Wij willen thans een tochtje maken langs een oude rivier-grootheid, die
in het verre verleden zeker hoog in aanzien stond, maar sedert eeuwen
in verval is geraakt, en niet meer dan slechts enkele der laatste
overblijfselen vertoont van haar vroegere macht en beteekenis. Wij
bedoelen het water, dat men als "Hollandschen IJsel" aanduidt.
Van Rotterdam vangen wij onze reis aan. De weg loopt door den
Kralingschen polder en eenige andere polders, niet ver van den hoogen
ringdijk om den Alexanderpolder.
Kapelle-aan-den-IJsel ligt op een afstand van eenige minuten,
zoodat wij even een kijkje zullen nemen in dit langs den IJsel
gebouwde plaatsje en van den hoogen dijk een blik werpen op de
kronkelende rivier, welke in haar uiterlijk hier nog iets van haar
grootsch verleden bewaard heeft. Deze nederzetting, een echt dijkdorp
met eenige industrie, gelijk die zich langs den open IJsel op meer
punten gevestigd heeft, trekt weinig onze aandacht. Wij volgen weder
den hoofdweg, en als wij eindelijk Nieuwerkerk-aan-den-IJsel op een
kwartier afstands aan onze linkerhand zien opdoemen, hebben wij den
IJseldijk weder bereikt, dien wij verder zullen volgen. Genoemd dorp
ligt op de grens van den Prins-Alexander- en den Zuidplas-polder,
twee der grootste droogmakerijen, waarvan de eerste in 1839, de
laatste in 1874 is drooggelegd.
Een groote verandering heeft dit land door menschenhanden in de
laatste eeuwen ondergaan. Het lage terrein tusschen den IJsel en
de Gouwe in 't O. en de lijn Delfshaven, Delft, Den Haag, Leiden
in 't W., dat in de eerste eeuwen onzer jaartelling een moerassig
laagveenland vormde, met gras, riet en andere waterplanten begroeid,
terwijl wilgen en elzenstruiken in woeste wanorde zoo hier en daar
tot bosschage opschoten, en waardoor de Rotte als een onregelmatig
veenwater naar de Maas slingerde, was in de tien eerste eeuwen onzer
jaartelling nog zeer schaars bewoond.
Langzamerhand trokken de veehouders dit land binnen; zij vestigden
zich op de gunstigst gelegen plekken aan enkele wegen en wateren, en
er ontstonden aldus dorpen van veeboeren. Maar aangezien dit gewest
weldra door een kring van nijvere, welvarende steden werd omringd,
deed de behoefte aan brandstof, zoowel voor huiselijk gebruik als voor
de vele fabrieken, de laagvenen aantasten en ging men, door tijdelijk
voordeel gelokt, er toe over, het land te verturven. Zoo ontstond
hier gedurende de middeleeuwen in de veenlanddorpen de turfmakerij
op groote schaal, die een ernstige verwoesting des lands ten gevolge
had. Ook in de volgende eeuwen werd dat proces voortgezet en aldus
werd langzamerhand het land met plassen overdekt, slechts hier en
daar door met elzenhout beplante landribben afgebroken, die volgens
wettelijke verordeningen onaangeroerd moesten blijven, om het ontstaan
van te groote waterplassen te voorkomen. Het land kwam gedeeltelijk
weder in denzelfden toestand als het geweest was gedurende de eerste
tijden na het ontstaan van het diluvium.
Bijna het geheele land tusschen de kleizoomen van den Ouden-Rijn en de
Nieuwe Maas vormt een dergelijke uitgeveende landstreek. Wanneer het
uitvenen in eenig gedeelte was afgeloopen, werd het uitgeveende land
veelal weder drooggemaakt. Wettelijke verordeningen op de vervening
bevorderden dit niet zelden. En dan zag men uit de troosteloos woeste
wateren, in riet, lisch en struiken verloren, waar het waterwild en
de visschen een paradijs hadden, vruchtbare polders te voorschijn
komen. Uit een groot aantal van zulke bijna aan elkander sluitende en
van tijd tot tijd drooggelegde waterkommen der vroegere veenplassen
bestaat schier het geheele land [9]. Alleen de oude dorpen vindt men
meestal nog op de hoogte van den vroegeren veengrond gebouwd, terwijl
op korten afstand achter de dorpen in de tuinen der erven veelal
de bodem plotseling daalt tot den eigenlijken polder, en doet zien,
hoe hier vroeger het land werd weggegraven. Ook de oude landwateren,
o.a. de Rotte, zijn in hun vroegere bedding gebleven en worden omringd
door strooken van de oorspronkelijke terreinen, veelal nog met dijken
verhoogd, zoodat zij als hooge waterleidingen aanzienlijk boven het
land loopen.
De overgang van den veenplas tot de drooglegging, die niet zelden vele
jaren duurt, was altijd de treurigste tijd voor een veenland. Dan zag
het er woest en somber uit in de half verlaten dorpen, waar slechts
enkele oude veenarbeiders waren achtergebleven, die door hun arbeid
hun bron van bestaan hadden vernield en niet meer in staat waren, zich
elders te vestigen. Eerst nadat de molens het water weder over de nieuw
aangelegde dijken in de boezems hadden gebracht en deze het afvoerden
naar buiten, en de ongelijke, ruwe bodem van den drooggelegden plas
was geëffend, hier en daar het overgebleven veen nog was verturfd en de
landbouwers weder bezit hadden genomen van den eens verwoesten grond,
bloeiden de dorpen weder op en ontstonden er nieuwe nederzettingen. Dit
is in hoofdtrekken de geschiedenis van al deze plaatsen.
