Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.
Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de
gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die
hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het
waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming,
hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening
met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep
dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg
moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare
Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden
blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het
leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige
gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam
eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht
hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien;
maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had
geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke
hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en
alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.
Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen,
die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij
zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat
strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot
nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij
even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde:
men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder,
boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de
gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders
zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets
buitengewoons moest plaats hebben:--en weldra zag hij zijn vermoeden
bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde,
dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd
toen de toestand van den wakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij,
daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn
cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord
verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen
te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende
liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot,
op en neder.
Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die
aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een
brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken,
die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was
wellicht in brand gestoken!--En hij zoude het weerlooze slachtoffer
worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit
denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen
zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen
toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde,
onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven
niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem
aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar
levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte
hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het
paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond
hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst
was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde,
toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde
terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan
een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had,
waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts
met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de
gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle
denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor,
ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar
voor hem bestond;--want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was
eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen
kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge
venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de
duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan
de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht
daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag
hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem
en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed
verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar
boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige
strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van
monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader
Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in 't harnas en
met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den
brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen
waren: en die gedaanten streden en vluchtten voor elkander, en bewogen
zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen
de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben,
dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het
daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak,
die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het
dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte
en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En
inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond,
was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk
te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden,
waar zij nu de monniken en conversen bevochten.
Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn
eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten
opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing
vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den
muur aan de overzijde;--de brand was dus aan zijnen kant:--was juist
onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een
voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende
liet hij zich weder van het venster afvallen; hij snelde terug naar 't
einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen
om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen:--al
wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor
de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf:
nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen;
maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde
niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds
heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed,
hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem,
die hem antwoord gaf.
"Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, dien wij
zoeken!"--De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond
zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had,
gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen
de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen
een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van
Spangen de voorpoort overweldigd had.
"Ik wist het wel, Ridder!" zeide Zweder, "dat wij u eindelijk zouden
vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters
zich lang meer zullen verweren:--hier, geeft den Ridder een zwaard
... een bijl ... wat het eerste bij de hand is ... en nu haastig naar
beneden; eer de trap afbrandt:--ik heb u nog juist bijtijds gehoord."
Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord;
dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was
bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond
hij zich dus met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde
beider leven:--want nauwelijks bevonden de gewapenden zich op de
trap, of deze stortte in met een oorverdoovend gekraak, en de beide
aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen
en van rook, die uit het puin naar boven sloeg.
"Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!" kreet Zweder, zich voor het
hoofd slaande: "ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf
zijn!--Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in
brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!"
"Die ongelukkigen!" zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik
wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende
beneden lagen;--"maar kom!" vervolgde hij: "wij moeten alle hoop op
lijfsbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt;
waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte
van het gebouw voert."
Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds
vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde
gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het
einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte
van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was.
"Bij Sint-Japik!" zeide Zweder: "ik geloof, dat dit de weg naar den
toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk."
"Hoogstwaarschijnlijk!" zeide Deodaat: "maar om 't even! Wanneer
wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader
overleggen, hoe wij verder komen."
De schildknaap had wel geraden; want zoodra hij de opening binnen-
en onder eenige dwarsbalken doorgekropen was (niet zonder zijn hoofd
eenige keeren geducht te stooten), bemerkte hij, dat hij zich in den
toren bevond. Het was echter meer door den tocht, die hem tegen woei,
dat hij zulks gewaarwerd, dan door de scherpte van zijn gezicht:
want het was hier bijster donker: en geen wonder, daar zij zich op
een middelzoldering bevonden, waar van geene zijde eenig licht kon
doordringen, dan alleen de flauwe terugkaatsing der vlam, die tegen
de wanden scheen van de gang, die zij uit waren gekomen.
