Le flux les apporta; le reflux les remporte.
Corneille, le Cid.
Terwijl dit alles in den omtrek van Sint-Odulf plaats had, was Reinout,
gelijk wij hierboven vermeld hebben, aan Martena het bericht gaan
geven, waarmede Adeelen hem belast had, en van daar over Warns
naar Gaasterland gereden, om die zelfde tijding aan Helbada te
brengen. Terwijl hij heendraafde over den kronkelenden zandweg,
die van het genoemde dorpje naar Rys geleidt, was het hem meer dan
eens voorgekomen, alsof er, behalve Daamke, die achter hem reed, nog
iemand was, die hem volgde, die stilhield, wanneer hij stilhield,
en zich weder in beweging stelde, zoodra hij voortging. Hoe moedig
Reinout ook ware, zijn landaard, de eenzaamheid van den weg en de
onbekendheid met het land waren zoovele redenen, geschikt om hem
bijgeloovig en ongerust te maken. Hij kortte eindelijk den teugel, en,
zich tot Daamke wendende, die hetzelfde deed: "hoor Daamke!" zeide hij:
"er is iemand achter ons."
"Achter ons!" riep de vreesachtige dienaar, die reeds weinig zin had
in deze nachtelijke onderneming: "en wie zou dat wezen?"
"Ik weet het niet; maar het is juist, alsof ik behalve door u,
door nog een ruiter gevolgd worde, die een kreupel paard berijdt,
en desniettegenstaande altijd gelijken tred met ons houdt."
"Een kreupel paard! o wee! dat is de Booze," dacht onze voormalige nar.
"Weet gij wat Daamke!" vervolgde Reinout: "rijd gij eens vooruit:
dan zal ik volgen, en zoo de onbekende ons weer op de hielen durft
blijven, geest of man, ik zal hem den schedel splijten."
"Ik vooruitrijden!" riep Daamke, wien het denkbeeld alleen over het
geheele lijf deed sidderen: "dat ware immers met alle betamelijkheid
strijdig."
"Ik wil het zoo!" zeide Reinout, op een strengen toon: "en ik zweer u,
dat ik u den kop insla, zoo gij eenig blijk van lafhartigheid geeft."
"In Gods naam dan!" zeide de ontstelde knaap: en de orde van den tocht
omkeerende, reed nu de dienaar voor den Heer; maar nauwelijks waren
zij weder een eind wegs gevorderd, of Reinout hoorde hetgeen hij
een kreupel paard achtte te zijn, niet meer achter, maar voor zich
uit. Een huivering overviel hem; maar hij vermande zich en besloot
wijselijk te onderzoeken wat het ware: hij gaf zijn ros de sporen;
en zoodra hij naast zijn dienaar kwam, klonk het vreemde geklots hem
dicht aan zijn oor. In hetzelfde oogenblik ontdekte hij, hoe dwaas en
buitensporig zijn bijgeloovige angst geweest was. Hetgeen hij voor een
hem vervolgenden ruiter hield, was de tooverkast van meester Barbanera,
welke op Daamkes rug hing, en onder 't rijden op en neder wippende,
juist het ongelijke geluid maakte, hetwelk hij voor het trappelen
der hoeven van een kreupel paard had gehouden.
Zijn eerste beweging was een schaterend gelach; zijn tweede, een
beweging van ongenoegen en gramschap.
"Wie heeft u, dubbele ezel," vroeg hij, "verlof gegeven, zulk
een kast op uw nek mede te nemen, wanneer gij de eer hebt, mij te
vergezellen? Wilt gij, dat men mij voor een kokeler aanzie?"
"Laat uwe Edelheid niet toornig op mij zijn," antwoordde Daamke,
terwijl hij, voor slagen beducht, geheel achter het onderwerp van het
gesprek wegschool. "Er zijn zeer goede redenen, waarvoor ik die kast
medeneem: vooreerst heeft die mij eens het leven gered, toen wij door
de Hollandsche voorposten vloden, waar mijn arme Cesar bij omkwam,
het goede beest, zooals uwe Edelheid weet, dat...."
"Ik weet alleen, dat gij een bloode schobberd zijt," zeide Reinout:
"en dat u die kast niet beveiligen zal tegen een goede dracht slagen,
welke ik u zal toetellen zoodra ik er den tijd toe vinde."
"Dan wensch ik, dat uwe Edelheid nog lang de handen vol
moge hebben.--Ten tweede: er is immers een bevel bij het leger
uitgevaardigd, dat ieder strijder zich achter 't een of ander verbergen
moet, om niet gezien te worden, ten einde...."
"En dat bevel wilt gij zoo nauwkeurig nakomen, dat gij in uw kast
zult kruipen, om er niet uit te komen, dan als de slag voorbij is,
nietwaar?"
"Niet in de kast, maar daarachter, heer Ridder!--en dan bovendien,
ten derde, zullen er geen gewonden zijn? en bevat deze kast niet
de gansche nalatenschap van Barbanera? (God hebbe zijn ziel; want
het gerucht loopt, dat hij van honger is omgekomen;) namelijk: een
uitgelezen schat van poeders, pillen, zalven, tincturen, talismans en
wat dies meer zij, waar ik mijn medemensen mede van dienst kan zijn,
tegen een kleine belooning, als vanzelf spreekt."
Reinout kon niet nalaten te lachen over de kluchtige verdediging van
zijn dienaar, en over de vrees, die, met speculatiezucht vereenigd,
hem de voorzorg had doen nemen van zich met een meubel te belasten,
dat aan anderen in gelijke omstandigheden tot hindernis zou gestrekt
hebben. Hij maakte dan ook geene verdere aanmerkingen: maar zijn
paard, dat hij gedurende het gesprek had laten stappen, wederom in
den draf zettende, kwam hij weldra aan den ingang van het bosch, waar
hij begreep de manschappen van Helbada te zullen vinden. Hier stond
hij stil en blies op den hoorn, die om zijn hals hing. Terstond zag
hij overal zwaarden en bijlen schitteren en van achter al de struiken
en struweelen kwamen menschengedaanten te voorschijn, welke echter,
zoodra hij zich bekend maakte, weder verdwenen. Een hunner intusschen
verzocht hij, hem naar Helbada te geleiden, dien hij te Rys vond,
bezig een zijner verspieders te ondervragen, die hem bericht bracht,
dat de Hollanders op de Zuidvenne bij Sint-Odulf geland waren.
