Welke ziener zou aan de wieg van dit dorpje zijn ontwikkeling tot
een wereldhaven hebben voorspeld? Maar toch, aan het kruispunt der
waterwegen nam het verkeer spoedig zoozeer toe en breidde de handel
zich zoo sterk uit, dat er meer ruimte voor woningen en opslagplaatsen
en beter gelegenheid voor den aanleg der schepen noodig bleek.
Waarheen zou Rotterdam destijds zijn grenzen uitzetten? Buiten den
hoofddijk lagen in de rivier twee droogten of platen, die van dag
tot dag aangroeiden. De westelijkste van deze platen stond al vroeg
den visschers ten dienste.
De oudste haven der stad, nog de Kolk of Oude Haven geheeten,
liep tusschen deze beide eilandjes door. Zoo was ongeveer de oudste
toestand aan den Maaskant. De aanslibbingen in de noordelijke bocht
van de Maas nabij de stad namen steeds toe, en weldra werden nu deze
platen met woningen bezet.
Het buitendijksche eilandje ten westen der haven, waar reeds vroeg
eenige visschers hun woningen hadden gebouwd, was door hen aan de
stroomzijde van een zomerkade voorzien. Reeds vóór 1373 had de stad
door een brug gemeenschap met dit "Nieuwland", en de stad verkreeg
omstreeks het jaar 1380 hierover de vrije beschikking. Toen werd
de stad ook hier uitgebreid en het nieuw gewonnen land verkreeg den
naam van West-Nieuwland. De lange, smalle straat, die aan de zomerkade
gebouwd werd, verkreeg naar de oude bewoners den naam Visschersdijk, en
de meer noordwaarts gelegen straat werd als Hang aangeduid, misschien
doordien de visschers daar hun netten te drogen hebben gehangen.
Ten oosten der haven lag een rijswaard, waarop zich eenige mandenmakers
neerzetten, die in het maken van vischkorven het middel van een sober
bestaan vonden. Ook dit eiland werd al vroeg door een brug met de stad
verbonden, die de Mandenmakersbrug genoemd werd, zeker een herinnering
aan het oudste bedrijf der bewoners; het westelijk gedeelte dier waard
verkreeg naar het rijshout den naam Rijstuin. Verder oostelijk werd
het hout opgeslagen voor den scheepsbouw, waaraan de naam Houttuin nog
herinnert. Het oostelijk gedeelte van het eiland was oorspronkelijk te
laag, om bewoond te worden; later werd hier een boomgaard aangelegd
door de Dominicaner Predikheeren, waaraan de tegenwoordige naam
Groenendaal nog te danken is.
Waren de rivieraanwassen in de 14e eeuw aldus uitgebreid en
gedeeltelijk bewoond geworden, in de 15e en 16e eeuw zette dit
proces zich voort. De banken in de Maasbocht werden steeds grooter en
ondieper, en hoewel men er in het eerste vierde gedeelte reeds aan
dacht, die ten nutte te maken, werd dit toch nog uitgesteld door de
slechte tijden.
Op den plattegrond van Rotterdam door v. Deventer, ± 1563, wordt
Rotterdam aan de rivierzijde afgebeeld als door strooken aangeslibd
land, platen, waardoor de monding der Rotte liep, welke laatste de
haven vormde, van de Maas gescheiden. De gedeelten, welke thans de
Noordblaak en de Nieuwe Haven uitmaken, waren nog gedeelten van
de stadsgracht. Eerst omstreeks 1580 werd de stad naar die zijde
uitgebreid door het afbreken van oude muren en torens en het opwerpen
van zeven nieuwe bolwerken, waardoor de beide nieuwe havens, de Blaak
en de Nieuwe Haven, een veilige ligplaats aanboden voor de schepen.
Zoo zien wij Rotterdam in den loop der tijden aangroeien ten koste
der rivier. Het was een onweerstaanbare en als instinctmatige drang,
die de bewoners er toe bracht, om zoo dicht mogelijk bij het levende
water gevestigd te zijn. De Rotterdammers begrepen toen al, dat de
Maas de hoofdbron van de welvaart, de hoofdfactor voor de ontwikkeling
hunner stad zou zijn.
Na het jaar 1572 ving de vijfde uitlegging der stad aan, die zich
in de rivier uitbreidde tot de Scheepmakershaven; in 1597 begon de
zesde uitlegging in het westen der stad langs de Leuvehaven, en in
1609 volgde een zevende uitlegging, waarbij de Boompjes tot stand
kwamen. Hiervoor werd een lengte van 1800 schreden in de Maas gedempt,
waarop in 1611 een straat werd aangelegd, die in 1615 met een rij
iepenboomen werd beplant en daarnaar den naam Boompjes ontving. Deze
straat is in 1661 verhoogd en van een kade voorzien, zoodat in
laatstgenoemd jaar de stad voor dit gedeelte haar tegenwoordige
uitbreiding verkreeg, naar den kant der rivier.
In denzelfden tijd verkreeg Rotterdam ook de gedaante, welke het tot
het midden der 19e eeuw behouden heeft: een gelijkbeenige driehoek
met de basis naar de Maas gekeerd en de spits landwaarts. Het was,
of de stad in haar vorm een zinnebeeldige voorstelling wilde geven
van het feit, dat haar geheele ontwikkeling berustte op de Maas,
gelijk dat bij Amsterdam het geval was met het IJ, waartegen de
hoofdstad gebouwd was met haar langste zijde.
Gedurende de 17e en in de eerste helft der 18e eeuw stond de
ontwikkelingsgeschiedenis van Rotterdam vrijwel stil, zoo zij al
niet in enkele perioden achteruitging. Vooral bij den aanvang der
19e eeuw zag het er te Rotterdam evenals te Amsterdam treurig uit met
den handel. In den tijd gedurende en volgende op den tachtigjarigen
oorlog was Rotterdam reeds tot een belangrijke ontwikkeling gekomen,
al kon de Maasstad op verre na niet met Amsterdam vergeleken worden en
al zag het rijke, aristocratische Dordrecht uit de hoogte neer op de
jong opkomende stad. Rotterdam telde in 1515 nog slechts 1118 huizen,
welk getal in 1682 tot 5048 was gestegen, in 1732 tot 6621. In een
eeuw tijds nam de stad weinig toe; in 1840 telde zij niet meer dan
7348 huizen.