De toren, waarin zij zich nu op twee derden der hoogte bevonden,
was een oud en hoog gebouw, dat wellicht reeds gestaan had, vóór de
oprichting van het klooster, waarvan het nu den noordwestelijken hoek
uitmaakte, en het woonhuis met de kerk vereenigde. Het was achthoekig
van gedaante en van zwaren, grauwachtigen steen opgetrokken tot op
een hoogte van ongeveer negentig voet: de muren, dik genoeg om geen
schade van brand en bestorming te vreezen, waren slechts hier en
daar met een enkel kijkgat voorzien, en verder geheel ontbloot van
allen zweem van versiering; zoo men den koepel uitzondert, die later,
toen men de Oostersche bouworde in Friesland begon na te bootsen, op
den top was nedergezet, en waarboven een kruis prijkte, dat, evenals
de platen, welke den koepel dekten, van koper was. Deze koepel was,
gelijk wij vroeger gezegd hebben, peervormig; doch had, evenals de
toren zelf, acht zijden, van onderen met een breeden metalen band
omsloten en zich van daar tot op den torentrans uitspreidende, evenals
de voet van een ouderwetsch kelkje, of als de neergekrulde halve
schil van een chinaasappel. In dien omgeslagen benedenrand waren twee
vooruitspringende venstertjes, met luiken en een leien dakje voorzien:
het eene, waaruit de seinlantarens staken, naar den zeekant uitziende:
het andere, dat thans gesloten was, over het kloostergebouw heen, naar
de oost- of landzijde. Van binnen was de toren volkomen vierkant,
niet ruimer dan ongeveer tien voet in de doorsnede, en van onder
tot boven volkomen hol. Om den top te bereiken waren, op elke dertig
voet hoogte, houten zolderingen bijgebracht, van welke de niet overal
veilige planken op dwarsbalken rustten, en in wier midden een opening
gelaten was, welke men bereikte door middel van een trapladder,
die van onderen tegen den muur vaststond en van boven met een paar
ijzeren krammen voor het wiggelen bewaard werd. Er waren dus in
't geheel drie van deze ladders; of liever: er behoorden er drie te
zijn; want de onderste was, gelijk wij hierboven verhaald hebben,
op last van vader Syard weggenomen. Verder had, als ons gebleken is,
de toren ook nog een zijdelingsche gemeenschap met het kloostergebouw:
en onze beide zwervers, die daarvan gebruik hadden gemaakt, bevonden
zich nu op twee derden der hoogte, boven de tweede, en aan den voet
van de hoogste ladder.
"Ziezoo!" zeide Zweder: "hier zitten wij hoog en droog: wisten wij
nu slechts een middeltje te bedenken om hier vandaan te geraken."
"Mij dunkt," zeide Deodaat, naar beneden ziende, waar hem de flauwe
schemering, die uit de kerk voortkwam, de ladder ontdekken deed:
"wij kunnen hier afdalen."
"Om ons de hersens op de zerken tot gruis te slaan?" viel Zweder in:
"ik dank u, heer Ridder. De onderste trap is weggehaald. Die vervloekte
monniken wisten wel wat zij deden. Bovendien, de kerk zelve staat
in lichterlaaie."
"Kunnen wij ons niet aan de klokketouwen aflaten?"
"Die gebruiken zij niet. Zij luiden hier door middel van groote hamers,
die Belialskinderen!--en bovendien geloof ik niet dat er hier een
klok in den toren is:--die zwelgers hebben alleen een etensbel noodig:
en die hangt boven de bakkerij."
"Welaan!" zeide Deodaat: "dan moeten wij nog hooger onze fortuin
beproeven, en zoeken of er ook een raam in den toren is, ten einde
eens uit te kijken, of wij hulp of verderf te wachten, hebben."
Dit zeggende klom hij, van Zweder gevolgd, de hoogste ladder op,
die hen in den voet van den koepel bracht. Dadelijk staken beiden
het hoofd door het opene venster: en, ofschoon er zonder vleugels
aan geene ontkoming te denken viel, ondervonden echter zoowel Deodaat
als zijn schildknaap een gewaarwording van verkwikking en genoegen,
toen de frissche wind hun in 't gelaat woei en zij weder in Gods
vrije schepping mochten rondzien. Het onweer was bedaard: slechts
enkele dunne, waterlooze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het
blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het
dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld
van den storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk:
en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de
andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen,
Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en
op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was
te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij
zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken.
