DE KAMERLINGEN OF GAATJESDRAGERS (Foraminifera).
Aan de reeds beschreven Gromia's als éénkamerige, d. w. z. met een
eenvoudige woning voorziene Wortelpootige Monothalamia, sluiten zich de
zeer talrijke veelkamerige, de Polythalamia, aan. Hunne woning, meestal
uit kalk, maar bij eenige geslachten ook uit kiezel bestaande, is
samengesteld uit talrijke kamers, welke meestal ook van buiten kenbaar
zijn. Bij eenige familiën liggen deze kamers in een rechte lijn achter
elkander; bij andere vormen zij een onregelmatige samenhooping; bij
de meeste gelijken zij sierlijke slakkenhuisjes. Zoo zien wij b.v. de
fossiele Guttulina communis met slechts weinige zich vergrootende
kamers één winding vormen. Eene opening voor het naar buiten treden
der verlenging is slechts aan de laatste kamer zichtbaar. Van binnen
zijn de kamers door gelijke openingen onderling verbonden.
Zeer sierlijke vormen vertoonen die, waar de kamertjes in een zich als
een schroef windende spiraallijn ontstaan, op de wijze der Nautiliten
en Ammoniten, zooals b.v. de evenzeer fossiele Dendritina vertoont. Ook
deze familie behoort tot de afdeeling met een opening in de laatste
kamer. Talrijk echter zijn de soorten bij wie alle kamers door fijne
gaatjes doorboord zijn, uit welke de veranderlijke lichaamsverlengsels
doorgaan en naar welke eigenschap de geheele afdeeling den naam
Foraminiferen (van foramen, opening, gat) heeft ontvangen.
Het protoplasma vult alle kamers en verlengsels en fijne draden
(stolonen) strekken zich van kamer tot kamer uit. In grootte wisselen
deze wezens van 1/10 mM. doorsnede tot die van een gulden. Deze
grootere vormen behooren echter allen tot voorwereldlijke familiën,
de Nummiliten. Toch zijn er ook nu nog soorten van 30 mM. doorsnede.
Hoewel van deze Polythalamiën omstreeks 2000 soorten zijn beschreven,
fossiele en nog levende, zal men dit getal tot een veel lager moeten
terugbrengen, omdat het reeds gebleken is dat vele der vermeende
zelfstandige soorten en schalenvormen zich in orden laten rangschikken
met geleidelijke overgangen. Hierbij komt nog, dat vele soorten,
in het bizonder die met vele kamers, op verschillende leeftijden een
ander voorkomen hebben.
De verbazingwekkende menigte Rhizopodenschelpen in het zeezand
van sommige kusten, heeft reeds vele bewonderaars gevonden. In een
centigram fijn zand telde men 500 Rhizopodenschelpen, dat is in een
ons 5 000 000.
De thans levende Rhizopoden der zee schijnen zich het liefst op te
houden op zulke plaatsen, waar hun door eene rijkelijke vegetatie
bescherming wordt geboden voor den golfslag en waar hunne zachte,
teedere bewegingsorganen overal gelegenheid tot aanhechting
vinden. Hier vinden zij te gelijk in de Diatomeën en Infusoriën,
welke zich tusschen die planten ophouden, rijkelijk voedsel. De
lievelingsplaatsen, waar vele Polythalamiën zich ophouden, zijn
sponsen van alle soort, waar zij in nog meerdere mate bescherming en
voedsel vinden.
Ehrenberg heeft reeds tientallen jaren geleden, vele honderden
slibmonsters onderzocht, welke uit alle zeeën verzameld waren,
onder anderen op eene diepte van 3000-4000 M. Bijna geregeld vormden
schelpen van Polythalamiën een groot percentage daaraan, wat, als men
het menigvuldig voorkomen daarvan aan moerassige oevers in aanmerking
neemt, geen verwondering kan baren.
De nieuwere zorgvuldige onderzoekingen omtrent de diepte en
gesteldheid van den zeebodem, hebben het groote aandeel aangetoond
dat de Polythalamiënschelpen aan de vorming van dien bodem, van de
Arctische tot aan de Antarctische Zonen hebben gehad. Onder andere
geslachten, welke een geringer procentental leveren, komen vooral
Globigerina en Orbulina in aanmerking, de eerste uit ballen of kogels
van steeds toenemende grootte samengesteld, de andere een enkelen
regelmatig gevormden kogel vertoonend. De overblijfselen van hunne
schelpen komen over duizenden vierkante mijlen oppervlakte van den
zeebodem voor en in zulk een massa, dat zij een karakteristiek
hoofdbestanddeel van den bodem vormen, zoodat men spreekt van
Globigerinengrond en Globigerinenslijk.
Sleept men het net langs den zeebodem, vooral waar men het eenige
vademen, zelfs tot op 100 vademen, moet laten zinken, dan vangt men
eene ongehoorde menigte van zulke levende Foraminiferen, welke het
Globigerinenslijk vormen. De Globigerinen zelf zijn in vele zeeën
zeer talrijk, en hun karakteristiek voorkomen is geheel verschillend
van de op den bodem liggende schelpen, zoodat er niet den minsten
twijfel kan bestaan, dat deze Foraminiferen in de nabijheid van de
oppervlakte leven en dat de geheele schelpenmassa, waaruit de bodem
bestaat, van boven komt.
Wat de Engelsche natuuronderzoekers hebben medegedeeld omtrent
het aandeel, dat de Foraminiferen aan de vorming der aardlagen
hebben gehad, is eigenlijk niets anders dan eene bevestiging en
uitbreiding van de ontdekkingen van Ehrenberg. Hij erkende reeds de
groote overeenkomst van vele thans levende Foraminiferen met die,
welke de reusachtige krijtlagen hebben gevormd, en sprak van "levende
krijtdiertjes". Maar niet alleen van het silurische tijdperk tot aan
de krijtformatie hebben zij zich bezig gehouden met hun reuzenarbeid
aan de vorming onzer aarde, even groot of nog grooter schijnt hun
aantal te zijn in het onderste tertiaire gesteente, zoodat men
in het Bekken van Parijs de Miliolitenkalk, in West-Frankrijk de
Alocolinenkalk en ten slotte in eene lange en breede, langs beide
zijden van de Middellandsche Zee tot in den Himalaya uitgestrekte Zone,
de Nummulitenkalk genoemd heeft naar de geslachten van Rhizopoden,
uit welker overblijfselen zij grootendeels en somtijds alleen bestaan.