DE TRILHAREN-INFUSORIËN (Ciliata).
De Trilharen-infusoriën zijn bewoners van de zee en van zoet water;
velen zijn ook woekerdieren, die in hunne verschijning en levenswijs
sterk herinneren aan de microscopische Trilwormen. Tengevolge van eene
veelal overdreven manier van uitdrukken is men gaan gelooven dat de
Infusoriën zóó klein zijn, dat het oog sterk bewapend moet zijn om
ze waar te nemen. Nu zijn vele soorten wel is waar slechts te zien
bij eene 100- à 300-malige vergrooting, maar er zijn er ook velen,
welke de onderzoeker met het bloote oog kan zien, wanneer hij het glas,
waarin zij zich bevinden, tegen het licht houdt. Eene bepaalde typische
vorm bezitten zij niet en, indien men geen acht slaat op zekere bij de
echte Infusoriën niet ontbrekende organen, is eene verwisseling met de
vormen van verschillende larven niet onmogelijk. Intusschen heeft men
er slechts acht op te geven, dat de groote meerderheid voorzien is van
trilharen, die aan één der zijden staan òf tot een spiraalvormige rij
beperkt zijn, òf het lichaam, in dichte rijen gesteld, meer gelijkmatig
bedekken. Verdere hulpmiddelen zijn het aanwezig zijn van een mond, die
zich in den vorm van een spiraalvormige spleet of trechter vertoont.
De familiën, welke meest van platte, mosselvormige gedaanten zijn,
aan de rugzijde flauw gewelfd en alleen haren aan de buikzijde
hebben, vormen de orde der Hypotricha. Daartoe behooren als een
der meest gewone familiën de Wapendiertjes (Stylonychia) en ook het
ongeveer 1/4 mM. lange, slechts aan de buikzijde met haren voorziene
Mosseldiertje (Stylonychia mytilus). Het is zeer weinig kieskeurig op
het water waarin het voorkomt en waarin het zich tot ontelbare menigte
vermenigvuldigt. Zijn lichaam is, zooals bij alle Trilharen-infusoriën,
omgeven door een zeer teeder huidje en bestaat inwendig uit eene
weeke, halfvloeibare zelfstandigheid, het endosarc, welke naar
buiten allengs overgaat in de korrelachtige, meer vaste en taaie,
onmiddellijk door de opperhuid begrensde buitenmassa, het ectosarc. Het
is bepaaldelijk in dit laatste, dat de samentrekbaarheid zetelt,
waardoor het lichaam verschillende gedaanten kan aannemen. Terwijl
het endosarc de zetel van de spijsvertering moet zijn, neemt men aan
dat het ectosarc dit moet zijn van de ademhaling, het gevoel en de
beweging. Vóór aan de buikzijde ligt een schuins loopende, aan de
randen met haren bezette opening, de mond, a, welke in een korte,
trechtervormige spijsbuis voert. Het andere einde van die buis ligt
in het entosarc, waarin het opgenomen voedsel gevoerd wordt, dat
door het samentrekken van het dier in langzaam draaiende beweging
geraakt. Hierbij worden alle voedende deelen er uitgetrokken en het
overblijvende, onverteerbare voedsel uit het lichaam verwijderd, door
eene opening, welke zich aan het andere einde van het lichaam bevindt
en welke alléén tijdens het in werking zijn zichtbaar is. Met behulp
van de trilharen rondom den mond, en die welke links en rechts langs
den rand van het lichaam zijn geplaatst, zwemt het dier voortdurend
met gelijkmatige bewegingen. Het is hem echter ook mogelijk te loopen,
waarbij het steunt op de gekromde punten der sterkere trilharen en op
de lange sterke trilharen aan de achterzijde van het lichaam. Met deze
uitstekende bewegingsmiddelen toegerust, klimt het dier met groote
behendigheid tusschen de microscopische planten rond, gedurende deze
beweging bijna onafgebroken kleinere soorten van zijn eigen klasse,
microscopische algen enz. etend. Een nimmer ontbrekend orgaan is de
contractile blaas, b, welke zich met vrij regelmatige tusschenpoozen
van 10-12 sekonden samentrekt en haren inhoud, uit fijne korreltjes
bestaande, door eene opening uitwerpt. Deze contractile blaas,
waarvan verscheidene vormen van Infusoriën er méér dan één hebben,
schijnt een excretietoestel, waardoor voornamelijk het overtollige
water, dat met het voedsel binnenkomt, weder wordt verwijderd.