"Spoedig, Zweder!" zeide hij, "laat ons zoeken, of er geen ander
venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren."
"Een oogenblik!" zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde:
"hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze
omstandigheden niets verzuimen."--Dit zeggende, maakte hij een eind
touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol liep,
welke aan het einde van den uitgestoken staak hing, en bond het zich
om het lijf.
"Ziezoo!" zeide hij, "nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn
reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in 't donker zit, van
dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien."
Dit zeggende, opende hij het luik van het andere venster: en beiden
zagen uit.--Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan
hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der stille natuur:
aan deze, die van den oorlog in zijn schrikkelijkste gedaante.
In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder,
die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met
juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als de drie overige zijden
van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten
in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikken
nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of
liever in den gapenden krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen
de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik
van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed
zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op
het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen
moed verweerden tegen de krijgsknechten, die hen van alle zijden
bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen,
stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een
prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende: _quare fremuerunt
gentes_; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hen nu en dan
dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen.
"Mij dunkt," zeide Deodaat, "die monniken vechten als leeuwen: gij hadt
gezegd, zij zouden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het mij
voorkomt, staat de kans vrij ongelijk en kunnen zij blijven vechten
tot de gansche boel ineenstort en vrienden en vijanden samen verplet."
"Inderdaad," zeide Zweder, peinzende: "het getal onzer manschappen
komt mij voor, geringer te zijn, dan het behoorde te wezen. Ik zie
den Heer van Beaumont niet; noch ook den Heer van Spangen. Wij waren
straks ruim zoo talrijk. Zouden er zoo velen door de handen dier
papen zijn gevallen? Of is de rest vertrokken en heeft men gedacht,
dat er manschappen genoeg bleven om het klooster te winnen."
"Het komt mij voor, als ware men buiten ook nog aan het strijden,"
zeide Deodaat: "althans ik hoor een luidruchtig alarm aan de
landzijde. Indien slechts die satansche rook het uitzicht over de
landtong niet belette."
Terwijl beiden, onbewust van de redenen, die Beaumont genoodzaakt
hadden het klooster te verlaten, zich in gissingen verdiepten, trad
de Heer van Spangen, door een der zijgangen, welke alsnog door het
vuur gespaard was gebleven, de binnenplaats op.
"Geeft u over, vervloekte papen!" riep hij: "uw klooster staat in
brand en het is immers al gewonnen."
"Neen! nog niet gewonnen!" klonk een stem, die het gansche gebouw
scheen te doen daveren: en van uit de deur van het voorportaal
vertoonde zich, tusschen een dicht ineengedrongen drom van strijdende
Hollanders en Friezen, de reusachtige gestalte van den Abt van Lidlum,
niet geharnast als zijn ambtgenoot van Oldeklooster; maar in de dracht
zijner orde, blootshoofds en met opgestroopte mouwen, een zware
strijdkolf omhoogheffende. "Houd u goed, vader Volkert!" riep hij:
"houd u goed. Daar zijn wij al, klaar om u te helpen. Ter helle met
de Hollanders! slaat dood! slaat dood!"
"Bij Sint-Japik!" zeide Zweder: "de kans is verkeken: zooeven wezen
ons de steenen twee vijven aan: maar nu heeft de vijand twee zessen
geworpen."
"En wij moeten hier als bloote toeschouwers zitten!" zuchtte Deodaat:
"o! waarom schenkt God mij de gunst niet, naast mijn dappere
spitsbroeders te strijden?"
"Al wat wij doen kunnen, is hen aan te moedigen met
woorden," zeide Zweder; en terstond begon hij met luider
stemme te schreeuwen: "Holland! Holland! Beaumont _à la
rescousse_! Spangen! Ligny! Naaldwijk!" en alle andere namen, die
hem voor den geest kwamen, totdat een nieuwe rookkolom hem zoowel
het zien als het geluidgeven belette.
