Voor dien prijs ontving de gewogene gewoonlijk het getuigschrift van
zijn onschuld. Daar het maximum der zwaarte van een heks op 30 lb
trois gewicht was bepaald, was er natuurlijk niet één uit de duizenden
boven den kinderlijken leeftijd, die op grond van het gewicht in de
termen viel, om voor een heks te worden uitgemaakt. De heksenwegerij
duurde tot 1729; de laatsten, die hier gewogen werden, waren Klaas
Ariens van den Dool en zijn huisvrouw Neeltje Ariense Kersbergen,
woonachtig onder Meerkerk. De heksenwaag schijnt door haar exacte
proef veel goeds te hebben gedaan in den treurigen tijd, toen het
bijgeloof nog zoo algemeen was en tot treurige daden leidde.
Sedert blijkt het aantal heksen te zijn verminderd. Maar,
helaas! uitgestorven schijnen zij, volgens het bijgeloof, nog
niet. Want al worden er geen vuurproeven meer genomen, toch lezen wij
nog telkens, dat ongelukkigen, die van hekserij beschuldigd worden,
aan mishandeling blootstaan.
Een prachtig bouwprodukt der westersche renaissance is het Stadhuis te
Oudewater, in 1588 gesticht, met een voorpui, gekroond door leeuwen,
die wapenschilden dragen, op den hardsteenen gevel der pui rustend.
In den voorgevel is de gerechtigheid afgebeeld en daaronder vindt
men de wapens der steden Delft, Oudewater en Alkmaar. Uit het met
leien gedekte dak verrijst een laag, vierkant torentje, dat in een
achtkant klokkenkoepeltje eindigt. Voor enkele jaren is dit stadhuis
gerestaureerd. Vooral de gevel met zijn afwisseling van baksteen en
banden natuursteen, met de aesthetische verdeeling der vensters en
deuren, maken dit gebouw tot een der fraaiste uit den renaissancetijd.
De vestibule van het stadhuis met eiken zoldering heeft nog een oude
vierschaar of schepenbank.
Een merkwaardig gebouw is de Hervormde kerk met een hoogen toren,
in den vorm van de Friesche kerktorens. Men weet niet met zekerheid,
wanneer en door wien deze kerk gebouwd werd; in 1858 is zij in- en
uitwendig vernieuwd. In deze kerk vindt men een marmeren gedenkteeken
voor Rudolf Snellius van Royen, overleden als hoogleeraar te Leiden
in 1613. Rudolf Snellius was de vader van Willebrordus Snellius,
die hem ook opvolgde als hoogleeraar in de wiskunde, en beroemd werd
door de nieuw gevonden methode der graadmeting.
Als wij Oudewater doorwandelen, zien wij nog vele geveltjes uit
1613 en '14, maskers, wapens en symbolen in de gevels gebeiteld,
schilderachtige bruggetjes en watergezichten. Ook de Hollandsche
spreukenphilosophie ontbreekt hier niet bij de huizen, gelijk
gevelopschriften, als: "Aan Gods zegen, Is alles gelegen" en dergelijke
aanduiden.
Gebouwen uit de middeleeuwen vindt men er niet meer; het Oude Kasteel,
dat aan de noord-oostzijde der stad verrees, is in 1585 afgebroken.
Van Oudewater gaan wij de grens der provincie Zuid-Holland over
naar Utrecht en volgen steeds den IJseldijk. Spoedig bereiken wij
het stadje Montfoort, aan den zuidelijken oever van den IJsel gelegen
tusschen akkers en weiden. Het is een eenvoudig plaatsje met veel lage,
kleine huisjes, in den zomer door gemis van boomen zeer zonnig. De
nederzetting dankt misschien haar oorsprong aan het kasteel, in 1170
door bisschop Godfried van Rhenen hier gesticht. Het stadje biedt niets
merkwaardigs aan; van het oude kasteel is echter nog een gedeelte
in wezen, al werd het in vele opzichten veranderd. In 1672 lieten
de Franschen het kasteel van Montfoort springen, zoodat alleen de
voorpoort, met een zwaren toren aan beide zijden, bestaan bleef. In
de 19e eeuw werd hier eerst een onderwijsinrichting gevestigd. De
torens en poort van het voormalig slot vormen thans den ingang van
een gesticht voor jeugdige, vrouwelijke veroordeelden, tevens een
huis voor verbetering en opvoeding.
