ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblyden

Door 't wercken van de tydt, die alles openbaerdt,

Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.

Rodenburg, Melibea.

Ruim tien dagen waren verloopen, sedert de merkwaardige geschiedenissen

hadden plaats gehad, in de vorige Hoofdstukken vermeld. De eerste

vervoering van uitbundige blijdschap, door de zegepraal der Friezen

verwekt, was voorbij en had plaats gemaakt voor een diepe en plechtige

kalmte, gelijk aan die, welke men in de natuur gewoonlijk ziet volgen

op het woeden van den storm. Ja het scheen, alsof het gewicht zelf

hunner overwinning, die meer volkomen en beslissend geweest was dan

de hoogst gespannen verwachting zich had durven beloven, de gemoederen

der Friezen vervaarde en ter nederdrukte. Bij verreweg de meesten had

het vuur des ijvers, dat na den afloop van den slag in aller oogen

fonkelde, en de glans van opgewonden vreugde, welke ieder gelaat deed

schitteren, plaats gemaakt voor nedergeslagen blikken, die als het

ware vreesden elkander te ontmoeten: en op veler wezenstrekken was

angstige bezorgdheid voor de toekomst te lezen. De onversaagde helden,

die zoo moedig hun onafhankelijkheid bevochten hadden, geleken thans op

vreesachtige schoolknapen, die, na in een opstand hun leermeesters en

opzieners verdreven, en zich in hun schoolgebouw achter versperringen

verschanst te hebben, van hun wilde verbijstering teruggekomen, met

schrik de gevolgen overdenken, waarop hun vermetelheid hun eenmaal

zal te staan komen, en gaarne de verkregene lauweren zouden willen

afstaan voor de zekerheid van weder in genade te worden aangenomen.

Een schouwspel, hetwelk, op den elfden dag na de overwinning, aan

Friesland gegeven werd, bracht niet weinig bij, om de algemeene

somberheid te vermeerderen. Het was een dier stille en plechtige

najaarsochtenden, waarin de sterveling tot ernst gemaand wordt door

den aanblik der natuur, aan een grijsaard gelijk, die de dagen zijner

jonkheid schijnt te betreuren en zich in het lijkgewaad te hullen,

als om den naderenden doodsslaap te verbeiden. De zonnestralen

waren aan het gezicht onttrokken door een dichten neveldamp, die

als een sluiergaas over het groene veld lag heen gespreid. Treurig

en naakt, verhieven hier en ginds enkele slecht opgegroeide boomen

hun bladerlooze kruin: geen enkel zuchtje beroerde de oppervlakte der

binnenwateren, noch roerde de gerimpelde bladeren aan, die op enkele

plaatsen hof en weg als met een goudgelen mantel bedekten. Geen

vroolijk gevogelte trok in dit anders zoo levendige jaargetijde

door de lucht; alleen brak hier en ginds een raaf, op een staak of

boomtronk gezeten, de stilte af met zijn krassend geschreeuw. Een

talrijke optocht, voor den dageraad van uit de omstreken van Stavoren

vertrokken, en die meer uit beweegbare beelden dan uit levende

menschen scheen te bestaan, volgde met langzamen tred den landweg,

die langs het vischrijke meer van Parrega, van Workum naar Bolsward

geleidt. De visscher, die, in zijn boot staande, bezig was met het

ophalen zijner vangst, liet, als de trein voorbijging, zijn net weder

vallen, en afvragende, of het ook een legioen van booze geesten ware,

dat zoo twijfelachtig door den nevel voorttrok, ontdekte hij zich de

kruin en zeide een _pater_ op. De doggen, die voor stulp of hoeve

waakten, schenen hun anders zoo woeste geaardheid te verliezen en

kropen met ingetrokken staart en hangende ooren achter hun meester,

die, zelf op zijn erf nederknielende, de gebeden voor de afgestorvenen

opzeide en niet opstond, voordat de laatste man van dien talrijken

sleep voorbij was. Slechts enkelen wierpen op het treurige schouwspel

een blik van zegepraal en hoogmoed; maar weldra gleed een medelijden,

waarvan zij zich nauwelijks rekenschap wisten te geven, hun boezem

in, en keerden zij huiswaarts, nadenkende over het onbestendige en

wisselvallige der ondermaansche zaken.

