DE ZWEEP-INFUSORIËN (Flagellata).
In het algemeen zijn de Zweep-infusoriën kleiner dan de
Trilharen-infusoriën; zij bezitten ook geen trilharen, maar alleen aan
het eene einde een of meer betrekkelijk zeer lange, ofschoon dunne
haartjes, die men zweephaartjes (flagella) heeft genoemd, om hunne
snelle, zweepende beweging. Onmiddellijk daaronder bevindt zich in
den lichaamswand eene opening, de mond, door welke voedsel opgenomen
en in de sarcode geschoven wordt. Meestal zijn ook contractile blazen
voorhanden.
De belangwekkendste Zweep-infusoriën zijn de Zeevonken
(Cystoflagellata) of Noctiluca. Zij hebben een ronde, min of meer
niervormige, ook wel hartvormige gedaante; op een zeker punt hunner
oppervlakte hebben zij een diepe insnijding, bij welke een bewegelijk
draadvormig aanhangsel gevonden wordt, de zweep, waarmede dit wezen
zich voortbeweegt. Op deze plaats is ook een mond, door welke de
voedingstoffen in het inwendige (sarcoda) worden opgenomen.
In de zeeën der gematigde en heete Zonen komen verschillende vormen
van dit diertje voor. Zoo treft men in de Noordzee de Schitterende
Zeevonk (Noctiluca miliaris) aan. De aan dit diertje gegeven naam
zal niet vreemd schijnen, als men weet dat aan hem voornamelijk het
prachtige natuurverschijnsel te danken is, dat men het lichten der zee
noemt. Dat lichten der zee wordt door tallooze diertjes veroorzaakt,
die aan de oppervlakte der zee drijven en die door hunne ontelbare
menigte den indruk van vlammen maken. De lange strepen licht, welke
door het rollen en breken der golven het geheele strand langs loopen,
worden veroorzaakt door de millioenen lichtgevende lichamen van de
Schitterende Zeevonk, en als men op het natte strand loopt, bij dit
verschijnsel, ziet men ze als afzonderlijke vonken schitteren. Op
den dag gezien schijnen zij een roodachtig waas. Als het water wordt
beroerd, wordt de lichtkracht dezer diertjes sterker.