d. i. "Ter verdediging van den godsdienst en de vrijheid des
lands is deze stad met grachten en wallen omringd. In het jaar
1673". Herhaaldelijk heeft Nieuwpoort aan belegering blootgestaan
en werd het stadje door de rampen des oorlogs geteisterd. Uit een
historisch-staatsrechtelijk oogpunt vormde Nieuwpoort een curiosum,
daar het eeuwen lang onder twee heeren stond, die zich beiden heer van
half-Nieuwpoort noemden: de baronnen van Liesveld en de heeren van
Langerak; eerstgenoemden waren leenmannen van Holland, de laatsten
van het Sticht. Nieuwpoort behoorde dus half tot Holland, half tot
het Sticht. Eigenaardig is de bepaling, dat, als die heeren het oneens
waren, de bewoners van Nieuwpoort zich neutraal moesten houden.
Thans is Nieuwpoort een vriendelijk, stil rivierstadje met ongeveer
650 inwoners, die meestal in visscherij, hoepelmakerij en winkelnering
hun bestaan vinden. Enkele trapjesgevels geven aan de straten nog
een oud-Hollandsch cachet.
Verder leidt de weg over Groot-Ammers, een flink, goed gebouwd dorp
aan den Lekdijk, met levendigen kaashandel; over Streefkerk, een
schoon dorp, waar men volgens overlevering de kerk heeft opgebouwd
van de steenen van het oude slot Schoonenburg; Nieuw-Lekkerland, een
dijkdorp, en vervolgens bereiken wij Elshout, een gehucht aan den dijk.
Hier staan wij op een uit een hydrographisch oogpunt belangrijke
plek van de Alblasserwaard. Ziet gij daar die sluizen in den dijk
en dat viertal evenwijdige kanalen, slechts door smalle dijken of
landstrooken gescheiden, die zich te midden van rietlanden in de
Waard uitstrekken, enkel met een rij van watermolens omzoomd? Dat is
het afwateringsstelsel van de Alblasserwaard.
De dijken langs de groote rivieren houden het buitenwater tegen, om
de lage kom geen last te veroorzaken. Doch het overvloedige water,
dat binnen die dijken gevallen is, of als kwel door de dijken er
binnenkomt, moet eveneens geloosd worden. Dit nu geschiedt langs
de watertjes daarginds diep door de Alblasserwaard. De Boezem van
de Overwaard, die wij niet verre van de Lek zagen, voert het water
naar dit laagste gedeelte in het westen. Maar hier kan het meestal
niet op de rivier loozen, omdat die te hoogen waterstand heeft. De
windmolens, welke gij daarginds op een rij langs den boezem ziet,
voeren dat water eerst één trap naar boven en pompen het uit in die
hoogere waterloopen, welke, als zij het aangevoerde water niet kunnen
bevatten, zonder schade de ingedijkte rietlanden daarnaast kunnen
laten overstroomen. Deze noemt men te zamen den Hoogen Boezem van
de Overwaard, omdat daar het water van den Boezem van de Overwaard
eerst in wordt uitgestort. En het stoomgemaal, dat gij hier aan
den dijk ziet, doet het verdere. Dat brengt het water nog weer één
trap naar boven, nl. van den hoogen boezem op de rivier. Zoo wordt
het overtollige water trap na trap naar boven gevoerd, en door die
reeks van kunstmiddelen is het alleen mogelijk, dit land bewoonbaar
te houden.
Die tweede reeks van molens heeft dezelfde taak te verrichten. Uit
de Alblas of Graafstroom, een waterschap, dat midden door de
Alblasserwaard loopt en waarop het overtollige water van het zuidelijk
gedeelte van de Alblasserwaard loost, loopt een zijtak naar dit punt,
en die reeks watermolens daar rechts pompen het water hiervan uit
op den Hoogen Boezem van de Nederwaard, het water en de rietlanden,
welke gij daarnaast ziet liggen omvattend, terwijl het van hier
eveneens door een stoomgemaal weer wordt afgepompt op de Lek.
Thans staan wij aan een gedeelte van de Alblasserwaard, dat in
economisch en industrieel opzicht het belangrijkste is, nl. den dijk
langs de Noord en de Merwede.