En wel was die optocht geschikt om de zielen tot nadenken te bewegen;

want hij was uitgetrokken om een lijkbaar naar de grafplaats

te brengen: en in die lijkbaar was het half vergaan en ellendig

overschot vervat van Willem, Grave van Henegouwen, van Holland

en Zeeland. Wat bleef er van hem, den bedwinger van Utrecht, die,

weinige dagen te voren, toen hij het glansrijkste leger ter wisse

zege meende te voeren, zich, met een in hem verschoonbaren hoogmoed,

den machtigsten aller Heeren, den meester aller soldaten, den evenman

der Koningen noemde? Helaas! niets dan een onkenbaar rif, waaraan

niet dan met moeite een graf verleend werd. En welke was de vrucht

geweest van zijn wakkere oorlogsfeiten, met wier roem hij de wereld

vervuld had?--Geen andere, dan dat hij een schatkist achterliet,

berooid en uitgeput door de ondernemingen, waartoe hem zijn staatzucht

vervoerd had, en een erfgoed, over welks bezit een twist stond uit

te barsten, die eeuwen lang na hem zou blijven woeden, en Holland

tot een eindelooze bron van bloed en tranen verstrekken moest.

De trein, die het lijk vergezelde, was tot Workum toe voorafgegaan door

de geestelijken van Sint-Odulf, wier parochiaal toezicht aldaar een

einde nam. Daar ter plaatse waren zij in de achterhoede teruggevallen,

hun plaats overlatende aan de monniken van Bloemkamp of Oldeklooster,

die, door de banier- en kruisdragers voorafgegaan, en het hoofd

met hun kappen bedekt, langzaam vooruittraden. Een vreemdeling, die

hun deemoedige, eerbiedige houding en hun naar den grond geslagene

blikken aanschouwd had, zou zich niet hebben kunnen voorstellen, die

zelfde lieden te zien, welke kort te voren, met de wapens in de hand,

bij trompetgeschal ter slachting trokken en met onmenschelijke woede

hun weerloozan vijand ontzielden, ja nog na zijn dood mishandelden,

die zelfden, die wellicht eenen dag daarna opnieuw naar het moordtuig

zouden grijpen, om hun wapenbroeders van de vorige maand met een

binnenlandschen krijg te bezoeken.

Na hen kwam, gevolgd van een deel zijner Ridders, de Commandeur der

Sint-Jans-Ridders te Haarlem, Heer Hugo van Koukerk. Hij was het,

die, zoodra de ontzettende maar der nederlaag Holland in rouw was

komen dompelen, zich naar Friesland begeven had, om voor de in den

strijd gevallene helden een eerlijke begrafenis te verzoeken. En,

wat vreemder scheen, hij was het, die aan de overwinnaars de eerste

tijding bracht, dat de Graaf zelf zich onder de gesneuvelden bevond;

want niemand had zich aldaar over den rang of de hoedanigheid der

omgebrachte vijanden bekommerd, die door het woedende gepeupel

eerst naakt waren uitgeschud en vervolgens op hoopen gestapeld,

om op het slagveld te blijven rotten:--een wreedaardig gebruik,

waarmede de Friezen, evenals vroeger de Germanen, zoozeer gehecht

aan lijkplechtigheden wanneer het hunne eigene dooden betrof, gewoon

waren hun verachting voor hun vijanden uit te drukken.

Het was dan ook alleen het lijk des Graven, hetwelk de Friezen, op het

smeeken des Commandeurs en op de voorbede van een nog hoogeren persoon

(dien wij straks terug zullen vinden) besloten aan een gewijde aarde

te schenken: en nog zelfs te dezen opzichte kon de Haarlemmer zijn

wensch slechts ten deele bereiken: want men wilde hem niet toestaan,

het overschot zijns meesters met zich te voeren, en men bepaalde,

dat het als een blijvend pand en gedenkteeken der overwinning, in een

der Friesche kloosters, en wel in dat van Bloemkamp, zou begraven

worden. Lang duurde het, eer men het misvormde lijk van onder den

stapel der half bedorven lichamen had teruggevonden: en de oogen

der vriendschap konden hun tranen niet bedwingen, toen het Koukerk

eindelijk te beurt viel, zijn voormaligen meester aan de lange,

golvende haarvlechten, welke hem aan den bloedigen schedel kleefden,

te herkennen.