De rol der Hollandsche benden was nu geheel omgekeerd: en van
aanvallers waren zij verweerders geworden. Van alle kanten rukten
versche benden van Friezen het plein op: en Deodaat herkende weldra
onder hen den Heer van Aylva, die zijn ziekte in de hitte van het
gevecht scheen vergeten te hebben, en aan wiens zijde de wakkere
Feiko streed, zijn meester nergens verlatende en elken slag, die op
dezen gemunt was, van zijn hoofd afkeerende. Vreeselijk woedde de
Abt van Lidlum, wiens strijdkolf de zwaarden aan spaanders sloeg
en de helmen verbrijzelde of zij van glas waren geweest. Maar ook
Spangen en de zijnen deden wonderen van dapperheid: en, daar de
ruimte van het binnenplein betrekkelijk klein was, deed zulks den
strijd minder ongelijk zijn, dan die buiten op het open veld was
geweest. Intusschen nam de brand al meer en meer de overhand, en kwam
de eene zolder voor, de andere na, met een oorverdoovend gekraak en
gedruisch naar beneden. Soms stortte er een lange balk, een gedeelte
van het dak, of een brok van den muur op de binnenplaats, die dan
Hollanders en Friezen met éénen slag verpletterde en de strijdenden
uit elkander deed stuiven, maar slechts om dadelijk het gevecht
met eene dubbele woede te hernieuwen. Het was een schouwspel zonder
wedergade, om van den toren af op die menschen neder te zien, die
zoo nietig en onbeduidend schenen, en die als helsche duivels door de
vlammen en den rook heenwaarden en zich onderling vermoordden bij het
schijnsel van den brand: het was een akelig geluid, dat noodgeschrei
der gekwetsten, dat triomfgebrul der overwinnaars, dat gehuil van
den wind, dat gerammel der wapenen en dat sissen en kraken van den
brand, dooreengemengeld te hooren!--Eindelijk dreef het geweld der
vlam nu den eenen, dan den anderen drom van het strijdperk af; en,
evenals ware de dood door het staal verkieslijker boven dien door
het vuur, drong men zich al vechtende weder naar de hoofdpoort, of
vlood als met onderling goedvinden derwaarts, om, buiten gekomen,
het gevecht te hervatten. Weldra zagen de jongelingen niets meer,
dan den zwarten rook, die alles gelijk als met een mantel omhulde;
en na weinige oogenblikken stortten de beide vleugels en eindelijk
ook de kerk in puin en asch naar beneden.
De nacht was voorbij: en de zon begon zich alreeds aan den
gezichteinder te vertoonen, maar nog was de woede van den strijd niet
verminderd. Van het geheele gebouw, dat weinige uren te voren zoo
stevig daar neder stond, was bijna niets meer overig gebleven. Alleen
de toren stond nog in zijn geheel, die, zwart geblakerd van onder
en met zijn door de eerste zonnestralen vergulden koepel op een
Afrikaanschen reus geleek, wiens hoofd met een schitterenden
helm versierd ware. Ook de vier muren, die, met den toren mede,
den noordwestelijken hoek van het gebouw uitmaakten, waren nog
gedeeltelijk, hoewel zwaar beschadigd, blijven staan; maar al het
overige vertoonde een onkenbaren en verwarden klomp van steen en hout
en asch, waarbinnen de vlam smeulde en waaruit hier en daar dwalmende
rookwolken naar boven stegen.