Rotterdam is eerst een geheel andere stad geworden na 1858. Een
kaartje van Rotterdam vóór dat jaar vertoont de stad nog in haar
driehoekvorm. Over de Maas, waar zich thans een druk stadsgedeelte
uitbreidt met mooie en uitgestrekte havens, reusachtige dokken
en grootsche pakhuizen, lag Feijenoord, een eenvoudig eilandje,
dat tot een uithoek van IJselmonde geworden was. Oorspronkelijk was
dit een gors of naakte plaat in de rivier, die allengs meer en meer
opslibde. Zulke gorzen worden als Oorden of Noorden aangeduid. Dat
eilandje werd in 1591 voor twee derden en in 1658 voor het overige
gedeelte door Rotterdam aangekocht; in 1795 werd het bedijkt, terwijl
het door de afdamming van het Zwanengat, den arm der Maas, die het
eilandje ten zuiden bespoelde, met IJselmonde werd verbonden.
De stad had op Feijenoord een Pesthuis laten bouwen, dat later tot
Militair Hospitaal werd ingericht voor de Marine. Tijdens koning
Lodewijk werd hier een kweekschool voor de Marine gesticht, later
een industrieschool, en in 1825 werd er de Fabriek der Nederlandsche
Stoombootmaatschappij gevestigd, waardoor er eenige bedrijvigheid aan
den overkant der Maas ontstond. Die fabriek werd in 1838 uitgebreid,
zoodat er 900 man arbeidden. In 1841 werd in het westen op de gorzen
van Feijenoord een scheepshelling gebouwd. Omstreeks 1841 vond men
hier, behalve de werkplaatsen, een gehucht van 79 woonhuizen, meest
bewoond door werklieden en opzichters der fabriek. Havenwerken vond
men in 1859 op Feijenoord nog niet.
Wij willen thans een enkelen blik werpen op de handelsontwikkeling
van Rotterdam. Rotterdam was vóór de 19e eeuw al een belangrijke
handelsstad geworden, maar stond toch ver bij Amsterdam achter. Het
had zijn beteekenis als zoodanig te danken aan de ligging in
het mondingsgebied van den Rijn, en zoowel de delta-eilanden in
het zuiden, de handelssteden op het vasteland van Holland tot den
Ouden-Rijn in het noorden, en het Maas-Rijngebied naar het oosten en
zuiden vormden het natuurlijk achterland van de haven van Rotterdam,
die deze streken met de zee in verbinding bracht. De scheepvaart en
handel, in vorige eeuwen zoo nauw aan elkander verbonden, bepaalden
zich voor Rotterdam dus geenszins uitsluitend tot die der schepen,
welke van zee binnenkwamen. Een aantal schepen van kleiner charter
kwamen langs Maaslandssluis voor de stad; een nog veel grooter aantal
kwamen van Zeeland, van België, Dordrecht, de handelsplaatsen aan
de Waal, Maas en Rijn. En over de waterwegen in het binnenland van
Holland, hoe slecht ook in den tijd der gedecentraliseerde Republiek,
had toch ook een druk scheepvaartverkeer met Amsterdam en andere
steden plaats, en met Hamburg, Bremen en Embden en andere steden op
het vasteland stond Rotterdam in vaste betrekking. Over de zee lag
Engeland het meest voor de hand en ook aan de vaart en handel op
andere landen nam Rotterdam deel.
Voor de gewesten in de zuiderlijke helft der noordelijke
Nederlanden was Rotterdam aldus de hoofdmarktplaats geworden, en de
export-produkten dezer gewesten werden van Rotterdam uitgevoerd. Het
vruchtbare deltagebied leverde meekrap en vlas, welke door Rotterdam
werden geëxporteerd; de vruchtbare kleilanden van Zeeland en
West-Brabant leverden tarwe voor de Rotterdamsche markt, de schoone
graslanden ten noorden der Maas boter en kaas, welke van hier veel
naar Engeland werden uitgevoerd; het bier, dat in de oudheid over de
Maas was uitgevoerd, werd in lateren tijd vervangen door jenever, het
produkt zoowel van Rotterdamsche als van Schiedamsche brouwerijen. En
tegenover dien uitvoer stond de invoer van vele koloniale en andere
produkten van het buitenland, welke van Rotterdam uit over zijn
havengebied gedistribueerd werden.
Zoo was het in de 18e eeuw. De 19e eeuw ving onder den invloed van
de treurige tijdsomstandigheden ook voor Rotterdam alles behalve
rooskleurig aan. Een reiziger, die in 1805 deze stad bezocht, zegt,
dat de handel niet meer dan 1/10 van vroeger bedroeg. Meer dan vijf
zesden der magazijnen stonden ledig; een groot aantal koopmanshuizen
was onbewoond en voor een nietigen prijs te koop, en de bevolking,
die vroeger 60.000 bedroeg, was in 1813 beneden 52.000 gedaald.
Met het herstel der Nederlandsche zelfstandigheid begon ook hier de
handel weer levendiger te worden. Het eerste tijdperk der Nederlandsche
handelsgeschiedenis van 1815-1830 was van veel beteekenis, omdat
in dien tijd de eerste nieuwe strijd werd hervat tusschen de havens
van Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen. Deze laatste stad, gedurende
de Republiek door het sluiten der Schelde vervallen, kwam weder op
en trok met ijver van haar gunstige ligging partij. Tusschen die
twee concurrenten lag Rotterdam. In het begin van dat tijdvak stond
Amsterdam als haven nog bovenaan; in 1819 vielen te Amsterdam binnen
3077 schepen, in Rotterdam 1700, en Antwerpen had het reeds gebracht
tot 1000 schepen. Maar na dien tijd won Antwerpen steeds meer en meer
ten koste van Amsterdam. En al ging Rotterdam niet zooveel achteruit,
het kwam toch ook niet tot grooten vooruitgang.
Na de afscheiding van België werd de toestand beter voor Rotterdam,
en de Oost-Indische handel, die vóór 1830 hier te niet gegaan was,
bloeide er weder op; het aanzienlijke aandeel van Antwerpen werd naar
Rotterdam verplaatst.
Maar er dreigden nog donkere wolken aan den horizon voor de
Rottestad. Het Brielsche zeegat, de natuurlijke zeepoort van Rotterdam,
was meer en meer verondiept, zoodat schepen van 53-55 d.M. diepgang
niet anders dan bij kalm weder en onder gunstige omstandigheden
konden binnenkomen. De groote bodems moesten hun weg nemen door het
Brouwershavensche Gat en over Krammer en Volkerak, langs Dordrecht,
over de Oude Maas tot bij Vlaardingen en vervolgens de Maas weder
op, om Rotterdam te bereiken, een omweg, waarmede vele dagen gemoeid
waren. En dat in een tijd, toen de snelvaart door stoom in opkomst was!