Achter de lijkbaar, welke met een effen zwart kleed overdekt, en

zonder eenig praalteeken, op eenige overdwars geplaatste lansen rustte

en door een twaalftal knapen werd gedragen, volgden eenige lieden,

zoo te paard als te voet, allen bedekt met rouwkappen, welke hun

gelaat aan ieders oog onttrokken. De meesten van hen waren Friesche

Edelen, die of, gelijk Aylva, Martena en anderen, grootmoedig genoeg

waren om aan hun vijand de laatste eer te willen bewijzen, of die

door het bijwonen der lijkplechtigheid hun eigenliefde en hoogmoed

gestreeld vonden. Maar er bevonden zich ook enkele Hollanders bij,

die ter liefde van hun Graaf waren overgekomen en, na vrijgeleide

bekomen te hebben, door hun Friesche bekenden met de meest voorkomende

gastvrijheid waren ontvangen. Er was onder hen een grijsaard, gelijk

men aan gang en houding bespeuren kon, maar die nog meer door het

verdriet dan door het gewicht der jaren leed: de oude Paypaert,

de Wapenkoning van Holland. Het was niet slechts de dood zijns

meesters, welke hem zoozeer bedroefde; want hij had reeds te veel

Heeren naar hunne laatste stede begeleid, dan dat hem de dood van

dezen zoo diep zoude treffen, neen! zoo hij in sprakelooze wanhoop

voorttrad, het was omdat hij geheel vruchteloos was overgekomen,

omdat hij, aan wien bij de begrafenis van zoovele vorsten altijd het

opperbestier was opgedragen geweest, zijn aanspraak op dat recht door

de Friezen had zien tegenspreken of verachten, en gedwongen was een

lijdelijk aanschouwer te zijn van de in zijne oogen onbetamelijke,

ja schandelijke wijze, waarop men een Vorst als Graaf Willem naar het

graf voerde. Zoolang echter de plechtigheid duurde, gaven alleen zijn

somber gelaat en neergeslagene oogen het ongenoegen en de smart te

kennen, die hem vervulden; want het druischte natuurlijk tegen al zijn

beginselen aan, gedurende een lijkdienst te spreken; maar toen hij de

reize huiswaarts aannam, en zich niet langer behoefde te bedwingen,

liet hij niet af van zich bij zijn reisgenooten te beklagen: en toen

hij zelf kort daarna (waarschijnlijk aan de gevolgen van verkropte

gramschap) overleed, waren zijn laatste woorden, dat het land te

gronde ging, nu men had kunnen dulden, dat de laatste Vorst als een

gewone dorper was onder den grond gestopt.

De monniken van Sint-Odulf sloten, gelijk wij reeds boven hebben

aangemerkt, den trein, die bovendien vergezeld werd door een bende

welgewapende ruiters, ten einde te verhoeden, dat niet het grauw in

blinde woede zijn wraak nog aan het overblijfsel des Graven koelde,

of op een andere wijze de plechtigheid stoorde. Deze voorzorg bleek

echter onnut te zijn; want alles liep rustig en betamelijk af.