De Noord ligt daar vóór ons, een schijnbaar regelmatig
verbindingswater, dat de Merwede met de Lek vereenigt. Doch zoo
regelmatig als thans dat statige, ernstige water schijnt, is het niet
altijd geweest. Dit blijkt ons reeds uit den onregelmatigen loop
der hooge dijken, die op enkele gedeelten, zooals bij Ridderkerk
aan de overzijde, bij Alblasserdam en ten zuiden van dit dorp,
zich in groote bochten van de rivier afwenden, om haar vervolgens
weder te naderen. Ook de geschiedenis van de Noord wijst op grond
van verschillende mededeelingen aan, dat zich hier in historischen
tijd een belangrijk proces van verandering in de rivierloopen moet
hebben afgespeeld.
Wanneer wij thans den dijk over wandelen, komen wij aan den Kinderdijk,
den dijk, waarbij, volgens de overlevering, tijdens den grooten
St.-Elizabethsvloed in 1421 een wieg met een kind aanspoelde, door
een kat in evenwicht gehouden op de woelende wateren, die de geheele
landstreek overdekten. De Kinderdijk sluit zich aan bij Alblasserdam
als een lange, schier onafgebroken doorloopende streek van nette
en flinke huizen, meest aan den achterkant gebouwd tegen den dijk,
zoodat de tuintjes en tuinkamers der huizen eenige meters lager liggen
dan de ingang. De walen of gaten in de lage landen achter den dijk,
waarvan de Rijzenwaal en de Lammetjeswaal de grootste zijn, wijzen
op de vroegere doorbraken van den dijk, waarbij het binnenstroomende
water door zijn draaikolken diepe kommen in het land ploegde.
Aan den Kinderdijk en te Alblasserdam vindt men geen grootsche
bouwwerken te bewonderen. Toch heeft de natuur er veel eigenaardigs en
liefelijk Hollandsch. De riviergezichten van Elshout bij ondergaande
zon, wanneer het hemelgoud de kabbelende wateren overdekt en hier en
daar zich weerspiegelt in de ruiten van de alleenstaande dijkwoningen,
als gloriebladeren op het landschap schitterend, zijn eenig. En in
den winter, als het riet en het lage houtgewas van den Hoogen Boezem
en langs de slooten in de Waard glinsteren van ijzel en rijm, kan het
lage polderland aan de rivieren een natuurschoon aanbieden, zooals
men zelden elders vindt. De kleuren des hemels en de physionomie van
het wolkenlandschap spreken hier, om den indruk te versterken, zoowel
van de lucht als van de wateren, en elke windvlaag doet zich als een
zichtbare echo nog eens kennen door de golven. Het waterlandschap
stemt in zijn schakeeringen tot overpeinzing, en dan bovenal tot
droefgeestige, wanneer een donkere hemel er zich over welft. Zoo
zag Charlotte van Herwerden die natuur, toen zij het Lied van den
Molen zong.
Tegen wild bewogen nachtlucht, zwart,
Roerloos, groot, een molen boven 't lage
Land, de wieken stil, een mensch in smart,
Ten hemel de armen, wanhoop-stom geslagen.
Schuur en huizen naast hem leunend laag,
Half door dampe' omsluierd, die opstijgen,
Schijnen vrouwe in stil gebed;--geklaag
Van wind gaat over hun tooverkring van zwijgen.
Vreemd verwrongen wilgen kreunen, 't haar
Woest schuddend; 't riet zucht steunend, als gebogen,
Angst-gedreevnen vluchten neevlen... Maar
De anders door elk minst gewaai bewogen
Molen,--nu onder 't wild wolken-jagen,
Tusschen 't zwiep-gegolf van wilge' en weiden,
Staat onwrikbaar. Beeld van tragisch lijden,
Licht bewoogne' in hoogste smart niet kunnend klagen.
