II. SCHIEDAM.

Van Rotterdam richten wij ons naar de tweede Maasstad, naar

Schiedam. Wij kunnen Schiedam bereiken per boot over de rivier, per

stoomtram, per spoor en wie wandelen wil, volge den Schiedamschen

Zeedijk, over Delfshaven. Veel afwisseling biedt deze weg, in rechte

lijn door graslanden loopend, niet aan; alleen is het een voorrecht, om

Schiedam in zijn eigenaardige gedaante vóór zich te zien liggen. Want

Schiedam heeft een karakteristieke stadsuitbreiding juist tegengesteld

aan die van Rotterdam. Schiedam toch heeft de gedaante van een hoogen

driehoek met scherp toeloopende spits, de basis van den driehoek ligt

hier niet naar de rivier, maar landwaarts, en de spits vormen de huizen

rechts aan de voorhaven bij de Maas. Het hart van Schiedam is in het

land gebleven, ook nadat de rivier zich verder van de stad afboog;

alleen de haven van Schiedam is de wijkende rivier gevolgd.

De weilanden om Schiedam, met de spoelingbakken, waarin het rundvee

op de weiden mestvoedsel van de branderijen ontvangt, wijst ons

reeds aan, dat wij de brandersstad naderen. De rookende pijpen

en zwarte schoorsteenen, de gele en grijze huizen van Schiedam

vormen een scherp contrast met het frissche groen der graslanden,

die de stad aan alle zijden omsluiten, en onwillekeurig vraagt men

zich af, hoe die zwarte stad kon ontstaan in zulk een heerlijk,

groen landschap. De invloed van het landschap op de lievelingskleur

der bewoners, in Noord-Holland zoo kenmerkend, gaat hier onder in de

overheerschende macht der industrie. En als wij Schiedam doorwandelen,

worden wij voortdurend getroffen door de rookende grachten, een gevolg

van het afvoerwater der branderijen, en door den reuk van gistend en

gekelderd gedistilleerd, die de lucht in enkele buurten geheel vervult.

Schiedam kenmerkt zich in zijn bouw door een zekere mate van

pooverheid, die vooral uitkomt, als men bedenkt, dat deze stad ruim

25000 inwoners telt. Een vergelijking van den stadsbouw met steden

van ongeveer dezelfde grootte als Deventer, Zutfen, Zwolle, Delft,

Gouda, Middelburg enz. valt beslist ten nadeele van Schiedam uit.

De branderijen ziet men dikwijls de rij van flinke, nette woonhuizen

afbreken op een wijze, die het oog onaangenaam aandoet. Dit sluit

evenwel niet uit, dat ook Schiedam eigenaardige en bezienswaardige

stadsgedeelten bezit, al zal men de plaats juist niet om haar stedelijk

schoon bezoeken. De havens in de stad, de centrale lijnen, waaraan zich

de bedrijvigheid concentreert, zijn karakteristiek met hun pakhuizen

en fabrieken en bieden zoo hier en daar ook schilderachtige gezichten

aan en enkele merkwaardige gebouwen.

De Beurs is een flink gebouw tegenover de sluizen, die een verbinding

vormen van het water der Schie met dat van de Maas. Daar heeft de

jeneverhandel plaats; elken middag wordt de Beurs bezocht door hen,

die bij den jeneverhandel geïnteresseerd zijn. De prijzen van moutwijn,

jenever en gist worden hier gesteld voor geheel Nederland. En al is het

bedrijf iets achteruitgegaan, al verminderde het aantal branderijen

van 388, die er nog in 1882 gevonden werden, tot 180, toch is de

productie niet in dezelfde mate geslonken. Zij berust tegenwoordig

op gezonder grondslag; er wordt door de thans bestaande branderijen

meer geproduceerd dan vroeger.

Een typisch, ouderwetsch geveltje vertoont het Zakkendragershuisje

met zijn torentje, dat zoo aardig tegenover het water uitkomt, doch,

helaas! uiterst vervallen is. Men kan in het oude Schiedam nog op

meer typische gebouwtjes of geveltjes wijzen.