Meisjes, meest van 13 à 14 jaar, worden hier op een veroordeelend
vonnis geplaatst. Het bezoek aan dit gesticht, welks gebouwen in vele
opzichten verbetering behoeven, maakt een aangenamen indruk door de
moederlijke warmte en volle toewijding, waarmede wij de directrice
en eenige onderwijzeressen hun zwaren arbeid zagen volbrengen in
een kring van meisjes, die niet zelden in hun eigenlijk "tehuis",
dat voor hen geen tehuis mocht en moest zijn, de oorzaak moeten zien,
dat zij zoo spoedig op den slechten weg kwamen. Meer dan verzaakte
ouderplicht spreekt uit de geschiedenis van menigeen, die zich dit
gesticht tot verblijfplaats ziet aangewezen en van welke er velen gered
zouden worden voor de toekomst, wanneer de ouderlijke macht niet als
een satan loerde op haar prooi, om hen onder schoone voorwendselen
spoedig weder ten verderve te voeren. Menig bezoek der ouders aan
deze ongelukkigen gaat met het uitstrooien van slechte zaden in hun
zielen gepaard, die welig opschieten en slechts met moeite weer kunnen
worden uitgerukt. Doch niet altijd ligt de schuld rechtstreeks bij
de ouders. Men ervaart hier, dat de zonde der vaderen zich wreekt
tot in het derde en vierde geslacht.
De weg van Montfoort loopt verder langs den IJseldijk naar
IJselstein. De oude rivierloop heeft hier tusschen de dijken de klei
van eeuwen opgezameld en daardoor de grondstof opgehoopt voor vele
steenbakkerijen, terwijl ook klei van hier naar de bakkerijen aan
den Ouden-Rijn wordt gevoerd. Het blijft een vruchtbaar landschap,
dat zich aan beide zijden langs den IJsel uitstrekt, met de beste
graslanden en een bloeiende veeteelt en zuivelproduktie.
Zoo bereiken wij IJselstein, een klein, vriendelijk stadje aan den
linkeroever van den IJsel, gedeeltelijk in het geboomte gelegen, dat
aan den noordwestkant op den vroegeren wal verrijst. Als wij IJselstein
van dien kant binnentreden, valt ons het eerst de mooie, flinke,
Gothische kerk der R. K. in het oog, een nieuw gebouw. Bezienswaardig
zijn het altaar en de preekstoel met keurig snijwerk, welke laatste
uit een oudere kerk in de nieuwe is overgebracht. De rijke boeren
in den omtrek schonken klokken aan deze kerk, die echter, als zij
gelijktijdig luiden, niet samenstemmen.
IJselstein is als de meeste IJselsteden waarschijnlijk opgekomen bij
een kasteel, dat der Heeren van IJselstein, afstammelingen van het
destijds machtige Huis van Amstel. Wanneer hier het eerste kasteel
gesticht werd, valt niet te zeggen, doch waarschijnlijk was het er
reeds in 1144. Het slot bestond uit tal van trotsche gebouwen, met
zware muren, die in de torens 1 1/2 meter dikte bezaten. Nadat het slot
reeds vele veranderingen had ondergaan en gedeeltelijk was gesloopt,
werd het overblijvende in 1887 afgebroken. Het bestond destijds uit
een aantal gebouwen, rondom een binnenplaats gelegen en afgesloten
door een zwaren walmuur met drie verdedigingstorens; het geheel
was omringd door een gracht. Over de brug en door een poort had men
toegang tot het woonhuis. Daaruit leidde een galerij naar een zwaren
toren met een vierkanten Gothischen traptoren er naast. Dit laatste
was het belangrijkste gedeelte van het bouwwerk. Deze groote, 8 meter
breede en 20 meter hooge traptoren, met dikke muren en verspringende
ribgewelven is een zeer fraai en kunstig werkstuk, schier eenig in
ons land. Gelukkig is dit gedeelte bewaard gebleven, door het Rijk
gerestaureerd en in den ouden staat hersteld.