In die omstandigheden zon men op middelen tot verbetering, en in 1829
werd het Voornsche Kanaal voltooid naar Hellevoetsluis, dat daardoor
opkwam. Dit was aanvankelijk een vooruitgang, maar duurzaam kon dit
kanaal niet aan de behoefte voor Rotterdam voldoen, vooral niet bij den
meerderen diepgang der schepen. In de gunstigste omstandigheden kon
men langs dat kanaal van Rotterdam in 18 uren de zee bereiken, doch
in 1880 waren er dikwijls voor groote schepen 5-8 dagen noodig. Het
Brielsche Gat slibde steeds meer aan, zoodat hier geen hoop meer op
gevestigd kon worden. De Rotterdamsche handel begon ernstig beangst
te worden voor de toekomst der haven, die niet meer voldeed aan de
eischen van den nieuwen tijd.
Hoe zal het zijn,--eens--vroeger, later zijn?
Zal eens het bed van Maas en Waal en Rijn
Verdrogen en van zomerhitte scheuren?
Zal eens wellicht een sombre bouwval treuren,
Waar nu de Maasstad tiert?--een nieuw geslacht
Eens zoeken naar de teekenen dier macht
En grootheid, waarvan de overleveringen
Nog spreken en nog oude liedren zingen?
aldus zuchtte des Amorie van der Hoeven mistroostig bij 't aanschouwen
der rivier? En hij eindigde met den tot kracht aansporenden uitroep:
Waakt, kindren, waakt!
Rotterdam heeft gewaakt en niet versaagd. Met onvermoeide energie is
de kamp der concurrentie volstreden, en bij de hernieuwde opkomst van
Neerlands handel, na 1850, onder den invloed van het vrijhandelstelsel,
werd ook de grootsche arbeid aangevangen, om Rotterdam een nieuwen en
open waterweg naar zee te schenken. Op grond van een ernstig onderzoek
in 1857 aangevangen, werd in 1863 een wetsontwerp dienaangaande
aangenomen en den 31en Oct. 1866 werd door den Prins van Oranje de
eerste spade voor dien reusachtigen arbeid in den grond gestoken, die
in Sept. 1870 zoover gevorderd was, dat twee kleine visschersschepen
er door in zee konden steken. En op 9 Maart 1872 ging het eerste
stoomschip, de "Richard Young", door den Nieuwen Waterweg naar buiten.
Dat was de morgen van een nieuwen dag voor Rotterdam's handelsleven. En
al werd de opkomende zon nu en dan door enkele wolkjes verduisterd,
toch bleef zij stijgen. Tegelijk met de opening van den Nieuwen
Waterweg kwam ook de spoorweguitbreiding tot stand. Reeds in 1847
was Rotterdam met Amsterdam door een spoorweg verbonden; in 1850
kwam de spoorwegverbinding met Utrecht en daardoor met Duitschland
tot stand; in 1872 werd de aansluiting met Dordrecht en verder met
de Noord-Brabantsche en Belgische lijnen verkregen en werden de
grootste en moeielijkste spoorwegbruggen over de breede wateren in
het moerassige deltaland tot stand gebracht. Wel werd de stad zelf
ontsierd door het bouwgewrocht, dat het stoomros langs een zware,
smakelooze viaduct over de stad leidt, en het geraas der straten nog
versterkt door dat van de dreunende treinen boven de hoofden der
bewoners; wel werd menig schilderachtig plekje daardoor bedorven,
maar de Rotterdammer is in de eerste plaats bedacht op handelsbelang,
ook wat den stadsbouw betreft.
Thans, nu de scheepvaart en de verbinding met het spoorwegverkeer
zich recht ontplooien konden, nu de handel voortdurend toenam, was er
ruimte noodig, havenruimte in de eerste plaats. En de stad vestigde
thans wederom het oog op het land aan de overzijde der rivier. Naast
de spoorwegbrug werd door de stad in 1878 de groote Willemsbrug
gebouwd voor rijtuigen en voetgangers, om de nieuw te bouwen stad
aan de overzijde met de oude te verbinden. Daar werden nieuwe havens
gegraven en kaden aangelegd; daar, op het vroeger zoo rustige eiland,
namen het verkeer en de beweging een ongekende vlucht. Rotterdam, dat
in 1852 slechts 27.7 H.A. havenruimte had, kon zich in 1885 beroemen
op 50 H.A. oppervlakte havenruimte, terwijl de kadelengte van 10.3
kilometer tot 21.3 kilometer was toegenomen.
Voortdurend nam het verkeer langs de rivier toe en de havens en kaden
bleken steeds meer te klein. Groote havens werden nog ontworpen en
zijn thans gereed: de groote Maashaven aan de overzijde der rivier, en
de Schiehaven aan den rechterkant. Door deze beide laatst aangelegde
verkregen de havens van Rotterdam een oppervlakte van 125 H.A. en de
kaden een lengte van 29 kilometer. Dat de havens niet vruchteloos
zijn aangelegd, blijkt hieruit, dat de scheepvaartbeweging van
Rotterdam, die in 1850 346186 tonnen inklaring bedroeg, in 1900 tot
6326901 tonnen was toegenomen, en van 37 % der totale inklaringen
in Nederland in 1850 tot 66.94 % in 1898 was vermeerderd. In 1900
vertrokken 7318 stoomschepen en 278 zeilschepen langs den Nieuwen
Waterweg naar zee. Hoofdzaak is het verkeer met Groot-Britannië, dat
in 1900 bedroeg 31.66 % van het geheel; daarop volgden de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika met 14.86 %, Rusland met 11.11 %, Spanje met
10.49 %, Zweden en Noorwegen met 6.67 %, Argentinië met 2.54 %, de
Fransche Koloniën met 2.16 % en Frankrijk met 1.56 % der inklaringen.
Met die handelsuitbreiding moest de stad ook naar de landzijde haar
grenzen uitzetten en werden weldra onderscheidene naburige gemeenten in
de gemeente Rotterdam opgenomen. Dit geschiedde in 1886 met Delfshaven,
in 1895 met Kralingen en Charlois. Hierdoor werd Rotterdam van een
stad met 72000 inwoners in 1830, tot 106000 in 1859, 116000 in 1869,
148000 in 1879, 201000 in 1889 en 338185 in 1900.
