Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar
Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per
stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen
Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte
lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om
Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want
Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld
aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen
driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt
hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen
rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het
land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog;
alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.
De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee
op de weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons
reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen
en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam
vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden,
die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men
zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk,
groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur
der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de
overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen,
worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg
van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en
gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.
Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van
pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim
25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden
van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft,
Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.
De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen
afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit
evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige
stadsgedeelten bezit, al zal men de plaats juist niet om haar stedelijk
schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich
de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen
en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten
aan en enkele merkwaardige gebouwen.
De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding
vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de
jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen,
die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn,
jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het
bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen
van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de
productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig
op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen
meer geproduceerd dan vroeger.
Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje
met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch,
helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op
meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.
Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met
dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop
een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op
het dak uitkomt.
Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd,
thans in 't bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe
zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd
ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen
is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54
Meter verrijzende.
Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren
portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere
van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich
gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als
voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte
voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door
een straatnaam bewaard.
Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke
kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de
Heilige Liduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam
reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm
van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk,
die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende
dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen
dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de
lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of
koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een
doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door
het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren
staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal
der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen
IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.
Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar
eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke
molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats
der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks,
die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds
zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar
economisch voordeeliger stoommolens.
Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde
stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord
voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele
en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt
tusschen twee straten, bebouwd met ten deele zeer flinke woningen,
die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten
van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898
gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina's inhuldiging,
een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.
De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die
van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam
van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden
van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat
leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich
een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier,
met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden
aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker-
en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier
ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond
verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek "Apollo" en is
er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.
Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de
bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De
spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige,
bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in 't bijzonder. De
brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok,
zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels,
is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de
"gistkladders", die de gist verpakken voor de verzending, de
zakkendragers, de graanmeters, en de "stukkenrollers", die de
reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten
voortrollen.
Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij
de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis,
de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij
het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond
een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis "te Rivier",
d. i. aan de rivier, later het "Huis van Mathenesse" genoemd, heeft
gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt;
omstreeks het eerste vierde deel der 16e eeuw was het kasteel reeds tot
een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de
stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele
overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van
dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant
eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om
het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed
aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van
de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich
eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenal
schijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland
te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk
begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den
Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.
Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid
verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt
te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen
van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke
mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden
in dien tijd.
De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de
hoofdzaak, hoewel in de 16e eeuw ook onderscheidene fabrieken in deze
stad waren verrezen. In het eind der 16e eeuw werden hier ter stede
korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel,
en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere
fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen
in de 18e eeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen
in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw
bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen
noemden wij reeds op pag. 96.
De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in
Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In
1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.