IV. GORINCHEM, WOUDRICHEM, LOEVESTEIN.

Op de plek, waar de Linge het water der Betuwe en der Merwede

uitstorte, niet ver van de vereeniging van Waal en Maas tot de breede

watervlakte van de Merwede, die zich met zooveel trotschheid tusschen

de hooge dijken, door het griendhout in een krans van groen gehuld,

zeewaarts beweegt, verheft zich het vriendelijke stadje Gorinchem aan

den oever der rivier. Eenig in schoonheid zijn de riviergezichten,

welke van het societeitsgebouw aan de vroegere Merwedepoort zich

voor het oog ontrollen, de liefelijkheid en kleurentinten van het

Hollandsch landschap met de grootschheid van de watermacht vereenigend.

Op dit kruispunt van grootere en kleinere waterwegen, waarheen de

landbewoners van het Lingegebied al sedert oude tijden afzakten, om er

hun produkten ter markt te brengen, die over de rivieren een verderen

afzet vonden, had zich al vroeg een nederzetting gevestigd. Wanneer

hier de eerste grondslag voor een plaats werd gelegd, is onzeker;

sommigen meenen, dat er een Romeinsche legerplaats geweest zou zijn,

doch met beslistheid valt dit niet te zeggen. Het oudste bericht,

dat wij van Gorinchem hebben, is in het handvest van den Brabantschen

hertog Jan I, waarbij de burgers van Gorinchem, toen een plaats in

het land van den Heer van Arkel, tolvrijheid door Brabant verwierven,

in 1287. Dit voorrecht werd in 1289 belangrijk uitgebreid, toen

graaf Floris V den Gorinchemmers ook tolvrijheid verleende in zijn

gebied. Die voorrechten deden de welvaart der bewoners toenemen en

Gorinchem werd een stadje van beteekenis. Op de grens van Holland

gelegen, werd Gorinchem al vroeg versterkt. In den aanvang der 16e

eeuw lagen er twaalf bolwerken om de stad, die later nog met andere

vermeerderd werden. Aan de landzijde verder door inundatiën gedekt,

was Gorkum moeielijk te naderen en aldus werd het als een uitermate

sterke vesting beschouwd. Ook thans is Gorinchem nog een sterkte, die

deel uitmaakt van de groote verdedigingslinie "de Nieuwe Hollandsche

Waterlinie", welke van Muiden en Naarden over Utrecht, Vreeswijk en

Kuilenburg (hier ten O. van den Diefdijk) langs Asperen zich voortzet

tot de Waal ten O. van Gorkum, en door inundatiën een laag terrein over

een tamelijke breedte in een moerassige strook doet veranderen, welke

onbegaanbaar is en evenmin diep genoeg overstroomd, om door platbodemde

vaartuigen te worden bevaren. Bij Gorkum gaat die verdedigingslinie

over de Merwede, loopt ten oosten langs den Biesbosch, waar Woudrichem

een vesting vormt, en verder over de vesting Geertruidenberg naar

de versterkingen te Willemstad, fort Prins Frederik in het oosten

van Over-Flakkee, naar Hellevoetsluis en Brielle. De ligging aan het

zuidelijk einde van het Zederikkanaal, dat in 1823 gegraven werd in

aansluiting met de Keulsche Vaart, die van Amsterdam over Utrecht naar

Vreeswijk liep, om van hier de verbinding met de groote riviermonden

en Antwerpen aan den eenen kant, met de Waal, den Boven-Rijn en Keulen

aan den anderen kant tot stand te brengen, een waterweg, die in 1892

verbeterd is door het Merwedekanaal, geeft Gorinchem vooral doorvaart

voor den Rijnhandel van Amsterdam en Utrecht.

Hoewel van de oudheid dagteekenend, heeft Gorinchem toch niet zeer veel

oude gedenkteekenen. Mooie gevels vindt men nog wel in de stad, bovenal

in de Burgtstraat en de Gasthuisstraat, met nog goede overblijfselen

uit het midden der 16e eeuw en van de Hollandsche renaissance.

Het oudste gebouw der stad is de toren der Hervormde kerk, waarvan

het bovenste gedeelte in 1517 werd voltooid, doch die overigens

uit de 13e eeuw dagteekent. Het is een zwaar gevaarte in Gothischen

stijl, waarvan de spits ontbreekt. Van zijn top kon men bij helder

weder twee en twintig bemuurde steden en tal van dorpen en vlekken

overzien. Eigenaardig is het, dat hij tijdens den bouw ongelijk gezakt

schijnt te zijn, waardoor hij aanvankelijk in een schuinen stand

geraakte. De bovenste helft is vervolgens te lood hierop gebouwd en

daardoor maakt hij een zonderlingen indruk.

