Wij vangen onze wandelingen en tochtjes langs de groote rivieren van
Holland aan bij de Koningin der Maas, de fiere, drukke Rottestad,
die door Victor Hugo voor tal van jaren een "marquise" werd genoemd,
terwijl hij Amsterdam als een "duchesse" betitelde.
Pas hebben wij Rotterdam betreden, of wij komen onmiddellijk onder
den indruk van een levendige handelsstad.
Schier door de geheele oude stad jaagt en drijft het met een onrust
en zenuwachtigheid, die spreekt uit de rusteloos dreunende karren
op het ruwe plaveisel, uit de bedrijvigheid in de straten en den
snellen pas der beurs- en kantoormannen, in één woord, uit alles,
wat er verricht wordt. In Den Haag ziet men slenteraars, wier leven
schijnt te bestaan in het zoekbrengen van den tijd; in Rotterdam heeft
men schier altijd gebrek aan tijd en wandelt bijna niemand; men holt
en draaft er. Van het wandelen in den trant der Hagenaars en Arnhemmers
heeft de volbloed Rotterdammer een ongeveinsden afkeer; op een gewonen
weekdag staat dat voor hem gelijk met tijd verkwistend nietsdoen,
een dwaas en doelloos rondloopen zonder geldverdienen. Maar velen,
die in het laatste stadium van het hollend leven gekomen zijn en het
economische doel, dat zij nastreefden, bereikten, verlaten Rotterdam,
om in Den Haag, Scheveningen of elders den bedaarden wandelpas te
leeren overnemen, welke aan hun leeftijd voegt en die in de bedrijvige
koopstad niet past. Jonge geslachten, krachtige persoonlijkheden,
mannen met ondernemingsgeest en energie komen zich te Rotterdam
vestigen in de kracht van hun leven, om later elders rust te genieten.
"De stad Rotterdam heeft door dit alles een rusteloos straatleven, met
alles volte, met steeds herrie langs havens en kaden, een druk bewegen
door nauwe straten, stegen en sloppen. De stad is als een groote
machine, voortraderend zonder wil of bewustzijn, gedreven alleen door
nooit verslappende kracht van ijzeren noodzaak. Overal doen de straten
mee aan het zaken doen. Langs de havenkaden en de steenen wallen der
breede rivier, in de handelswijk aan den "overkant", maar ook tot diep
in het hart der oude stad, overal dreunen en rameien de overvolle
sleeperskarren en scheurt het vloekend geschreeuw, het "huw!" en
"hrt!" der sleepers door de lucht. Aan de rivier en de havens sist
de stoom, knarst en rommelt en giert het door de rustelooze lieren,
die hun verplaatsingsarbeid onophoudelijk zonder symptoom van moeheid
voortzetten tot laat in den nacht." Aldus schetst Herman Robbers de
drukte van Rotterdam.
"Business", dat is het wachtwoord van den Rotterdammer, "time is
money", dat is zijn lijfspreuk. En met die Engelsche spreuken neemt
hij ook de Engelsche taal over. Zooals men in Den Haag zich somtijds
in Frankrijk waant door het Fransch, dat ook de Hagenaar tracht te
spreken, gelooft men zich op de kaden van Rotterdam dikwijls in een
Engelsche stad, daar het zeemans-Engelsch er niet zelden den boventoon
heeft. De Rotterdammer moet Engelsch spreken en dikwijls Duitsch,
want zijn eene hand is naar het oosten, naar Duitschland, de andere
hand naar zee gericht, naar de havens en koopsteden van Albion,
en op beide steunt zijn bedrijf. Het Fransch laat hem daarentegen
vrij onverschillig.
De eerste opkomst van Rotterdam tot een aanzienlijke handelsstad had
een natuurlijk verloop.
