Thans volgen wij van Gouda den hoogen zuidelijken IJseldijk naar
Haastrecht en verder naar Oudewater. Een smal, stumperig watertje is
hier de IJsel, tusschen de aangeslibde landen binnen de hooge dijken
ingekrompen tot een kanaaltje, dat alleen door zijn bochten en thans
nuttelooze hooge dijken nog aanwijst, van hooge komaf te zijn. Een
vervallen grootheid van adellijken huize, gesteund en onderhouden
door burgerlijke hulp, en alleen nog trotsch op den stamboom, in
't grijs verleden wortelend, op de familiebetrekkingen, die hem niet
meer erkennen en vergeten ... dat is de IJsel in onzen tijd.
Even vóór Haastrecht bereikt is, zal den wandelaar langs den vrij
eentonigen noorder IJseldijk op korten afstand daarvan een nieuw
boerenhuis van eigenaardigen bouw in het oog vallen. Dat is het
"Klooster te Stein", en hoewel sedert lang geen klooster meer, staat
het toch nog onder dien naam bekend. Voor enkele jaren is dat gebouw
met veel smaak in antieken stijl gerestaureerd. Eens verhief zich
op deze plek het Regulierenklooster Emmaus, waar Erasmus door het
vleien en dreigen zijner vrienden het geestelijk gewaad aannam. Dat
klooster brandde in 1549 tot den grond toe af en werd in een hofstede
veranderd. De overlevering meldde, dat hier de kinderstoel van Erasmus
bewaard werd, en om dien te zien, werd het huis veel bezocht.
Het dorp Haastrecht, met villa's aan den IJsel en vele nette huizen,
maakt een vriendelijken indruk. Vroeger was Haastrecht aanzienlijker
en bedrijviger dan thans; het moet zelfs volgens H. Junius een stadje
geweest zijn met twee kloosters en drie kasteelen. Ook bloeiden er
de kaashandel, hennephandel en de leerlooierijen, die thans zijn
vervallen. Het raadhuis met zijn hooge stoep, dagteekent van 1618.
Wie een typisch plekje polderland wenscht te zien, wandele over
Haastrecht een eindweegs naar het zuiden langs de Vlist, een kronkelend
water, dat van Schoonhoven tot den IJsel loopt. De Vlist is een boezem,
waarop het water uit de omringende polders wordt afgemalen. Dewijl
het water in den Vlistboezem niet hoog genoeg is opgevoerd, om af te
loopen, wordt het uit de Vlist bij Haastrecht door een 7-tal molens
nog hooger opgemalen naar den "hoogen boezem", een omkaad stuk land,
gedeeltelijk met riet begroeid, en van hier kan het eerst afloopen op
den IJsel. Bijgaande plaat geeft een afbeelding van dat molenlandschap.
Voorbij Haastrecht blijft het landschap geheel hetzelfde; reeksen
van boerenhofsteden liggen langs de beide IJseldijken in de schoone
graslanden. Aan den noordkant van den IJsel ligt Goe-Jan-Verwellesluis,
een eenvoudige buurtschap aan de sluis, die de Dubbele Wierikke met
den IJsel verbindt. Hier was het, dat Prinses Wilhelmina, de gade
van den Erfstadhouder, in Juni 1787 door de Commissie van Defensie
werd tegengehouden, toen zij, om aan de zaken van haar gemaal een
gunstiger keer te geven, Nijmegen, waar destijds de Stadhouder
tijdelijk verblijf hield, verliet en naar Den Haag wilde gaan. Na
eerst in een boerenhuis gebracht te zijn, geleidde men de Prinses
naar Schoonhoven, om daar den nacht door te brengen. Het is bekend,
dat de Staten van Holland deze daad goedkeurden en dat de prinses,
van Schoonhoven naar Leerdam vertrokken, daar het bericht ontving,
waardoor zij genoodzaakt werd, zich naar Nijmegen terug te begeven.