Doch moge dit landschap den dichter tot droomen gestemd hebben, het
heeft de bevolking tot kracht opgevoed en voortgestuwd door de volte
van het bedrijvige leven. Bovenal is deze streek beroemd door zijn
levendige nijverheid en den ondernemenden geest der bewoners. Langs
den geheelen weg klopt en hamert en beukt het rusteloos op fabrieken
en scheepshellingen, waar zware schepen en krachtige machines
naar de nieuwste eischen gebouwd en bruggen, drijvende dokken
geconstrueerd en bewerkt worden, en waar een fabriek van verduurzaamde
levensmiddelen, een groote garenspinnerij werken naast andere takken
van nijverheid. Nederland is geen industrieel land, beweert men, en
dit is gedeeltelijk juist. Doch wie van Rotterdam de Maas en verder
de Noord opvaart naar Dordrecht, ziet langs deze wateren zooveel
fabrieken van verschillenden aard bloeien, met den scheepsbouw in
de eerste plaats, dat men niet zonder voorbehoud die uitspraak mag
aanvaarden. De groote Rijnschepen worden hier nog altijd het best
gebouwd, zelfs voor Duitschland, en ook de baggermachines zijn een
produkt der Nederlandsche nijverheid in deze streken.
Toch is de levendige groot-industrie in deze streek niet van ouden
datum. Wel bestond hier reeds lang scheepsbouw, doch hoofdzakelijk
bepaalde die zich tot het bouwen van hoogaarzen en andere houten
schepen. Eerst met den toenemenden bloei der scheepvaart op de
Nieuwe-Maas en de ontwikkeling van Rotterdam's handel trokken enkele
ondernemende bewoners van de Noord van de gunstige ligging dezer streek
partij en breidden zij hun zaken, die lang op eenvoudige wijze en op
kleine schaal gedreven werden, uit, en toen de ijzeren stoomschepen
de houten schepen vervingen, draalde men ook niet, om de resultaten
der nieuwere techniek toe te passen. Zoo was hier de overgang van den
houten tot den ijzeren scheepsbouw voltooid en had hij zijn volledig
beslag verkregen in den tijd, toen elders, bijv. in de Groninger
veenkoloniën, de houten scheepsbouw langzamerhand uitstierf. In
de meest bloeiende jaren voor handel en verkeer, na 1870, had de
metamorphose zich hier voltooid en kon men er de vruchten plukken
van deze omkeering, toen elders het tijdperk van kwijning aanbrak.
Bovenal was die industriëele omkeer langs de Noord aan enkele
ondernemende familiën te danken, welke hier nog gevonden worden,
en die daardoor tot de invloedrijkste dezer streek behooren en den
toon aangeven. De namen Smit, Lels, enz. zijn in den lande algemeen
bekend. In den ondernemingsgeest dier familiën vindt men dan ook de
bron van een cosmopolitisme, zooals dat den ouden Hollanders eigen
was, die in vreemde landen gaarne den voet drukten. En het behoeft u
niet te verwonderen, wanneer u in de nette, flink burgerlijke huizen
dezer streek photographieën of aardigheden vertoond worden uit China,
Japan, Indië, Kambodja, Amerika, enz., welke de heer des huizes zelf
heeft medegebracht van zijn reizen, of dat hij u verhalen doet van
een bezoek bij den Vorst van Siam, van zijn kijkje op de Noordkaap,
enz. De mannen van zaken slaan de blikken rond in de wereld: in hun
jeugd, om de wereld te leeren kennen; als mannen, om de vleugelen van
hun ondernemingsgeest dáár uit te slaan, waar te handelen valt. En
bij dat wereldburgerschap is een eenvoud bewaard, een samengaan van
patroons met werklieden, een praktische geest, om bij de arbeiders ook
het sparen aan te moedigen, dat men, als men de hamers niet hoorde
dreunen, den Kinderdijk niet voor een fabriekplaats van beteekenis
zou aanzien, maar eerder voor een dorp van nette, burgerlijke welvaart
en met enkele aanzienlijke huizen.