Bij dezen toren stond vroeger de Groote St. Janskerk, in 1263 door

Jan van Arkel gesticht, in haar bloeitijd een prachtig versierde

en van rijke altaren voorziene kerk met de graftombe der heeren van

Arkel. Het kerkgebouw ging door de Hervorming aan de Hervormden over,

doch werd in 1850 afgebroken en door de tegenwoordige kerk vervangen,

een ruim gebouw, welks Romaansche bouworde weinig past bij die van

den toren. Toen de toren daar zoo eenzaam stond, verlaten door zijn

trouwen metgezel, zong Joh. W. A. Kehrer den eenzame een lied toe:

Statig en fier heft ge uw kruin naar de wolken,

Reuzige grijze, die de eeuwen belacht!

Om u verkwijnden geslachten en volken:

Gij--staat nog daar in steeds jeugdige kracht.

Ernstig en droef schijnt ge in 't ronde te staren,

Ach, niet een enkelen vriend uwer jeugd,

Geen, wien die schittrende riddereeuw heugt,

Moogt ge in de verte aan uw voet meer ontwaren!

Droef bovenal staart ge neer op den grond,

Dien eens uw trouwste vriendinne mocht sieren:

Ach, niets dan onkruid en distelplant tieren

Nu op de plek, waar zij eertijds bestond!

Zusterlijk stond zij u eeuwen ter zijde,

De oude St. Janskerk, door de Arkels gesticht,

Lang door de zon der hervorming verlicht,

Schoon eerst de waskaars den schemerglans spreidde

Door haar gewelven.

Verder zijn belangrijke gebouwen het Stadhuis aan de ruime markt,

met het wapen van Gorinchem in het frontispice, waarin de spreuk:

"Fortes creantur fortibus", d. i. "van dapperen komen dapperen voort".

In de stad wordt nog het "poortje van Daatselaer" gewezen, een grijs,

granietachtig geschilderd poortje, waarvan het karakteristieke

voor enkele jaren verloren is gegaan. Hier moet het huis gestaan

hebben van Daatselaer, den vriend van Hugo de Groot, waar Elsje

van Houweningen, de getrouwe dienstbode, de kist met haar meester

liet brengen, die er geopend werd. Het was Daatselaer's vrouw,

die den gevluchte van het metselaarspak voorzag, waarin de geleerde,

vergezeld van den meester-metselaar Jan Lambertszoon, met een maatstok

in de hand de markt overging. Hier lieten zij zich overzetten. Jan

Lambertszoon bracht de Groot te voet naar Waalwijk, vanwaar hij naar

Antwerpen ontvluchtte. Deze gebeurtenis werd door Daatselaer in een

geschilderd glasraam zinnebeeldig voorgesteld, welk raam later naar

het burgerweeshuis is overgebracht.

Als wij verder Gorkum doorwandelen, valt het ons op, dat het een

nette, welvarende provinciestad is. Vooral op de marktdagen is het er

levendig door de bewoners uit den omtrek. De Gorkumsche paardenmarkten

en de veemarkten worden er druk bezocht; de markt van zalm en elft

is er belangrijk.

Wie te Gorkum is, kan niet nalaten, over de rivier een bezoek te

brengen aan het oude, eigenaardige stadje Woudrichem, om zich vandaar

te laten overzetten naar Loevestein.

Een stoombootveer voert ons over de breede Merwede en weldra zetten wij

voet aan wal in deze kleine vesting, welker zware, stompe toren reeds

van verre over de wallen verkondigt, dat dit eenmaal een merkwaardige

plek was. Hier, aan de samenkomst van twee belangrijke stroomen,

ontstond reeds in de grijze oudheid een nederzetting, zeker tengevolge

van den handel. Zeer waarschijnlijk is het ook, dat het Christendom

hier al vroeg verbreiding heeft gevonden, want in 866 komt Woudrichem

reeds voor als een marktvlek onder de bezittingen van den Utrechtschen

bisschop. Dat de stad eens bloeide en veel grooter moet geweest zijn,

bewijst de trotsche toren, te groot voor dit stedeke; het valt ook af

te leiden uit onderscheidene gebouwen, die naast sporen van hoogen

ouderdom op 't gelaat tevens blijken geven, dat de eerste bewoners

over ruime middelen konden beschikken.

Het stille, schier vergeten stadje is daardoor een bezoek

overwaardig. Reeds bij het binnentreden aan de rivierzijde maakt

de Waterpoort een schilderachtigen indruk; de steenen kogels,

die symmetrisch aan de buitenzijde zijn ingemetseld, vormen een

eigenaardige versiering. De Hoogstraat wijst nog prachtige gevels

aan uit de jaren 1593-1610, schoone voorbeelden van baksteenbouw en

tevens bewijzen van de hoogte, waartoe de baksteenindustrie zich voor

een drietal eeuwen al had verheven. Niet alleen, dat de baksteen in

dien tijd werd verwerkt tot groote, monumentale gebouwen, maar de

gevels der woonhuizen, die aanspraak mogen maken op schoonheid en

juiste opvatting van stijl en constructie, geven door den baksteen

ook het echt Hollandsche karakter aan onze steden.