"Gij komt mij zeker uitnoodigen, om derwaarts te trekken,
Jonker!" zeide Helbada, zoodra hij Reinout zag.
"Integendeel!" antwoordde deze: "Adeelen laat u smeeken, u niet van
uw post te verwijderen, eer de nood zulks eischt. Hij vreest een
landing aan de Lemmer of aan deze zijde der kust."
"Moge de Hemel mij mijn vurigsten wensch ontzeggen en mij beletten
den moord mijns zoons op Worp Ropta te wreken, indien ik hier
als een onnut meubel blijf suffen, gelijk een verroest zwaard,
dat nergens toe deugt.--Neen! by alle duivels!" vervolgde Helbada,
op de tanden knarsende en op het gevest van zijn slagzwaard slaande;
"ik wil mij hier niet staan te verkniezen, en al de eer van den strijd
anderen gunnen. Hier! Else! Wopko! zeg terstond dat een ieder zich
vaardig make."
Vruchteloos waren de pogingen, welke Reinout aanwendde, om den
stijfzinnigen, naar den strijd hakenden Fries van zijn voornemen te
doen afzien. Al wat hij verkrijgen kon was, dat Helbada den morgen,
die niet verre was, alsmede de nadere tijdingen, die hij uit de Lemmer
wachtte, zou verbeiden, en zich verzekeren, dat er aan die zijde geen
landing te vreezen ware, eer hij op Zuidvenne aantrok.
Na een korte rust aan zijn paard gegund te hebben, keerde Reinout met
zijn dienaar terug, doch nu den kortsten weg naar Stavoren, langs
den zeekant nemende. Hij deed zulks, in de verwachting, te zullen
zien hoe de zaken bij Sint-Odulf stonden, en daarvan kondschap aan
Adeelen te kunnen geven. Misschien zullen sommigen onzer lezers zich
verwonderen, dat Reinout, wiens moed niet in twijfel kon getrokken
worden, het zich had laten welgevallen, de rol van boodschapper voor
lief te nemen. Maar de waarheid is, dat hij zelf daarom verzocht
had. Een inwendige tegenzin deed hem huiveren tegen het oogenblik,
waarop hij met zijn voormalige vrienden zou slaags raken, en dat
oogenblik wilde hij hoe langer hoe liever uitstellen. Bovendien was
zijn gansche ziel nog te zeer vervuld met het gebeurde van den dag,
dan dat hij het van zich zoude hebben kunnen verkrijgen, rustig en
bedaard achter een hegge of kade de komst des vijands te verwachten,
gelijk de andere Friezen deden, wier anders zoo onstuimige zielen door
de zekerheid der overwinning (die allen bezielde) in staat gesteld
waren met een ijskoude kalmte het uur van treffen af te wachten. Hij
haakte alleen naar verandering van plaats en van tooneel: en welkom
was hem dus elke gelegenheid, die zulks verschafte.
De lucht was nu eenigszins helderder geworden; maar de weg, die hier
bovendien weinig bereden werd, was door de regenplassen van den vorigen
nacht schier onbruikbaar geworden, zoodat de Ridder, van de vermoeide
rossen niet te veel willende vergen, stappende voortging. Verre
vooruit, achter de torens van Stavoren, die er donker tegen uit kwamen,
verhieven zich nog nu en dan hooge vlammen en dikke rookkolommen uit
het brandende Norwert; maar een ander schouwspel, dat dichterbij
zich in de richting van Sint-Odulf vertoonde, boeide de aandacht
des ruiters nog sterker. Het scheen hem toe, alsof het klooster in
wolken smooks gehuld was, waaruit nu en dan vlammende vonken vlogen;
en hoe meer zij naderden, hoe meer zij de overtuiging verkregen,
dat zij een krijgsrumoer hoorden, hetwelk al gedurig dichterbij kwam.
Het begon nu meer en meer te dagen: en Reinout zag met genoegen,
dat hij niet verre meer was van een heuvel, van wiens hoogte hij
zich een ruim uitzicht over het slagveld beloofde, toen Daamke hem
met een bevende stem opmerkzaam maakte op eenige menschengedaanten,
welke zich aan den voet dier hoogte schenen te bewegen.
"Zouden wij niet terugkeeren, Ridder! en bij Helbada hulp vragen? Die
lieden daar hebben ongetwijfeld niets goeds in den zin."
"Wij zullen ons eerst verzekeren, of het vrienden of vijanden zijn,"
zeide Reinout, en zijn hoorn nemende, blies hij het herkenningsteeken,
hetwelk terstond vóór hem uit werd beantwoord.--"Het zijn
Friezen!" zeide hij: "er valt niets te duchten:" en vooruitrijdende
met zooveel spoed als de slechte weg toeliet, was hij in weinige
oogenblikken aan den voet des heuvels.
"Hoe staan de zaken?" riep hij een zwaargewapenden krijgsman toe,
die op de helling der hoogte stond.
"Aha! zoo! zijt gij het, Jonker van Aylva?" vroeg de man, tot wien
hij zijne toespraak richtte: "eilieve stijg eens af! ik zal u een
schouwspel laten zien, dat geschikt is, aller hart te verheugen."
"Ik kom bij u," zeide Reinout, den Abt van Bloemkamp herkennende: "maar
ik kan niet lang blijven. Adeelen wacht mij terug."--Dit zeggende,
steeg hij en Daamke met hem van hunne paarden, welke laatstgenoemde
aan een paal bond, en beklommen zij den heuvel. Niet zonder bevreemding
bemerkte Reinout, dat de oppervlakte daarvan geheel overtogen was met
een grauwe korst, naar welker bestanddeelen hij vruchteloos giste;
maar zijn verwondering steeg ten top, toen hij zag dat die korst zich
bewoog als een reusachtige mierenhoop.