Alblasserdam is een net dorp, hoofdzakelijk gebouwd langs den
hoofddijk, met een paar zijstraten langs de Alblas, op het punt,
waar dit water door een sluis met de Noord in verbinding staat. Een
oude schutsluis, van 1780, met bogen onder den dijk door, geeft hier
gelegenheid, om nog water uit de Alblas te loozen, en om met kleine
schepen in de Alblasserwaard te komen. Aan de afsluiting van de
Alblas door een dam, om het water te keeren, zeker aanvankelijk met
een overtoom en een duiker, den oudsten verbindingsvorm in Nederland
over de afgedamde wateren aan den mond, was het ontstaan van een dorp
te danken, waar bij den uitvoer der produkten uit de Alblasserwaard
de schippers eenigen tijd vertoefden. Dat dorpje werd natuurlijk
"Alblasserdam" geheeten. Lang vond het plaatsje in dit verkeer zijn
bron van bestaan, totdat scheepsbouw en andere nijverheid door
de gunstige ligging hier een verblijfplaats kozen en het tot een
aanzienlijk dorp maakten.
Naast de sluis staat het Gemeenelandshuis. Den toren der vroegere kerk
vindt men nog een eind binnendijks, niet ver van de Alblas; de kerk
werd voor een zestigtal jaren door een nieuwe op den dijk vervangen,
welke thans weder geheel nieuw is opgebouwd.
Wij kunnen thans de verzoeking geen weerstand bieden, om langs den
vriendelijken Graafstroom, die in den zomer zoo bekoorlijk kan zijn,
in gedachten even het land in te gaan.
Al bezit de Graafstroom niets buitengewoons, dat de aandacht trekt,
toch heeft de natuur hier een lief en aantrekkelijk voorkomen,
iets innigs. Hollandsch is haar wezen. Schilderachtig kronkelt in
den benedenloop het water door het rustige landschap, waar men van
verre de hamerslagen hoort klinken van de levendige Noord; in het
bovengedeelte is de Graafstroom meer een rechte waterloop. Bijna
over de geheele lengte is het watertje met wilgen omzoomd, die aan
de vochtige oevers welig opschietend, hun hangende takken in de
effen watervlakte weerspiegelen en ook in rijen langs de slooten
het landschap doorsnijden. Het zou niet oneigenaardig zijn, de
Alblasserwaard "de Wilgenwaard" te noemen. Langs den Graafstroom
vindt men overal de zindelijk gewitte trapjes, die tot het stille
water afdalen, waar de vrouwen en jongedochters in de morgenuren het
melkgereedschap staan te spoelen en te plassen, over en weer een kort
buurpraatje houdend. Alles is er rein en wit geschuurd, tot zelfs
de klompen aan de voeten, en de verf, vooral het blauw en groen,
wordt niet gespaard: dat zijn de kleuren van den hemel en van het land.
Een reeks van eenvoudige, vriendelijke dorpen rijt zich aan de Alblas,
meest alle uit dubbele rijen boerenhuizen bestaande, langs het water
gebouwd, ieder op zijn erf. Men betreedt eerst het schilderachtige
Oud-Alblas, verder Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf, Laag-Blokland en
Goudriaan. En wanneer wij van hier langs een landweg verder oostwaarts
gaan, bereiken wij Meerkerk, aan het breede Merwedekanaal gelegen,
een net gebouwd en levendig dorp, met druk bezochte paardenmarkten.
Na dezen zijsprong, die in gedachten gemakkelijk, in werkelijkheid
minder vlug is te maken, staan wij weder bij het punt, waar wij den
dijk aan de Noord verlieten, om dien thans verder te volgen. Na een
korte afbreking der huizen langs den dijk bereiken wij Papendrecht,
waar wij den Merwede-dijk betreden. Nu eens onmiddellijk langs de
rivier, dan weer door gorzen, platen en uiterwaarden van de rivier
gescheiden, slingert hier de dijk in onregelmatige bochten langs de
Alblasserwaard, die van Giesendam tot Gorinchem bijna geheel door
een tamelijk breede strook van grienden omzoomd is, welker jeugdig,
frisch groen en bladrijk hout, dikwijls golvend bewogen door den wind,
een eigenaardig karakter geeft aan het landschap.