In het midden van het lichaam zien wij verder twee rondachtige
lichaampjes (c), welke men kern (nucleus) noemt. Zij schijnen de
beteekenis van werkelijke cellen te hebben en bij de voortplanting
door zelfdeeling eene gewichtige rol te spelen. Minder algemeen
en slechts bij enkele waargenomen is een ander klein lichaampje,
dat almede met de voortplanting in verband staat en nucleolus
genoemd wordt. Waar het voorkomt, ligt het in de nabijheid van den
nucleus, dikwijls dicht daartegen aan. Men weet dat de nucleus het
kiembereidend vrouwelijk voortplantingsorgaan is; de nucleolus acht
men het mannelijke orgaan. Nadat twee individuën zich vereenigd
hebben, door zich met de buikzijden tegen elkaar aan te voegen,
scheidt zich aan de lichaamsoppervlakte een lijmerige stof af,
waardoor zij samenkleven en verscheidene dagen in dien toestand
blijven. Daarna verdeelt de nucleolus zich in twee of vier blaasjes,
waarin draadvormige, onbeweeglijke lichaampjes ontstaan, die met
eenigen grond voor spermatozoiden (mannelijke bevruchtingscellen)
worden gehouden.
Vergelijken wij hiermede een familie uit eene andere orde, n.l. de
Klokdiertjes, welke den stam van de orde der Periticha vormen. Bij
dezen is het lichaam, op een trilhaarspiraal of een kring van trilharen
na, naakt. De Klokdiertjes of Vorticellen, een der merkwaardigste
groote familiën van de Infusoriën, zitten in den regel vast en bestaan
dan uit het eigenlijke lichaam en den steel.
Behalve dezen vorm, waarbij ieder individu voor zich afzonderlijk aan
een steel verbonden is, noemen wij een tweeden hoofdvorm, Carchesium,
bij welken de steel, bij het vormen van knoppen, zich vertakt en ware
Vorticellenboomen vormt. Er is bijna geen lieflijker microscopisch
schouwspel, dan zulk een levende en beweeglijke bloemenstok, als
nu eens een enkele bloem of de op één tak zich bevindende bloemen,
plotseling allen in elkaar krimpen of eensklaps de geheele boom als
door den bliksem getroffen ineenkrimpt en verdwijnt, om langzaam weder
te voorschijn te komen en zich te ontplooien. Dat in elkaar krimpen
geschiedt door een door den hollen steel loopenden spierachtigen band,
die bij eenzame en vertakte vormen ontbreekt. Deze laatsten vormen
het ondergeslacht Epistylis, waartoe de hierbij afgebeelde soort,
het Knikkende Klokdiertje behoort. Het heeft zijn naam ontvangen
naar de eigenaardigheid, om, als het verschrikt of gestoord wordt,
bij de inplanting van de steel om te knikken. De kenteekenen van het
Klokdiertje zijn, behalve het genoemde, hun naakt, gewoonlijk van voren
scheef lichaam. Hier bevindt zich ook een scheef daarop staand deksel,
onder welks vooruitspringenden rand de mondopening ligt, of het is,
zooals bij Epistylis, een bepaalde onder- en bovenlip, met trilharen
bezet, tusschen welke de diep in het lichaam dringende mondtrechter
begint. Dicht daaronder ziet men de kleine contractile blaas- en
daarachter eene eenvoudig gebogen bandvormige klier, in plaats van de
beide kernen van de Stylonychia. De dieren welke een tak en die welke
een boom vormen, vermenigvuldigen zich door zelfdeeling of splitsing
in de lengte.
Bij eene derde familiegroep of orde, de Heterotricha, is het lichaam
overal met rijen trilharen bezet, terwijl eene rij grootere de
mondopening omgeeft.
Hiertoe behoort het geslacht Trompetdiertje (Stentor).
De Trompetdiertjes houden er van zich met het achtereinde vast te
zetten. Zij gebruiken dat gedeelte van hun lichaam als een soort van
zuignap, maar bovendien zijn ook de lange trilharen daarbij behulpzaam,
die waarschijnlijk kleverig zijn. De talrijke gedaanteveranderingen
worden door spierachtige protoplasmastrengen teweeggebracht. Zelfs bij
volmaakte uitrekking is de oppervlakte van het lichaam nog niet glad,
maar vertoont langsgroeven waarin de contractile protoplasmabanden
liggen, bij welker samentrekking de huid zich plooit. Hierdoor
verklaart zich de omstandigheid, bij deze en andere Infusoriën
gemakkelijk waar te nemen, dat de dieren bij het zwemmen zoo snel
van richting kunnen veranderen, en nu met het voor-, dan met het
achtereinde vooruit zwemmen.
