Van den hoogen dijk buiten Vianen werpen wij een overzichtsblik
op het landschap, dat zich in stillen eenvoud uitstrekt langs de
oevers der Lek en waar men nog iets van het oude volkskarakter met het
conservatisme, dezen landbewoners zoo sterk eigen, vindt. Wij zien daar
land en volk nog bijna, gelijk M. C. van Hall die beschreef in 1811:
Hoeve en land,
Vliet en bosschen, rieten daken
Door Pomona mild omplant,
Waar, in grove pij gedoken,
't Bruingeel pijpjen aangestoken
Nijvre landman koning was,
't Zij men hem op 't paard zag rennen,
Ceres' schatten huiswaarts mennen,
't Zij de meester voor hem las.
Waar natuur langs beemd en weien
Milde giften lachend strooit,
En gezonde maagdenreien
Met den blos der onschuld tooit:
Waar eenvoudigheid van zeden,
Als een godheid aangebeden,
Outer en kapel bezat.
Hier, tusschen de Lek in het noorden, de Merwede (Boven- en
Beneden-Merwede) in het zuiden en de Noord in het westen, liggen de
Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, welke laatste in het oosten
door den Diefdijk en den Nieuwen Lingedijk worden gescheiden van de
Tielerwaard in Gelderland.
Als men over den Lekdijk, den Kinderdijk of den dijk langs de
Merwede wandelt en den blik laat weiden over het landschap, valt ons
onmiddellijk in het oog, dat de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden
een diepe inzinking vormen. Het is, of een machtige hand op de aarde
gelegd is, die dat deel nederdrukte, terwijl enkel de rivierdijken
bleven staan; of, anders: alsof de groote rivieren met hun dijken
rondom de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hoog boven het
land zijn opgebouwd, om de lage landen met een vaste borstwering
te omsluiten en tevens aan voortdurend gevaar bloot te stellen. De
borstwering der dijken is onmisbaar voor dit ketelland. Thans, op een
schoonen, stillen dag, in het hart van den zomer, liggen die rivieren
in droomerige rust, vreedzaam hun wateren voortstuwend naar de zee,
geregeld zelfs een gedeelte van den dag in het benedengedeelte
tegengehouden door den vloed van de zee, die òf de rivierwateren
opstuwt, òf zelfs het water van de breede riviermonden nog de rivier
doet oploopen, om met ebbe des te sneller af te stroomen. Maar toch,
in het oosten van de Waard ligt het land nog bijna 1 1/2 meter lager
dan de gemiddelde zomerwaterstand van de Lek, en in het westen,
bij Alblasserdam, zelfs tot 2 1/4 meter lager dan de aangrenzende
Lek tijdens zomerstand bij vloed. Wanneer wij hierbij bedenken,
dat de Lek bij hoogsten stand soms tot 4 meter boven den gemiddelden
waterstand rijst, dan wordt het ons duidelijk, dat bij winterstormen,
als de west-orkanen het zeewater niet alleen opstuwen langs onze kust,
maar ook opdrijven in de zeegaten en riviermonden, wanneer daarbij
gelijktijdig de rivieren een aanzienlijken afvoer van bovenwater
hebben, de geheele Alblasserwaard als een schip diep te midden van
de woedende golven ligt, die, als zij de overwinning behaalden,
het geheele land in een zee zouden herscheppen.
En toch, eens moet er een tijd geweest zijn, dat deze landen door
de armen der rivieren vrij doorstroomd werden, niet gebonden door
dijken en dammen. Zoo zullen de oudste bewoners deze landen gevonden
hebben in den aanvang der geschiedenis. Ongetwijfeld moet de algemeene
waterstand der rivieren in dien tijd lager geweest zijn, zooals wij
dat ook voor Holland leerden kennen, doch tevens mag men aannemen, dat
de eerste bewoners herhaaldelijk tegen het water hadden te strijden,
en dat de watertoestand veel te wenschen overliet.
