DE AMOEBEN (Lobosa).
De reeds sinds het midden van de 18e eeuw bekende Amoeben zijn deels
met een schaal voorzien, deels naakt.
Wie geen gelegenheid heeft het wonderbare spel van het Pseudopiën-net
te zien, vindt misschien gemakkelijker een met het microscoop bekenden
vriend, die hem een verwant wezen uit het zoete water kan laten zien,
n.l. het Kapseldiertje (Arcella). In volmaakten toestand is het
omgeven door een bruine, ondoorzichtige schaal met gewelfde rugzijde
en een ingedrukte buikzijde met een kringvormigen mond in het midden
daarvan. Het diertje gelijkt volmaakt op een sierlijk doosje. Uit
den mond komt een gedeelte van de weeke lichaamszelfstandigheid
in korte veranderlijke verlengsels. In het weeke lichaam der
Arcellen zijn verscheidene kernen, elk met haar kernlichaampje,
bevat. Jonge exemplaren zijn doorzichtig, zoodat men de bewegelijke
protoplasmalichaampjes goed kan waarnemen.
Bij andere vormen, zooals b.v. bij de Euglypha alocolata, is de
schaal zakvormig; haar vrije rand schijnt gezakt en hare oppervlakte
is samengesteld uit regelmatige, zeer kleine, zeshoekige schubjes. De
protoplasma-verlengsels zijn tamelijk lang, zacht en meestal aan het
einde vertakt.
Van de Arcellen tot de naakte Amoeben is slechts een schrede. Doorzoekt
men met een sterk vergrootglas slib uit stroomend water of den
inhoud van afgietsels van allerlei soort, dan wordt het oog weldra
geboeid door kleine, levende, slijmachtige klompjes, die volmaakt op
de weeke lichaampjes van de arcellen gelijken en ook, evenals die,
een kern bezitten.
Het Amoebenlichaam bestaat uit een buitenste doorschijnende, iets
vastere laag (schors, estosarc) en een daarbinnen bevatte korrelige,
half vloeibare sarcodemassa (merg, endosarc). In deze laatste bevinden
zich talrijke, kleine lichaampjes, deels tot het lichaam behoorende,
deels van het voedsel afkomstig. De eerste zijn kleine korreltjes,
kleine vetbolletjes en uiterst kleine kristalletjes. Voorts is er een
ronde of eironde kern (nucleus) in bevat, die door een duidelijk vlies
begrensd is. In den jongen toestand bevindt zich in die kern een enkel
kernlichaampje; later splitst zich haar inhoud in een aantal kleine
bolletjes, die zich in het inwendige van het lichaam verspreiden. Deze
bolletjes zijn de kiemen of kiemkorrels (sarcoblasten). De zoogenaamde
kern is derhalve eigenlijk een voortplantingsorgaan.
De Amoeben hebben betrekkelijk een niet onaanzienlijke grootte,
zooals b.v. Pelomyxa villosa, die een doorsnede van 2 mM. en meer
bereikt. Zij zijn cosmopolitisch verbreid en misschien zijn het wel
dezelfde soorten. In Duitschland en in Noord-Amerika komen ten minste
dezelfde soorten voor. De meeste soorten bewonen het zoete water, doch
ook de zeeën, ja, er zijn zelfs soorten, die op het land voorkomen en
nog wel op geheel droge plaatsen: onder mos en dergelijke planten,
welke aan rotsen, muren, boomen en op daken groeien, derhalve op
plaatsen waar het water geheel ontbreekt en die het meest zijn
blootgesteld aan uitdrogen door de zon.
De echte Wortelpootigen, waarvan hiervoor gesproken is, worden reeds
door verschillende natuuronderzoekers van naam, evenals dit vroeger
met de Sponsen het geval was, niet meer tot de dieren gerekend. De
bewegelijkheid der sarcode achten zij niet voldoende om deze wezens
een, zij het ook nog zoo onbeteekenende, ziel toe te kennen, door
wier bezit de Rhizopoden zich boven de mechanische gevoeligheid
der Mimosen zouden verheffen. Ware het ons vergund de levens-
en ontwikkelingsgeschiedenis der Slijmzwammen (Myxomycetes) te
bespreken, aan welker plantachtige natuur tot heden niemand twijfelt,
dan zouden wij daarbij protoplasma-toestanden ontmoeten, in welke
zich alle beschreven verschijnselen van de veranderlijke verlengsels
der wortelpootige dieren herhalen.
Reeds bij den laatsten grondvorm van bewerktuigde (organische) wezens,
de protozoën, vinden wij onder de Infusoriën op den laagsten trap staan
Monas (Protomonas), een wezentje waarbij nòch kern nòch contractile
blaas voorhanden is. Het lichaampje is geheel homogeen en breidt
zich, tot rust gekomen, als eene kleine Amoebe of Actrinophrys uit,
die met andere, op dergelijke wijze gevormde, Amoebenachtige wezens
tot een plasmodium samenvloeit, waarom vervolgens een kyste (uitwendig
hulsel) ontstaat.
Zulke vormen stellen een verband daar tusschen de Flagellaten en de
Rhizopoden, maar ook met de Myxomyceten of Slijmzwammen, die zonder
twijfel tot het plantenrijk behooren.
En hiermede zijn wij genaderd tot de grenzen tusschen het dieren-
en het plantenrijk. Verder te gaan veroorlooft het bestek van dit
werk niet.