DERDE ORDE.

DE AMOEBEN (Lobosa).

De reeds sinds het midden van de 18e eeuw bekende Amoeben zijn deels

met een schaal voorzien, deels naakt.

Wie geen gelegenheid heeft het wonderbare spel van het Pseudopiën-net

te zien, vindt misschien gemakkelijker een met het microscoop bekenden

vriend, die hem een verwant wezen uit het zoete water kan laten zien,

n.l. het Kapseldiertje (Arcella). In volmaakten toestand is het

omgeven door een bruine, ondoorzichtige schaal met gewelfde rugzijde

en een ingedrukte buikzijde met een kringvormigen mond in het midden

daarvan. Het diertje gelijkt volmaakt op een sierlijk doosje. Uit

den mond komt een gedeelte van de weeke lichaamszelfstandigheid

in korte veranderlijke verlengsels. In het weeke lichaam der

Arcellen zijn verscheidene kernen, elk met haar kernlichaampje,

bevat. Jonge exemplaren zijn doorzichtig, zoodat men de bewegelijke

protoplasmalichaampjes goed kan waarnemen.

Bij andere vormen, zooals b.v. bij de Euglypha alocolata, is de

schaal zakvormig; haar vrije rand schijnt gezakt en hare oppervlakte

is samengesteld uit regelmatige, zeer kleine, zeshoekige schubjes. De

protoplasma-verlengsels zijn tamelijk lang, zacht en meestal aan het

einde vertakt.

Van de Arcellen tot de naakte Amoeben is slechts een schrede. Doorzoekt

men met een sterk vergrootglas slib uit stroomend water of den

inhoud van afgietsels van allerlei soort, dan wordt het oog weldra

geboeid door kleine, levende, slijmachtige klompjes, die volmaakt op

de weeke lichaampjes van de arcellen gelijken en ook, evenals die,

een kern bezitten.

Het Amoebenlichaam bestaat uit een buitenste doorschijnende, iets

vastere laag (schors, estosarc) en een daarbinnen bevatte korrelige,

half vloeibare sarcodemassa (merg, endosarc). In deze laatste bevinden

zich talrijke, kleine lichaampjes, deels tot het lichaam behoorende,

deels van het voedsel afkomstig. De eerste zijn kleine korreltjes,

kleine vetbolletjes en uiterst kleine kristalletjes. Voorts is er een

ronde of eironde kern (nucleus) in bevat, die door een duidelijk vlies

begrensd is. In den jongen toestand bevindt zich in die kern een enkel

kernlichaampje; later splitst zich haar inhoud in een aantal kleine

bolletjes, die zich in het inwendige van het lichaam verspreiden. Deze

bolletjes zijn de kiemen of kiemkorrels (sarcoblasten). De zoogenaamde

kern is derhalve eigenlijk een voortplantingsorgaan.

De Amoeben hebben betrekkelijk een niet onaanzienlijke grootte,

zooals b.v. Pelomyxa villosa, die een doorsnede van 2 mM. en meer

bereikt. Zij zijn cosmopolitisch verbreid en misschien zijn het wel

dezelfde soorten. In Duitschland en in Noord-Amerika komen ten minste

dezelfde soorten voor. De meeste soorten bewonen het zoete water, doch

ook de zeeën, ja, er zijn zelfs soorten, die op het land voorkomen en

nog wel op geheel droge plaatsen: onder mos en dergelijke planten,

welke aan rotsen, muren, boomen en op daken groeien, derhalve op

plaatsen waar het water geheel ontbreekt en die het meest zijn

blootgesteld aan uitdrogen door de zon.

De echte Wortelpootigen, waarvan hiervoor gesproken is, worden reeds

door verschillende natuuronderzoekers van naam, evenals dit vroeger

met de Sponsen het geval was, niet meer tot de dieren gerekend. De

bewegelijkheid der sarcode achten zij niet voldoende om deze wezens

een, zij het ook nog zoo onbeteekenende, ziel toe te kennen, door

wier bezit de Rhizopoden zich boven de mechanische gevoeligheid

der Mimosen zouden verheffen. Ware het ons vergund de levens-

en ontwikkelingsgeschiedenis der Slijmzwammen (Myxomycetes) te

bespreken, aan welker plantachtige natuur tot heden niemand twijfelt,

dan zouden wij daarbij protoplasma-toestanden ontmoeten, in welke

zich alle beschreven verschijnselen van de veranderlijke verlengsels

der wortelpootige dieren herhalen.

Reeds bij den laatsten grondvorm van bewerktuigde (organische) wezens,

de protozoën, vinden wij onder de Infusoriën op den laagsten trap staan

Monas (Protomonas), een wezentje waarbij nòch kern nòch contractile

blaas voorhanden is. Het lichaampje is geheel homogeen en breidt

zich, tot rust gekomen, als eene kleine Amoebe of Actrinophrys uit,

die met andere, op dergelijke wijze gevormde, Amoebenachtige wezens

tot een plasmodium samenvloeit, waarom vervolgens een kyste (uitwendig

hulsel) ontstaat.

Zulke vormen stellen een verband daar tusschen de Flagellaten en de

Rhizopoden, maar ook met de Myxomyceten of Slijmzwammen, die zonder

twijfel tot het plantenrijk behooren.

En hiermede zijn wij genaderd tot de grenzen tusschen het dieren-

en het plantenrijk. Verder te gaan veroorlooft het bestek van dit

werk niet.

Het Leven der Dieren: Deel 3.9, De Oerdieren · 第 11 / 12 题