De rij van dorpen van Papendrecht tot Gorinchem, als: Papendrecht,
Sliedrecht, Giesendam en Hardingsveld draagt over een afstand van
2 1/2 uren gaans, bijna overal hetzelfde karakter. Het is een lange
reeks van huizen, op enkele plaatsen in die gedeelten, welke men de
"kommen" der dorpen kan noemen, tot dubbele rijen gezet, welke alle
langs den dijk gebouwd zijn, hoofdzakelijk aan den landkant, meestal
met tuintjes in de diepte aan den zoom van de Alblasserwaard. Groote
afwisseling in bouworde vindt men hierbij niet: over 't geheel ziet
men in deze streek eenvoudige, burgerlijke, welvarende huizen, en er
naast vele kleine woningen van arbeidersgezinnen, doch alle even net
en zindelijk, terwijl enkele villa's daartusschen met voornaamheid
uitkomen. Zijwegen, dwarsstraten vindt men schier nergens: de dijk
is de hoofdwandelweg, waarover men heen en terug drentelt en die
op Zaterdagavond en Zondagmiddag echt levendig is. Dan bemerkt
men tevens, dat het volkseigenaardige der kleederdracht in deze
dorpenrij, evenals in Alblasserdam en aan den Kinderdijk, meestal
geheel verdwenen is, dat de jongere burgermeisjes zich liever in het
nagevolgde kleed der stadsjuffers steken, dan er prijs op stellen,
om de gewoonten en kleeding der vaderen in eere te houden. Alleen
de visschers- en arbeidersvrouwen maken, met hun witte, rondom het
hoofd sluitende, gehaakte mutsjes hierop nog een uitzondering. Langs
de rivier kan men haar op mooie avonden in groepjes van twee à drie
zoo hier en daar tegenover het huis vinden, de breikous in de hand,
met elkander de nieuwtjes van het dorp besprekend, den blik over de
schoone watervlakte weidend, terwijl op korten afstand de mannen zich
des Zaterdagsavonds, wanneer het visschen na zes uur is geëindigd of
anderen van de werkzaamheden tehuis zijn gekomen, zich daarnaast op
den dijk nederzetten, eveneens over de rivier starend. De rivier is
de lust en het leven van deze dorpsbewoners; vóór de spoortrein bij
Dordt over de Merwede snorde, was het water de eenige verkeersweg;
aan de rivier hebben zij nog de hoofdfactoren van hun ontwikkeling, de
hoofdbronnen van hun bestaan te danken. De rivier heeft de bevolking
tot scheepsbouw gebracht; de grienden langs de wateren hebben
hoepelmakerij doen ontstaan; de strijd tegen het water heeft hen tot
flinke waterwerkers gevormd, die vooral het zandwerk bij waterwerken
uitvoeren, en de ondernemingsgeest en het kapitaal van enkelen heeft
dezen aanleg in dienst genomen, om door het aannemen van groote werken
overal in den lande en zelfs in den vreemde, tot in Amerika toe, met
arbeiders uit deze streek de groote ondernemingen uit te voeren. In
den zomer zijn een groot aantal der arbeiders met de aannemers meest
naar de groote werken, doch in October keeren dezen met een zuur, doch
goed verdiend loon terug, om hier hun winterkwartieren te betrekken. De
verdiensten zijn voor hen wel groot, doch in de laatste jaren is er,
nu de aanzienlijkste groote werken der spoorwegen in Nederland zijn
uitgevoerd, herhaaldelijk met werkeloosheid te kampen.
In de eerste plaats betreden wij Papendrecht, schuin tegenover
Dordrecht gelegen, met ongeveer 3000 inwoners. Men meent, dat deze
plaats haar naam te danken zou hebben aan een veer of overtocht,
behoorende aan geestelijken of papen. De Hervormde kerk is een
flink gebouw.
Het grootste dorp is Sliedrecht, met ongeveer 10.000 inwoners,
ruim een uur gaans lang, dat meestal uit een dubbele rij huizen
bestaat. Het post- en telegraafkantoor is het sierlijkste gebouw;
de kerk is ruim gebouwd.