Het overschot der Hollandsche bende, die buiten het klooster voor
de overmacht had moeten zwichten, was wederom binnen den omtrek
van het ingestorte puin zijn toevlucht komen zoeken en bood daar
een hardnekkigen, maar, helaas! vruchteloozen wederstand. Vergeefs
had Aylva, wiens medelijdende ziel niet stemmen kon in den moord van
zoovele dapperen, alle pogingen in 't werk gesteld om hen te bewegen,
de wapens neder te leggen; zijn stem was niet vernomen geworden door
de Hollandsche krijgsknechten: en de Friezen luisterden niet naar
hem, wanneer hij hen wilde aanmanen, den overwonnenen lijfsgenade te
schenken; maar sloegen alles dood wat hun voorkwam. Geen deelgenoot
van die gruwelen willende zijn, en buiten staat die te beletten, was
de Olderman teruggetreden, met het voornemen om te gaan zien hoe het
met Beaumont en de zijnen afliep, toen hem vader Syard op zijde kwam,
met den angst op het gelaat geschilderd.
"Om Gods wil!" zeide de monnik: "mijn Heer van Aylva! hebt gij Ridder
Deodaat ook ergens in 't gedrang opgemerkt?"
"Deodaat!" herhaalde de Olderman, verbleekende: "neen! 't Is waar
ook! hij was hier in 't klooster!--Dat ik hem een oogenblik vergeten
kon!"
"Hij zal toch, hoop ik, den brand bemerkt en zich naar beneden
begeven hebben."
"Dat zou moeilijk geweest zijn," zeide de vader Guardiaan, die kort
daarbij met den Abt gezeten was op een brok steens, waar zij van hun
heldendaden uitbliezen: "ik beloof u, ik heb hem wel deftig achter
dubbele grendels gesloten: en, al is hij zijn kamerdeur uitgekomen,
de trapdeur heeft hij zonder hulp niet kunnen openbreken."
"Hij zal.... wel.... daaronder liggen," merkte de Abt aan, terwijl
hij hijgende op den muur naast den toren wees.
"Ongetwijfeld!" hervatte de andere monnik: "de brand is aan de kerkdeur
begonnen, die vlak bij de trap is, welke naar de cellen geleidt. Hij
zal dus geroost zijn als een braadspiering."
"Maar welk overgroot belang.... hoe! wanneer zal ik mijn adem
terugkrijgen?.... welk belang stelt gij toch in dien Deodaat?" vroeg
de Abt, zijn onbeteekenende oogen wijd opspalkende en vader Syard
aanziende: "ehugh! ehugh!--die vervloekte rook!.... Er zijn er zoovelen
gevallen, die zoo goed, ja beter waren dan hij."
"Ik had voor hem moeten zorgen," zeide de monnik, zonder op de vraag
van vader Volkert acht te slaan: "ik heb hem schandelijk vergeten
toen het tijd was. O! dat hij nog kon ontkomen zijn."
"En al is hij den brand ontkomen," zeide Aylva, het hoofd schuddende:
"dan heeft hij zich zeker bij zijn wapenbroeders gevoegd en hij is met
hen omgekomen: want die vreeselijke jubelkreet achter ons verkondigt
mij dat de slachting volbracht is."
"'t Is uit!" riep de Lidlummer, die zich op dat zelfde oogenblik op
een der puinhoopen vertoonde, waar hij met zijn met bloed en asch
besmeerde armen en half verzengd gewaad en aangezicht den genius
der vernieling had kunnen voorstellen: "'t Is uit! de laatste man is
gevallen. Hoezee voor Friesland!"
"Hoezee!" riep al het volk.
"Hoezee!" riep een ruiter, die in vollen ren kwam aansnellen. "Martena
en de Bloemkampers hebben de zege! Beaumont alleen is het ontkomen,
met behulp van den schelm, die zich Aylva's zoon noemde; maar die
een verrader was."
"Met behulp van Reinout!" riep Aylva, de handen wringende.
"Hij deed zich zelven recht," zeide vader Syard: "hij moest een
verrader worden."
"Hoe!" vroeg de Olderman, verbaasd opziende: "en wat beweegt u,
zulks te vermoeden?"
"Ik heb geen vermoedens meer," zeide de monnik; maar te gelijk wendde
hij zich af, bemerkende dat hij te veel ging zeggen; want nu het hem
bijna zeker toescheen, dat Deodaat was omgekomen, achtte hij het
noodeloos den Olderman het geheim van 's jongelings geboorte mede
te deelen, ten einde hem niet des te meer te bedroeven, indien hij
hoorde dat de vermiste zijn zoon ware.
