III. NAAR HAASTRECHT, OUDEWATER, MONTFOORT EN IJSELSTEIN.

Thans volgen wij van Gouda den hoogen zuidelijken IJseldijk naar

Haastrecht en verder naar Oudewater. Een smal, stumperig watertje is

hier de IJsel, tusschen de aangeslibde landen binnen de hooge dijken

ingekrompen tot een kanaaltje, dat alleen door zijn bochten en thans

nuttelooze hooge dijken nog aanwijst, van hooge komaf te zijn. Een

vervallen grootheid van adellijken huize, gesteund en onderhouden

door burgerlijke hulp, en alleen nog trotsch op den stamboom, in

't grijs verleden wortelend, op de familiebetrekkingen, die hem niet

meer erkennen en vergeten ... dat is de IJsel in onzen tijd.

Even vóór Haastrecht bereikt is, zal den wandelaar langs den vrij

eentonigen noorder IJseldijk op korten afstand daarvan een nieuw

boerenhuis van eigenaardigen bouw in het oog vallen. Dat is het

"Klooster te Stein", en hoewel sedert lang geen klooster meer, staat

het toch nog onder dien naam bekend. Voor enkele jaren is dat gebouw

met veel smaak in antieken stijl gerestaureerd. Eens verhief zich

op deze plek het Regulierenklooster Emmaus, waar Erasmus door het

vleien en dreigen zijner vrienden het geestelijk gewaad aannam. Dat

klooster brandde in 1549 tot den grond toe af en werd in een hofstede

veranderd. De overlevering meldde, dat hier de kinderstoel van Erasmus

bewaard werd, en om dien te zien, werd het huis veel bezocht.

Het dorp Haastrecht, met villa's aan den IJsel en vele nette huizen,

maakt een vriendelijken indruk. Vroeger was Haastrecht aanzienlijker

en bedrijviger dan thans; het moet zelfs volgens H. Junius een stadje

geweest zijn met twee kloosters en drie kasteelen. Ook bloeiden er

de kaashandel, hennephandel en de leerlooierijen, die thans zijn

vervallen. Het raadhuis met zijn hooge stoep, dagteekent van 1618.

Wie een typisch plekje polderland wenscht te zien, wandele over

Haastrecht een eindweegs naar het zuiden langs de Vlist, een kronkelend

water, dat van Schoonhoven tot den IJsel loopt. De Vlist is een boezem,

waarop het water uit de omringende polders wordt afgemalen. Dewijl

het water in den Vlistboezem niet hoog genoeg is opgevoerd, om af te

loopen, wordt het uit de Vlist bij Haastrecht door een 7-tal molens

nog hooger opgemalen naar den "hoogen boezem", een omkaad stuk land,

gedeeltelijk met riet begroeid, en van hier kan het eerst afloopen op

den IJsel. Bijgaande plaat geeft een afbeelding van dat molenlandschap.

Voorbij Haastrecht blijft het landschap geheel hetzelfde; reeksen

van boerenhofsteden liggen langs de beide IJseldijken in de schoone

graslanden. Aan den noordkant van den IJsel ligt Goe-Jan-Verwellesluis,

een eenvoudige buurtschap aan de sluis, die de Dubbele Wierikke met

den IJsel verbindt. Hier was het, dat Prinses Wilhelmina, de gade

van den Erfstadhouder, in Juni 1787 door de Commissie van Defensie

werd tegengehouden, toen zij, om aan de zaken van haar gemaal een

gunstiger keer te geven, Nijmegen, waar destijds de Stadhouder

tijdelijk verblijf hield, verliet en naar Den Haag wilde gaan. Na

eerst in een boerenhuis gebracht te zijn, geleidde men de Prinses

naar Schoonhoven, om daar den nacht door te brengen. Het is bekend,

dat de Staten van Holland deze daad goedkeurden en dat de prinses,

van Schoonhoven naar Leerdam vertrokken, daar het bericht ontving,

waardoor zij genoodzaakt werd, zich naar Nijmegen terug te begeven.