Zoo is Rotterdam in korten tijd tegelijk een groote stad en een
wereldhaven geworden. Grootsch en fier, maar toch eenvoudig; oud,
maar toch vol jeugdige levenskracht; schier aan het vermetele
grenzend in stoute daden, maar die toch bij nader inzien gegrond
blijken op zeer zorgvuldige berekening; op een moerassigen, slappen
bodem zich opbeurend, maar toch hecht als op rotsen gegrondvest; in
een aanslibbend deltaland, maar toch met een rivier, die schepen van
den grootsten diepgang naar de haven voert.... Zoo vertoont zich in de
ontwikkeling van Rotterdam een reeks van scherpe contrasten, welke de
oprechte bewondering voor den arbeidenden geest doen stijgen bij ieder,
die deze koopstad in haar ongeëvenaarden vooruitgang gadeslaat. Als
door de aanraking met den tooverstaf eener weldadige fee is in minder
dan een halve eeuw uit de oude Maasstad het nieuwe Rotterdam verrezen
en tot de haven van Midden-Europa geworden. Die weldoenster der stad
is de Maasnymph, welke aan Rotterdam haar zegen gaf, maar haar ook
toesprak: niet vooruit dan met arbeid! En Rotterdam heeft die woorden
in het hart geschreven en gevolgd.
Voorwaarts! dat is het wachtwoord, hetwelk in de Rottestad overal
weerklinkt; de natuurlijke verkeerswegen wijzen den weg en de energie
der bewoners vormt de levende kracht, die rusteloos de stad voortstuwt
op de baan, met zooveel succes betreden. 't Was geen overdrijving
toen de dichter der stedemaagd het lied deed zingen:
'k Heb u lief, Rotterdam, met uw drukte en gewoel,
Waar het leven zoo krachtig in bruist,
Koningin van de Maas, uit wier golven een lied
Vol van glorie en hoop u omruischt.
In den wedstrijd van handel en scheepvaart houdt gij
Fier de vlag onzer vaadren omhoog,
En uw heden is niet van 't verleden ontaard,
Dat met roem Hollands naam overtoog....
En ook wij zeggen haar na:
Met verrukking aanschouw ik de groeiende vloot,
Die steeds talrijker havens vervult,
Voortgestuwd langs het spoor, voor de waat'ren gebaand
Door uw moed, uw beleid en geduld.
Wij mogen ons niet langer ophouden met het schetsen der
ontwikkelingsgeschiedenis van Rotterdam en zijn handel, hoe belangrijk
die op zichzelf ook moge zijn. Hierop moeten wij echter de aandacht
vestigen, dat Rotterdam in de laatste halve eeuw een geheel andere
stad is geworden, met een levenskarakter, dat iets heeft van de
kenmerken eener groote stad. Het burgerlijke kleed, dat Rotterdam
nog lang omhulde, is afgelegd; het ouderwetsche, nationaal eigene
der Rotterdammers is verzwonden in internationale opvattingen.
In 1860 schreef W. N. Peijpers nog in zijn geschiedenis van Rotterdam,
dat er "geen stad is in ons vaderland, waar de sporen van het oude
Mid-zomerfeest nog zoo lang waren blijven bestaan als in Rotterdam. De
St. Jansvuren zijn bij velen nog in herinnering, ja, worden nog hier en
daar ontstoken. Hoewel nu de knaap, die het St. Jansvuur stookt, niet
meer den welgevulden hoorn door de vlammen zwiert, doet hij dit evenwel
met de muts of huppelt langs den gloed. Er is geen plaats in ons land,
waar het Pinksterfeest met zooveel heidensche drukte gevierd wordt als
te Rotterdam; met zooveel gejoel en geweld, als op den zoogenaamden
morgen van luilak! Dan verlaat ieder, die even kan, de stad, om in
de vrije lucht te zijn, zingend, jubelend, schreeuwend, ieder op
zijn wijze. Hoeveel drukte en beweging gaf dat langs de boorden van
Rotte en Delftschevliet, aan de Heul, den Bergweg en te Overschie,
waar het kermis was en de Pinksterbollen--de ronde Balderskoeken
van weleer--reeds vroeg in den ochtend te koop werden aangeboden. En
eindelijk Pinkster drie, wat een drukte langs Blaak en Zeevischmarkt;
hoeveel kleur van Pinksterbloemen, zoowel natuurlijke als van papier
gevormde, hoeveel gezang en getier! Daar vindt men nog sporen van
het oude Baldersfeest, zelfs de brooddronkenheid niet uitgesloten."
Dat oude Germaansche is geheel verdwenen in de koopmansstad. Men
heeft er geen tijd meer voor de natuurfeesten; de sporen van het
oogstfeest behoorden er al veel vroeger tot het verledene. De
bewoners zijn ook niet meer als voorheen door een band van
familiebetrekkingen, die elkander lang kenden, aan de stad en
wederzijds verbonden: er heeft een internationale wind gewaaid over
de bevolking, die de gemeenschappelijke herinneringen aan het oude
deed verstuiven. Van alle kanten kwamen de bewoners hier bijeen, met
één doel: geld-verdienen. Dat maakt de stad zaakrijk, realistisch,
koud. Vooral de snelle beweging van het verkeer, die niet altijd met
evenredige rijkdommen gepaard ging, zooals in het oude Amsterdam, die
fluctueerend was, opkomend en neergaand, heeft hier nog niet zulk een
stand van rijke koopmanspatriciërs doen ontstaan, als in den bloeitijd
der Compagnie de hoofdstad dit zag. Daardoor heeft men in Rotterdam ook
nooit den kunstzin zoo vrij den teugel kunnen vieren, als in Amsterdam
in vroeger tijden het geval was, en het schilderachtige in aanleg
en huizenbouw, dat de Amsterdamsche renaissance zoo aantrekkelijk
en bekoorlijk maakt, mist men in de stadsphysionomie van Rotterdam
bijna geheel.
Rijk aan bouwkundig schoon is Rotterdam daardoor niet; integendeel,
de stad is veelal vlegelachtig groen op architectonisch gebied. Zelfs
vele mooie plekjes, die de oude stad had, zijn verdwenen.
Zij waren er nog, toen de zaken den boventoon begonnen te voeren. De
vroegere Binnenrotte was een van de meest schilderachtige gedeelten,
karakteristiek door de uitbouwsels der huizen boven en de houten
tuintjes (vlonders) op het water, met de in de volkstaal zoo goed
bekende Lombardsche brug, die altijd "op" was, wanneer iemand een
excuus noodig had voor te laat komen. Dit alles is thans vervangen
door het leelijke steenen en ijzeren gevaarte van de Viaduct. Dat
sluit echter niet uit, dat ons bij het rondwandelen door de stad nog
onderscheidene merkwaardige of mooie gebouwen uit jongeren of lateren
tijd in het oog vallen en enkele oude stadsgedeelten schilderachtige
effecten voortbrengen. Wij wijzen op de afbeelding van het Haagsche
Veer. En daarenboven ziet men vooral in den laatsten tijd de opkomst
van een beteren smaak ook in deze stad.
