A. E. BREHM.

DE OERDIEREN (Protozoa).

Het overzicht van het voorafgaande gedeelte van het dierenrijk

wordt van het begin af gemakkelijk gemaakt door de omstandigheid,

dat men bij die dieren van eene bepaalde richting van het maaksel kan

spreken, van een bepaalden bouwstijl, als ik mij zoo mag uitdrukken. De

meeste Oerdieren zijn nu wel niet juist vormloos, maar bestaan uit

vormen van den meest verschillenden aard; hunne bewerktuiging is

veel eenvoudiger en de differentieering van bijzondere organen heeft

in merkelijk geringere mate of in het geheel niet plaats. Er blijft

ons dus niets anders over dan ons tevreden te stellen met de algemeen

aangenomen gewoonte om al deze dieren samen te vatten onder den naam

van Oerdieren (Protozoa). Men verstaat hieronder dieren, die in zekeren

zin en tot op zekere hoogte blijven staan op eene ontwikkelingstrap,

die andere dieren achter zich laten. Op die trap gekomen teelen zij

reeds voort en hunne nakomelingen zullen dat ook doen, omdat hun,

door het alles beheerschende sarcode (de zelfstandigheid waaruit zij

bestaan) of dierlijk protoplasma die plaats is aangewezen.

Opdat dit woord, zonder hetwelk een goed begrip van het leven

onmogelijk is, geen holle klank blijve, is waarschijnlijk geen

andere uitweg mogelijk, dan dat men zich door een kennis, die

natuuronderzoeker is, werkelijk protoplasma onder het microscoop laat

zien. Zeer geschikte, in den zomer gemakkelijk verkrijgbare voorwerpen

daarvoor zijn de haren aan de meeldraden van de Tradescantia [1]. In

deze haren, verlengde cellen, is, bij eene vergrooting van 400-500,

eene in voortdurende verandering en gestadig vloeiende beweging

verkeerende dikke, vloeistofachtige substantie waar te nemen, welke

beweging voornamelijk bestaat in het voortglijden van de daarin

aanwezige fijne korreltjes. Deze beweging is een der gewichtigste

en opvallendste eigenschappen van het in plantencellen opgesloten

protoplasma. Het is deze zelfde substantie, welke, in cellen

zoowel als in vrijen toestand, ook in de dierenwereld ongemeen

verbreid is. Terwijl echter bij de hoogere dieren de aanvankelijk

eenvoudige protoplasma-inhoud verdere veranderingen ondergaat,

zooals b.v. in den inhoud der vezels van spieren en zenuwen, blijft

het bij andere zooals het is. Dit is het geval bij de Protozoën in

hun oorspronkelijke eenvoudigheid en vormloosheid, en dit verleent

het geheele organisme het kenmerk van een dieper, om zoo te zeggen

oorspronkelijker standpunt.

Onder deze omstandigheden is eene algemeene schildering der

Oerdieren onmogelijk. Er behooren, volgens de meening van vele

natuuronderzoekers, groote groepen van organismen toe, welker

dierlijke natuur door anderen weder betwijfeld wordt. Wij komen dan

ook met deze dieren op de grenzen van de plantenwereld, en er is veel

over getwist en geschreven of er werkelijk tusschen beide rijken wel

grenzen bestaan, dan of niet veeleer wezens van tweeledige natuur of

van eenvoudige organisatie den overgang onmerkbaar maken. Er behoeft

tegenwoordig niet meer aan te worden getwijfeld, dat zoo'n tusschenrijk

bestaat. Wij komen ten slotte bij de studie van deze Protozoën tot

het moeielijke onderwerp der oorspronkelijke wording en daarmede zoo

goed als aan de grenzen van het daadwerkelijk onderzoek.

Het Leven der Dieren: Deel 3.9, De Oerdieren · 第 4 / 12 题