DE STRAALDIEREN OF LOBVOETEN (Radiolaria).
Geen enkele groep der Rhizopoden, ja geen enkele groep dieren,
met uitzondering van de Insecten, is rijker aan fraaie vormen en
verschillende gedaante dan de Straaldiertjes (Radiolaria), die,
naar hun bouw geoordeeld, de hoogst geplaatste oerdieren moesten
worden genoemd.
Hun lichaam bestaat uit twee hoofddeelen: het centraalkapsel en
de buitenstof. Het eerste is de kern van het ééncellige dier en
veel kleiner dan de buitenstof. Zij is besloten in een fijne huid,
die meestal reeds zeer vroeg ontwikkeld wordt en die zij steeds
behoudt. In het centrale kapsel bevindt zich nog een tweede, met een
dunneren wand omgeven kern, de binnenblaas, het kernlichaam der cel,
hetwelk echter ook door meerdere vaste kernen vertegenwoordigd kan
worden. Verder omhult het centrale kapsel, behalve Protoplasma, ook nog
holle ruimten, cellen (vakuolen) met een als water zoo doorschijnende
vloeistof: oliedroppeltjes, pigmentlichaampjes, op kristal gelijkende,
maar organische stof gevuld, en echte kristallen.
De kapselhuid is voorzien van talrijke, zeer fijne poriën, of van
meerdere (meestal drie) of één groote opening. Door deze openingen
heeft de inhoud van het centrale kapsel verbinding met de omringende
buitenmassa. Maar ook deze is verre van eenvoudig gevormd en vertoont
een driedubbele laag. Van de buitenste laag ontspringen de lange,
zachte pseudopodiën, die dikwijls met elkander ineensmelten.
Er zijn eenzaam levende Straaldiertjes en zulke, welke koloniën vormen,
die meerdere centraalkapsels bezitten.
Straaldiertjes zonder skelet zijn een groote zeldzaamheid. Het skelet
is nagenoeg altijd kiezelig, slechts in zeer enkele gevallen bestaat
het uit een organische stof, de Akanthin (stekel- of naaldstof). Nu
eens zijn het enkele losse naaldvormingen, dan weder voegen zij zich
te samen tot zeer sierlijk gevormde kogels van vlechtwerk, welke
met regelmatig geplaatste stekels bezet zijn. Somtijds zijn meerdere
zulke kogels concentrisch in elkander besloten en door kiezelbruggen
met elkander verbonden. Een andermaal weder zien wij, hoe in het
centrum van het wezen lange, straalsgewijs loopende stralen, altijd
ten getale van 20, bijeenkomen, de huid van het centrale kapsel en
het geheele buiten-protoplasma doorboren en zich daarbuiten door een
meer of minder regelmatig kiezelvlechtwerk verbinden; of wel deze
vormen nemen allerlei fantastische gedaanten aan, zooals helmen,
korfjes, lantaarns, bloemen, zandloopers, of ontwikkelen zich tot
doorgebroken vier- of driearmige kruisen, schijven, schalen, sporen
en tot honderderlei andere vormen, welke met niets te vergelijken en
buitengewoon belangwekkend zijn. Maar al deze vormen zijn elegant,
ja van verrukkelijke schoonheid.
Onze plaat kan van dezen vormenrijkdom der Radiolariën slechts
een flauwe voorstelling geven. Hoe sierlijk is het vlechtwerk van
Rhizosphaera leptomita (fig. 1); Sphaerozoum Ovidimare (fig. 2)
heeft slechts een weinig ontwikkeld skelet, doch is door den
eigenaardigen vorm als kogelnest merkwaardig. Actinomma drymodes
(fig. 3) met zijne drie in elkander gevatte holle kogels herinnert
aan Chineesch beenen snijwerk. Als model voor een doekspeld kunnen
Lithomespilus flammabundus (fig. 4) en Ommatocampe nereides (fig. 5)
dienen. Carpocanium diadema (fig. 6), Clathrocyclas Ionis (fig. 9)
en Dyctyophimus Tripus (fig. 10) herinneren aan sierlijke klokken en
korfjes. Een echten diepzee-vorm vertoont Challengeron Willemoesii
(fig. 7) en Heliosphaera inermis (fig. 8) blinkt vooral uit door haar
buitengewoon sierlijk, regelmatig gevormd vlechtwerk-skelet.
De Straaldiertjes bewonen uitsluitend de zee. Zij zijn zeer rijk aan
soorten en Haeckel heeft 4318 soorten er van beschreven, die zich in
739 geslachten splitsen.
De kiezelskeletten der Straaldiertjes ontbreken bijna in geen enkelen
zeebodem geheel, maar in de diepe zeeën vindt men ze het talrijkst. Zoo
bestaan de lagen van den bodem van den Stillen Oceaan, tusschen 3000
en 8000 M., uit 80 procent, ja, op sommige plaatsen geheel, uit de
schalen van uitgestorven Radiolariën en deze laag heeft hiernaar den
naam van Radiolariënmergel gekregen.
In het zoete water leeft eene kleine groep verwante wezens, welke men
tot de orde der Zonnediertjes (Heliozoa) heeft gebracht. Zij worden
ook wel Zoetwaterstraaldiertjes genoemd.