II. GOUDA.

Zoo hebben wij het punt bereikt, waar thans de Gouwe, uit het noorden

komend, een gedeelte van Rijnlands boezemwater door sluizen en met

stoomgemaal op den IJsel loost en van tijd tot tijd hieruit ook water

tot verversching ontvangt. Als wij ons in gedachten naar het grijze

verleden verplaatsen, zien wij, dat op deze plek een open landwater

met veel kronkelingen uit de moerassige weiden te voorschijn kwam,

om vrij in den IJsel, toen nog een hoofdrivier, uit te monden. Op

het verbindingspunt van deze twee wateren, die een kruispunt van

verkeerswegen vormden, en te midden van een vruchtbare landouw,

had zich al vroeg eenige bevolking gevestigd en hier werd door een

machtig heer een slot gebouwd op de plek, zoo bij uitstek gunstig

gelegen, om er voordeelen te trekken van het handelsverkeer. Wat

er eerst geweest is, valt moeielijk te zeggen; waarschijnlijk de

nederzetting. Maar wij weten zeker, dat omstreeks 1350 hier door Graaf

Jan van Beaumont een kasteel gebouwd werd en dat er tollen van de

voorbijgaande schepen werden geheven. Zeer waarschijnlijk zal er ook

al vroeger een kasteel hebben gestaan. Het nieuwe slot werd echter in

1438 door brand grootendeels vernield, zoodat er weinig van overbleef.

De produkten der vruchtbare omstreken en de gunstige ligging voor het

scheepvaartverkeer, op de plaats waar de zeeschepen aankwamen en de

zeevaart in binnenvaart overging, deden de nederzetting aan de Gouwe

spoedig opkomen tot een handels- en industriestad, welke den naam "ter

Gouwe" of Gouda kreeg, en in 1272 stedelijke rechten verwierf. In 1356

was Gouda reeds beroemd door zijn markt in granen, die hier van de

Zeeuwsche eilanden gemakkelijk konden worden aangevoerd, terwijl ook

de weverijen en bierbrouwerijen destijds veel vertier gaven. Doch de

bronnen van bestaan en welvaart voor Gouda vloeiden zeer afwisselend en

onregelmatig. Toen in de 16e eeuw de bierbrouwerijen te gronde gingen,

kwam de tapijtweverij nog tijdelijk op, die eveneens weder verdrongen

werd. Alleen de bleekerij, welke eveneens in dien tijd opkwam, heeft

zich staande gehouden tot onzen tijd. De pijpenbakkerijen echter,

die het produkt leverden, dat naar deze stad zijn naam ontving, en in

1751 aan niet minder dan 3000 personen werk verschaften, zijn meest

alle verdwenen; de industrie van pijpen wordt nog staande gehouden,

maar meer als herinnering aan 't verleden.

Na het midden der 19e eeuw is hier weer nieuwe nijverheid

opgebloeid. De hooge schoorsteenen der stearinekaarsenfabriek aan den

IJsel, die ons het eerst in het oog vallen, alsmede die van eenige

andere fabrieken, leveren hiervan het bewijs. Het marktverkeer voor de

boeren is er nog levendig. Hoewel Gouda nog met het getijdenwater van

den IJsel in verbinding staat, is het door de scheepvaart allerminst

een zeestad meer. Gouda is een ernstige provinciestad geworden (22500

inw.), met nog vele trekken van het vroegere aanzien op het gelaat,

met nog teekenen van zijn deftige afkomst, zonder het verval van de

doode steden, maar ook evenmin met den bloei van zijn verleden. Er ligt

een stemmige, Hollandsche rust over Gouda, die meer behaagt dan drukt,

hoewel zij geenszins in den smaak valt van de zonen en dochteren der

twintigste eeuw.

Gouda was in de 16e en 17e eeuw een rijke stad, met levendigen

nijverheid en handel en een welvarende burgerij, zeiden wij. Hieraan

heeft Gouda zijn belangrijkste monumentale gebouwen te danken,

waarvan de Groote Kerk en het Stadhuis het meest beroemd zijn.

De oorspronkelijk ongeveer in een cirkel gebouwde stad, door de Gouwe

en onderscheidene grachten doorsneden, schier alle met rijen boomen

omzoomd, maakt in alle deelen een netten, vriendelijken indruk,

welvarend zonder buitengewone grootheid, flink burgerlijk, met tal

van schilderachtige uitzichten op enkele bruggetjes en straathoeken,

maar zonder veel particuliere gebouwen uit den tijd der Hollandsche

renaissance. De fraaiste straten vindt men langs de Gouwe en bovenal

aan de Haven.