"Wat gebeurt daar?" vroeg hij aan den Abt, naar boven wijzende.
"Gij zult het wel zien," zeide deze: "maar één ding moet ik u zeggen:
gij kunt nu onmogelijk verder:--al het volk tusschen hier en Stavoren
is op de been: en gij zoudt al zoo goed kunnen ondernemen, de markt
te Bolswart op en neer te draven wanneer het kermis is, als u door
gindsche menigte een weg te banen. Volg mij maar: gij zult hier ook
gelegenheid vinden om een goede beweging te nemen!"
Reinout volgde den krijgshaftigen kloostervoogd den heuvel op, en werd
nu onder het naderen gewaar, dat hetgeen hij voor een zwarte korst had
aangezien niets anders was dan een bende monniken in hun ordegewaad,
welke over de geheele hoogte verspreid lag. Op den top gekomen, stond
hij stil en zag met diepe belangstelling naar de zijde van Sint-Odulf,
waar de Abt hem heen wees.
De plaats, waar zij stonden, welke Reinout zich nu herinnerde
nogmaals bezocht te hebben, was geene andere dan het in de Friesche
geschiedenissen zoo beroemde Roode Klif. De gestadig invretende
golf, die voornamelijk sedert het aanleggen van den zeedijk deze
natuurlijke zeewering met verdubbelde woede ondermijnt, heeft haar
tegenwoordig ten halve afgeslagen, zoodat zij zich thans voordoet als
een klein voorgebergte, steil aan den zeekant en aan de binnenzijde
meer glooiend afloopende. Maar in den tijd, waarin onze geschiedenis
voorviel, was nog het Roode Klif een heuvel, volkomen gelijk aan
die, welke zich in den omtrek bevinden, alleen met dit onderscheid,
dat hij boven al de overige uitstak en derhalve van zijn top een
prachtig panorama opleverde over de omliggende landstreek en de
wateren der Zuiderzee. Zijn zuidelijke helling, wier voet de golven
bespoelden, stak bijna even verre in zee uit als de landtong van
Sint-Odulf, die een halfuur gaans vandaar gelegen was. Tusschen deze
beide vooruitspringende punten en den zomerdijk, die beide aan de
landzijde vereenigde, lag het lage, onvruchtbare strand bloot, hier
en daar met helm en duinplanten begroeid, en slechts enkele terpjes
of verhevenheden bevattende, welke tot een schrale weide verstrekten
voor de kudden van diegenen uit den omtrek, die niet rijk genoeg
waren om zelf eenigen grond te bezitten en zich aldus vergenoegen
moesten, hun vee aldaar op het domein van 't algemeen te laten grazen:
een voorrecht, dat niet vrij van gevaren en tegenspoeden was: want
ofschoon het zeewater, wanneer het bij gewonen vloed den geheelen
zandigen oever bedekte, de genoemde terpjes doorgaans vrijliet,
gebeurde het niet zelden, wanneer de wind op de kust stond, dat ook
die verhevenheden overstroomd werden en het daarop weidende vee,
indien het niet tijdig landwaarts opgedreven was, door het geweld der
golven werd weggesleept. Thans echter had men, zoowel uit vrees voor
de vijanden als om den storm, de kudden binnengehaald: en, daar het
water was afgeloopen, vertoonde zich de gansche ruimte tusschen den
hierboven genoemden omtrek geheel droog, uitgezonderd eenige kuilen en
diepten, waar het zeenat altijd in staan bleef, en ettelijke plassen,
door den regen gevormd. Het was op den bovengenoemden zomerdijk,
die mede tot landweg langs de kust diende, dat zich ongeveer op een
kwartieruurs afstand een verwarde klomp menschen vertoonde, en zich
een krijgsgedruisch hooren liet, oorverdoovend als het golfgeklots
bij den storm.
"Gij ziet het," zeide de Abt, zich de handen wrijvende: "zij zijn
ingesloten, en niets is in staat hen te redden. Hun schepen, die ginds
machteloos tegen de ebbe liggen te worstelen, kunnen hen niet opnemen:
willen zij naar de landtong keeren, daar wachten hen de Lidlummers:
pogen zij landwaarts in te dringen, het leger van Martena is opgerukt
en bezet al de passen: dalen zij af naar het strand, daar worden zij
door de overmacht verplet en tot den laatsten man toe afgemaakt,
als een troep reebokken, die in een wildbaan gejaagd zijn: en die
aan het staal ontkomen, verzuipen zoodra de vloed komt opzetten."
Reinout sidderde; maar gaf geen antwoord: het begon nu helder dag
te worden, en hij zag duidelijk de Hollanders al vluchtende naderbij
komen, door hun grimmige vervolgers van alle zijden bestookt. Reeds
begon hij die banieren te onderscheiden, welke hij zoo vaak op
het pad der overwinning verzeld had, en het denkbeeld, dat die nu
moesten wijken voor een saamgeraapten, ongeordenden hoop monniken
en boeren, deed een kille huivering in zijn boezem ontstaan. Hij
begon ijverig na te denken over den toestand, waarin hij zich bevond:
gedwongen te strijden tegen hen, met wie hij voorheen zoo dikwijls de
lauweren des zegepraals had geplukt, of, wat nog erger was, een koel
aanschouwer te blijven van de slachting, onder hen aangericht. Het
is waar, ook voor Utrechts wallen had hij de Hollanders bevochten;
maar toen was zijn gemoed door zoovele hartstochten geslingerd en
in zulk een staat van spanning, dat hij, onbekwaam tot nadenken,
als in een gestadigen roes had geleefd. Thans echter was zijn
gemoedsgesteldheid veranderd: hij was tot zich zelven teruggekeerd;
hij had zijn vriend hervonden. Geen bloedschuld drukte hem langer:
en zoo streelend was hem het denkbeeld aan die verzoening, dat zelfs
de gedachte aan Madzy, aan het voorwerp der dolzinnige liefde, die
hem schuldig had gemaakt, daarbij op den achtergrond stond. Was het
wonder, dat onder zulke omstandigheden, hem de gedachte onduldbaar
toescheen, zich met die Friezen, waarvoor hij geene neiging gevoelde,
voor dat land, in hetwelk hij zich nog vreemdeling vond, het zwaard
te moeten ontblooten tegen zijn voormalige wapenbroeders, ja den
moord te aanschouwen van weerlooze vluchtelingen? o! hoe ongelukkig
gevoelde hij zich niet! Hoe gaarne had hij de partij, aan welke hij
thans verbonden was, willen verlaten en zich weder voegen bij hen,
met wie hij vroeger de gevaren des oorlogs had doorgestaan! Maar ook
deze, dit gevoelde hij, zouden den dubbelen overlooper met verachting
terugwijzen! En wat zou het hem baten, al ontvingen zij hem in hun
gelederen? Hij kon hen niet redden, en niets zou hem overschieten,
dan de treurige eer, van met hen te mogen sterven.