"Welke raadsels spreekt gij toch?" vervolgde Aylva; maar voor
de monnik kon antwoorden, deed een nieuw geroep van: "kijk die
twee! daarboven!" hen beiden het hoofd naar den toren wenden.
"Wat duivel zijt gij, Hollanders of Friezen?" riep de Abt van Lidlum
aan de beide jongelingen toe: "antwoordt gij niet? nu dan behoeven
wij niet verder te vragen."
"Maar hoe komen zij daar?" vroeg vader Volkert: "de toegang tot den
toren was immers afgebroken? En wie kunnen het zijn?"
Niemand wist deze vraag te beantwoorden; want de afstand belette aan
een iegelijk, Deodaat te herkennen, van wien bovendien alleen het
bovenste gedeelte van het gelaat zichtbaar was.
"Komt dan af, mannen!" riepen de Friezen beneden: "dan zullen wij u
vertellen, hoe het met uwe makkers gegaan is."
"Wacht!" riep er een uit den hoop: "wij zullen hen wel doen schreeuwen,
indien zij niet spreken willen!" en te gelijk zijn boog spannende,
legde hij op het venster aan.
"Jawel! zij zullen uwe pijlen afwachten," zeide de andere: "of zij
gek waren! Wat doken zij spoedig weer in den toren terug, toen zij
u naar een pijl zagen grijpen."
"Wij zullen hen van daar moeten ontnestelen," hernam de eerste.
"Ja! laat ons in den toren klimmen!" zeide de derde: "een ladder! een
ladder! en dan zullen wij hen dwingen, van boven neder te springen."
En dadelijk snelden eenigen binnen de muren der afgebrande kerk,
ruimden zooveel zij konden de nog brandende binten en balken uit
den weg en kwamen eindelijk, niet zonder moeite, onder den toren,
terwijl anderen ladders haalden en die aaneenbonden.
"Om Godswil!" zeide Aylva, wien opeens het denkbeeld voor den geest
was gekomen, of ook Deodaat wellicht een dier beide personen in den
toren wezen kon, en die hierop den woesten hoop gevolgd was: "wat
wilt gij doen, vrienden? haalt die lieden van boven; maar doet hun
geen leed. Gij hebt u als helden gedragen; gedraagt u als menschen
na de overwinning."
Maar niemand sloeg acht op zijn smeekingen: integendeel waren er
sommigen, die hem vrij ruw bescheid gaven, en hem vroegen of hij
evengoed gezind was als zijn zoon, en de Hollanders verkoos te sparen:
ja, het liep zooverre, dat Feiko, die zijn meester niet verlaten had,
zich genoodzaakt zag hem bijna met geweld van daar te halen.
De toestand van onze beide vrienden in den toren was intusschen alles
behalve vermakelijk. Zij hadden het gerucht beneden gehoord, en op
de tweede zoldering afgedaald zijnde, bespeurden zij al spoedig dat
men zich gereedmaakte, hen in hun hooge schuilplaats te komen bestoken.
"Dat begint er slecht voor ons uit te zien," zeide Zweder, die nu en
dan met de noodige voorzorgen naar beneden keek.
"Er blijft ons niets over dan om ons ter dood te bereiden," zeide
Deodaat: "en ons leven zoo duur te verkoopen als het ons eenigszins
mogelijk is. Wij kunnen althans uit onze hooge standplaats nog eenigen
tijd met voordeel het hoofd bieden."
"Dat zal ons weinig baten," zeide Zweder: "want om hen te bevechten,
moeten wij ons vertoonen: en dan staan wij voor hun pijlen
bloot. Kom! het is gedaan. Wij overleven de grap niet: en ik zal ons
slot van Naaldwijk en mijn lieve moei Ottilia nimmer terugzien. Die
goede ziel! zij heeft mij voor mijn vertrek nog een geborduurden
hanger vereerd voor mijn dolk. Wat zal zij treuren, als zij hoort
dat haar neefje, dat haar altijd zoo plaagde, zoo jammerlijk aan zijn
eind is gekomen."
