III. RONDOM EN DOOR DE ALBLASSERWAARD EN DE VIJFHEERENLANDEN.

Van den hoogen dijk buiten Vianen werpen wij een overzichtsblik

op het landschap, dat zich in stillen eenvoud uitstrekt langs de

oevers der Lek en waar men nog iets van het oude volkskarakter met het

conservatisme, dezen landbewoners zoo sterk eigen, vindt. Wij zien daar

land en volk nog bijna, gelijk M. C. van Hall die beschreef in 1811:

Hoeve en land,

Vliet en bosschen, rieten daken

Door Pomona mild omplant,

Waar, in grove pij gedoken,

't Bruingeel pijpjen aangestoken

Nijvre landman koning was,

't Zij men hem op 't paard zag rennen,

Ceres' schatten huiswaarts mennen,

't Zij de meester voor hem las.

Waar natuur langs beemd en weien

Milde giften lachend strooit,

En gezonde maagdenreien

Met den blos der onschuld tooit:

Waar eenvoudigheid van zeden,

Als een godheid aangebeden,

Outer en kapel bezat.

Hier, tusschen de Lek in het noorden, de Merwede (Boven- en

Beneden-Merwede) in het zuiden en de Noord in het westen, liggen de

Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, welke laatste in het oosten

door den Diefdijk en den Nieuwen Lingedijk worden gescheiden van de

Tielerwaard in Gelderland.

Als men over den Lekdijk, den Kinderdijk of den dijk langs de

Merwede wandelt en den blik laat weiden over het landschap, valt ons

onmiddellijk in het oog, dat de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden

een diepe inzinking vormen. Het is, of een machtige hand op de aarde

gelegd is, die dat deel nederdrukte, terwijl enkel de rivierdijken

bleven staan; of, anders: alsof de groote rivieren met hun dijken

rondom de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hoog boven het

land zijn opgebouwd, om de lage landen met een vaste borstwering

te omsluiten en tevens aan voortdurend gevaar bloot te stellen. De

borstwering der dijken is onmisbaar voor dit ketelland. Thans, op een

schoonen, stillen dag, in het hart van den zomer, liggen die rivieren

in droomerige rust, vreedzaam hun wateren voortstuwend naar de zee,

geregeld zelfs een gedeelte van den dag in het benedengedeelte

tegengehouden door den vloed van de zee, die òf de rivierwateren

opstuwt, òf zelfs het water van de breede riviermonden nog de rivier

doet oploopen, om met ebbe des te sneller af te stroomen. Maar toch,

in het oosten van de Waard ligt het land nog bijna 1 1/2 meter lager

dan de gemiddelde zomerwaterstand van de Lek, en in het westen,

bij Alblasserdam, zelfs tot 2 1/4 meter lager dan de aangrenzende

Lek tijdens zomerstand bij vloed. Wanneer wij hierbij bedenken,

dat de Lek bij hoogsten stand soms tot 4 meter boven den gemiddelden

waterstand rijst, dan wordt het ons duidelijk, dat bij winterstormen,

als de west-orkanen het zeewater niet alleen opstuwen langs onze kust,

maar ook opdrijven in de zeegaten en riviermonden, wanneer daarbij

gelijktijdig de rivieren een aanzienlijken afvoer van bovenwater

hebben, de geheele Alblasserwaard als een schip diep te midden van

de woedende golven ligt, die, als zij de overwinning behaalden,

het geheele land in een zee zouden herscheppen.

En toch, eens moet er een tijd geweest zijn, dat deze landen door

de armen der rivieren vrij doorstroomd werden, niet gebonden door

dijken en dammen. Zoo zullen de oudste bewoners deze landen gevonden

hebben in den aanvang der geschiedenis. Ongetwijfeld moet de algemeene

waterstand der rivieren in dien tijd lager geweest zijn, zooals wij

dat ook voor Holland leerden kennen, doch tevens mag men aannemen, dat

de eerste bewoners herhaaldelijk tegen het water hadden te strijden,

en dat de watertoestand veel te wenschen overliet.