"Hoe nu!" zeide de Bloemkamper, hem vrij onzacht op den schouder
kloppende: "hoe staat gij daar zooals een druiloor? Ginds komen zij
aan. Houd u nu als een kerel en toon, dat gij werkelijk een Aylva
zijt en het goed met Friesland meent, of, bij O. L. Vrouwe! ik sla
u den kop in."
Deze zoogenaamde opwekkende toespraak was op haar zelve niet beleefd;
maar aan Reinout klonk zij dubbel onwelkom in de ooren: zij verschilde
zoo hemelsbreed van die hartelijke, echt ridderlijke aansporingen,
waarmede zijn leermeester in de krijgskunst, de edele Beaumont, gewoon
was, de jeugdige strijders aan te moedigen. Hij weerhield dan ook met
moeite de uitdrukking van gramschap, die gereed was hem te ontvallen,
ter beantwoording van het onbescheid des monniks; en de armen over
elkander slaande, bleef hij zwijgend staroogen op de aansnellende
krijgsdrommen. Opeens werd zijn gelaat bleek als een doek en hij gaf
een kreet van ontroering.
"Mijn God!" riep hij, zich voor 't hoofd slaande: "het is de banier
van Beaumont!"
"Beaumont!" herhaalde de Abt, met verrukking: "is dat niet 's Graven
oom, die Henegouwer, daar Adeelen tegen kampte? Hoe jammer, dat deze
niet hier is, om eens te zien, hoe wij hem wreken zullen."
"Monnik!" zeide Reinout, zich niet langer kunnende bedwingen: "ik
zweer u, wee hem, die den grijzen Ridder een haar deert. Neem hem
gevangen: hij kan u een goeden losprijs betalen: en uw altaar zal
blinken van gouden en zilveren vaten. Hij kan ons niet ontkomen,
en zal zich wel moeten overgeven."
"Neen!" zeide de Abt, met een boozen lach: "ontkomen kan hij
niet, zoomin als een der zijnen. Zij zullen allen vallen en
na hun dood op het strand blijven rotten, totdat de vloed hen
wegslaat of de vogels des hemels hen komen opvreten. Zie eens! daar
vergaderen zich de arenden reeds, om hun aandeel van den buit te
verkrijgen. Komt! Broeders! zij willen dezen weg uit; maar, bij mijn
Heiligen Patroon, wij zullen hun den doortocht sluiten. Op! elk en
een iegelijk!" en tevens sloeg hij met zijn strijdbijl op een schild,
dat naast hem lag. Dadelijk rezen al de monniken en conversen op, en
begaven zich naar het punt, waar de dijk of landweg over de helling
des heuvels heenliep. Hier hadden zij te voren een versperring gemaakt,
welke zij nu nog met een aantal zware keien, hoedanige te dier plaatse
in menigte te vinden waren, alsook met huisraad, dat door de vrouwen
der naburige woningen gewillig werd aangebracht, voorzagen.
"Zoo vriend!" zeide de Abt tegen Daamke, die op zijn kast nabij de
paarden zat; "brengt gij ook wat mede om den weg te stoppen?"
"Dat daar?" zeide Daamke: "neen! dat is een medicijnkist, om...."
"Wij hebben nu geen medicijnen van doen," zeide de Abt: "en uw kast
kan ons best te pas komen: plak die maar mede tegen de borstwering
aan," en onder het uiten dezer woorden gaf hij met zijn bijl een zoo
geduchten slag op de kast, dat de verschrikte Daamke zich spoedde om
te voldoen aan een bevel, dat op een zoo nadrukkelijke wijze gegeven
werd. Hij bracht de kast bij de overige meubelen en plaatste die op
de hem voorgeschrevene wijze: terwijl hij echter zorgde, dat hij zich
niet meer verwijderde dan noodig was, en zijn schat voortdurend in
't oog bleef houden.
Slechts een vierde gedeelte van de zeshonderd man, die aan den
viersprong gestaan hadden, was nog overig, toen het met zijn
aanvoerder op een boogscheuts afstands van de versperring genaderd
was. Al de overigen waren òf bij den eersten aanval gesneuveld,
òf lagen zieltogende langs den weg. Wat de overgeblevenen betrof,
dezen waren meest Ridders, knapen of geharnaste speermannen, die
hun leven te danken hadden aan hun wapenrustingen, waarop de pijlen
afstuitten. Bijna allen hadden hun paarden verloren, en de meesten
waren met wonden en kneuzingen bedekt; maar sedert het dag was
geworden, hadden zij zich weder in staat gezien, zich in gelederen te
stellen en een dichtgesloten klomp te vormen, die niet gemakkelijk te
verbreken was. Hun vijanden bleven hen met verbittering najagen; doch
waren op dit oogenblik minder in staat hen te deren; want die Friezen,
die langs het strand en dus beneden hen gingen, werden zonder moeite
afgeweerd: die, welke hen volgden, konden door hun dichten drom niet
heen dringen: en die, welke aan de landzijde langs den dijk liepen,
werden in hun vervolging belemmerd door de talrijke slooten, heggen
en dijkjes, die hun in den weg stonden.