Bij het zien van dit laatste overblijfsel van het merkwaardige
gebouw, thans tusschen aardappelvelden gelegen op de plek, waar
zoo vele ridderbedrijven in de middeleeuwen werden afgespeeld,
komen ons onwillekeurig enkele historische herinneringen voor den
geest. Wij zien in gedachten, hoe in 1297 het slot IJselstein een
zware belegering van de Hollanders te verduren had en men alles
aanwendde, wat de krijgskunde dier dagen te aanschouwen gaf, om het
te doen bezwijken. Bezitter van het slot was destijds Gijsbrecht van
IJselstein, maar bij diens afwezigheid werd het door zijn kloekmoedige
gemalin, Baerte van IJselstein, een jaar lang met moed en inspanning
verdedigd, tot zij eindelijk voor de overmacht moest bukken, en slechts
lijfsgenade voor zich en de helft der bezetting kon bedingen. De
manschap bestond echter op het oogenblik der overgave, tot groote
verbazing der belegeraars, uit niet meer dan 16 personen, van welke 8,
door het lot hiertoe aangewezen, meedoogenloos onthoofd werden.
Nog menige belegering moest het slot sedert doorstaan. In 1374 deed
de bisschop van Utrecht het plunderen; in 1411 verdedigde Floris van
IJselstein het manmoedig tegen de Utrechtenaren, doch zes jaren later
werd het door Utrechtenaren en Amersfoorters genomen en verbrand. Een
dergelijk lot trof het slot weder, na hersteld te zijn, in 1466 door
Adolf van Gelder. Nog werd het in 1482 belegerd door de Utrechtenaren,
doch zonder gevolg. Bij de herinnering dier vele geschiedenissen,
aan het oude slot verbonden, rijst onwillekeurig
voor het verwonderd oog
Opnieuw het burchtgewelf omhoog,
Zooals het prijkte in vroeger dagen;
Dan krijgt de slotpoort als weleer
Zijn ijzren vleugeldeuren weer;
Dan wappert van den hoogen toren
Opnieuw de blanke baanrol uit;
Dan is 't, of 't avondzonnegloren
Op 't blank geslepen borstschild stuit
En blikkert op de stormhelmetten
En 'tflikkrend staal der krijgsgenetten,
Die zich verdringen in het krijt
En joken naar den strijd!
Dan treedt een sleep de hallen binnen
Van edelvrouwen, jong en schoon,
Van ridders, vurig in 't beminnen,
Van knapen, vrij en hoofsch van zinnen,
En minstreels, die den zang beginnen
Voor vrouwengunst en minneloon!
Waar is uw luister heengevaren?
Herinn'ring bleef slechts van uw praal!
Ten zeerste juichen wij het toe, dat dergelijke overblijfselen uit
vroeger eeuwen thans meer van regeeringswege tegen den ondergang
bewaard worden, om daardoor ook in ons vaderland door gedenkstukken
het verleden te leeren kennen.
De oude Herv. Kerk, te midden van het plantsoen op den wal heeft een
fraaien toren, op een zwaar vierkant onderstuk, en met een achtkant
bovengedeelte, dat in vier omgangen afneemt. In het koor dezer kerk
vindt men een verheven graftombe van vier vroegere heeren en vrouwen
van IJselstein. De vier beelden van Namensch marmer, in biddende
houding staande, met leeuwen en honden onder hun voeten, stellen
voor Gijsbrecht van (Amstel) IJselstein, zijn echtgenoote Bertha
van Heukelom, Arnold van IJselstein en Maria, bastaarddochter van
Guy van Henegouwen. Een tweede tombe is gewijd aan de nagedachtenis
van Aleide van Culemborg, vrouwe van IJselstein, in 1471 overleden;
zij wordt voorgesteld in liggende houding, met haar kinderen aan het
hoofdeinde, die de handen op het hoofd der moeder leggen.
Thans verlaten wij den IJsel, om onze wandeling langs de Maas en de
Lek te vervolgen.