De toren der kerk is kolossaal van aanleg, maar onvoltooid of beroofd

van het boveneinde; aan de vier zijden is hij versierd met tal van

kopjes, gelijkmatig in rijen geplaatst, terwijl het vlechtwerk van

baksteen als nisvullingen dienst doet.

Woudrichem is uitermate stil; alleen de riviervisscherij en de

vischmarkt hebben er eenige beteekenis.

Ten oosten van Woudrichem bereiken we op korten afstand buiten de

poort het punt

Waar Maas en Waal te zamen vloeit

En Gorkum rijst van ver;

Daar heft zich op den linkerzoom

En spiegelt in den breeden stroom

Een slot van eeuwen her.

't Is Loevestein, 't is Loevestein,

Waarvan de wereld sprak,

zooals Tollens het uitdrukt. De vrije samenvloeiing van Maas en Waal

zal hier spoedig tot het verledene behooren, als de nieuwe Maasmond

geopend is. Voorzeker, van dit slot is veel gesproken; die grijze

muren hebben geschiedenissen te verhalen, zooals geen ander gebouw

in ons vaderland. "Meer misschien dan eenig ander overblijfsel op

Nederlandschen bodem verdient Loevestein voor het nageslacht bewaard

te blijven, want als gedenkteeken van voorvaderlijke deugd, van

heldhaftigheid, werkzame godsvrucht, vriendentrouw, huwelijksliefde,

wordt het wellicht door geen ander overtroffen, terwijl het daarbij

als waarschuwende vinger op de klip der tweedracht wijst, zooals

die meer dan eenmaal het Nederlandsche staatsschip met vernieling

dreigde," schreef Nijhoff in 1854. Maar hoewel het slot er nog staat

met zijn hooge muren, als voorheen zich spiegelend in den stroom,

toch is het weinig meer dan een herinnering van hetgeen het vroeger

was. Want door afbreken en bijbouwen en herstellen is de oude vorm

bijna geheel verloren gegaan. Echter heeft men nog eenige torens uit

piëteit bewaard, ook al werd uit het oogpunt der defensie het bestaan

dier steenmassa op dit punt niet zeer wenschelijk geacht.

Wel hebben wij omtrent den eersten bouw van Loevestein geen berichten,

maar zeer waarschijnlijk moet die omstreeks het begin der 14e eeuw

gesteld worden, al is het mogelijk, dat hier veel vroeger een huis

werd gevonden. De naam "Loevestein" is er vermoedelijk aan gegeven

door Gerard van Hoorne, ridder en heer van Weert en Herlaer, naar

zijn eerste vrouw Johanna van Loven, uit het geslacht der hertogen van

Brabant gesproten. De namen Loeven en Loven, Loevestein en Lovestein,

werden naast elkander gebruikt. Aanvankelijk was het misschien geen

sterk huis, want in dit geval zou er allicht melding van gemaakt

zijn in de vele oorlogen tusschen Gelderland en Holland gedurende die

eeuw. Was het een lusthof of een eenvoudige ridderhofstede? Misschien

heeft het gebouw als sterkte zijn aanzien te danken aan Albrecht van

Beieren, omstreeks 1386. Door enkelen wordt vermoed, dat deze landhoek

destijds een eilandje was, waar een arm der Waal ten oosten en zuiden

langs liep, welke later is verloopen.

Was Loevestein reeds in 1397 belegerd geworden, zijn roem in onze

historie heeft het slot toch pas verkregen door Herman de Ruijter, die

in 1570, door slechts drie kloekmoedige mannen vergezeld, Loevestein

innam. Hoewel de toegezegde hulp van Graaf Willem van den Berg niet

kwam opdagen, behield hij het slot toch eenige dagen en verdedigde

hij het dapper tegen den Spaanschen kapitein Lorenzo Perea en toen

de onderneming niet te redden viel, offerde hij voor de zaak, die

hij voorstond, het leven, door in zijn laatste wijkplaats den brand

te steken in het buskruit, dat hij op den grond had gestrooid.

Wel kwam Loevestein daardoor weer in handen van de Spanjaarden, maar in

1572 werd het hernomen door de Geuzen. De pogingen der Spanjaarden,

om het te herwinnen in 1574 en 1589, mislukten; ook stootten de

Franschen hier in 1672 het hoofd.