"Strijd tegen het water" was het wachtwoord van de oudste bewoners

dezer landen. In de lage Alblasserwaard is de bedijking reeds zeer

vroeg begonnen; zeker is deze een der oudste bedijkingen van ons

land. Aanvankelijk was de bedijking niet zoo aaneensluitend als

tegenwoordig, en de landen van Hardingsveld, met Giesen-Nieuwkerk ten

Z.O., en die van Papendrecht, Alblas, Alblasserdam en Nieuw-Lekkerland

ten W., waren ieder op zichzelf bedijkt. Het oudste handvest, dat

op het dijkrecht dezer landen betrekking heeft, dagteekent van 1277,

doch reeds veel vroeger bestonden de afzonderlijke bedijkingen. Die

bedijkingen werden van lieverlede uitgebreid door nieuwe, en nadat in

1365 de landen van het watertje de Alblas binnen de bedijking gebracht

waren, verkreeg een grooter gebied allengs den naam van Alblasserwaard.

De strijd tegen het water werd ook in deze landen het gemeenschappelijk

belang, dat de bewoners vereenigde tot een bepaald doel en binnen

een bepaalden kring, doch niet verder en niet in uitgebreider

beteekenis. Door die vereeniging van polders ontstond het

Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard, een hoofdwaterschap, dat

alle landen tusschen Lek, Noord en Merwede ten westen van de Zouwe- en

Bareldijken en den rechter Lingedijk van Arkelschendam tot Gorinchem

omvat, en bij genoemden giftbrief van 1277 erkend werd, doch zeker

ouder is.

Ten oosten van de Alblasserwaard tot den Diefdijk, die het water van

de beneden-Betuwe bij een mogelijke overstrooming aldaar tegenhoudt,

ligt het gebied der Vijfheerenlanden, welk Hoogheemraadschap reeds

in 1284 schijnt te hebben bestaan en genoemd is naar de vijf Heeren,

die hier oudtijds het gezag uitoefenden, nl. Arkel (boven de Zouwe),

Vianen, Hagestein, Everdingen en Ter-Leede (Leerdam).

Deze beide machtige Hoogheemraadschappen hebben de zorg voor de

zware waterkeerende dijken in het geheele gebied in handen; zij

houden voortdurend den zorgvollen blik gewend op de grenzen van hun

rechtsgebied en op den vijand daarbuiten, die nimmer te vertrouwen

valt. Zelfs in tijden van watervrede, zooals thans in het hart van

den zomer, rusten de Hoogheemraadschappen niet, maar houden zij het

"Si vis pacem para bellum" steeds in gedachten en bereiden zich ten

strijde. Maar als de stormwind over de gezwollen wateren giert of

ijsdammen en kruiende rivieren de banen der stroomen dreigen op te

drijven over het lage land en gereed staan, de resultaten van eeuwen

arbeids en het bestaan van duizenden bewoners te vernietigen, dan

vergaderen de Hoogheemraden in het Gemeenelandshuis op den dijk, dag

en nacht de grenzen bewakend en hun leger onder de wapenen houdend,

om op het eerste sein van een beslissenden aanval gereed te zijn tot

de verdediging van den vaderlandschen grond.

Herhaaldelijk is dit gewest in den loop der eeuwen aan

overstroomingen ten prooi geweest. Wij noemen enkel de jaartallen,

om een begrip te geven van de geschiedenis van dien worstelstrijd

met het element, doch kunnen bij de bijzonderheden dier rampen niet

stilstaan. Overstroomingen hadden hier plaats 1 Nov. 1470, in 1530,

1532, 1552, 1565, 1570, 1571, 1573, 1577, 1595, 1599, 1658, 1663,

1682, 1709, 1726, 1740, 1741, 1744, 1809 en 1820. Na 1820 hebben

er geen nieuwe doorbraken plaats gehad en acht men er zich vrij

veilig. Maar toch zijn enkele oude boeren, door overlevering met het

verleden bekend, nog steeds gewoon, om voorzorgsmaatregelen tegen

overstrooming te nemen. Zoo vindt men in het plaatsje Nieuwpoort

aan de Lek, dat door dijken en hooge ligging bij overstrooming een

veilig toevluchtsoord vormt, onderscheidene schuren en huizen; welke

het eigendom zijn van boeren uit den omtrek, die er jaarlijks eenig

hooi bergen, enkel voor het mogelijke geval, dat overstrooming hen

noodzaakt, voor hun vee en hun gezin hier een toevlucht te zoeken.

