DE INFUSORIËN (Infusoria).
De ontdekking van de ontwikkelingsgeschiedenis der Infusoriënwereld
is hoogst belangrijk. Zij was een gevolg van de ontdekking van het
microscoop en daardoor slechts mogelijk. De eer van die ontdekking
komt aan ons land toe. Het was in het jaar 1676, dat de Delftsche
geleerde Anthoni van Leeuwenhoek, de diertjes ontdekte, welke men thans
Infusoriën of Afgietseldiertjes noemt. Die naam werd er aan gegeven,
omdat zij ontdekt werden in het afgietsel van plantenstoffen: hooi,
peper, enz., waarop water gegoten was. Vervolgens werd echter deze
naam ook toegepast op eene menigte van andere vormen, die niet in
zulke aftreksels voorkomen, maar die zich vrij in zout- en zoet water
bewegen en ook parasitisch in andere dieren leven.
Leeuwenhoek was te Delft geboren (24 October 1632) als afstammeling van
een aanzienlijk geslacht en werd voor de studie der rechtsgeleerdheid
bestemd. Hij had echter veel op met de studie der natuur, en daar
hij een groot vermogen bezat, wijdde hij zich ten slotte geheel
hieraan. Hij maakte zelf betere microscopen, sleep zelf zijn lensen en
bracht het zóóver, dat zij wel 160 maal vergrootten. Daarna onderwierp
hij alles, wat maar voorkwam, aan een microscopisch onderzoek en
kwam zoo tot de talrijke ontdekkingen, welke hem onsterfelijk zouden
maken. Zoo had hij eens fijne peper in een reageerglas met regenwater
gedaan en was niet weinig verbaasd kort daarna te ontdekken dat het
water wemelde van levende wezens.
De door hem en anderen gevonden diertjes werden eerst honderd jaar
daarna door Ledermüller en Wrisberg Infusoriën genoemd, en nadat
Leeuwenhoek zijne ontdekkingen had bekend gemaakt, werd het bijna
een mode (tegenwoordig zouden wij zeggen sport) om onderzoekingen
omtrent Infusoriën te doen.
In het algemeen kwam men daarbij tot de volgende conclusiën:
was het voorwerp, waarin het afgietsel bewaard werd, niet bedekt,
zoodat de lucht er vrijen toegang toe had, dan bevatte het steeds
na korter of langer tijd millioenen levende wezens, die men echter,
daar de microscopen toenmaals nog zoo goed niet waren, slechts hoogst
onvolkomen kon beschrijven. Minder openbaarde zich dat voorkomen
van levende wezens in afgietsels als het glas licht, al ware het ook
slechts met een stuk goed, bedekt was; maar zelden gebeurde het, dat
in luchtdicht gesloten voorwerpen zich infusoriën ontwikkelden, en nog
minder gebeurde dit als het water eerst gekookt was of gedistilleerd
of in het voorwerp zelf tot koken gebracht werd.
Het zou ons te ver leiden om de ontwikkeling van de kennis der
infusoriën uitvoerig van het begin tot op het tijdstip dat Ehrenberg
licht bracht in dit nog zoo duistere en raadselachtige deel der
natuurlijke historie te beschrijven. Ten einde betrekkelijk deze
diertjes tot eene zelfde zekerheid te geraken als het hem betrekkelijk
de schimmelplantjes gelukt was, deed hij een reeks van nauwkeurige
onderzoekingen. Hij constateerde dat bij de Infusoriën wel kunstmatige
of natuurlijke, maar nooit een ontstaan van organisme uit de in het
water gedane stoffen, plaats had, veel eerder een voortplanting door
eieren, door deeling en door knopvorming.
Wanneer nu echter tegenwoordig niemand er meer aan denkt, de wezens
welke wij Infusoriën noemen, naar onze verkiezing te doen ontstaan
uit afgietsels, zoo is toch de vraag aangaande de mogelijkheid van
het ontstaan van organische lichamen, zonder dat er ouders aanwezig
zijn, door een direct onomstootelijk bewijs tot den huidigen dag nog
niet opgelost.