Wij vangen onze wandeling aan in het centrum der stad, bij de Groote
kerk of St. Laurenskerk. Dit gebouw, dat vóór de hervorming aan den
heiligen Laurens gewijd was, werd gebouwd op de plek, waar omstreeks
het jaar 1000 de St. Laurenskapel stond, die in 1300 tot parochiekerk
werd verheven. Deze kerk was weldra te klein en in 1412 werden de
fundamenten voor de tegenwoordige gelegd. Om de middelen voor den
bouw te verkrijgen, werden allen, die wegens overtreding of misdrijf
gevonnist werden, veroordeeld als boete een hoeveelheid steenen of
kalk aan de kerk te zenden. De Hoogheemraden van Schieland werkten
eveneens mede tot het doen verrijzen van het godsgebouw, en in 1436
was het eindelijk voltooid.
In het jaar 1449 werden de fundamenten gelegd voor den toren, waartoe
vele stedelingen hun krachten inspanden. Onder het geschal van pauken
en trompetten en onder het dragen van het vaandel van den heiligen
Laurens werden zij tot den arbeid aangevuurd. De bouw van den toren
werd herhaaldelijk afgebroken en weder voortgezet in de jaren 1543,
1613 en 1619. Doch reeds in 1645 bemerkte men, dat het houtwerk zijn
kracht verloren had. Daarna werd de toren gedeeltelijk afgebroken
en opnieuw opgebouwd. De nieuwe opbouw deed echter blijken, dat
ook de fundamenten te zwak waren: de toren zakte scheef. Toen werd
de belangrijke taak ondernomen van 1650-1651, om den toren nieuw te
omheien; vervolgens werd hij 3 1/2 voet van het noordwesten naar het
zuidwesten overgewonden, zoodat hij weder in zijn goede houding kwam
te staan. De St. Laurenskerk is het eenige overblijfsel, dat Rotterdam
uit den Gothischen tijd behield. Met zijn zwaren, stompen toren (62
M. hoog) staat dit gebouw te midden van een moderne omgeving en naast
den koud-realistischen, hangenden spoorweg, als gevoelt het er zich
somber te moede. Daarom maakt de Kerk uitwendig dan ook niet meer
den rechten indruk.
Binnen de kerk wordt de herinnering aan onderscheidene beroemde
personen bewaard. In den kerktoren vindt men de graftombe van
den Vice-Admiraal Witte Cornelisz. de Witt; de slag in de Sond,
waarbij hij op 28 Nov. 1658 sneuvelde, wordt op de tombe in relief
voorgesteld, waarboven de daden van den held, in zwart marmer
gebeiteld, vermeld zijn. Het beeld van den Admiraal ligt in volle
wapenrusting en krijgspraal neder, doch de twee vrouwenbeelden,
Bellona en de Faam, met drie stuks wapenen boven op de lijst, de twee
groote beelden van Mars en Neptunus onder het lijstwerk, tusschen een
paar gevleugelde kolommen, het schild met zijn grafschrift, waarop
zij rusten, vastgehouden door een tweetal geniën en steunende op een
wereldkloot, de menigte van oorlogstuigen, scheepsgereedschappen en
krijgsversierselen, dat alles geeft een overlading, die den algemeenen
indruk schaadt. Dieper is dan ook de indruk der tombe van Egbert
Meeuwsz. Kortenaer, die den 14en Juni 1665 in een zeeslag tegen de
Engelschen sneuvelde.
De held der Maas, verminkt aan oog en rechterhand,
En echter 't oog van 't Roer, de Vuist van 't Vaderland,
De groote Kortenaer, de schrik van 's vijands vloten,
De ontsluiter van de Sont, ligt in dit graf besloten,
aldus luidt het grafgedicht. Kortenaer wordt geharnast voorgesteld,
het hoofd rustend op een stuk geschut, met den staf in de hand. De
tombe heeft een frontespice van zwart marmer, gedragen door vier
kolommen, in wier midden een enkel wapen.
Nog vinden wij hier de grafplaatsen van de zeehelden Lambert
Hendriksz., bijgenaamd Mooie Lambert, Johan de Liefde, Johan Brakel,
Aart en Johan van Nes.
Niet ver van de Groote Kerk, op de Groote Markt, verrijst het metalen
standbeeld van "den grooten Rotterdammer", Erasmus, die in 1466 te
Rotterdam geboren was en in 1537 te Bazel overleed. Reeds in 1549, bij
de inhaling van Filips II in Rotterdam als erfheer, was de gedachte
opgekomen, om den beroemden zoon van deze stad door een standbeeld
te huldigen. Men richtte bij die gelegenheid een houten beeld op,
dat Erasmus in geestelijk gewaad voorstelde. In 1557 werd het houten
beeld door een nieuw van arduinsteen vervangen, doch in 1572, toen
de Spanjaarden plunderend en brandstichtend door Rotterdam trokken,
werd het beeld van dien ketter en libertijn beschoten, vervolgens
van zijn voetstuk gerukt en in het water geworpen.
Eerst in 1621 werd besloten, weder een nieuw beeld voor Erasmus te
doen verrijzen, en zoo ontstond het tegenwoordige, het metalen beeld,
een gewrocht van Hendrik de Keyser. Bijna drie eeuwen studeert de
groote geleerde op het marktplein, starende op het geopende boek. Een
der opschriften op het voetstuk luidt:
Hier rees de groote zon en ging te Bazel onder;
De Rijksstad eer' en vier' dien Heilige in zijn graf;
Dit tweede leven geeft, die 't eerste leven gaf,
Maar 't licht der talen, 't zout der zeden, 't heerlijk wonder,
Waar met de Liefde en Vrede en God-geleertheid praelt,
Wordt met geen graf geëert, nog met geen beeld betaelt;
Dies moet hier 't luchtgewelf Erasmus overdekken,
Nadien geen mindre plaats zijn tempel kon verstrekken.
Het beeld van Erasmus wordt door den volkshumor dikwijls de "oudste
burger van Rotterdam" genoemd. Veel heeft die "oudste burger" onder
zijn oogen zien gebeuren, en men heeft hem deel laten nemen aan
de gebeurtenissen op een wijze, waaraan de levende Erasmus, weinig
moedig als hij was, niet zou hebben gedacht. Nadat Napoleon I gedreigd
had, dit standbeeld tot kanonspijs te bestemmen--wat gelukkig niet
geschiedde--las men op een morgen dit opschrift op het beeld:
Ik sta hier nog, gelijk voor dezen,
Aandachtig in mijn boek te lezen,
Doch had mij eens Napoleon,
Zooals hij heeft gedreigd, gegoten tot kanon,
Dan had ik, hiertoe afgezonderd,
Hem zeker van den troon gedonderd.
