DE WORTELPOOTIGEN (Rhizopoda).
Wij houden ons voor de waarneming van lagere zeedieren aan het een
of ander punt van de kust van de Middellandsche Zee op en hebben van
een met algen begroeide rots een kleinen voorraad planten met het hun
aanklevende zand en slib medegenomen, die in een groot glas, rijkelijk
met water gevuld, sedert eenige dagen in de kamer staan. Terwijl
wij nu den wand van het glas met de loupe onderzoeken, zien wij
hier en daar een bruinachtig korreltje en bemerken spoedig aan de
grootere exemplaren, dat zij rijkelijk omringd zijn van een net of
stralenkrans van zachte, fijne vezels. Voorzichtig wordt een van die
korreltjes onder het microscoop gebracht, het net of de stralenkrans
is opeens verdwenen; het is teruggetrokken in de eivormige, tamelijk
elastische schaal. Bij een beetje geduld zien wij ze echter spoedig
weder te voorschijn komen. Onze afbeelding, naar een levend, tot de
orde der Foraminiferen behoorend voorwerp van de Eivormige Gromia
(Gromia oviformis) genomen, voegen wij bij de beschrijving van een
der uitstekendste kenners der Wortelpootigen, M. Schultze, welke een
duidelijk beeld geeft van dit zonderlinge dier.
"Na eenigen tijd van volstrekte rust worden uit de eenvoudige
groote opening der schaal fijne vezels of draden, van een
kleurlooze, doorzichtige, uiterst fijnkorrelige zelfstandigheid,
vooruitgeschoven. De eerst te voorschijn komende zoeken tastend om
zich heen, tot zij een vast lichaam, in dit geval de oppervlakte van
het glas, gevonden hebben, waaraan zij zich in de lengte uitbreiden,
terwijl uit het binnenste van de schaal nieuwe massa's te voorschijn
komen. De eerste draden zijn zeer fijn; weldra ontstaan echter ook
breedere, die, evenals de eerste, in lijnrechte richting snel in lengte
toenemen, op hun weg zich dikwijls onder scherpe hoeken vertakkend,
met naastbijzijnde samenvloeien, om hun weg gemeenschappelijk voort
te zetten, tot zij langzamerhand, al fijner wordend, een lengte
hebben bereikt, welke het lichaam van het dier zes- à achtmaal
overtreft. Wanneer deze draden nu uit de groote massa voor de opening
van de schaal allengs opgehoopte kleurlooze, fijnkorrelige, contractile
substantie, zich naar alle richtingen hebben uitgebreid, houdt het
groeien of langer worden der draden langzamerhand op. Daarentegen
worden nu de vertakkingen talrijker; en vormen zich tusschen de dicht
bij elkander liggende eene menigte bruggen of overgangen, die, onder
voortdurende verandering van plaats, ten slotte één veranderlijke
massa vormen. Waar in de peripherie van het sarcode-net, zooals wij
dit fijne weefsel zullen noemen, meerdere vezels of draden elkander
ontmoeten, daar vormt de steeds voortvloeiende zelfstandigheid zich
tot breedere platen, waarvan weder naar alle richtingen nieuwe draden
uitgaan. Bekijkt men deze draden nauwkeuriger, dan ontdekt men in en
aan dezelve stroomende korreltjes, die, uit het binnenste der schaal
vloeiend, langs de draden tamelijk snel naar de peripherie voortgaan,
aan het einde der draden gekomen omkeeren en weder teruggaan. Daar
echter voortdurend nieuwe korreltjes uit het lichaam stroomen,
vertoont iedere draad een uitgaande en een terugkeerende stroom. In
de breede draden, welke talrijke korreltjes bevatten, kan men deze
beide stroomingen steeds gelijktijdig waarnemen; in de fijnere,
die dikwijls minder dik zijn dan de doorsnede van zoo'n korreltje,
is dit niet zoo goed te zien. Komt zoo'n korreltje op zijn weg op een
punt, waar de draden bij elkaar komen, dan blijft het een poosje stil
staan vóór het den eenen of anderen weg inslaat. Bij de brugvormige
verbindingen der draden gaan ook de korreltjes daar over heen.
Deze draden bestaan uit een uiterst fijnkorrelige grondstof; een
onderscheid van huid en grondstof is er niet aan te bemerken.
Ontmoeten de draden op hun weg ergens een of ander voorwerp dat
eetbaar is, een Bacilaire (eencellige kiezel-alge), een kortere
Oszillatoridraad, dan omstrengelen zij dit voorwerp, terwijl zij zich
met andere dichtbijzijnde draden vereenigen, en hullen het geheel
in. Dan houdt de toestrooming der korreltjes langs die draden geheel
op; de draden krommen en verkorten zich, vormen hierbij een hoe langer
hoe dichter net om het voorwerp, of dijen uit tot breede platen, tot
deze massa, die de buit medevoert, de opening der schaal is genaderd,
waarin het schielijk verdwijnt. Geheel dezelfde verschijnselen doen
zich voor als de draden zich om een andere reden terugtrekken. De
steeds doorgaande strooming der korreltjes houdt dan op, de draden
krommen zich, laten het glas, waaraan zij zich hebben vastgehouden,
los, vloeien in elkander en komen eindelijk als een vormlooze massa
bij de opening der schaal aan, waarin zij langzaam verdwijnen."
Wij zien hieruit dat een en dezelfde substantie voor de beweging, de
voeding en de waarneming dient. De door vreemde lichaampjes aangeraakte
voorste draden trekken zich samen, zij vormen dus voeldraden. In
het binnenste der schaal van onze Gromia is slechts een contractile
massa aanwezig. Daarin treden veranderlijke blaasvormige ruimten
op en regelmatig vindt men in het achtergedeelte der schaal eenige
kogelachtige kernen, die waarschijnlijk betrekking zullen hebben op
de vermenigvuldiging.