Rotterdam is ontstaan op de plek, waar het onbeteekenende landwater
de Rotte in de Maas viel. Reeds vóór de 13e eeuw bestond hier een
dijk langs de Maas, die van de duinstreek voorbij Vlaardingen en
Schiedam liep, zich door het tegenwoordige Rotterdam boog en voorbij
het oude slot Honingen, ten oosten van Rotterdam, naar den IJsel
liep. De Schie en de Rotte werden door dien dijk afgesloten, zoodat
het Maaswater niet in deze stroompjes kon opdringen, terwijl het water
uit het land door uitwateringssluisjes onder den dijk wegstroomde. Die
uitwateringssluisjes waren te laag, om door de schepen gebruikt te
worden, en overtoomen dienden, om de kleine schuiten, welke uit het
land kwamen, over de dammen te voeren naar de Maas en omgekeerd,
terwijl de grootere schepen moesten overladen. De drukte, hieraan
verbonden, deed bij de monden dorpen ontstaan: bij den mond der Schie
Schiedam en bij den mond der Rotte Rotterdam.
Wel was het eerst een klein en onbeduidend dorpje, dat daar opgroeide
uit de huisjes, langs den dijk gebouwd bij den Rottemond. Die oudste
kern van Rotterdam kunnen wij nog terugvinden in de Hoogstraat en den
Schiedamschendijk, welke den ouden rivierdijk aanwijzen. Aan dien dijk
werd het een dijkdorp, zooals wij er vele in Holland vinden. Doch
al spoedig breidde de nederzetting zich uit, naarmate het verkeer
levendiger werd, en de verstapeling der goederen van de Maas naar de
Rotte of omgekeerd meer drukte gaf.
Aan het Rottedorp werd in 1327 een eerste voorrechtsbrief geschonken,
en in 1340 gaf graaf Willem IV aan Rotterdam het oudste handvest,
waardoor de plaats als stad werd erkend. In hetzelfde jaar ontving
Rotterdam het recht, om een vaart van de Maas naar de Schie bij
Overschie te mogen graven (zie pag. 27) en aldus kwam Rotterdam in
verbinding met den hoofdwaterweg door het hart van Holland, naar Delft
en Den Haag, een verkeersweg van veel grooter beteekenis dan die over
de onbelangrijke Rotte, zonder dorpen aan de oevers. Op deze wijze
verkreeg de handel van Rotterdam een rijk achterland, en hiermede
werd het eerst een belangrijke stoot gegeven aan de ontwikkeling van
deze plaats als handelsstad. De aanslibbing in de Maas voor Schiedam,
waardoor deze stad meer van de rivier werd gescheiden en dieper in het
land kwam te liggen, gaf Rotterdam, dat in gunstiger omstandigheden
was gelegen, weldra den voorrang op Schiedam.
Een mededinger voor Rotterdam dreigde later nog op te komen aan
de Maas. Delft, het bloeiende Delft, wenschte een eigen haven te
hebben en liet, zooals wij zeiden, een derden arm van Overschie
naar de Maas graven, en aan dien mond bouwde Delft een eigen
havenstad: Delfshaven, dat de voorhaven van Delft zou zijn. Doch uit
kleingeestige handelspolitiek hield Delft die haven klein en belette
haar uitbreiding, om den handel op Delft te blijven concentreeren. Het
gevolg was, dat Delft daardoor de opkomst en bloei van zijn machtigen
concurrent Rotterdam in de hand werkte. Delfshaven werd door die
kleinzielige politiek ook los van zijn moederstad en wilde in 1795
zelfs het gezag van Delft niet meer erkennen. En toen Rotterdam
in de negentiende eeuw zich steeds uitbreidde en de grenzen van
Delfshaven naderde, werd in 1890 Delfshaven met Rotterdam tot één
gemeente vereenigd.
Vermelding verdient het, dat Delfshaven, zwak als het was en niet in
staat, zijn zaken goed te ordenen, in 1841 al verzocht, bij Rotterdam
te worden ingelijfd. In dien tijd echter was Rotterdam nog niet vervuld
van den lateren ondernemingsgeest en werd het aanbod afgeslagen.
De eerste nederzetting te Rotterdam was aldus ontstaan langs den
rivierdijk, die door het lage moerasland slingerde, zeiden wij. 't
Was een slappe, onvaste bodem, geenszins door de natuur aangewezen
voor den aanleg eener groote stad.
Uit riet en lisch en elzenstutten,
Op aan den stroom ontwoekerd land,
Verhief zich aan den oeverrand
Een schamel dorp van visschershutten,
Wier vruchtbre streek een breede plas,
Wier rijkdom fuik en schepnet was.