Bij de omwenteling van 1813 was Erasmus de eerste, die den 16en
November de vereenigingsleus van Oranje droeg, terwijl deze woorden
er aan waren toegevoegd:
"Durft niemand nog Oranje dragen,
Ik durf mijn ouden kop wel wagen."
Wij richten ons van deze herinnering aan de wetenschap naar de
Beurs. Op korten afstand, door een zijstraatje, bereiken wij het
flinke, ruime Beursplein, een der levendigste pleinen van de stad. Het
Beursgebouw, zeer ruim en luchtig gebouwd, treft niet door schoonen
stijl. Het geheel is een stijf gebouw; de oostelijke en westelijke
gevels zijn geheel van Bentheimer steen, volgens Romeinsch-Dorische
bouwkunde; langs de binnenwanden van het gebouw zijn vier colonnades
van Romeinsch-Toscaansche orde, gedekt door kruisgewelven. Sedert
1829 laat een klokkenspel zich hooren uit den koepel der Beurs.
De eerste Beurs te Rotterdam werd gebouwd in 1597 aan den hoek van de
Spaansche Kade en het Haringvliet, N. Z., op de plaats, waar tot 1886
het Admiraliteitsgebouw van de Maas, later Zeekantoor, stond. Nog geen
halve eeuw na het stichten van een Beurs had er een gebeurtenis plaats,
die een ruimer gebouw voor den handel noodzakelijk maakte. In het
laatst der 16e eeuw was het vervaardigen van lakens in Engeland zoo
aanzienlijk toegenomen, dat die, in plaats van uit Holland betrokken
te worden, gelijk vroeger, in groote hoeveelheid van Engeland naar
Duitschland werden uitgevoerd. Dit geschiedde door een maatschappij,
bekend als "Marchands avonturiers".
Tengevolge van een geschil tusschen Keizer Rudolph II en koningin
Elizabeth moesten de handelaars Duitschland ontruimen, waarna zij zich
te Middelburg en Rotterdam vestigden. Het bestuur van Rotterdam bood
zulke aannemelijke voorwaarden aan, dat het ook de lakenhandelaars
uit Delft naar eerstgenoemde stad lokte. Den 5en Februari werd een
concordaat gesloten met de Societeit der "Marchands avonturiers"
van Engeland, ook bekend als "Engelsche Court", waarbij zij het nog
overgebleven gedeelte van het slot Bulgerstein verkregen met eenige
daarnaast gelegen erven aan de Korte Hoogstraat tot verblijf en
bergplaats hunner wapens, de Waalsche kerk tot uitoefening hunner
religie, en een ruimer beursgebouw "tot gerief van dezelve natie
en andere negotianten". De toenmalige Zeevischmarkt werd daarvoor
aangewezen.
De bakker-dichter J. Oudaen bezong die gebeurtenis in de volgende
regelen:
O, zegenrijke zee! met volheid brengt gij voort,
Voor wie dies zegening het waken aan zijn netten
Niet toeschrijft! maar die stil, met z' overboord te zetten,
Zeid in vertrouwen: Heer! Wij werpen ze op U woord!
Dit maakt een volle beurs. Dies werd dees' plaats, voor desen
Den visscher eigen, nu den koopman toegewezen.
Tengevolge van het verbod van invoer der Engelsche lakens in 1635
verdween de Eng. Court weer uit Rotterdam en uit geheel Holland,
waarna de Beurs voldoende schijnt geweest te zijn tot het begin der
18e eeuw, toen de beruchte actie-handel weer een ruimer lokaal noodig
maakte voor handelaars, die zich meermalen tot 10 uur 's avonds en
later op de Beurs bevonden en elkaar verdrongen.
In Jan. 1721 werd besloten een nieuwe Beurs te doen verrijzen. Men
wilde die maken "tot een ordentelijk cieraad en bequaam gebruijck ten
dienste van de commercie en volgens de kunst van de architecture zal
bevonden worden te behore".
Het plan werd opgemaakt door den Rotterdamschen schilder A. v. der
Werf. Eerst in 1736 werd het gebouw voltooid, een feit, dat door
een fraaien gedenkpenning vereeuwigd is. Die gedenkpenning heeft het
volgende opschrift: "Divitias huc terra suas huc transtulit unda ad
permutandas urbis et orbis opes, d. i.: Land en water brachten hun
schatten herwaarts, om de rijkdommen van de stad en die van de wereld
te verhandelen".
De hoofdvorm der Beurs is een rechthoek; de bebouwde oppervlakte
bedraagt 2340 M2. De oostelijke gevel is de voornaamste. Aanvankelijk
stond op het midden een bevallig torentje, dat in 1829 vervangen
is door een koepel, zooals wij dien heden nog kunnen zien. De
vernieuwing is geschied naar aanleiding van het besluit, om het
carillon van den afgebroken Raadhuistoren op de Beurs te plaatsen. De
luidklok voor de beursbezoekers, die van 1596 dagteekent, heeft reeds
dienst gedaan op de eerste Beurs en roept dus meer dan drie eeuwen
de koopmanschap samen, om zaken te doen. Of het opschrift der klok
"Soli Deo gloria", dat de gieter er op plaatste, ook het wachtwoord
is voor de beursbezoekers, durven wij niet verzekeren.
Van de bovenlokalen der Beurs zijn in 1769 twee, in 1790 nog meer
vertrekken aan het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke
wijsbegeerte ten gebruike gegeven. Terwijl Mercurius beneden zijn
schepter zwaait, is in de bovengedeelten aan Minerva de heerschersstaf
geschonken.
In 1852 werd vóór de Beurs het beeld van Mercurius door Stracké
geplaatst, in Rochefort-steen gebeiteld. Eerst in 1867 is de Beurs
met een ijzeren bekapping overdekt.
Het Beursplein en de aangrenzende gebouwen vormen een eigenaardig
middelpunt van Rotterdamsch leven. Realistisch schetst Herman Robbers
dit gedeelte der oude stad en het beursleven met schelle kleuren op
zijn palet.
