Na dit zijuitstapje keeren wij langs den hoogen Lekdijk naar Vreeswijk
terug tot de plek, waar de torenspitsen van IJselstein in het noorden
op eenigen afstand uit het vlakke grasland verrijzen. Wij dalen
den dijk af; de schipbrug voert ons over de rivier en wij staan,
na een klein, armoedig voorstadje en een oude poort gepasseerd te
zijn, op de breede Voorstraat van het oude stedeke Vianen. De zware,
klassieke stadspomp, die hier voor enkele jaren in het midden nog
verrees, vindt men er thans niet meer; zij is naar het Rijksmuseum
te Amsterdam verhuisd.
De Voorstraat is omringd door flinke, nette huizen. In de eerste plaats
valt het Stadhuis in het oog met zijn eigenaardigen hardsteenen gevel
en een achthoekig, laag torentje in een zijstraat. Een ruime vestibule,
met beelden en zolderbetimmering, geeft toegang tot het gebouw.
De kerk (Hervormde) te Vianen is een groot gebouw met een zwaren,
vierkanten toren en een lage, vierkante spits. De eerste kapel
te Vianen werd door Zweder van Vianen Huibrechtszoon gesticht, om
daarin op een draagaltaar te bidden, te prediken en de missen te
lezen. Doch in deze kerk mochten geen kinderen gedoopt, noch dooden
begraven worden; de lijken moesten gebracht worden in de kerk te
Hagestein (op korten afstand ten oosten), waar ook de sacramenten
werden toegediend. Toen Vianen zich uitbreidde, werd de kerk in
1345 tot Parochiekerk verheven, doch onder voorwaarde, dat die te
Hagestein als de moederkerk moest erkend blijven. Deze kerk werd
ter nagedachtenis van Maria's hemelvaart ingewijd. Bezienswaardig is
in de kerk de aanzienlijke graftombe van heer Reinoud van Brederode
(vader van den bekenden Hendrik). Toen deze in 1556 te Brussel was
overleden, werd zijn lijk herwaarts overgebracht, waar hij met zijn
echtgenoote, Philippote van der Mark, begraven werd. Een houten hek
omringt het graf, dat overdekt wordt door een antiek bewerkt gehemelte,
op acht kolommen rustend en keurig beschilderd. De tombe zelf rust
op een massieve, zwart marmeren grondplaat, waarop een levensgroot
mannelijk geraamte op een zeer natuurlijk gebeitelde mat ligt. Rondom
staan kolommen van steen en op deze rust een massieve, zwart marmeren
plaat met de levensgroote, fijn gebeitelde afbeeldsels der lijken
van den Graaf en de Gravinne, rustende op kussens. Vier engelen met
tropeeën omringen de slapenden en onderscheidene wapenschilden wijzen
den hoogen rang aan van het geslacht der Brederodes.
Vianen is thans een stil, vergeten stadje, met een rustig, landelijk
karakter. In verschillende straten wonen zelfs landbouwers. Van
de oude vestingwerken is weinig anders meer over dan de Lekpoort,
bovengenoemd; eenige kanonnen op den dijk, naar de rivier gericht,
zijn hier geplaatst om bij ijsgang dienst te doen.
Het slot Batenstein ten westen van Vianen, doch door een gracht er
van gescheiden, dat in 1370 door Gijsbrecht van Vianen gebouwd en
naar zijn echtgenoote Beatrix of Bate (dochter van Jan XIX, Heer
van Egmond) genoemd werd, met een grooten, zwaren toren, St. Pol of
Simpel geheeten, die zonder vensters en van binnen zonder woning was,
is in het midden der 18e eeuw door een ongeluk zoo goed als afgebrand.
Alleen bleef toen nog over:
Een grafelijke toren,
Het overschot van vroeger eeuw,
Toen Hollands fiere vrijheidsleeuw
Zijn brulstem hier deed hooren;
Toen Brederodes edel bloed
Vianen als zijn have en goed
Veredelde en versierde.
Toen steeds een fiere ridderdrom,
De bloem van Hollands adeldom,
Langs zijne vesten zwierde.
Die toren spiegelt zich in 't nat,
Des Lekstrooms, die hier bij de stad
Op kleinen afstand heenvloeit,
Terwijl een schaduwrijk geboomt
Langs de aarden wal, die 't slot omzoomt,
Rondomme welig opgroeit.
Zoo was het overblijfsel van het slot nog in 't begin der 19e eeuw,
toen Ockerse er een romance aan verbond. Maar thans is er niets
meer van over; in eenige tuinen wordt enkel de plaats aangewezen,
waar het trotsche gebouw eenmaal gestaan heeft.