Het hart van de stad wordt gevormd door het ruime, ongeveer driehoekige

marktplein, rondom ingesloten door flinke, burgerlijke huizen, meest

van neringdoenden. Midden op de Markt verrijst het Stadhuis, een

deftig gebouw met een vierkanten toren in het midden en achthoekige

hoektorentjes aan beide zijden van den voorgevel, alle eindigende in

slanke spitsen. Het Stadhuis is gebouwd in 1448-1450, maar onderging in

den loop der tijden vele veranderingen. Van 1876-1882 werd de voorgevel

weder geheel gerestaureerd in zijn oorspronkelijke gedaante, op grond

van oude teekeningen. Het uitbouwsel aan den achtergevel dagteekent

van 1697 en diende oorspronkelijk tot schavot; onder dit schavot was

vroeger de korenbeurs, doch thans de botermarkt, welke evenwel niet

levendig is, aangezien kaas het hoofdvoortbrengsel der streek vormt.

Achter het Stadhuis valt de Waag in het oog, een deftig, vierkant

gebouw, in 1668 gesticht en aan den voorgevel met beeldhouwwerk

versierd. Niet ver van de Waag verheft zich een modern gebouw, welks

gevelopschrift "Arti Legi" aanduidt, dat het aan kunst en wet is

gewijd. In dit gebouw vond men tot voor kort het Stedelijk Museum,

een stichting, die haar oorsprong dankt aan een tentoonstelling, in

1872 gehouden bij gelegenheid van het 600-jarig jubileum der stad,

doch dat thans naar de Haven is verplaatst. Het belangrijkste stuk

van het Museum is de prachtige miskelk, door Jacoba van Beieren,

waarschijnlijk naar aanleiding van haar overwinning aan de Gouwesluis

in 1425, aan de boogschutters van St. Joris geschonken en door wijlen

den heer J. N. Scheltema, destijds archivaris der stad en ook de

stichter van het Museum, onder oude papieren gevonden. Wij zullen niet

verwijlen in het Museum; wie het bezoekt, wordt ingelicht door den

catalogus, waarin o. a. een schutterstuk van Ferdinand Bol voorkomt,

en herinneringen aan de Goudsche pijpen-industrie.

Wij richten thans onze schreden naar de St. Janskerk, verscholen

achter de huizen, als had zij verstoppertje gespeeld en den weg niet

teruggevonden.

De St. Janskerk te Gouda schijnt te zijn gebouwd in den aanvang der

13e eeuw. Zij werd voor de eerste maal bij den grooten stadsbrand in

Mei 1361 verwoest. Nog in hetzelfde jaar kon door den krachtigen steun

van Jan van Bloys met den wederopbouw worden aangevangen, zoodat de

dienst, na de wijding in 1366, met zeven altaren werd hervat. De bouw

werd eerst na 1410 geheel voltooid.

Het duurde echter niet lang; den 25en Aug. 1438 werd de kerk met de

geheele stad wederom door brand vernield. De kerkbouw, aanvankelijk

tot het meest noodzakelijke beperkt, geschiedde gaandeweg op grooter

schaal, naarmate de Goudsche burgers tot welvaart terugkeerden. Dit

blijkt o. a. uit den bouw van het koor en zijn omgang, welke volgens

een inscriptie in 1485 gesticht werden.

Voor de derde maal werd de kerk den 12en Jan. 1552 tengevolge van

het inslaan van den bliksem door brand grootendeels verwoest, doch

terstond herbouwd. De kerk werd toen in den uiterlijken toestand

gebracht, waarin men haar tegenwoordig kent. Het koor had bij den

laatsten brand het minst geleden, zoodat dat gedeelte kan gerekend

worden nog geheel tot den vorigen bouw te behooren.

Gedurende en kort na den laatsten kerkbouw werd de kerk door de Staten

van Holland, verschillende steden en aanzienlijke personen verrijkt met

hetgeen, behalve haar prachtig orgel, haar doet uitmunten en beroemd

zijn: n.l. de geschilderde en gebrande glazen. Dirk Pietersz. Crabeth,

Dirk van Zijl en Wouter Crabeth waren de vermaarde schilders dezer

kunstwerken, die niet slechts in ons vaderland eenig zijn, maar door

hun coloriet en teekening tot de belangrijkste oude glasschilderingen

van geheel Europa moeten gerekend worden en hoedanigheden bezitten,

welke maar zelden door moderne glasschilders in hun geheel kunnen

worden bereikt.