Het marktplein der stad is klein. Hier ziet men het stadhuis met

dubbel bordes en een gevel van het Vlaamsche cartouche-type, waarop

een beeld der gerechtigheid verrijst, terwijl een hoog torentje op

het dak uitkomt.

Een flink gebouw is de Groote kerk, vroeger aan St. Jan gewijd,

thans in 't bezit der Hervormden; de eerste grondslagen hiertoe

zijn waarschijnlijk gelegd in 1335, terwijl zij pas in 1425 werd

ingewijd. Het is een gebouw in laat-Gothischen stijl. Ten westen

is de zware toren tegen de kerk aangebouwd, tot een hoogte van 54

Meter verrijzende.

Aan een der pilaren op toetssteen, omringd door een wit marmeren

portiek in Jonischen stijl, vindt men een grafschrift ter eere

van Cornelis Haga, die in 1578 te Schiedam werd geboren en zich

gedurende 28 jaren als gezant te Constantinopel en later als

voorzitter in de hoogste Raadzaal des lands verdienstelijk maakte

voor den lande. Schiedam heeft de nagedachtenis van Haga ook door

een straatnaam bewaard.

Verder rekenen wij tot de merkwaardige gebouwen de Roomsch-Katholieke

kerk, in 1878 gebouwd, waarin nog een reliquie wordt bewaard van de

Heilige Liduina, door wier wonderbaarlijk leven en werken Schiedam

reeds in de middeleeuwen beroemd was. De kerk is een gebouw in den vorm

van een Latijnsch kruis, bestaande uit een hoog opgaanden middenbeuk,

die eindigt in een veelhoekige abside en twee daaraan sluitende

dwarsarmen van gelijke hoogte, de zoogenaamde transepten. Tegen

dezen bovenbouw sluiten zich, aan weerszijden der dwarsarmen, de

lager gelegen zijbeuken aan, terwijl bovendien aan de achter- of

koorzijde deze beuk zich verdubbelt en het gebouw op deze plaats een

doorgaande breedte doet verkrijgen van 5 beuken, alle gesloten door

het priesterkoor met de veelhoekige en vlakke altaarkapellen. De toren

staat tegenover de as van den langen beuk en vormt het hoofdportaal

der kerk. De gewelven zijn alle kruisgewelven, gemetseld van gelen

IJselsteen, de ribben in Sibbersteen uit de groeven bij Maastricht.

Wil men een indruk ontvangen van Schiedam, zooals het voor een paar

eeuwen was, dan moet men zich naar de begraafplaats wenden. Slanke

molens draaien hier nog lustig hoog in de lucht op de plaats

der vroegere vestingwerken. Zij sluiten zich aan bij een reeks,

die een cordon vormt om de geheele stad, doch waarvan enkele reeds

zijn gevallen in den strijd om het bestaan met de smakelooze, maar

economisch voordeeliger stoommolens.

Ook vindt men in Schiedam nog wel vriendelijke, goed aangelegde

stadsgedeelten. Hiertoe behoort o. a. de Plantage, een lustoord

voor Schiedam, een oase van groen in den heerschenden toon van gele

en zwartachtige kleuren. Het is een smal park, dat zich uitbreidt

tusschen twee straten, bebouwd met ten deele zeer flinke woningen,

die een practisch karakter dragen, doch daarnaast ook met produkten

van wansmaak. In het midden der Plantage ziet men de in 1898

gestichte fontein, ter eere van Koningin Wilhelmina's inhuldiging,

een monumentaal stuk, op een rotswerk in een vijvertje geplaatst.

De voornaamste winkelstraat der stad is de Hoogstraat, evenals die

van Rotterdam gebouwd langs den grooten rivierdijk, waarin ook de dam

van de Schie werd gelegd, de eerste oorsprong der stad; wat ten zuiden

van dien dijk ligt, is grootendeels aangewonnen land. De Hoofdstraat

leidt door nieuwe gedeelten naar de rivier de Maas. Daar opent zich

een landschap voor ons oog, dat door zijn breede, rustelooze rivier,

met houtrijke gorzen omkranst, door zijn heerlijke Hollandsche weiden

aan den overkant, door het vergezicht op Rotterdam ter linker-

en op de zich in de richting van Vlaardingen verliezende rivier

ter rechterzijde, een diepen indruk maakt. Dicht bij den havenmond

verrijzen de hooge schoorsteenen der kaarsenfabriek "Apollo" en is

er nog een terrein open voor nieuw te bouwen fabrieken.