Het begon reeds avond te worden, toen de stoet den eindpaal van zijn

tocht bereikte, zijnde het Oldeklooster, dat, gelijk bekend is, in de

nabijheid van het oude dorp Hartwert, een uur gaans ten noordoosten

van Bolsward aan den oever der Middelzee gelegen was. Daar wachtte een

groote schaar van toeschouwers buiten het erf, en de Abt Meikulfus

met zijn geestelijken op den dorpel, het lijk des Graven af, dat

terstond binnen de kerk gedragen werd, alwaar de lijkmis gevierd

moest worden. Hij, die het bestier dezer plechtigheid zou voeren,

en in zijn plechtgewaad uitgedost achter het outer stond, was geen

minder persoon dan de Bisschop van Utrecht zelf. Sierlijk staken de

fraaie houding en edele gelaatstrekken des gemijterden jongelings af

tegen de grove gestalte en het plompe uitzicht van den Abt van Lidlum,

tegen de logge gedaante van Vader Volkert, tegen de onbeduidende,

boersche figuren der kloostervoogden van Luidinga-kerke, Mariëngaarde,

of andere gestichten, die hem omringden, en tegen het ineengedrongen,

onbeschofte voorkomen des Bloemkampers, die tegenover hem met het lijk

aankwam. Jan van Arkel had, een paar dagen na den slag bij Stavoren,

en zoodra hij vernam dat Friesland rustig was, van uit de Kuinder,

waar hij (gelijk wij hierboven vermeld hebben) zijn intrek genomen

had, eenige geestelijken aan de overwinnaars gezonden om hun zijn

gelukwenschingen over te brengen en tevens voor 's Graven lijk een

eerlijke rustplaats te verzoeken: terwijl hij zelf kort daarna in

Friesland verscheen, en aldaar de kloosters met menig voorrecht

begiftigde. Hoewel het bijna aan niemand onbekend was, dat hij den

Graaf op zijn tocht vergezeld en hem hulp toegezegd had, was er echter

niemand, die hem dienaangaande eenig verwijt dorst te doen; want

eensdeels had hij iets zoo gulhartigs en oprechts in zijn voorkomen,

dat men, hem hoorende spreken, zich tegen beter weten aan gedwongen

gevoelde, zijn betuigingen voor goede munt aan te nemen: en ten anderen

waren, zooals vroeger gezegd is, de Friezen over hun overwinning

versuft: de Stellingwervers en het Oversticht waren gewapend: en men

wilde Jan van Arkel liever tot vriend dan tot vijand hebben.

Welke waren de gevoelens, die het hart des Bisschops vervulden,

toen hij het gewijde nat over de doodbaar en het graf zijns vijands

sproeide, of toen hij, nedergeknield, den plechtigen lijkdienst voor

de rust van Willems ziel bestuurde? Het is aan niemand gegeven, des

menschen boezem te peilen; maar zoo andere gemoedsbewegingen, dan die

met het heilige werk, dat hij verrichtte, overeenstemden, de ziel

van Arkel bewoonden, de kalme en in zich zelf gekeerde uitdrukking

van zijn gelaat verraadde die niet. Hij scheen tot het einde toe

doordrongen te blijven van het gewicht zijner bediening en van het

plechtige des oogenbliks. Niemand intusschen kon hem van huichelarij

betichten: want er vloeide geen valsche traan langs zijn wangen; en

toen hij na afloop van den dienst en aan het daarop volgend lijkmaal,

over den afgestorvene eenige woorden sprak, weidde hij niet over

'sGraven hoedanigheden uit; maar vergenoegde zich, op een ernstige

en gepaste wijze zijn toehoorders over het nietige van alle aardsche

grootheid te onderhouden.

Terwijl dit binnen de muren van Oldeklooster voorviel, was het verdrag

van Utrecht verbroken, en liepen 's Bisschops dienstmannen Holland

af, zich weder van de veroverde plaatsen meester makende en het land

brandschattende.

* * * * *

Wij moeten ons thans verplaatsen in de groote stins van Aylva bij

Scadaert in Wonseradeel, waarheen zich Madzy kort na den slag bij

Stavoren begeven had, ten einde de besmetting te ontwijken, welke men

vreesde, dat de verpestende lucht der rottende lijken in den omtrek

van genoemde stad zou teweegbrengen. Van dit nieuwe verblijf der

Jonkvrouw waren wij voornemens een uitgebreide en ongetwijfeld hoogst

belangrijke beschrijving te geven, waartoe de bouwstoffen reeds gereed

lagen; maar de vrees, dat onze bescheidene lezer (bemerkende dat hem

slechts weinige bladzijden meer ter inzage overschieten, en zoo al

niet naar de ontknooping, dan althans naar het einde verlangende)

met die beschrijving een weinig vrijer zou kunnen omgaan, dan voor

onze eigenliefde streelend ware, namelijk: dat hij die geheel mocht

overslaan, heeft ons doen besluiten omtrent deze stins van Aylva niets

anders te zeggen, dan dat het een oud, ruim, hecht en weldoortimmerd

Huis was, met zijn torens, ophaalbrug en gracht, naar den Saksischen

trant gebouwd, en, de tijden in aanmerking genomen, van binnen met

smaak en pracht gemeubileerd. Voor 't overige was het, uithoofde

eener oude gehechtheid, Aylva's geliefkoosd verblijf, ofschoon deze

eigenlijk, gelijk wij hoogerop verhaald hebben, zijn meeste goederen

en betrekkingen in Oostergoo had, waar hij insgelijks een paar kleiner

stinsen bezat.