Dan, de moed der Hollanders begon op nieuw te verflauwen, toen zij
voor zich uit de versperring gewaarwerden, en de talrijke bende van
den Abt van Bloemkamp ontdekten, die, met bogen en slingers gewapend,
het Roode Klif bezet hielden.
"Voorwaarts, mijne kinderen!" riep Beaumont: "onze laatste toevlucht
ligt in de punt van 't staal. Bemachtigt die versperring! dan kunnen
wij die tot onze eigene bescherming aanwenden."
De geestkracht, welke hem dit kloek besluit ingaf, deelde zich mede aan
zijn volgers. Zij sloten zich in nog dichter gelederen samen, en, allen
aanval, die van ter zijde kwam, afwerende, drongen zij moedig vooruit.
"Hoe hebt gij voor die verachtelijke dorpers kunnen vluchten?" riep
Beaumont: "de overmacht kan ons immers niet deren, zoolang wij ons
hier op den hoogen landweg blijven houden, waar geen vijf man zich
naast elkander roeren kunnen: en wij overtreffen dat gespuis verre
in wapenen en beleid. Komt wakkere knapen! neemt die verschansing in:
dan zijn wij ook tegen de pijlen gedekt."
Aldus sprekende was hij met de zijnen tot dicht bij de versperring
genaderd, niettegenstaande de hagelbui van steenen en pijlen,
welke de Bloemkampers van uit hun hooge stelling op hem afzonden,
toen opeens Reinout zich boven op de borstwering vertoonde, met een
bevende stem uitroepende:
"Heer van Beaumont! geef u gevangen! gij kunt onmogelijk tegen de
overmacht kampen."
"Is dat niet de stem van den verrader Reinout?" vroeg Beaumont,
overluid: "hij kent mij, hij weet dat ik mij niet overgeef, zoolang
er nog hoop op redding bestaat."
"Zijt gij razend?" riep de Abt, Reinout terugtrekkende: "wij willen
geen gevangenen! Smijt hen dood, mannen! smijt hen dood!"
En de Hollanders werden opnieuw begroet door de werpschichten
en steenen, die de monniken op hen wierpen, terwijl hun talrijke
vervolgers van het oogenblik, dat zij stand moesten houden, gebruik
maakten om van alle zijden op hen aan te dringen. Beaumont gelastte
hierop aan zijn achterhoede rechtsomkeert te maken, om de hen
vervolgende Friezen af te houden, terwijl hij zelf met de voorhoede
de versperring bestormde. Het gevecht hield nu met hevigheid aan,
en ofschoon nu en dan een der Hollanders viel, bleef Beaumont echter
zijn stelling inhouden niet alleen, maar wist weldra het krijgstooneel
op de versperring zelve over te brengen. Intusschen begon het water
te wassen, en het strand beneden te overstroomen, zoodat de Friezen,
die zich daar bevonden, zich haastten om het Roode Klif te bereiken
en zich bij de Bloemkampers te vervoegen. Dit ontging ook Beaumont
niet; hij wendde het oog naar de zee, en met verrukking zag hij de
afgedrevene vaartuigen, welke met den vloed weder kwamen opzetten.
"Daar zijn de schepen, kinderen!" riep hij: "nog een halfuur
volgehouden! en wij zijn gered!"
"Nog een halfuur!" brulde de Abt, die dezen uitroep hoorde, "hoort gij
dat, Broeders! wat staat gij daar en kijkt? Met steenen werpen is het
niet te doen! Gij moet voor den dag komen en hen verpletteren. En
dat volk van Martena, dat om hen heen staat, alsof het naar een
hanengevecht keek. Broeder Sicco! haast u! zie dat gij wat haken en
latten bijeenhaalt, om hen van den dijk af te halen of van bovenneer
te stooten. Loop gezwind! ik zal hen ondertusschen hier aan den
praat houden."
De monnik snelde met eenige conversen naar de naaste woningen, van
waar zij weldra terugkeerden, met haken gewapend, waarmede zij nu
poogden de Hollanders in den gordel te vatten, of met touwen, welke
zij hun om 't lijf wierpen, om hen omver en naar zich toe te halen,
en als dit gelukt was, af te maken. Anderen droegen balken en palen,
waarmede zij als met stormrammen op de achterhoede van Beaumont
indrongen en de slagorde verbraken. Spoedig werd het gevecht nu
wederom, gelijk het in den vorigen nacht geweest was, algemeen en
man tegen man; en hoe dapper zij zich ook gedroegen, de volgers van
Beaumont waren niet langer bestand tegen de overmacht, die als een
waterstroom op hen aandrong, en hun geen handbreed ruimte overliet
om hun wapenen te zwaaien. Verscheidenen geraakten van den landweg
af, waar terstond vijftig handen gereed waren om hen te verpletteren;
anderen werden versmoord of ellendig vertrapt in het gedrang; de lijken
werden terstond uitgeschud; een taak welke hoofdzakelijk vervuld
werd door de vrouwen, die in grooten getale als zoovele furiën het
Friesche leger gevolgd waren, en wier afschuwelijke razernij zich
niet ontzag, op de naakte lichamen der gesneuvelden te woeden, en
die op de onmenschelijkste wijze te verminken.
"Laten wij hun de rest geven," riep de Abt van Bloemkamp, op Beaumont
wijzende, wien het met een tiental dapperen gelukt was, een gedeelte
der versperring omverre te halen en zich daarbinnen als in eene kleine
schans te plaatsen, waaruit hij, met de zijnen rug aan rug staande,
de slagen der aanvallers afweerde: "komt Broeders! zij hebben onze
fraaie vesting half vernield: wij zullen hen helpen: en al wat er
nog overig is hun op het lijf smijten. Handen aan 't werk!"