"Daar, waar de enorme blinde-muur van 't grauwe, zwaar-massieve
Beursgebouw schaduwt over 't ruime, kleurig-lichte plein, het woelige,
geluidenvolle centrum van het tramverkeer; tusschen het Spoorstation,
wanbouw van steen en roestig ijzer, der eeuwenoude havenstad brutale
hoon--een duffe stank van stof en rook walmt altijd van onder de kap
en van uit de donkere, vervuilde ingangen; schok-rommelend stuwen
de zwarte treinen naar rechts en links over het lage, gedrukte,
roet-besmeerde viaduct, dat in z'n holige duisterheden vunze plassen
en vuilnis verbergt--tusschen die vormlooze, troostlooze leelijkheid
en 't groot-vierkant van 't Postkantoor, officieel kantorig, banaal
net van bouw, waar de deuren voor 't ingaand en uitgaand publiek
al maar kreunende openzwiepen, dichtzuigen en weer opengestooten
worden.... daar is het stadshart, het kloppende, roepende hart van
't rustloos Rotterdam. Want in een sjofele buurt tusschen de suffende
huizen van een verlaten en treurig misvormd plein, sombert de Groote
Kerk; het Museum staat verscholen in de duisterende herrie van
een nauwe straat vol pakhuizen en zeemanskroegen; stil vegeteert
de Schouwburg in een nieuwerige wijk van burgermanswoningen en
huishoudelijke winkeltjes.... Maar de zware adem van 't Beursgebouw
gaat over 't breede, vierkante plein, waar de trammen bellen,
de rijtuigen ratelen, de haastende menschen gaan; het staat in de
fleurige buurt der dure winkelstraten, de Blaak afsluitend, waar 't
's middags parade is van uitgedoste koopmansvrouwen, leegloopers en
gymnasiumheertjes. Het is omringd van restauraties en societeiten".
"Iederen middag, als de zware Beursdeuren geopend worden en het
klokkenspel hoog in 't koepeltorentje waarschuwend klingeltingelt
in de drukke, oude stad--in de kantoren, de bier-, sigaren- en
koffiehuizen--dan komen de haastende handelsmenschen toeschieten van
links en rechts en hoopen zich op in donkere, rumoerige groepen. De
trammen bellen, de treinen bomberen aan, 't gedaver van een stoet
logzware sleperskarren overstemt een tijdlang elk ander geluid. En
de groepen zwellen, van alle kanten komen de zwarte, bruin en grijze
heerenmenschen; zij staan te praten, lachen en rooken, en trekken bij
klompen het donkere Beursgebouw in. Van den Maaskant komen de meesten,
van de oude "Boompjes" en het nieuwe Feijenoord, van de havens en de
kaden, maar ook van de mindere kantoren, die op bovenverdiepingen
zijn in zware, lugubre straten. Uit de koffiehuizen vlak bij en
uit de verste hoeken der naar alle windstreken om zich heengrijpende
zakenstad; de handelaars en de makelaars, de cargadoors en expediteurs,
de reeders, de bankiers, de handelsagenten, de commissionnairs,
allen komen ze op de Beurs, want daar is hun leven, hun geluk; want
daar is hun slag te slaan. Daar is het leven, het handelsleven,
de culminatie van zaken doen; koning kapitaal houdt daar zijn hof,
verdeelt daar zijn gunsten.... ze verdienen er hun brood en hun
sigaren, hun biertjes en dineetjes, hun vrouwen en kinderen, ál hun
rijkdom, ál hun pleizier. Ze brengen er het belangrijkste, het meest
intense van hun bestaan. Sommigen moeten erg veel moeite doen, moeten
vragen, aandringen, lastig zijn, flikflooien, grijnslachen, schreeuwen,
druk doen, zich opwinden, maar anderen staan er, zonder gebaar, met
een enkel woord uit hun mompelende monden vermogend te worden. Velen
spelen er met helsche vreugd, anderen lijden inwendig en geheim,
doen wanhoopscoupen met droge oogen en trekkende monden. De Beurs is
een somber hol, waar mannen leven, verteerd van onedele passie; een
moderne, onbloedige arena, zonder toeschouwers: stads-academie van
slimmigheid en "handelsgeest", duivelstempel der sjaggeraars... Het
hart van de zwoegende handelsstad bonst er met zware slagen".
Op korten afstand bereiken wij de Noord-Blaak, de breede algemeene
promenadeplaats, de ziel van de Maasstad, langs de vierkante havenkom
gelegen, welke Blaak heet, die vóór 1580 nog deel van de stadsgracht
uitmaakte, doch omstreeks dien tijd bij uitlegging naar de Maaszijde
in de stad kwam en in een havenkom werd veranderd. Door de ruimte,
het licht en het water aan de eene zijde maakt de Blaak een geheel
anderen indruk dan de Kalverstraat te Amsterdam, waarmede ze in
beteekenis eenigszins is te vergelijken. "Daar heerscht drukte maar
geen handelsdrukte; daar heerscht vroolijkheid maar geen volksgejoel;
daar heerscht deftigheid, maar met mate; in één woord: de Blaak
is voor de Rotterdammers een ideaalbuurt, een wijk om jaloersch op
te zijn." Het is, of een blijmoedige glimlach het gelaat plooit van
ieder, die de Blaak overgaat. Ieder neemt zich in acht om op de Blaak,
vooral des middags, met zorg te verschijnen, want daar ontmoet men
allicht kennissen der schoone sekse, die een inspecteerenden blik
slaan op hen, die ze ontmoeten.
Over de Blaak gaande, zien wij spoedig de zeevischmarkt, een ruim en
luchtig gebouw, voor het doel met vele gemakken ingericht, en gedurende
den morgen tijdens den afslag de plaats, om een eigenaardige taal te
bestudeeren, die van het vischvrouwen-Rotterdamsch, welke soms krachtig
en origineel is. Een kijkje op de vischmarkt is zeker aan te bevelen.
Achter de vischmarkt strekt zich de breede, drukke Leuvehaven uit,
omringd door pakhuizen en magazijnen voor scheepsbenoodigdheden. De
Leuvehaven en ook de andere binnenhavens van Rotterdam, die den handel
en de scheepvaart door de geheele stad verspreiden, geheel anders
dan te Amsterdam, waar op de grachten weinig scheepvaart gevonden
wordt, zij bieden tal van typische plekjes aan. De havens en kaden
als van het Haringvliet, de Oude- en Nieuwe havens, de Leuvehaven,
de Wijnhaven, de Kolkkade, zij leeren ons het echte Rotterdamsche
stadsleven kennen voor de mannen van zaken, en openen bij de drukke
bedrijvigheid talrijke schilderachtige uitzichten.
Verder onzen weg vervolgend, zien wij spoedig een vierkant gebouw
verrijzen op den hoek van den Schiedamschen dijk.
Dit is het Museum Boymans.