Wij volgen thans den kronkelenden Lekdijk, die tusschen de schoone

graslanden der uiterwaarden en der polders, hier en daar afgewisseld

met ruige griendbosschen, in bevallige bochten voortslingert op

eenigen afstand van de rivier en van zijn hooge kruin, welke tot 5

à 5 1/2 meter + A. P. ligt, een schoon uitzicht geeft op het thans

zoo rustige water en het heerlijke landschap achter den dijk.

Voorbij het gehucht Helsdingen, op korten afstand van den dijk,

voorbij het nette dorp Leksmond, met een fraaie Herv. kerk, en langs

het gehucht Kersbergen bereiken wij weldra Ameide, in de buurt veelal

Ter-Mey geheeten.

Ameide is een net, vriendelijk plaatsje, stadsachtig gebouwd, met

nette, burgerlijke huizen aan den binnenkant en tegen den Lekdijk

gelegen, met ruim 1500 inwoners, die in mandenmakerij en teenwerken,

in landbouw en veeteelt bronnen van bestaan vinden. De paardenmarkt

te Ameide wordt wel niet zoo druk meer bezocht als vroeger, maar

is toch een der belangrijkste uit de provincie. Van den Lekdijk

valt onmiddellijk de breede hoofdstraat van het dorp in het oog, in

welker midden het Raadhuis staat, eenigszins in Oud-Hollandschen stijl

opgetrokken. Aan den achterkant van het dorp ligt het zindelijk gewitte

kerkje, met zijn lagen toren, geheel in de schaduw der olmen, terwijl

een ooievaarspaar zijn zomerwoning op de kerk elk jaar getrouw bezoekt.

Ameide was voorheen een stadje, van poorten voorzien; men weet het niet

zeker, maar waarschijnlijk werd het reeds in 1527 door de Utrechtschen

ontmanteld, toen dezen Ameide namen. In den oorlog tusschen Otto,

Heer van Arkel, en Hendrik, Heer van Vianen, werd Ameide geheel in

de asch gelegd; eveneens werd het dorp in 1672 door de Franschen

afgebrand. Alleen de kerk bleef destijds gespaard.

Langs den Lekdijk bereiken wij na weinige minuten het kleine dorp

Tienhoven. Vroeger lag het slot Herlaar, ook wel het slot te Ameide

genoemd, tusschen Ameide en Tienhoven, niet ver van den oever der

Lek. Eenige notenboomen, ten oosten van Tienhoven, wijzen de plek

aan, waar het oude slot gestaan heeft. In het midden der 18e eeuw

vond men er enkel nog een stuk muur van het oude slot, waarnaast een

nieuw gebouw was opgericht, het "Huis te Herlaar" geheeten, dat thans

ook verdwenen is.

Verder den Lekdijk volgende, komen wij voorbij het dorpje Langerak,

waar vroeger het adellijk Huis Langerak stond, dat van de 13e tot de

16e eeuw door het geslacht der Langerak's, later door de Boetzelaar's

bezeten werd, doch in het laatst der 18e eeuw is gesloopt.

Binnen enkele minuten staan wij voor de poorten van

Nieuwpoort. Inderdaad heeft dit stadje nog overblijfselen van

wallen en grachten, doch de eerste zijn ten deele geslecht en met

boomen beplant geworden, waardoor van verre Nieuwpoort als in een

bosch verscholen schijnt te liggen. Oudtijds is Nieuwpoort een stad

geweest, in 1402 zelfs tamelijk bevolkt; het had bierbrouwerijen en

oliemolens. Hoewel Nieuwpoort achteruit ging, heeft het toch lang

zijn stadsrechten behouden; in 1673 werd het zelfs opnieuw versterkt

wegens den oorlog tegen de Franschen, zooals de poort aan den kant

van de Alblasserwaard aanduidt door het opschrift:

PRO DEFENDENDA RELIGIONE ET LIBERTATE PATRIAE HAEC

URBS FOSSIS MOENIBUSQUE EST CIRCUMDATA

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 25 / 74 题