Een ieder zijner volgers maakte zich vaardig om aan het bevel te
gehoorzamen en de steenklompen of brokken huisraads op het rampzalig
overschot der Hollandsche dapperen te doen nederkomen. Er waren
slechts twee onder al de hier verzamelde lieden, die geen deel aan
den strijd namen: Reinout namelijk en zijn dienaar Daamke. De eerste
was, sedert Beaumont aan zijn verlangen geen gehoor had willen geven,
met het hoofd in de beide handen achter de versperring blijven zitten,
als hoorde of zag hij niets van al wat in zijn nabijheid plaats had;
want hij gevoelde noch de kracht om zich aan dit afschuwelijk tooneel
te onttrekken, noch die om daaraan eenig deel te nemen. Wat Daamke
betrof, deze was bezig, zijn medicijnkist van onder den ineengestorten
hoop voor den dag te halen en zag nu niet zonder innige droefheid den
deerlijken staat, waarin zich het voorwerp zijner nasporing bevond. Hij
werd in zijn onderzoek gestoord door een geweldigen oorveeg, hem door
de met ijzer bekleede hand des Bloemkampers toegediend.
"Wat doet gij daar, luiwammes?" vroeg deze: "en waarom helpt gij niet
een handje? spoedig! Smijt mij die kast over de versperring heen op den
kop der Hollanders. Ziet gij niet, dat hunne sloepen reeds naderen?"
"Bij Sint-Julfus!" antwoordde Daamke: "ik dien Ridder Reinout, en,
wanneer die niet vecht, zie ik niet waarom ik het doen zoude."
"Gij zijt een schelm! en uw meester een verrader, wien ik zal doen
hangen. Handen af van die kast!"
Daamke wilde zich zijn schat echter niet uit de handen laten rukken,
waarop de Abt, woedend geworden, zijn strijdbijl oplichtte om hem
een slag toe te brengen, die den armen hansworst wel voor altijd
zoude belet hebben, medicijnen te gebruiken of die aan andeten te
slijten; maar gelukkig sprong de knaap ter zijde en het neergevallen
moordtuig trof alleen het voorwerp van hun twist, waar het in vast
bleef zitten. De verschrikte Daamke vluchtte bij zijn meester, en de
Abt, na vol woede de kast in elkander getrapt te hebben om zijn bijl
los te krijgen, stoof over de borstwering heen en op de Hollanders af.
"Wat is het?" vroeg Reinout, als uit een droom ontwakende en een
wilden blik op zijn dienaar werpende: "wat komt gij mij verhalen?"
"Wel, ik zeg het u immers, Ridder!" zeide Daamke: "die vervloekte
monnik, die den duivel inheeft, heeft mij, uw trouwen knecht, den
kop in willen slaan en u wil hij doen hangen:--en mijn kist! mijn
arme kist! Zie eens! zij is geheel verbrijzeld."--En op handen
en voeten weder naar de kist toekruipende, vulde hij zijn tasch
en muts met al wat heel gebleven was. Op eens, terwijl hij met
deze verrichting bezig was, ontdekte hij iets, dat zijn droefheid
in vreugde deed overgaan: namelijk een wel voorziene lederen beurs,
wier aanzijn hem onbekend was, naardien zij achter een dubbelen bodem,
nu door den Abt opengetrapt, verborgen was geweest. Nabij die beurs,
en in die zelfde geheime plaats, lag een beschreven blad perkament,
hetwelk Daamke met evenveel verachting achter zich wegsmeet als hij
de beurs met welgevallen bij zich stak.
Het blad viel juist op den schoot van Reinout, die het werktuiglijk
opnam en er het oog op sloeg: maar nauwelijks had hij de onderteekening
en een paar regels gelezen, of zijn geheele ziel scheen zich te
vereenzelvigen met het geschrift. Hij rees op: zijn lichaam trilde van
het hoofd tot de voeten: hij las verder en zijn gelaat kenschetste de
hevigste gemoedsbeweging. Op dit oogenblik sloeg hij den blik naar
het strand: de golven hadden het buitenveld bedekt: de Hollandsche
vaartuigen waren genaderd, en hun sloepen roeiden naar wal.
"Daamke!" zeide hij met een vaste stem: "stijg te paard! neem dit
blad en breng het aan den Heer van Aylva. Vloek over u, indien gij
mijn laatsten wil niet voldoet."
"Van harte gaarne," zeide Daamke, die niets liever wenschte, dan zich
van het krijgstooneel te verwijderen: en terstond zijn ros beklimmende,
reed hij landwaarts in, terwijl Reinout insgelijks in den zadel sprong.
De medestrijders van Beaumont waren bezweken. Hij zelf, uit zijn
verschansing naar beneden gedrongen, stond aan den voet van het
Klif op het strand, tot de knieën in 't water, omringd van zijn
bespringers. Reeds scheen hij reddeloos verloren, toen op eens Reinout
te paard van het Klif kwam af hollen, de hem in den weg staande
monniken onderstboven rijdende, terwijl hij met een daverende stem
den oorlogskreet weergalmen deed van: "Holland! Holland! Beaumont _à
la rescousse_!" Zoo groot was de verbazing, dat een ieder opzag naar
den Ridder, wien men veronderstelde, dat door meer gevolgd werd. Snel
als het weerlicht was Reinout aan de zijde van Beaumont, en terwijl
hij met de eene hand den Abt van Bloemkamp, die juist zijn heirbijl
boven het hoofd des grijzen oorlogsmans had opgeheven, een vuistslag
gaf, die hem in het zilte nat voorover wierp, tilde hij met de andere
zijn waardigen leermeester op het paard en holde zeewaarts in. Er
was een oogenblik van verbazing: maar weldra, terwijl de monniken
hun doornatten Abt weder ophielpen, snelden eenige rappe gasten,
half wadende, half zwemmende, den vluchteling na. Deze was echter
door de manschap in de sloepen bespeurd geworden en met alle macht
roeide men naar hem toe.