"Arme jongen!" zuchtte Deodaat:--"maar helaas! gij zijt nog gelukkiger
dan ik:--want niemand--neen niemand zal mijnen dood beweenen.--Wat
zeg ik?--Reinout wellicht.... en misschien ook...."
"Ja, welzeker zal zij u ook beweenen," zeide Zweder, de gedachte
van Deodaat aanvullende: "maar wat hamer! laten wij niet dwaas zijn
en als kinderen schreien, terwijl er misschien nog redding mogelijk
is. Zoolang er leven is, is er nog hoop. Gij noemdet uw vriend Reinout;
dat doet mij ergens aan denken. Is hij niet, althans volgens uwe
meening, op een dolk naar beneden gereden?"
"Hoogstwaarschijnlijk! Maar dat kan ons hier niet baten; want dan
vallen wij des te eerder in de handen onzer bespringers."
"Alles moet beproefd worden," zeide Zweder: en tevens zag hij de
opening uit, door welke zij in den toren gekomen waren. Het trapje,
de gang en al de zolders aan deze zijde waren ingestort; maar
de drie muren van den vleugel waren, gelijk hierboven gezegd is,
blijven staan, en verhinderden, dat iemand hen van beneden zien
kon. Zweder keek naar beneden; maar de oneffenheden van den muur
en de hier en daar vooruitspringende brokken van boog- en muurwerk,
die nog aan den toren vast waren blijven zitten, beletteden hier de
uitvoering van het ontkomingsmiddel, door Reinout gebezigd. Ook had
alleen Zweder een dolk, die door zijn vorm weinig geschikt was om
dat middel te beproeven.
"Maar gij hebt een touw," zeide Deodaat.--"Er ware nog
mogelijkheid...."
"Ik heb het," riep Zweder, verheugd: "ik heb het.... Wacht! Eerst
moeten wij zorg dragen, dat zij ons niet verrassen. Het wordt tijd;
want ik geloof waarlijk, dat zij al aan 't klimmen zijn."
En onder het spreken dezer woorden keerde hij zich om en
zag in den toren naar beneden, waar de Friezen reeds een paar
aaneengebonden ladders tegen de eerste zoldering aangezet hadden,
en zich gereedmaakten, die te bestijgen. Haastig greep nu Zweder de
middelste trapladder bij de bovenste sport, rukte die met de kracht der
wanhoop uit de krammen, trok haar vervolgens met behulp van Deodaat
van haar steunpunt los, hield haar een oogenblik boven den openen
koker verheven en liet toen de handen los. Het lang en zwaar gevaarte
stortte naar beneden, verbrijzelde de ladders der Friezen, deed een
aantal van hen bloedende en vloekende op den vloer nedertuimelen en
sprong zelf tegen de zerken tot spaanders.
"Ziezoo!" riep Zweder: "nu zullen zij ons vooreerst met vrede
laten. Wat ons betreft, wij moeten denzelfden weg uit, dien wij
gekomen zijn. Het smeult en rookt nog wel wat beneden; maar des te
beter; zooveel te minder zullen zij ons komen hinderen."
En nu, met spoed het touw losgewonden hebbende, dat hem om het lijf
zat, sloeg hij het dubbel om een plank, die hij uit den vloer losbrak,
liet de beide einden de opening uithangen en plaatste de plank dwars
daarvoor: waarna hij zich naar buiten liet afglijden. Toen hij niet
lager kon, en bemerkte dat hij nog ruim twintig voet boven den grond of
liever boven het ingestorte puin was, slingerde hij zich op een tegen
den muur in een nis gemetseld voetstuk, en klemde zich aan de nog heete
krammen vast, welke gediend hadden om een standbeeld tegen te houden,
dat half verteerd beneden lag. Deodaat volgde zijn voorbeeld, liet zich
insgelijks aan het touw af glijden en stond weldra aan zijn zijde;
waarna zij dadelijk het touw naar zich toe trokken en het aan een
vooruitspringenden boog nevens hen vastmaakten. Zij daalden hierop
lager af, zich nu eens van Zweders strijdbijl, welke zij over de
steenbrokken vasthaakten, dan weder van den dolk, dien zij tusschen
de openingen staken, bedienende, om de reis naar beneden gemakkelijk
te maken.
