"Zilvren stroom, wiens golfgewiegel
Voortrolt van 't Ardensche woud
Tot aan 't bruisend Noorderzout;
Oogbekoorbre waterspiegel,
In wiens helder vloedkristal
Vesten, breed van schans en wal,
Steden, rijk aan kooptrezoren,
Blij heur beeltenis zien gloren.
Trotsche Maas, wier kabb'lend nat
Ook mijn dierbre vaderstad,
Uit uw volle kruik komt laven,
En haar strekken doet ten haven
Voor kasteelen, rijk aan pracht
En met keur van schat bevracht
Van de rijke morgenlanden,
Van de kille nachtschâuwstranden".
zooals Van der Hoop zegt van de Maas, die hij liefhad, zooals elke
Rotterdammer. En terecht! De grootheid en schoonheid van Rotterdam
moeten beide aan de rivier gezocht worden. Aangrijpend is de Maas,
gezien van de hooge brug, naar het westen, waar zij den oceaan tegemoet
snelt, in breede bochten de stad doorsnijdend, die zich thans aan haar
beide oevers gelegerd heeft, als trillend en zuchtend onder den last
der honderden schepen van allerlei grootte en vormen en van allerlei
natiën, die de bedrijvige stad haar op de schouders voert.
En des avonds, als de schaduwen van den nacht zich over de stad
uitspreiden, als karren en kranen en fluiten een oogenblik rusten,
dan schijnt het een tooverwereld, die ordeloos verspreide menigte
van lichten, rustend of als kometen zwevend over het donkere diep,
dat zich daar als een sterrenhemel uitstrekt onder onze voeten.
Nog anders is het, wanneer de maan aan den helderen hemel de rivier
doet verbleeken tot een matten zilverstroom, golvend en vloeiend, in
zachte rimpelingen stoeiend met de bootjes op zijn oppervlakte. Welke
Europeesche havenstad heeft zulke riviergezichten!
Aan de Maas heeft Rotterdam zijn beroemde "Boompjes".
"De Boompjes! Wie zal ze beschrijven, die eigenaardige handelskade, met
flinke boomen bezet, de glorie der stad, waarheen elke Rotterdammer,
zoo hij tijd heeft, den buitensteedschen vriend voert, om hem met trots
het ongemeen schouwspel te toonen. Wie, die ooit van Rotterdam vernomen
heeft, is onbekend met den roemruchten naam van de "Boompies". De kade
der Boompjes is de aanrakingslijn voor stad en stroom; hier is het
tooneel hunner innige verbintenis; hier vlijt zich de rivier met hooger
wellust langs de gespierde lendenen van haren krachtigen minnaar."
En dan het uitzicht van de Boompjes!
"Op het water ligt een onnoemelijk aantal schepen ten anker. Flinke
stoomschepen, voortdurend aan den kant, sissend, lossend en
ladend. Groepen van schepen, meestal een groote driemaster met
veelgerookte stoompijp aan het hoofd, in het midden der rivier;
daaromheen andere, kleine stoomers of lange, platte, breede aken
en Rijnschepen, op slakken gelijkend, als eilanden onbeweeglijk,
muurvast in het stroomende water. Groote, ronde boeien, hier en daar
als priktollen drijvend, met een kolossalen ijzeren ring, om ze te
hanteeren, deinen, zonder van plaats te veranderen, op den golvenden
stroom. Als had een kwistige hand ze los er overheen gestrooid,
dringen, schuiven, snijden overal kleine sleepbootjes met korte,
zenuwachtige machinestooten, tusschen de hooge, rustige stoomers of
voor anker liggende groepen door, breede voren in het water ploegend,
den kop hooger dan het achtereind. Platte, snorrende watertorren
gelijken zij, nu rechts, dan links schietend in toomelooze vaart,
soms gekalmeerd in hun ren door de stevige trossen, waarmede zij nu,
vastgemeerd, een grooten, hulpeloozen, onhandigen broeder moeten
voortsleepen, maar altoos nerveus jagend, tartend den spitsen kop uit
de schuimende baren omhoog stekend. Het rustig schouwspel, dat een
breede, uitgestrekte watervlakte biedt, is in vreemde tegenspraak
met de voortdurende rusteloosheid van dit tooneel. Overal ziet men
beweging: duwen, trekken, schuiven, snellen; overal hoort men dat
brommende, gonzende, onbestemde, benauwende geluid."
Met deze woorden schetst Plemp van Duiveland de indrukken, door de
Rotterdamsche Boompjes teweeggebracht.
Hij, die Rotterdam in zijn ware kracht kennen wil, moet over de
Maas nog de havens en kaden bezoeken op Feijenoord, omzoomd met de
pakhuizen der onderscheidene veemen en handelsondernemingen, waar de
schepen van alle natiën lossen en laden, hetzij door de hulpmiddelen
der nieuwere techniek of nog enkel door menschenkracht. Daar hijschen
de stoomkranen duizenden kilo's zware lasten naar boven, als waren
het noten; ginds werken de elevatoren, om het graan uit de schepen,
bijna zonder menschenhulp, in de pakhuizen te brengen: elders weer
ziet men andere hulpmiddelen. Maar dat, ondanks de hulp der machines,
toch nog talloos veel arbeiders hier werkzaam zijn, blijkt het best,
als de brug over een der havens een oogenblik openstaat en er zich
onmiddellijk een menschenmenigte ophoopt, niet van wandelaars, maar
alleen arbeiders, die een oogenblik tot rusten genoopt worden. Wij
zien daar de Binnenhaven, de Spoorweghaven, de breede Rijnhaven en de
nog grootere nieuwe Maashaven, welke laatste het oude dorp Katendrecht
geheel heeft opgeslokt.
