind van een laan toegang verleent. Op deze plek heeft reeds
in zeer vroegen tijd een kasteel gestaan, dat in oude leenbrieven
Merckenburgh genoemd wordt en bestond vóór het stadje. Dit kasteel
is door Friezen, Denen en Noormannen verwoest, doch Jan van Arkel
herbouwde het in 1200. In het midden der 18e eeuw was het zeer in
verval en later werd het tegenwoordige huis gesticht.
Een iepenlaan over den Lingedijk voert binnen korten tijd naar
het oude stadje Heukelum, aan de Linge gelegen. Het is een stil,
eenvoudig gebouwd, dorpelijk plaatsje, met niet meer dan 600 inwoners
in de kom van het dorp, zonder eenige merkwaardige gebouwen. Enkele
boerenwoningen, die wij hier zagen, deden het oude Frankische karakter
van den bouw uitkomen.
Heukelum was vroeger een vesting met poorten en muren; langs de Linge
had het oudtijds een muur met vier waterpoorten, doch sedert lang niet
meer. Deze plaats is, evenals de meeste Linge-steden, herhaaldelijk
door overstroomingen geteisterd, o. a. in 1748, toen de Gorkumerpoort
bijna geheel wegspoelde; in 1809, toen 25 huizen onder het rechtsgebied
der stad werden vernield; in 1820 en 1827. Bij de doorbraak van 1820
tusschen Asperen en Heukelum ontstond er een grond-gat in den dijk van
68 voet diepte met aanzienlijke verzakkingen; bij die gelegenheid rees
er een groot stuk veengrond op met den kop van een olifant, van 100
K.G. zwaarte, die later in het kabinet der Hollandsche Maatschappij
van Wetenschappen te Haarlem bewaard werd.
Wanneer wij ten slotte nog een algemeenen blik over de bevolking in
het land tusschen Lek en Merwede werpen zal ons in 't oog vallen,
dat hier over 't geheel een buitengewoon behoudende geest heerscht,
met afkeer van al het nieuwe. Op kerkelijk gebied openbaart zich
dit door een streng Calvinistische richting, die overheerschend is,
terwijl er weinig Katholieken gevonden worden.
De oude nationale kleeding bij de boeren is echter bijna geheel
verdwenen. Doch de oud-Hollandsche boerenwagen, welke er vooral
gebruikt wordt om het hooi binnen te halen, vindt men er nog. Het
zijn schilderachtige voertuigen, rijk in hun kleuren en vormen,
met uitdrukkingen der boerenphilosophie in spreuken en rijmpjes
op voorkist en achterkant. In den laatsten tijd ziet men ook tal
van nieuwmodische wagentjes, als tilbury's, brikken, enz. bij het
marktbezoek in gebruik komen.
Het gemeenschappelijk dorschen van koolzaad bleef hier nog lang in
zwang en was in enkele streken een waar oogstfeest. Zoo o. a. tot
voor kort te Oosterwijk aan de Linge.
Op een open plek op het veld werd een dorschkleed gespreid, waarop het
koolzaad warm uit de zon werd aangevoerd en gedorscht. Dit geschiedde
door de mannen, en eenige families hielpen daarbij elkander, den
eenen dag bij A, den volgenden dag bij B enz. De meisjes uit die
families, met een rooden doek over de schouders, welke voor de borst
naar beneden liep, en die daarnaar "roodborstjes" genoemd werden,
brachten bier en spijzen aan de dorschenden, terwijl de huismoeders
rijstenbrij kookten om te gebruiken na afloop.
Als het laatste kleed gedorscht was van een boer, namen de jongelieden
het kleed op, plaatsten een persoon er midden in, die met een groene
struik in de hand in de hoogte werd geworpen en als de koning van
het feestje werd beschouwd, dat daarna gevierd werd. Want des avonds
vereenigden zich allen om een gemeenschappelijken disch, waarbij op
zoute visch met boter en rijstenbrij met suiker getrakteerd werd. Van
de rijstebrij werden zelfs ook schotels rondgebracht bij den predikant,
den onderwijzer en enkele anderen in het dorp. Een rondedans en
een boerenliedje was gewoonlijk het eind van dit oogstfeest. Een
week lang hielden die dorschpartijen en feesten gewoonlijk aan,
als het weer goed was. Hierdoor werden de bewoners nog eenigszins
nader met elkander in aanraking gebracht. Het nivelleeringsproces
heeft deze nationale gebruiken thans uitgewischt; met het koolzaad
is ook het oogstfeest verdwenen en ieder werkt op zijn akker, op
zijn land. Nog een enkel overblijfsel herinnert aan de maaltijden
der vroegere oogstfeesten, al is het ook slechts als een spoor. Op
enkele dorpen wordt bij ouderwetsche boeren nog aan het eind van den
hooioogst rijstebrij gekookt en met boter, suiker en kaneel gegeten;
hiervan brengt men ook thans nog wel rond bij enkele ingezetenen.
En hiermede nemen wij afscheid van het Zuid-Hollandsche land tusschen
de Lek en de Merwede. Wij volgen voorbij Heukelum weder den rechter
Lingedijk naar Gorinchem en wachten daar op een boot, om hiermede
den breeden, statigen Merwedestroom af te zakken naar de oudste en
eens de voornaamste handelsstad van het Hollandsche delta-gebied,
het eerwaardige, aristocratische Dordrecht.