Hoewel Sliedrecht van ouden oorsprong is en reeds in 1064 in een
brief van Keizer Hendrik IV genoemd wordt, herinnert in het dorp
toch niets van dat verre verleden; het bestaat geheel uit moderne
huizen. Men meent, dat een gedeelte van het oude Sliedrecht met
den St. Elizabethsvloed van 1421 van het overige gedeelte is
afgescheurd. Het schijnt wel, dat dit afgescheurde gedeelte in
het tegenwoordige Kerkplaatje, tegenover het station tusschen de
Huibert-de-Baat's-plaat en den dijk, kan teruggevonden worden; die
naam zou dan op de kerk wijzen, welke hier eens stond. [11]
Bijna zonder afbreking der huizenrij komen wij in het dorp Giesendam,
gebouwd langs den Merwededijk en gedeeltelijk langs de Giesen, die hier
als binnenwater door een sluis met de Merwede in verbinding staat,
waar men echter alleen water door inlaat, om het water der slooten
binnendijks te ververschen, en kleine schepen doorschut. De Giesen was
oudtijds als een kil van de Merwede een open water; zelfs in de 11e
eeuw werd aan den mond der Giesen nog een scheepsstrijd geleverd. De
afsluiting door een dam en een sluis gaf ook hier aanleiding tot het
ontwikkelen van een dorp, dat in de kom ongeveer 1400 inw. telt.
De Giesen is door haar vele bochten een schilderachtig water,
rijker aan afwisseling dan de Graafstroom, en wordt ook veel door
landschapsschilders bezocht. Langs dit water vindt men de dorpen
Giesen-Oudkerk en Giesen-Nieuwkerk, Noordeloos, e. a. Hier lagen in
de oudheid aanzienlijke bezittingen der Heeren van Brederode, die
de heerlijkheid van Giesen hadden en wier landbezit zoo groot was,
dat zij van Noordeloos tot Dordrecht, naar men zeide, over eigen
land konden gaan. Men meent zelfs wel, dat hier in 't bijzonder de
heerlijkheid Brederode moet gezocht worden, hoewel dit niet uitsluit,
dat ook de bezittingen in Kennemerland daartoe behoorden.
Van Giesendam gaat men onmerkbaar in Hardingsveld over, eveneens
over een lengte van ± 1 uur langs den dijk gebouwd, het echte land
der grienden, die ge overal ruikt op den dijk, door de hooge mijten
van hoep- en teenhout.
De dijk van Hardingsveld heeft een bijzondere beteekenis gehad voor
de Alblasserwaard. Na de splitsing was hier de Beneden-Merwede
plotseling versmald en bij het losraken der rivier ontstond er
licht ijsverstopping. Dit had tengevolge, dat hier oudtijds vele
doorbraken in den dijk ontstonden, welke de overstrooming van de
geheele Alblasserwaard ten gevolge hadden. Om die gevaren af te
wenden, werd in 1738 een dijk gelegd, op een afstand van 200 roeden
van Schelluinersloot, die zich weder bij den Bandijk aansluit op de
plaats, waar thans het Kanaal van Steenenhoek uitwatert. Die dijk sloot
aldus een groot gedeelte van Hardingsveld af van de Alblasserwaard en
diende, om bij geval van doorbraak van den dijk te Hardingsveld het
water uit de Waard te keeren. Na den aanleg van dezen dijk heeft er
bij Hardingsveld geen doorbraak meer plaats gehad; toch was die dijk
van dienst bij de watervloeden in de Waard van 1740, 1809 en 1820,
toen deze een toevluchtsoord voor menschen en vee aanbood.
Wanneer wij het dorp Hardingsveld gepasseerd zijn, brengt de weg
ons naar het Zederikkanaal, gedeeltelijk over genoemden dijk, en
verder over den Kanaaldijk, tevens den Bandijk der rivier, die zich
tot 6,20 à 6,40 M. boven A. P. verheft en meer dan 6 meter boven het
achterliggende land rijst. Zoo bereiken wij
"'t Oord, waar de Merwe den wortel besproeit
Van Gorkums ondwingbare wallen,
En, 's winters heur baren verheffende, woelt,
Om beemden en wei te overvallen,
Met ramp te overstorten den weligen grond,
Waar 't adellijk slot der Van Arkels eens stond".