Nog een korten tocht over den IJseldijk en wij staan voor het stedeke

Oudewater, met ongeveer 2650 inwoners, dat door den IJsel wordt

doorsneden. Oudewater ligt op de plek, waar de Linschoten met den IJsel

is verbonden, aan de grens van Zuid-Holland en Utrecht; omstreeks de

13e eeuw behoorde het tot Utrecht. In 1265 schonk Bisschop Hendrik

van Vianden aan Oudewater stedelijke rechten, doch kort daarop, in

1280, verpandde Bisschop Jan van Nassau de stad aan zijn neef Floris

V. Daar deze verpanding nooit werd afgelost, is Oudewater sedert aan

Holland gebleven, al was de stad nog herhaaldelijk het slachtoffer

van den strijd tusschen de bisschoppen en de graven. In 1346 verkreeg

Oudewater het voorrecht, nooit van de grafelijkheid te mogen worden

gescheiden, een privilegie, dat in 1404 door Graaf Willem IV werd

bevestigd. Door zijn ligging aan de grens werd Oudewater als een der

sleutels van Holland beschouwd en goed versterkt.

De stad kwam hoofdzakelijk op als marktplaatsje voor den omtrek,

en in verhouding tot zijn gering aantal bewoners is het nog altijd

een druk bezocht stadje, dat winkelnering heeft uren in den omtrek en

een levendigen kaashandel. De kooplieden te Oudewater koopen veel op

de markten te Bodegraven, Gouda en Woerden, alsmede bij de boeren aan

huis; de kaasmarkt te Oudewater zelf heeft geen groote beteekenis. Toch

wordt de weekmarkt er druk bezocht.

Oudewater vertoont in zijn gevels en woningbouw nog onderscheidene

overblijfselen uit den bloeitijd der zelfstandige, Hollandsche

bouwkunst. Schilderachtig kronkelt de IJsel door de stad, welke voor

een gedeelte met bogen overmetseld is tot marktplein, aan den eenen

kant de straat omzoomd met linden langs het water, terwijl aan de

andere zijde de huizen uit de gracht zijn opgebouwd. Een prachtige

oude gevel vertoont nog het kaaspakhuis tegenover de Waag, met het

jaartal 1611.

De Waag staat aan de markt en is volgens het jaartal in 1595

gebouwd. Die eenvoudige, witte, spitse gevel zou, als hij spreken kon,

ons veel hebben te vertellen en een stuk beschavingsgeschiedenis

blootleggen, waarover wij thans de schouders ophalen. Want in dit

gebouw werd vroeger de befaamde heksenwaag gevonden, waar met de

weegschaal en gewichten werd uitgemaakt, of iemand in staat was,

op bezemstelen of een gezalfd stokje door de lucht te vliegen. Het

was een poging, om door exact onderzoek vast te stellen, wie tot het

beruchte ras der heksen behoorde, toen de vuur- en waterproeven niet

proefhoudend bleken te zijn. Men ging van het vernuftig denkbeeld

uit, dat hij, die lichter woog dan zijn gestalte vorderde, noodwendig

met den booze in betrekking moest staan. Oudewater nu was van ouds

bekend wegens de nauwkeurigheid van zijn "trois" gewicht, en daarom

werd zijn waag waardig gekeurd, om over het belangrijke vraagstuk

der hekserij te beslissen. Men meent, dat Keizer Karel V aan de

stad dat voorrecht gegeven zou hebben, omdat hij vernomen had, dat

in Oudewater nooit iemand als toovenaar verbrand was, daar men den

beschuldigde op de Waag liet wegen, in plaats van hem, gelijk elders,

aan de vuur- of waterproeven bloot te stellen. Daarom reisden velen,

die van tooverij werden beschuldigd, zelfs uit veraf gelegen streken,

naar Oudewater, vroegen verlof om gewogen te worden, verkregen

daartoe altijd vergunning en ondergingen in tegenwoordigheid van een

paar schepenen en den gerechtsbode de proef. De bode ontkleedde den

gewaanden toovenaar tot op het hemd en deed hem zijn kousen en schoenen

uittrekken; als het vrouwen, betrof, werd dit door de stedelijke

vroedvrouw verricht. Op deze wijze verkreeg men de zekerheid, dat de

gewogene niets bij zich droeg, om zijn zwaarte te vermeerderen.

De kosten van het wegen bedroegen:

Aan ieder der Schepenen 18 st. Holl. f 1.16

Aan den secretaris f 2.18

Aan gerechtsbode, waagmeester, vroedvrouw, ieder 12 st. f 1.16

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 12 / 74 题