Nog een korten tocht over den IJseldijk en wij staan voor het stedeke
Oudewater, met ongeveer 2650 inwoners, dat door den IJsel wordt
doorsneden. Oudewater ligt op de plek, waar de Linschoten met den IJsel
is verbonden, aan de grens van Zuid-Holland en Utrecht; omstreeks de
13e eeuw behoorde het tot Utrecht. In 1265 schonk Bisschop Hendrik
van Vianden aan Oudewater stedelijke rechten, doch kort daarop, in
1280, verpandde Bisschop Jan van Nassau de stad aan zijn neef Floris
V. Daar deze verpanding nooit werd afgelost, is Oudewater sedert aan
Holland gebleven, al was de stad nog herhaaldelijk het slachtoffer
van den strijd tusschen de bisschoppen en de graven. In 1346 verkreeg
Oudewater het voorrecht, nooit van de grafelijkheid te mogen worden
gescheiden, een privilegie, dat in 1404 door Graaf Willem IV werd
bevestigd. Door zijn ligging aan de grens werd Oudewater als een der
sleutels van Holland beschouwd en goed versterkt.
De stad kwam hoofdzakelijk op als marktplaatsje voor den omtrek,
en in verhouding tot zijn gering aantal bewoners is het nog altijd
een druk bezocht stadje, dat winkelnering heeft uren in den omtrek en
een levendigen kaashandel. De kooplieden te Oudewater koopen veel op
de markten te Bodegraven, Gouda en Woerden, alsmede bij de boeren aan
huis; de kaasmarkt te Oudewater zelf heeft geen groote beteekenis. Toch
wordt de weekmarkt er druk bezocht.
Oudewater vertoont in zijn gevels en woningbouw nog onderscheidene
overblijfselen uit den bloeitijd der zelfstandige, Hollandsche
bouwkunst. Schilderachtig kronkelt de IJsel door de stad, welke voor
een gedeelte met bogen overmetseld is tot marktplein, aan den eenen
kant de straat omzoomd met linden langs het water, terwijl aan de
andere zijde de huizen uit de gracht zijn opgebouwd. Een prachtige
oude gevel vertoont nog het kaaspakhuis tegenover de Waag, met het
jaartal 1611.
De Waag staat aan de markt en is volgens het jaartal in 1595
gebouwd. Die eenvoudige, witte, spitse gevel zou, als hij spreken kon,
ons veel hebben te vertellen en een stuk beschavingsgeschiedenis
blootleggen, waarover wij thans de schouders ophalen. Want in dit
gebouw werd vroeger de befaamde heksenwaag gevonden, waar met de
weegschaal en gewichten werd uitgemaakt, of iemand in staat was,
op bezemstelen of een gezalfd stokje door de lucht te vliegen. Het
was een poging, om door exact onderzoek vast te stellen, wie tot het
beruchte ras der heksen behoorde, toen de vuur- en waterproeven niet
proefhoudend bleken te zijn. Men ging van het vernuftig denkbeeld
uit, dat hij, die lichter woog dan zijn gestalte vorderde, noodwendig
met den booze in betrekking moest staan. Oudewater nu was van ouds
bekend wegens de nauwkeurigheid van zijn "trois" gewicht, en daarom
werd zijn waag waardig gekeurd, om over het belangrijke vraagstuk
der hekserij te beslissen. Men meent, dat Keizer Karel V aan de
stad dat voorrecht gegeven zou hebben, omdat hij vernomen had, dat
in Oudewater nooit iemand als toovenaar verbrand was, daar men den
beschuldigde op de Waag liet wegen, in plaats van hem, gelijk elders,
aan de vuur- of waterproeven bloot te stellen. Daarom reisden velen,
die van tooverij werden beschuldigd, zelfs uit veraf gelegen streken,
naar Oudewater, vroegen verlof om gewogen te worden, verkregen
daartoe altijd vergunning en ondergingen in tegenwoordigheid van een
paar schepenen en den gerechtsbode de proef. De bode ontkleedde den
gewaanden toovenaar tot op het hemd en deed hem zijn kousen en schoenen
uittrekken; als het vrouwen, betrof, werd dit door de stedelijke
vroedvrouw verricht. Op deze wijze verkreeg men de zekerheid, dat de
gewogene niets bij zich droeg, om zijn zwaarte te vermeerderen.
De kosten van het wegen bedroegen:
Aan ieder der Schepenen 18 st. Holl. f 1.16
Aan den secretaris f 2.18
Aan gerechtsbode, waagmeester, vroedvrouw, ieder 12 st. f 1.16