Tal van bootjes bieden gelegenheid aan, om elk oogenblik van hier
de Maas weder over te steken naar de oude stad. Een dergelijk
riviertochtje blijft op een schoonen zomerdag steeds aangenaam, en
in gedachten maken wij het mede, om af te stappen op een der kaden
in het westen der stad en een bezoek te brengen aan het Park.
Aan den kant van Delfshaven heeft Rotterdam voor natuurschoon gezorgd
en het Park aangelegd, dat wel niet groot is, maar door zijn ligging
aan de rivier en door het schoone plantsoen met zijn waterpartijen
toch een liefelijk plekje vormt. In het Park heeft Rotterdam
ook zijn dichter Tollens geëerd door een marmeren standbeeld van
Stracké, dat tusschen statige boomen op een schoon plekje geplaatst
is. Blootshoofds, in eenvoudige kleeding, de linkerhand rustend op een
boomstam en in de rechterhand de schrijfpen, staat de beeltenis van den
dichter daar; de naam Tollens op het voetstuk spreekt voldoende tot de
oudere Nederlanders, om hen hier eenige oogenblikken tot stilstaan te
nopen. Want al wordt Tollens' poëzie door het tegenwoordige geslacht
niet hoog meer geroemd, in zijn tijd was hij de volksdichter bij
uitnemendheid.
Het Park is door villa's omringd. Aan den westkant heeft Rotterdam
rondom en voorbij het Park zijn huizenmassa's reeds voortgeschoven
tot dichtbij Delfshaven. Vóór een kwart eeuw zag men Delfshaven nog
op een afstand van Rotterdam, maar beide steden reiken thans elkander
de hand en zijn ook burgerlijk één geworden. Veel bezienswaardigheden
heeft Delfshaven niet, maar toch moeten wij dit plaatsje even bezoeken,
om een herinnering te doen herleven, want
"Waar Delfshavens kerk en toren
Zich heffen boven dijk en dam,
Werd de onverschrokken held geboren,
Die Spanje's zilvren schepen nam.
't Had reeds uw zonen leeren kennen,
Toen 't aan uw mond (de Maas) des Prinsen vlag
Na kort beraad en stout berennen
Van Brielle's toren waaien zag".
Des Amorie van der Hoeven.
In een kleine woning aan een smal straatje van Delfshaven zag Piet
Hein hier in 1578 het levenslicht. Een steen in den voorgevel van
het eenvoudig huisje, waarin thans een tapperij gedreven wordt,
wijst het geboortehuis aan. Het eenige kleine parkje der plaats is
naar den zeeheld "Piet Heinspark" genoemd; men heeft dáár ook een
standbeeld te zijner eer doen verrijzen.
Delfshaven geeft in zijn aanleg geheel het beeld van een nederzetting,
ontstaan aan een haven, die in een rivier mondt. Langs den mond der
Delftsche Schie en om de haven heeft de bevolking zich gegroepeerd,
en de meestal burgerlijke huizen der plaats wijzen aan, dat het mannen
van zaken waren, die zich hier vestigden.
Wenden wij ons thans naar de andere zijden der stad.
Aan de landzijde is Rotterdam geheel door polderland ingesloten, met
hoog loopende boezemwateren, die door hun molens op enkele punten
schilderachtige gezichten aanbieden. Ten oosten van de Rotte vindt
men hier een hoogen bergboezem, waarop zeven molens het water afmalen.
Ten noorden en oosten van de stad lag vroeger het Ambacht van
Kralingen, waar twee adellijke huizen of sloten gevonden werden:
het Huis te Krooswijk aan de Rotte en het Huis te Kralingen, later
"slot Honingen" genoemd. Het eerste, dat uit den Romeinschen tijd zou
dagteekenen, was al voor lang verdwenen; het laatste, in de vroege
middeleeuwen gesticht, heeft langer bestaan; in 1672 evenwel werden
de laatste bouwvallen daarvan afgebroken. Het terrein van dit slot
vormt het tegenwoordige "Park Honingen", een vriendelijk villapark.
Het oude dorp Kralingen heeft gelegen in de streek, waar thans
de Kralingsche plas gevonden wordt. Door ontvening is dit dorp
langzamerhand ontvolkt en verder zuidelijk verplaatst, terwijl de
bodem in een meer is veranderd, omgeven door schamele huisjes. De
"weg naar Kralingen", die een spreekwoordelijke beroemdheid heeft
verkregen, wordt teruggevonden in den Oudendijk; hij was te midden
der moerassige gronden zoo vast aangelegd, dat men er zonder vrees
zware gebouwen op kon doen verrijzen, zoodat door enkelen aan een
ouden Romeinschen heirweg wordt gedacht, als aanvang van dien weg [10].
Langs den rivierdijk, hoofdzakelijk tusschen dezen en den Oudendijk,
ligt thans Kralingen, dat bij Rotterdam is getrokken en waar meer en
meer de stedelingen zich een woning bouwen. Zelfs denkt men er aan,
om rondom den Kralingschen plas een breede allee met boomen aan te
leggen en alsdan het villapark uit te breiden.