Al heeft Rotterdam geen groote musea of verzamelingen, toch mag men
enkele kleinere bij een wandeling door de stad niet vergeten. Het
Boymans-Museum is bijeengebracht door Mr. Frans Jacob Otto Boymans,
die zijn verzameling aan de stad legateerde, welke er in 1847
eigenares van werd. Doch helaas! in 1864 werd het Museum door een
zwaren brand geteisterd, waardoor niet minder dan 300 schilderijen
verloren gingen. 163 schilderijen werden gered, en deze vormden den
grondslag voor de verzameling van het nieuwe Museum, dat in 1864-1867
gebouwd is. Men vindt hier stukken van Rembrandt, Frans Hals, Albert
Cuyp, Hobbema, enz. en van onderscheidene moderne meesters.
Achter het Museum verrijst het standbeeld, ter eere van den staatsman
Gijsbert Karel v. Hoogendorp, den krachtigen strijder voor den
vrijhandel, dien belangrijken factor van Rotterdams ontwikkeling,
op het Hogendorpsplein opgericht.
Thans wenden wij ons naar de Remonstrantsche kerk, aan den Wester
Singel, in 1898 geopend, om een blik te slaan op een merkwaardig
bouwwerk van architectonische beteekenis uit den laatsten tijd. Deze
kerk is een geheel, dat door lijnen, vormen en afmeting spreekt van
kracht, eenvoud, verheven ernst en waarheid. Die beginselen zijn tevens
vertolkt in het inwendige, in de binnenruimte met haar afwisselende
hoogte, door de plaatsing en afmetingen der sprekende onderdeelen:
ramen en deuren en het inwendige organisme van den bouw.
De muren vertoonen een vlakke, massale behandeling, zonder noodelooze
onderbreking of voorsprongen. Slechts op enkele punten, in de assen van
voor- en zijgevel, zijn hoofdmotieven gevormd tot juist overzicht van
het geheel en tot bepaling van de aandacht. Hierin is uitgesproken,
door krachtige architectuurlijnen, samenwerkend met plastiek en
mozaïek, wat het Remonstrantisme den voorbijgangers te zeggen heeft.
Het centrum van den voorgevel wordt ingenomen door een gekoppelde
dubbeltravée, in goudmozaïek het symbool van den godsdienst
verzinnelijkend. Het is een gevleugelde figuur, hoog houdende
het Evangelie met de alpha en de omega, en waarboven de ster als
lichtpunt is aangebracht. Cirkelvormig omlijst zijn de tympanvelden,
ter weerszijden ingenomen door stijgende, witte leliën als symbool
van reinheid. Zij worden onderbroken door horizontale banden, waarop
in gulden letters links glanzende woorden: "Geloof, als bron van elk
godsdienstig leven"; rechts: "Onderzoek, als bron van godsdienstige
ontwikkeling". Het geheel, in witte tonen, door matgoud verlevendigd
en op teerblauwen achtergrond, is gedragen door een kapiteel, het
symbool van eenheid voorgesteld door twee adelaars, hun voedsel
nemende uit één nap.
De grondslagen van het Remonstrantisme: vrijheid en verdraagzaamheid,
zijn verzinnelijkt door overlevensgroote figuren, die de hoofdpoort
bewaken. Op den randboog staat in sierschrift de Remonstrantsche
spreuk: "Eenheid in 't noodige, Vrijheid in 't onzekere, in alles
de Liefde".
Terwijl de voorgevel een verzinnelijking is van het Remonstrantisme,
herdenkt de zijgevel de groote dragers er van.
--Van de belangrijke instellingen te Rotterdam noemen wij nog de
Diergaarde met een belangrijke plantenverzameling, het Museum voor
Land- en Volkenkunde met het Maritiem Museum "Prins Hendrik", in
het Jachtclubgebouw vereenigd, dat een belangrijke ethnographische
verzameling bezit. Het nieuwe Archiefgebouw is prachtig en soliede
naar de eischen des tijds ingericht.
De tien vroegere poorten van Rotterdam, waarvan er zes aan de
landzijde en vier aan den kant der Maas stonden, zijn op één na alle
verdwenen. Alleen de grijze Delftsche poort, een fraai, zwaar gebouw,
is gespaard geworden voor des mokers woede en staat aan het eind van
het Haagsche Veer nog daar, alsof zij zich verveelt, sedert de muren
en grachten verdwenen zijn. Toch mogen wij er ons over verheugen,
dat dit bouwstuk bewaard gebleven is.
De Delftsche poort is een statig gebouw, geheel van arduinsteen
opgetrokken, dat tegenwoordig aan de tallooze voorbijgangers een nauwen
toegangsweg verschaft van het buiten de singels gelegen stadsgedeelte
naar de binnenstad. Zij dagteekent eerst van 1772, en heeft op zijn
minst twee voorgangsters gehad. In de 15e eeuw stond daar reeds een
poort, die omstreeks het midden der 16e eeuw vervangen werd door
een nieuwe, een karakteristiek gebouw, van baksteen opgetrokken
en afgewisseld door zandsteen, met ronde hoektorens, in scherpe
spitsen en achtkanten bovenbouw eindigend, met een vooruitspringende
voorpoort. De laatste werd in 1663 afgebroken; daarvoor in de plaats
kwam de ophaalbrug. Doch de poort zelf verviel ook meer en meer, zoodat
men ten laatste tot afbraak besloot. In 1768 werd de tegenwoordige
Delftsche poort aanbesteed volgens het ontwerp van De Swart. Zij
was in 1772 voltooid. Het onderste gedeelte der poort behoort tot de
Romeinsch-Dorische, het bovenste tot de Romeinsch-Jonische bouworde;
het geheel wordt door een fronton gedekt. Op de hoofdlijst ziet men
een kolossale groep van vier beelden, voorstellende de stedemaagd,
zittende met een pijlbundel in de linkerhand, rechts achter haar
Mercurius, terwijl aan den voet van den zetel de Rotte- of Schienimf,
over een urn heen liggend, haar wateren aan een naast haar gezeten
Maasgod toevoert.
Aan de Schiezijde van de poort vindt men het stadswapen, geflankeerd
door twee leeuwen, terwijl op het slotstuk boven den doorgang een
Herculeshoofd prijkt.
Een geheel modern gebouw vormt het hooge Witte Huis (aan de Oude
haven,) steil, glad oprijzend met zijn witte muren, als doet het denken
aan ijzerconstructie. Een menigte kantoren zijn daarin gevestigd. De
top van dit huis biedt een schoon uitzicht aan over de stad en bovenal
over de rivier in de nabijheid.