Als gebouw is de tegenwoordige St. Janskerk in hoofdzaak merkwaardig

door haar afmetingen en nationaal karakter. Wat betreft haar

lengte is zij de grootste kerk van ons vaderland: 125 Meter lang; in

oppervlakte kunnen alleen de St. Janskerk in Den Bosch en de St. Bavo

te Haarlem met haar wedijveren. Haar bouwkunst is zuiver Hollandsch en

kenschetsend voor de laatste periode der middeleeuwsche bouwkunst. De

ruime en hooge schepen, die 3 en 5 M. breed nevens elkander opgaan,

zijn door ronde pijlers gescheiden. De weeke toestand van den bodem is

aanleiding geweest, dat men geen steengewelven ter overdekking heeft

aangebracht, maar zich tevreden moest stellen met een Hollandsche kap,

welke inwendig tonvormig is, oorspronkelijk van blank eikenhout.

Dit merkwaardig gebouw verkeerde in een slechten staat; door verrotting

werd noodzakelijk restauratie vereischt. Een commissie ving daarmede

in 1898 aan en met den steun van de Provincie, de Stad en particulieren

wordt thans de herstelling voortgezet.

De St. Janskerk bevat de overblijfselen van onderscheidene beroemde

mannen, die te Gouda geboren zijn of er verblijf hielden. In de

zoogenaamde IJzeren Kapel vindt men de graftombe van den staatsman

en geleerde Hieronymus van Beverningk, in 1614 te Gouda geboren,

een der vier staatslieden, die de Fransche Gezant d'Estrades voor

onomkoopbaar hield.

In het middelpand der kerk vindt men de grafzerk van Dirk

Volkertsz. Coornhert, den trouwen voorstander van godsdienstvrijheid,

overleden in Oct. 1590. Op den steen leest men het bekende grafschrift:

NU RUST NOG STIGT

DIENS LUST ZIJN DIGT-

EN VREUGD GESCHRIJF,

WAS DEUGD MAAR 'T LIJF,

EN 'T WAAR, HIER BLEEF 'T,

HOE ZWAAR GOD HEEFT

'T OOK VIEL, DE ZIEL.

Een gedenksteen aan den wand herinnert aan Mevrouw van Meerten

Schilperoort, de bekende schrijfster van vele kinderwerkjes, overleden

in 1853, door haar vereerders uit liefde geplaatst. De kinderdichter

Hieronymus van Alphen werd in 1746 te Gouda geboren.

Nog zouden wij onderscheidene mannen kunnen opnoemen, die, meer of

minder beroemd, in deze kerk begraven zijn of binnen Gouda's muren

het eerste levenslicht zagen.

Wij willen hierbij echter niet verder stilstaan, doch wenden ons

enkel naar het plantsoen, waar, niet ver van den IJsel, in 1880

een eenvoudig monument werd opgericht ter eere van de gebroeders de

Houtman, in Gouda geboren, de eerste Nederlanders, die den zeeweg naar

Indië volgden en den grond legden voor den Nederlandschen handel. In

de nabijheid verrijst het stoomgemaal van Rijnland, en naar den IJsel

ziende, aan de rechterhand vóór ons, verheft zich op een hoogte een

windmolen. Deze molen heet het Slot; de naam en de ligging op een

heuveltje wijzen ons de plek aan, waar het eenmaal beroemde Goudsche

kasteel zijn tinnen verhief. Na den genoemden brand van 1438 was

het kasteel grootendeels vernield; in 1577 werd het overige door de

burgerij verwoest, een enkelen zwaren toren uitgezonderd, die in de

eerste helft der negentiende eeuw werd gesloopt.

Wij mogen niet langer vertoeven in "ter Gouw"' en evenmin ons in haar

geschiedenis verdiepen, maar wenden ons weder naar buiten. Al zijn

de omstreken van Gouda niet grootsch of rijk aan afwisseling, toch

vertoonen de IJsel en het landschap veel punten met echt Hollandsch

schoon.

De onafzienbare, effene graslanden rondom Gouda, frisch van kleur,

waarop de boerenwoningen verstrooid staan, terwijl reeksen knotwilgen

of rietzoomen de slooten en plassen aanduiden, zij wijzen ons de bron

aan, waaruit de heerlijke Goudsche zuivel vloeit. De bodem rondom Gouda

is laagveenland. Ten noordoosten van de stad, even over den spoorweg,

ligt een groep veenplassen, door enkele wegen met onregelmatige

landstrooken doorsneden en met rietzoden omringd. Aan een dier wegen

verrijzen de kleine huizen van het dorp Sluipwijk. Hier ziet men de

landverwoesting nog voor zich, zooals die gedurende eenige eeuwen

in Holland plaats vond. Somber is de indruk dier plassen; als de

najaarsstormen het donkere water in zwartgrijze golven opzweepen en

onder dof gedruisch met het dorre riet spelen, dat de kanten omzoomt,

vormen zij echte toonbeelden van verlatenheid.

Ons Heerlijk Vaderland (deel 2 van 4) Boven en beneden den Moerdijk · 第 10 / 74 题