"Blaas den aftocht!" zeide Martena, die juist op het Klif aankwam:
"daar moet er ten minste één zijn, die in Holland vertelle, hoe de
Friezen hun bespringers ontvangen."
Hetgeen aan het Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld
der verschillende ontmoetingen, welke den Hollanders bij hun landing
aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden van Stavoren,
waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar zij door de
benden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk
het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig
aan wal te zetten, had de vloot die niet dan bij gedeelten kunnen
ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vernield was, eer
die van het volgende haar te hulp kon komen. Wat den Graaf betrof,
hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, de reede van Enkhuizen
verlaten om op het brandende Norwert aan te zeilen, en hierdoor het
voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk
ontwijfelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren
had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied;
daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het
aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op 's Graven
schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte.
Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van 's Graven vaartuig
en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de
zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken, somberen
blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zij
waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen
door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het veld gevolgd,
en getuige geweest was van den opgeruimden blik, waarmede hij anders
gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken
en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van
den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij
aan de zijnen wist in te boezemen--voelde een angstige huivering door
zijn aderen varen, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden,
bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek.
Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in 't rond
weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals
den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit
schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had,
deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van het vuur der
hoop. Hij hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende
klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen:
"Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meester."
"God geve!" antwoordde de bezorgde Edelman, "dat het de lijktoorts
onzer vrienden niet zij. Ook hier brandt nog een dorp," (en hij wees
op de smeulende puinhoopen van Norwert) "maar waar zijn de handen,
die het aangestoken hebben?"
"Wellicht reeds in het binnenland," zeide Walcourt, "en bezig om
dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich
altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een vijand,
die ons het inrukken zou beletten?"
"Gij zijt een vreemdeling," hernam Teylingen, "en kent den aard en
de strijdwijze van dit volk niet: eer gij er om denkt, zult gij hen
als vorschen voor uwen voet zien opspringen."
"Het zij zoo," hernam de luchtige Henegouwer: "wij zullen hen dan
als vorschen vertrappen."
Terwijl zij nog spraken, kwamen eenige knapen, die door den Graaf
over den dijk waren uitgezonden om den staat van het binnenland te
bespieden, in aller ijl terug met de schrikbarende tijding, dat het
geheele land met gewapend volk overdekt was, en dat een kleine bende
Hollanders in wanorde voor de overmacht des vijands terugtrok.
Zonder een woord te spreken, reed Willem naar den dijk, en,
dien beklommen hebbende, zag hij uit zijn oogen het bedroevende
schouwspel. Het waren de Baanrotsen van Merwede en Antogne, die,
vroeger geland, door de gansche macht van Cammingha waren overvallen
en op de vlucht gedreven.
"Ontplooit de banier!" riep de Graaf, zich omwendende: "en
voorwaarts! op die muiters aangerukt!"
"Graaf! in den naam van alle Heiligen!" riep Teylingen, die na hem
op den dijk gestegen was: "wat wil uw Genade verrichten? Beschouw
ons klein getal en de overmacht der vijanden. Ik bezweer u, laat ons
wachten, tot de overige vaartuigen aankomen."
"Zijt gij bevreesd, Teylingen?" vroeg Willem, terwijl hij te paard
steeg. "Ontvouwt de banier en rukt den dijk over!"
"Graaf!" vervolgde Teylingen, zich voor Willem op de knieën werpende,
en zijn paard bij den teugel houdende: "o! ik bid u! veracht den
raad niet van een ouden, getrouwen dienaar uws huizes Wat kan het uw
eer verkleinen, een korte wijl te toeven? Waarom zoudt gij u zelven
en al de waardige Edelen, die met u zijn, aan een wissen ondergang
blootstellen?"
"Laat af!" riep de Graaf, toornig: "wie bevreesd is, moge naar de
schepen keeren: wie ons liefheeft, volge ons!"--En, zijn paard de
sporen gevende, rende hij de opening door, welke men in den wierdijk
gehouwen had.
"In Gods naam!" zeide Teylingen, met de woorden des Apostels: "laat
ons dan medegaan en met hem sterven."
Met gevelde lans en ontrolde banieren reed nu de kleine, maar dappere
hoop het binnenland in en stuitte weldra op de vluchtelingen, aan de
slachting ontkomen, welke laatsten terstond gedwongen werden, met
hen voort te rukken. Weldra ontmoette men het Friesche leger, dat,
zonder orde of leiding, maar met een onwederstaanbare woede en dorst
naar slachting bezield, gedeeltelijk langs de wegen en voetpaden kwam
aansnellen, gedeeltelijk over slooten, heggen en dijken heen sprong
om de nieuwaangekomenen te vernielen. Zij waren echter niet in staat
den eersten aanval des Graven en zijner welgeoefende wapenbroeders
te wederstaan: en de kans van den oorlog scheen zich voor een
oogenblik te herstellen ten voordeele van Willem; maar, ofschoon
het dezen al een wijl gelukken mocht, den weg schoon te houden,
hij was daarom niet ontslagen van zijn vijanden, die uit de akkers
en perken lands hun pijlen op de Hollanders afschoten en gedurig
in nieuwe zwermen voor den dag sprongen, nu van ter zijde, dan van
achteren, de zwaargewapende volgers des Graven bestokende. Het was een
vreeselijk schouwspel, die schier ongekleede Friezen, met hun bloote
hoofden en ruige blonde lokken, met de oogen fonkelende van razernij,
soms zonder ander wapen dan de naakte forsch gespierde armen, tegen de
paarden te zien opspringen, zich aan de ruiters vastklemmende zonder de
wonden te tellen, die zij bekwamen, en zich met hun vijanden latende
voortsleepen: of, wanneer zij eindelijk onder de paarden geraakten,
met hun tanden den armen dieren de pezen van den voet afbijtende. Want
het was meest op de strijdrossen, dat men het geladen had: en het
leed ook niet lang, of het grootste gedeelte der ruiterij, de Graaf
zelf niet uitgezonderd, zag zich genoodzaakt te voet te vechten.