In de vierde orde, Holotricha, zijn alle familiën met gelijkvormige
trilharenbedekking vereenigd. Wij kunnen echter alle verdere families
en soorten niet beschrijven, daar zij wel eene menigte verschillen
aanbieden in de grondtrekken van hun vorm, maar met de overige
vertegenwoordigers van deze klasse overeenstemmen. Daarom geven wij
er de voorkeur aan verder een beeld van het leven der infusiediertjes
te geven.
Evenals de raderdiertjes kan men ook de Infusoriën gemakkelijk onder
het microscoop bij het eten gadeslaan. Men behoeft ze slechts zóó onder
het glas vast te houden, dat zij zich niet buiten ons gezichtsveld
kunnen begeven, maar toch genoeg speelruimte hebben om hunne trilharen
te laten werken en daarmede de fijn verdeelde voedingsdeeltjes, zooals
algen, maar vooral karmijn of indigo, in den mond te brengen. De
door de trilharen van de mondopening in het water teweeggebrachte
strooming, voert, zooals men gemakkelijk aan de levendige bewegingen
der in het water geworpen lichaampjes zien kan, deze in rechte lijn
of in een warrelende strooming, al naar den vorm van den mondtrechter
is, in den mond. Daar hoopt zich dan een geheele bal voedsel op,
welke vervolgens door de spijsbuis verder in het lichaam opgenomen
wordt. Verschillende Infusoriën, zooals de geslachten Chilodon en
Bursaria, verslinden ook algen en conserven, die langer dan hun eigen
lichaam zijn, en waarmede zij dan rondzwemmen alsof zij een balk half
in hun lichaam hebben. Zoo zeker als het nu is, dat alle vast voedsel
tot zich nemende Infusoriën een mond en een spijsbuis bezitten, zóó
zeker is het ook, dat zij daarachter geen spoor van een darmkanaal
hebben. Hun geheel binnenste is met sarcode gevuld; in deze stof
landt het voedsel aan en wordt door de sarcode verteerd, tot op het
onverteerbare na, hetwelk door eene bepaalde opening verwijderd wordt.
Eene strenge afscheiding van Infusoriën in vleesch- en planteneters
is niet te doen. Zij eten wat hun voor den mond komt en dat zijn in
de meeste gevallen chlorophyl houdende plantjes. Kleine Infusoriën
worden door de grootere van hun eigen soort gegeten; dat zijn
echter uitzonderingen, daar zij in den regel door hunne snelheid
wel in staat zijn te vluchten. Het hoofdvoedsel der Infusoriën
bestaat in die lagere plantvormen, welke men als ééncellige algen,
naviculaceeën en oscilatoriën enz. kent. De vuilachtige vlokken,
welke in het bizonder des zomers in stilstaand water verschijnen,
bestaan nagenoeg uitsluitend uit deze lage organismen, en tusschen
hen en op hunne kosten leeft de wereld van Infusoriën.
De Infusoriën ontstaan en vermeerderen door natuurlijke
voortplanting. Daartoe zijn echter niet, zooals bij de hoogere
diervormen, maanden, weken of dagen, ja zelfs geen uren
noodig. Zelfdeeling en knopvorming, misschien ook inwendige
kiemvorming, zouden, met elkander vereenigd, en in aanmerking
genomen den korten tijd binnen welke een jong dier weder tot
voortplanting geschikt is, tot eene ongehoorde vermenigvuldiging
voeren, als daarvoor ook niet een grens was gesteld. Men moet daarom
de werkelijk waargenomen vermenigvuldiging wel onderscheiden van de
enkel naar eenige gevallen berekende. Zoo is er voor de deeling van
een Vorticelline slechts drie kwartier, hoogstens een uur noodig,
wat, daar ieder afgescheiden deel zich even spoedig weder verdeelen
kan, binnen 10 uren 1000 en binnen 20 uren een millioen individuën zou
geven; in werkelijkheid echter volgen tusschen de zelfdeelingen telkens
grootere tusschenruimten en eindelijk eene totale stilstand, zoodat
de waarnemingen slechts het ontstaan hebben bewezen van 8 individuën
binnen 3 uren, van slechts 64 binnen 6 uren en van 200 binnen 24 uren.
Vele Infusoriën omgeven zich bij het opdrogen van het water met
een beschuttend hulsel, waaronder zij in het opgedroogde slib het
oogenblik van herleven afwachten, of in het door den wind opgenomen
stof over berg en dal worden gevoerd. Zij hebben dit taaie leven,
zooals wij weten, gemeen met andere lage organismen en de wetenschap
daarvan heeft het vroeger onverklaarbare verschijnsel opgehelderd,
hetwelk als een wonder beschouwd werd, dat n.l., als na lange droogte
plotseling regen kwam, de daardoor ontstane plassen als door tooverslag
met een menigte levende wezens waren bevolkt.