Als brandersstad ziet men in Schiedam eigenaardige typen onder de

bevolking en langs de straten, die men elders niet aantreft. De

spoelingspompen en spoelingwagens, druipende van de glibberige,

bruine spoeling, karakteriseeren enkele grachten in 't bijzonder. De

brandersknecht met zijn mutsje, boezeroen of stijven baaien borstrok,

zeildoeken schootsvel, in onderbroek, op klompen of leeren pantoffels,

is een eigenaardige verschijning. Verder zijn opmerkelijk de

"gistkladders", die de gist verpakken voor de verzending, de

zakkendragers, de graanmeters, en de "stukkenrollers", die de

reusachtige vaten (stukken) soms bij heele troepen door de straten

voortrollen.

Schiedam heeft zijn opkomst te danken aan het huis te Rivier, bij

de uitwatering van de Schie in de Maas. Op dit huis hield Aleydis,

de zuster van den Roomsch-Koning Willem II, dikwijls verblijf. Nabij

het kasteel vond men den dam in de Schie, en op deze plaats ontstond

een buurt, die in 1264 reeds genoemd werd. Het huis "te Rivier",

d. i. aan de rivier, later het "Huis van Mathenesse" genoemd, heeft

gestaan op de terreinen, waar tegenwoordig de H. B. S. gevonden wordt;

omstreeks het eerste vierde deel der 16e eeuw was het kasteel reeds tot

een ruïne geworden, die in 1688 met verschillende landerijen door de

stad werd gekocht. Nog altijd vindt men in den tuin der H. B. S. enkele

overblijfselen van het oude gebouw, bestaande in een zwaar muurwerk van

dikke steenen, met klimop begroeid, op welks afgebrokkelden bovenkant

eenige lage boompjes welig opschieten. Langzaam breidde het dorp om

het kasteel zich uit, doch dewijl de Maas aan den oever land deed

aanwassen, kwam het verder van de rivier te liggen. De monding van

de Schie werd door die aanwassen verlengd, en de stad breidde zich

eveneens uit naar de rivier toe, hoewel zij deze niet volgde. Bovenal

schijnt er reeds vroeg van hier een aanzienlijke handel op Zeeland

te hebben bestaan; misschien werd die onder Floris den Voogd sterk

begunstigd. De aanraking met Zeeland moet de overeenkomst van den

Schiedamschen tongval met den Zeeuwschen volgens sommigen verklaren.

Aldus oplevende door den handel, werd in 1310 aan de plaats vrijheid

verleend, om niet alleen op Vrijdag, maar ook op elken Maandag markt

te houden. Handel en visscherij waren verder de belangrijkste bronnen

van welvaart in den eersten tijd, totdat Rotterdam een gevaarlijke

mededinger werd aan de Maas. Dordrecht echter overtrof beide steden

in dien tijd.

De handel in granen en de vischvangst bleven lang voor Schiedam de

hoofdzaak, hoewel in de 16e eeuw ook onderscheidene fabrieken in deze

stad waren verrezen. In het eind der 16e eeuw werden hier ter stede

korenwijnstokerijen opgericht, mede een gevolg van den graanhandel,

en weldra namen deze zoozeer de eerste plaats in, dat zij andere

fabrieken verdrongen. Wel schommelend, nam toch het aantal stokerijen

in de 18e eeuw toe, tot in 1798 niet minder dan 260 branderijen

in Schiedam werden gevonden, het grootste aantal, dat in die eeuw

bereikt werd. Het aantal der tegenwoordig nog werkzame branderijen

noemden wij reeds op pag. 96.

De zeevisscherij, die moeielijke tijden heeft gehad, vertoont ook in

Schiedam gedurende de laatste jaren weer nieuwe levensvatbaarheid. In

1900 werd dit bedrijf uitgeoefend door 24 loggers en 17 bommen.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 19 / 74 题