Tegenwoordig levert Vianen weinig belangrijks meer op. Hoepelmakerij,
steenbakkerij, mattenmakerijen, landbouw en veeteelt, handel in ooft en
kersen zijn de hoofdbronnen van bestaan voor het stille stadje. Enkele
historische herinneringen zijn nog aan deze plek verbonden, waarbij wij
kortelijk willen stilstaan, vóór wij de plaats verlaten. De twisten
der heeren van het slot Batenstein zullen wij niet gedenken; alleen
mogen wij er op wijzen, dat de ligging op de grens van Holland en
Utrecht Vianen herhaaldelijk in gevaar bracht. In 1567 deed Hendrik
van Brederode het slot van Vianen, op raad van den Prins van Oranje,
versterken, terwijl de anti-Katholieken het van krijgsbehoeften en
mondvoorraad voorzagen. In 1672 werd Vianen door de Franschen bezet
en voor 9 à 10.000 gulden gebrandschat; in 1787 werd het geplunderd
door de Pruisen. De beroemde generaal La Fayette, een der helden
van de groote Fransche revolutie, die na zijn gevangenzetting door
de Oostenrijkers te Olmütz in 1797 op vrije voeten gesteld werd,
is eenigen tijd op den huize Buitenlust te Vianen woonachtig geweest.
Het land van Vianen was vanouds een vrije heerlijkheid en behoorde
aanvankelijk tot het graafschap Teisterbant. De heerlijkheid had haar
oorsprong in het bouwen van het slot, Vianen geheeten, door Zweder,
een der jongere zonen uit den huize Kuilenburg, in 1213, of volgens
anderen reeds in 1190.
Na het bouwen van dit slot breidde zich het in de nabijheid gelegen
dorp Heelsloot uit en de Heeren van het slot noemden zich eerst Heeren
van Heelsloot, later van Bosichem en eindelijk van Vianen. Nadat dit
oude slot was afgebroken, werd in 1370 het slot Batenstein gesticht. In
1418 kwam de heerlijkheid door aanhuwelijking aan het doorluchtig huis
van Brederode, aan welk geslacht zij bleef tot 1679, toen Wolfert
van Brederode, de laatste uit dit geslacht, ongehuwd overleed. Toen
door aanhuwelijking de heerlijke goederen van Vianen eindelijk aan den
Graaf van Lippe Detmolt gekomen waren en zijn kleinzoon Simon Hendrik
Adolf niet ongeneigd was deze heerlijkheid aan een vreemden vorst te
verkoopen, wisten de Staten van Holland en West-Friesland haar door
koop te verkrijgen, om te voorkomen, dat een vreemde vorst binnen hun
provincie toegang verkreeg. Zoo werd de heerlijkheid Vianen in 1725
met al haar gerechtigheden voor de som van 898.200 gulden verkocht
en den 2en November van dat jaar geschiedde met veel plechtigheid de
huldiging van den nieuwen Heer.
De Heeren van Brederode hebben de Heerlijkheid Vianen altijd als
onafhankelijk beschouwd van eenige oppermacht en verklaarden "dat zij
deze alleen hielden van den God van Hemelrijk, Zonne en Maan", een
verklaring, die van de zijde van Utrecht heftig protest uitlokte. De
Heeren van Vianen boden op hun gebied ook niet zelden een veilige
schuilplaats aan de vijanden van den Bisschop. Toen Karel V, op verzoek
van Reinoud van Brederode, Vianen tot een graafschap wilde verheffen,
doch op voorwaarde, dat de Heer van Vianen aan den Keizer als Graaf van
Holland trouw en hulde zou zweren, in zaken van justitie onder den Raad
van Holland zou staan en in alle souvereiniteit daaraan onderdanig,
nam de souvereine Heer die voorwaarde niet aan. Herhaaldelijk hebben
de Heeren van Vianen hun souvereiniteitsrechten verdedigd tegenover
Utrecht, Filips II, Holland e. a. Door deze zelfstandigheid was
Vianen een vrijplaats, waar uitgewekenen om schulden een veilig
toevluchtsoord vonden. Dat hiervan nogal gebruik gemaakt werd, blijkt
uit de spreekwijze: "hij is naar Vianen", welke wij nog voor een
dertigtal jaren in het noorden van ons land hoorden, en die in het
begin der 19e eeuw te Amsterdam algemeen was, om een bankroetier aan
te duiden, van wiens schulden niets terecht zou komen. Vianen had in
den volksmond dien slechten naam vooral gekregen in de periode van den
windhandel (1720). In dien tijd toch werd Vianen door hekeldichters
met spot genoemd als het toevluchtsoord der actionisten. In een
tooneelstukje uit die dagen werden de actionisten voorgesteld als
"reisvaardig naar Vianen", dat het eind der "windnegocie" zou zijn.
Een man antwoordt daarin op de bedenkingen van zijn vrouw over zijn
dobbelspel:
Hoor, vrouw, al die napraat dient nergens voor als om mij te
verstoren; Ik heb, als al de rest, mijn geld geavontuurd, en ben
ik 't kwijt, ik heb nog moed, Want een eerlijk bankroet of een
reisje naar Vianen maakt al die achterstalten goed.
De Heeren van Vianen hadden over deze heerlijkheid een gerechtshof,
recht doende in hoogste ressort. Ook die van Ameide, Meerkerk en
Tienhoven stonden hiervoor terecht. Vianen, als hoofdplaats der
heerlijkheid, had daaraan mede zijn opkomst te danken. Hoewel Holland
steeds de souvereiniteit der Heeren van Vianen bestreden had, hield
het zelf toch stipt daaraan vast, toen het deze heerlijkheid in 1725
had gekocht, en de Staten van Holland en West-Friesland noemden zich
sedert ook "Souvereinen van Vianen, Ameide en onderhoorige Domeinen".