"Strijd tegen het water" was het wachtwoord van de oudste bewoners
dezer landen. In de lage Alblasserwaard is de bedijking reeds zeer
vroeg begonnen; zeker is deze een der oudste bedijkingen van ons
land. Aanvankelijk was de bedijking niet zoo aaneensluitend als
tegenwoordig, en de landen van Hardingsveld, met Giesen-Nieuwkerk ten
Z.O., en die van Papendrecht, Alblas, Alblasserdam en Nieuw-Lekkerland
ten W., waren ieder op zichzelf bedijkt. Het oudste handvest, dat
op het dijkrecht dezer landen betrekking heeft, dagteekent van 1277,
doch reeds veel vroeger bestonden de afzonderlijke bedijkingen. Die
bedijkingen werden van lieverlede uitgebreid door nieuwe, en nadat in
1365 de landen van het watertje de Alblas binnen de bedijking gebracht
waren, verkreeg een grooter gebied allengs den naam van Alblasserwaard.
De strijd tegen het water werd ook in deze landen het gemeenschappelijk
belang, dat de bewoners vereenigde tot een bepaald doel en binnen
een bepaalden kring, doch niet verder en niet in uitgebreider
beteekenis. Door die vereeniging van polders ontstond het
Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard, een hoofdwaterschap, dat
alle landen tusschen Lek, Noord en Merwede ten westen van de Zouwe- en
Bareldijken en den rechter Lingedijk van Arkelschendam tot Gorinchem
omvat, en bij genoemden giftbrief van 1277 erkend werd, doch zeker
ouder is.
Ten oosten van de Alblasserwaard tot den Diefdijk, die het water van
de beneden-Betuwe bij een mogelijke overstrooming aldaar tegenhoudt,
ligt het gebied der Vijfheerenlanden, welk Hoogheemraadschap reeds
in 1284 schijnt te hebben bestaan en genoemd is naar de vijf Heeren,
die hier oudtijds het gezag uitoefenden, nl. Arkel (boven de Zouwe),
Vianen, Hagestein, Everdingen en Ter-Leede (Leerdam).
Deze beide machtige Hoogheemraadschappen hebben de zorg voor de
zware waterkeerende dijken in het geheele gebied in handen; zij
houden voortdurend den zorgvollen blik gewend op de grenzen van hun
rechtsgebied en op den vijand daarbuiten, die nimmer te vertrouwen
valt. Zelfs in tijden van watervrede, zooals thans in het hart van
den zomer, rusten de Hoogheemraadschappen niet, maar houden zij het
"Si vis pacem para bellum" steeds in gedachten en bereiden zich ten
strijde. Maar als de stormwind over de gezwollen wateren giert of
ijsdammen en kruiende rivieren de banen der stroomen dreigen op te
drijven over het lage land en gereed staan, de resultaten van eeuwen
arbeids en het bestaan van duizenden bewoners te vernietigen, dan
vergaderen de Hoogheemraden in het Gemeenelandshuis op den dijk, dag
en nacht de grenzen bewakend en hun leger onder de wapenen houdend,
om op het eerste sein van een beslissenden aanval gereed te zijn tot
de verdediging van den vaderlandschen grond.
Herhaaldelijk is dit gewest in den loop der eeuwen aan
overstroomingen ten prooi geweest. Wij noemen enkel de jaartallen,
om een begrip te geven van de geschiedenis van dien worstelstrijd
met het element, doch kunnen bij de bijzonderheden dier rampen niet
stilstaan. Overstroomingen hadden hier plaats 1 Nov. 1470, in 1530,
1532, 1552, 1565, 1570, 1571, 1573, 1577, 1595, 1599, 1658, 1663,
1682, 1709, 1726, 1740, 1741, 1744, 1809 en 1820. Na 1820 hebben
er geen nieuwe doorbraken plaats gehad en acht men er zich vrij
veilig. Maar toch zijn enkele oude boeren, door overlevering met het
verleden bekend, nog steeds gewoon, om voorzorgsmaatregelen tegen
overstrooming te nemen. Zoo vindt men in het plaatsje Nieuwpoort
aan de Lek, dat door dijken en hooge ligging bij overstrooming een
veilig toevluchtsoord vormt, onderscheidene schuren en huizen; welke
het eigendom zijn van boeren uit den omtrek, die er jaarlijks eenig
hooi bergen, enkel voor het mogelijke geval, dat overstrooming hen
noodzaakt, voor hun vee en hun gezin hier een toevlucht te zoeken.