Loevestein heeft een treurige vermaardheid verworven als

staatsgevangenis, waartoe het slot sedert de 15e eeuw herhaaldelijk

werd gebruikt. Wat de Bastille was in Frankrijk, de Tower in Londen,

de Gräts van Spandau in Duitschland, Chillon in Zwitserland, was

Loevestein in Nederland. Gravin Jakoba deed hier in 1417 Otto van

Schonauen en andere aanhangers van Willem van Arkel opsluiten. Filips

van Bourgondië liet hier Mr. Gozewijn de Wilde, President van Holland,

Zeeland en Friesland, onthoofden, in of omstreeks 1447. Het meest

vermaard werd Loevestein als de kerker van Hugo de Groot, die

van 5 Juni 1619 tot 2 Maart 1621 hier gevangen zat, gevolgd door

zijn echtgenoote, de edele en flinke Maria van Reigersbergen, en

bijgestaan door zijn trouwe dienaren Willem van de Velde en Elsje van

Houweningen. De geschiedenis van Hugo de Groot is bekend, en ook de

onsterfelijke roem, dien Maria van Reigersbergen zich hier verwierf,

alsmede de flinke hulp van Elsje van Houweningen bij de ontvluchting.

Gewelt van wallen, dubble gracht,

Ontruste honden, wacht bij wacht,

Beslage poorten, optrekboomen,

Geknars van slotwerk, breede stroomen,

En d' onvermurwbre kastelein

Verzekerden op Loevestein

Den Grooten Huigen, buiten duchten

Van in der eeuwigheid te ontvluchten;

Ten waar zijn schrandre gemalin,

Een dischgenoot en kruisheldin,

Een eerlijke uitkomst had gevonden,

En hem voor lang verdriet ontbonden.

Eén vrouw is duizend mannen t' erg.

O, eeuwige eer van Reigersberg,

De volgende eeuwen zullen spreken,

Hoe gij de haat hebt uitgestreken,

Nadat ge op 't droef gevangenhuis,

Gelijk Marije neffens 't kruis,

Uw bruigom, onder moordenaren

Gerekend, troostte heele jaren.

Vergun mijn luite, dat ze speel'

Het bergen van het landjuweel

In 't onweer, dat het roer vermande

En 't groote schip van Holland strandde.

Zoo schreef Vondel opgetogen aan de aanzienlijke vrouwe, toen de mare

van de Groot's ontvluchting bekend werd in den lande.

Gelijktijdig met de Groot zuchtte ook Mr. Rombout Hogerbeets in

dezen kerker, om dezelfde reden tot levenslange gevangenisstraf en

verbeurdverklaring van zijn goederen veroordeeld, en eveneens door

zijn echtgenoote vergezeld, die hier overleed. Hogerbeets bleef hier

tot 1626, doch kort daarna stierf hij op zijn slot ter Weer onder

Wassenaar (zie I. pag. 108). Vondel stelde onder de afbeelding van

dezen waardigen man de volgende regels:

Een vrome, oprechte ziel, en vrij van vuile smetten,

Stak in dees waarden man, den kenner van 's lands wetten;

Een kerker was de loon van zijn getrouwigheid.

Gods zegen dauwe op 't graf, daar hij begraven leit.

Van 1621-1631 strekte Loevestein verder tot kerker aan onderscheidene

Remonstrantsche predikanten; in 1650 nog tot staatsgevangenis van

Jakob de Witt en andere Hollandsche staatslieden; in 1666 van den

Engelschen Admiraal Ascue, van 1675-1679 van Abraham Wicquefort, van

1693-1696 en '97 van den Dordtschen burgemeester Simon van Halewijn

en den Franschen schrijver du Plessis, van 1748-1770 van Pieter de

la Rocques, gewezen bevelhebber van Hulst, van 1793-1795 van den

Graaf van Bylandt, tijdelijk bevelhebber van Breda, van 1809-1813 van

eenige Spaansche, Russische en Engelsche krijgsgevangenen, en in 1831

van eenige krijgsgevangen Belgen. Sedert is deze staatsgevangenis

gesloten gebleven en daarmede is het belangrijk der geschiedenis

van Loevestein geëindigd. Al kunnen nog enkele gedeelten worden

aangewezen, waar de beroemde gevangenen hebben gezucht achter de

zware muren, op het slot vindt men verder zoo goed als niets, dat

aan de toenmalige toestanden herinnert. De vertrekken met hun kale,

naakte muren zijn bergplaatsen, meer niet. Enkel het verlangen, om een

historisch zoo merkwaardige plek te betreden, voerde velen, evenals

ons, naar Loevestein, en wij verlaten de oude sterkte met de hoop,

dat de geschiedenissen, waardoor deze plek vooral bekend geworden is,

hun analogie niet weder zullen vinden in de toekomst onzer historie.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 27 / 74 题