Zoo was ook het dorp Nieuwerkerk vroeger een kleine plaats van
veenlieden, die gaarne door jagers en visschers bezocht werd,
wanneer zij op of in de wateren van den Zuidplas of den Alexanderplas
het waterwild of de water bewoners wilden verschalken. Doch na de
droogmaking was dit uit, en kwam het dorp door den landbouw tot
nieuwen en hoogeren bloei.
Belangrijks biedt dit dorp voor ons niet aan, en evenmin willen wij ons
ophouden in de polders, die, hoewel met enkele liefelijke, bekoorlijke,
echt Hollandsche waterpartijen langs de boezems en tochten, toch over
't geheel niet van groote eentonigheid zijn vrij te pleiten. Wij
kiezen thans den IJseldijk tot onzen weg en passeeren het flinke,
nette dorp Moordrecht, grootendeels langs den hoogen dijk gebouwd,
gedeeltelijk daarachter in het lage land.
Uit de huizenreeks in de laagte verheft zich de oude kruiskerk met
haar spitsen toren. Al klinkt de naam van het dorp wat barbaarsch en
al heeft de volksetymologie, op den klank afgaande, er aan gedacht,
dat hij in betrekking zou staan met "moord", zelfs gemeend, hem in
verband te moeten brengen met de onthoofding of moord van Johannes
den Dooper, aan wien de kerk oorspronkelijk was toegewijd, terwijl
ook in het zegel van het dorp op soortgelijke gronden op "moord"
gezinspeeld werd, toch heeft de naam in werkelijkheid niets te maken
met dergelijke lugubere feiten. Hij luidde aanvankelijk "Moerdrecht",
o. a. in 1223 aldus genoemd, en staat in verband met een overtocht naar
de venen of moeren. De Hollandsche graven hadden hier een tolrecht,
misschien op den IJsel.
De door zware olmen beschaduwde weg loopt over den hoogen IJseldijk
naar Gouda. Het aangenaam gezicht
"Van ons gezegend dorp: haar IJselzoete stroomen,
Haar straat en wandeling van hoog opgaande boomen,
Daar al de wereld rijdt met lust en met pleizier,
Van allerhande volk, zelfs Moor en Arabier",
roemt Pieter Verbrugge in 1729 reeds, sprekende over dien weg,
welke een drukke verbindingslijn vormde van Rotterdam over Gouda en
Utrecht. Wij zien ook hier aan onzen voet den IJsel nog eenigszins
in zijn vroegere beteekenis als groote rivierarm. Tusschen de hooge
dijken aan beide oevers ligt de rivier te midden van zoomen aangeslibde
gronden, waar de klei wordt uitgegraven voor de steenbakkerijen. Van
de Maas dringt hier de vloed met elk getijde nog naar binnen, om
bij eb weder af te stroomen, zoodat het water, hetwelk wij er zien,
hoofdzakelijk Maaswater is. Tot Gouda is de IJsel eigenlijk een zijarm
van de Maas, en soort van spuiboezem.
In de eerste eeuwen onzer jaartelling was dit echter anders. Toen
vormde de IJsel een breeden tak van den Rijn, die beneden Vreeswijk
met de Lek in verbinding stond en waarschijnlijk door de afdamming
van den Krommen-Rijn bij Wijk-bij-Duurstede een groote hoeveelheid
water ontving, zoodat de oevers dikwijls overstroomden. Om die reden
misschien werd de IJsel in 1291 afgedamd aan het boveneind, waardoor
hij geen Lekwater meer ontving. Aan het benedeneind echter drong
van de Nieuwe Maas en Lek het vloedwater nog in den IJsel op; in het
bovengedeelte bezonken bij gemis van doorstrooming de slibdeelen hoe
langer hoe meer, vulden de riviergeul aan, en maakten van den eens
breeden rivierarm een vervallen water, echter met vette kleioevers
omzoomd, die de grondstof leverden voor de steen- en pannenbakkerijen.
Om nu den IJsel voor geheele opslibbing te bewaren en als vaarwater
nog te redden, werd besloten, hem te kanaliseeren en aan het andere
eind af te sluiten. Dit geschiedde in 1854-62, toen de sluis ten
oosten van Gouda gelegd is. Gouda ligt nu nog aan het open gedeelte
van den IJsel en kan in zekeren zin nog een zeestad heeten, zooals het
zich in vroeger eeuwen gaarne noemde. Maar verder langs den verlaten
rivierarm, waar in de oudheid een reeks van stedekens tot eenigen
bloei kwamen, als: Haastrecht, Oudewater, Montfoort en IJselstein, is
na het tenietgaan van den waterweg de verdere groei der nederzettingen
tot staan gekomen. De oude stadjes bleven onbelangrijke landplaatsen,
echter met herinneringen aan een meer bloeiend verleden.