Onverschrokken echter bleven Willems wakkere Edellieden stand houden en
den roem handhaven van hun gevreesde namen. Maar helaas! terwijl zij
gedurig verliezen ondergingen, vermeerderde het getal der aanvallers
met ieder oogen blik; want Adeelen, die tot nog toe geen deel aan eenig
gevecht genomen had, was op het bekomen der tijding, dat de Graaf zelf
geland was, met den rechtervleugel komen toeschieten, niet begeerende,
dat Cammingha alleen de eer der overwinning zou genieten. Nu baatte
geene dapperheid noch krijgskunde der Hollanders meer: geen orde werd
langer in acht genomen: en elk was genoodzaakt voor zijn eigen leven
te vechten, de een vroeger, de ander later vielen onder de bijl-
en knotsslagen der Friezen, die met de felheid, hun landaard eigen,
den zoo gehaten vijand rust noch duur lieten. Zeven Baanrotsen,
allen hoofden der edelste huizen in Willems Graafschappen, twintig
Ridders, allen vermaard door hun heldenfeiten, werden door de handen
van verachte dorpers verslagen. Vreeselijk vooral woedde de vuist van
Adeelen en zesmalen ontwrong hij een versch wapentuig aan de handen
der verslagenen, omdat hij het zijne op des vijands lijf verbrijzeld
of in de diepe wonden had laten steken. Maar noch het aantal der
dapperen, die hij ter nedergeveld had, noch hun beroemde naam was hem
genoeg. Hij zocht den Graaf van Holland: dien had hij tot zijn offer
uitverkoren: op hem wilde hij de beleedigingen wreken, te Haarlem
ondervonden. Terwijl hij, overal, brullende als een woudstier, naar
hem zocht, ontmoette hij Walcourt, die, onthelmd en zonder schild,
zich met het zwaard in de vuist een doortocht baande.
"Waar is uw meester, gevloekte Henegouwer?" riep hij, hem herkennende.
Het eenige antwoord van den Ridder was een geweldige sabelslag;
maar Adeelen, dien afwerende, verbrijzelde hem met zijn strijdkolf
den rechterarm.
"De linker blijft mij over!" riep Walcourt, zijn zwaard met de
andere hand vattende. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij een woesten
boerenknaap op hem afkomen, met een dorschvlegel gewapend. Terstond
herinnerde hij zich de voorspelling van Barbanera [35], en het hoofd
bukkende, onderging hij zwijgend den genadeslag, die hem bij de
overige lijken voegde.
"Is die gevloekte Graaf dan nergens te vinden?" brulde Adeelen,
terwijl hij rondliep als een leeuwin, die van haar jong beroofd is.
"Waar zoude hij wezen?" zeide Cammingha, die hem tegenkwam: "zij zijn
allen dood op één na."
"Leeft er nog één?" vroeg Adeelen, zich omwendende, met een
verschrikkelijken blik: "Waar is hij?"
Cammingha wees hem op een terp, die niet verre vandaar gelegen,
vroeger gestrekt had tot inhuldiging van 's Graven vader als Heer van
Friesland. Weinig dacht toen Willem III, dat die zelfde plek eens
het moordtooneel zoude wezen, waar zijn dappere zoon met zoovelen
zijner helden den dood zoude ondergaan.--Adeelen snelde derwaarts
heen. Daar stond nog een enkele krijgsman tegen de helling der hoogte
zich alleen tegen een drom van aanvallers te verdedigen. Zijn om hem
gevallen wapenbroeders en de Friezen, die hij zelf had neergehouwen,
vormden een verschansing van lijken om hem, die niemand straffeloos
overschreden had. Zijn helm was afgeslagen, zijn schild gebroken en
zijn geheele lichaam zoodanig met bloed en slijk en stof bedekt, dat
men bijna niet zien kon of hij een harnas aanhad, al dan niet; maar
zijn beide handen zwaaiden nog met ontzettende kracht een tweesnijdend
zwaard, waarmede hij al wat hem omringde het naderen belette.
"Hoe is het bloodaards!" riep Adeelen: "deinst gij? laat mij met hem
begaan: mij de eere, den laatsten man der bende te vellen."
Met deze woorden drong hij door de schaar heen, en den vreemden
krijger onvoorziens naderende, bracht hij hem een geweldigen slag op
het hoofd toe.
"Neem dat," zeide hij: "en ga in de hel vertellen dat Seerp van
Adeelen er u heenzond."
"Hoezee! leve Seerp van Adeelen!" riep het volk, dat den Hollander
zag duizelen onder den slag.
Maar deze, hoezeer bedwelmd, was niet gewond geweest; want de
strijdkolf was in de handen zijns bespringers gedraaid. "Zoo gij
Seerp van Adeelen zijt," zeide hij, zich herstellende, ofschoon met
een gesmoorde stem, "neem dan dit laatste aandenken mede van uw Heer
en Meester."
Deze woorden waren nog niet uitgesproken, of Willem de Vierde had
zijn zwaard omhoog geheven: en met een slag, luider klinkende dan die,
welken de moker op het aanbeeld geeft, kwam het lemmer op het hoofd van
Adeelen neder, drong door de helmplaten heen en spleet den schedel in
tweeën. De onstuimige Fries viel zielloos neder: maar zijn overwinnaar
poogde vruchteloos het zwaard uit de wond terug te halen: en vijftig
knotsen, opgeheven door de Friezen, wie de dood huns aanvoerders nog
meer verbitterde, deden in een oogenblik den weerloozen Graaf den
stapel der dooden met zijn vorstelijk lijk vermeerderen.
Maar het is tijd om, alles daarlatende wat eigenlijk meer tot het
gebied der geschiedenis behoort, tot den goeden Deodaat terug te
keeren, dien wij, sedert zijn overbrenging naar Sint-Odulf, wat te
lang uit het oog hebben verloren.