Wij volgen thans den kronkelenden Lekdijk, die tusschen de schoone
graslanden der uiterwaarden en der polders, hier en daar afgewisseld
met ruige griendbosschen, in bevallige bochten voortslingert op
eenigen afstand van de rivier en van zijn hooge kruin, welke tot 5
à 5 1/2 meter + A. P. ligt, een schoon uitzicht geeft op het thans
zoo rustige water en het heerlijke landschap achter den dijk.
Voorbij het gehucht Helsdingen, op korten afstand van den dijk,
voorbij het nette dorp Leksmond, met een fraaie Herv. kerk, en langs
het gehucht Kersbergen bereiken wij weldra Ameide, in de buurt veelal
Ter-Mey geheeten.
Ameide is een net, vriendelijk plaatsje, stadsachtig gebouwd, met
nette, burgerlijke huizen aan den binnenkant en tegen den Lekdijk
gelegen, met ruim 1500 inwoners, die in mandenmakerij en teenwerken,
in landbouw en veeteelt bronnen van bestaan vinden. De paardenmarkt
te Ameide wordt wel niet zoo druk meer bezocht als vroeger, maar
is toch een der belangrijkste uit de provincie. Van den Lekdijk
valt onmiddellijk de breede hoofdstraat van het dorp in het oog, in
welker midden het Raadhuis staat, eenigszins in Oud-Hollandschen stijl
opgetrokken. Aan den achterkant van het dorp ligt het zindelijk gewitte
kerkje, met zijn lagen toren, geheel in de schaduw der olmen, terwijl
een ooievaarspaar zijn zomerwoning op de kerk elk jaar getrouw bezoekt.
Ameide was voorheen een stadje, van poorten voorzien; men weet het niet
zeker, maar waarschijnlijk werd het reeds in 1527 door de Utrechtschen
ontmanteld, toen dezen Ameide namen. In den oorlog tusschen Otto,
Heer van Arkel, en Hendrik, Heer van Vianen, werd Ameide geheel in
de asch gelegd; eveneens werd het dorp in 1672 door de Franschen
afgebrand. Alleen de kerk bleef destijds gespaard.
Langs den Lekdijk bereiken wij na weinige minuten het kleine dorp
Tienhoven. Vroeger lag het slot Herlaar, ook wel het slot te Ameide
genoemd, tusschen Ameide en Tienhoven, niet ver van den oever der
Lek. Eenige notenboomen, ten oosten van Tienhoven, wijzen de plek
aan, waar het oude slot gestaan heeft. In het midden der 18e eeuw
vond men er enkel nog een stuk muur van het oude slot, waarnaast een
nieuw gebouw was opgericht, het "Huis te Herlaar" geheeten, dat thans
ook verdwenen is.
Verder den Lekdijk volgende, komen wij voorbij het dorpje Langerak,
waar vroeger het adellijk Huis Langerak stond, dat van de 13e tot de
16e eeuw door het geslacht der Langerak's, later door de Boetzelaar's
bezeten werd, doch in het laatst der 18e eeuw is gesloopt.
Binnen enkele minuten staan wij voor de poorten van
Nieuwpoort. Inderdaad heeft dit stadje nog overblijfselen van
wallen en grachten, doch de eerste zijn ten deele geslecht en met
boomen beplant geworden, waardoor van verre Nieuwpoort als in een
bosch verscholen schijnt te liggen. Oudtijds is Nieuwpoort een stad
geweest, in 1402 zelfs tamelijk bevolkt; het had bierbrouwerijen en
oliemolens. Hoewel Nieuwpoort achteruit ging, heeft het toch lang
zijn stadsrechten behouden; in 1673 werd het zelfs opnieuw versterkt
wegens den oorlog tegen de Franschen, zooals de poort aan den kant
van de Alblasserwaard aanduidt door het opschrift:
PRO DEFENDENDA RELIGIONE ET LIBERTATE PATRIAE HAEC
URBS FOSSIS MOENIBUSQUE EST CIRCUMDATA