Zij stonden eindelijk boven het rookende puin en door het vierkant
der muren voor aller oog verborgen; maar het was er verre af, dat zij
zich nu buiten gevaar konden achten. Integendeel, zij hadden slechts
het eene met het andere verwisseld. Want vooreerst stond hun elk
oogenblik een bezoek der conversen te schromen, die wellicht spoedig
zouden komen om den brand te blusschen en te redden wat nog redbaar
was: en ten anderen verkondigde hun de onverdraaglijke hette van het
brok steens, waarop zij stonden, dat het vuur nog onder hun voeten
blaakte en dat zij kans liepen bij een nieuwe ineenstorting van het
puin in den gloed te vallen en jammerlijk om te komen. Al trippelende
en met verschroeide ledematen sprongen zij van den eenen hout- of
steenhoop op den anderen, nu eens op den rechtervoet staande, dan
weder, wanneer zij de pijn niet langer verduren konden op den linker
rustende: ja somtijds omvatteden zij een over de bouwvallen liggenden
en half verzengden balk met beide armen en lieten de beenen hangen, om
die een oogenblik rust te gunnen. Opeens deed Zweder een ontdekking,
welke hem met blijdschap vervulde. Hij zag namelijk onder zich een
donker gat, hetwelk hem toescheen, naar een gewelf te geleiden.
"Daarheen!" fluisterde hij, den Ridder aanstootende: en, zich van
een omgestorte plank latende afglijden, waren beiden weldra, schoon
met deerlijk gebrande handen, nabij de opening.
"Hier is de kelder van de vrome vaders," zeide Zweder: "of ik bedrieg
mij grootelijks. Laat ons den ingang onzichtbaar maken, dan houd ik
het er voor, dat wij vooreerst gered zijn."
En, de handen aan 't werk slaande, stapelden zij, hoe pijnlijk hun
deze verrichting ook viel, met allen spoed een menigte brokken steens
en gezengde balken en planken tegen de opening, alleen zooveel ruimte
overlatende, dat zij er op handen en voeten konden binnenkruipen. Een
treurige gewaarwording overviel hen, toen zij, bij het opruimen van
het puin, op eenmaal twee verzengde lijken, waarschijnlijk van hun
makkers, ontdekten.
"Die arme halzen!" zeide Zweder: "zij trokken nog kort geleden zoo
wakker met mij de kerkramen door.--Maar wacht! zij kunnen ons nog na
hun dood van dienst zijn!"--En meteen zich van zijn kuras ontdoende,
gespte hij het om een der lijken; terwijl Deodaat, zijn oogmerk
radende, zijn pij uittrok en daarmede het andere omhing, waarna zij
de twee lichamen aan den voet des torens sleurden en vervolgens in
hun schuilplaats kropen.
"Ongelukkig," zeide Zweder, in de duisternis rondtastende, "dat al
de wijnvaten hier vandaan zijn gehaald. Mijn keel is even verschroeid
als mijn voetzolen en ik gaf het halve erfdeel mijns vaders voor een
frisschen dronk, al was het dan ook maar koud water."
"Een krijgsman moet honger en dorst kunnen lijden, mijn goede
Zweder!" zeide Deodaat: "en bovendien moet gij u niet te zeer
beklagen, dat de wijnvaten weg zijn: wij hebben nu te minder kans,
door de dorstige monniken bezocht te worden."
"Dat is waar!" zeide Zweder, terwijl hij zich op den vloer uitstrekte
en het heete gelaat tegen den vochtigen grond verkoelde: "want waar
iemand zijn schat heeft, daar is ook zijn hart."