Op den morgen dan na de hierboven beschrevene plechtigheid, was

Madzy met vader Syard in de gewone huiskamer van gemelde stins

gezeten. Zij scheen door eene diepe smart ter neergedrukt en slechts

onwillige ooren te leenen aan de woorden van vertroosting, welke

de monnik tot haar sprak. En waarlijk, haar droefheid was van dien

aard, dat alleen een sterk gestel haar in staat kon stellen die te

verduren zonder tot ijlhoofdigheid te vervallen; want de tijding,

welke die veroorzaakt had, zoowel als de omstandigheden, waarmede die

gepaard ging, waren treffend en hartverscheurend. Wij hebben vroeger

verhaald, hoe Daamke van Reinout last bekomen had, om het geschrift,

dat op een zoo zonderlinge wijze uit zijn tooverkast was te voorschijn

gekomen, aan Aylva te bezorgen. De moed van den goeden hansworst was

intusschen niet verheven genoeg, om hem aan te drijven den Olderman

te Stavoren of te Sint-Odulf te gaan opzoeken, en alzoo nieuwe

tooneelen van moord in den mond te loopen, waarvan Daamke uit zijn

aard afkeerig was. Hij koos dus liever een omweg, en alle aanraking

met krijgslieden vermijdende, reed hij bedaard heen naar Awert-State,

waar hij voornemens was Aylva af te wachten. Madzy, die aldaar reeds

bezig was met het verplegen van eenige derwaarts gebrachte gewonden,

had zoodra de komst van Reinouts dienaar niet vernomen, of zij liet

hem voor zich verschijnen, ten einde eenig bericht aangaande den slag

te ontvangen: en misschien ook wel, om hem te ondervragen betreffende

hetgeen haar door vader Syard was medegedeeld. Nauwelijks had Daamke

haar het verlangde verslag gedaan, en haar, onder vele betuigingen

van verbazing over Reinouts gedrag, hetwelk hij aan ijlhoofdigheid

toeschreef, bericht gegeven van zijn boodschap aan den Olderman,

of zij verlangde den brief te zien; en, hoewel den inhoud, die in

de Italiaansche taal geschreven was, niet verstaande, bemerkte zij

dadelijk aan de onderteekening, dat dit stuk hetzelfde moest zijn,

waarvan de monnik met haar gesproken had. Ontzet over het gevaar,

dat Deodaat boven het hoofd hing (want zij had van verre Sint-Odulf

zien branden) en het hart door het pijnlijkste voorgevoel beklemd,

gaf zij last aan Daamke, zich onmiddellijk naar Stavoren te begeven,

den Heer van Aylva op te zoeken en hem den brief ter hand te stellen;

maar op dit zelfde oogenblik kwam haar voogd terug, die, zooals wij

gezien hebben, zijns ondanks door Feiko was overgehaald Sint-Odulf

te verlaten, en haar, terwijl zij nog bij zich zelve overdacht hoe

zij het aan zou vangen om hem den brief mede te deelen, het treurige

bericht gaf, dat Deodaat naar alle waarschijnlijkheid in den brand

van Sint-Odulf was omgekomen. Hoe verplet over deze maar, welke al de

zoete uitzichten van geluk, die een oogenblik te voren haar voor den

geest gezweefd hadden, ter neder wierp, behield Madzy echter kracht

van ziel genoeg om te beseffen, dat in deze omstandigheden het reeds

zoozeer geschokt gestel van haar voogd voor nieuwe ijselijkheden

gespaard moest blijven: ja, dat het hem wellicht een instorting en

het leven kosten zoude, indien hij thans vernam, dat die Deodaat,

wiens dood hij betreurde, geen vreemdeling, maar zijn zoon was

geweest. Zij zweeg dan en legde aan Daamke (die buitendien niets

wist) het stilzwijgen op: zij bedwong, zooveel dit in haar vermogen

was, de aandoeningen harer ziel, terwijl de tranen die zij stortte,

door Aylva niet ten onrechte aan haar liefde voor den overledene

werden toegeschreven en met welwillendheid verschoond; hij toch

kon zich die te beter verklaren, daar hij zelf, zonder de reden

daarvan te beseffen, meer leed gevoelde over het lot van Deodaat,

dan over het gedrag van Reinout. Dit laatste werd, als te denken

valt, door de overige Friezen met den naam van afschuwelijk verraad

bestempeld; maar Aylva verschoonde het, uithoofde van 's jongelings

vroegere betrekking met Beaumont: ja zelfs beurde hem het denkbeeld

eenigszins op, dat de jongeling, wien hij zich nog niet had kunnen

gewennen als zoon lief te hebben, hem voor altijd verlaten had: en

Madzy's eenige troost in al haar lijden was de zekerheid, dat zij

de aanzoeken van dien minnaar niet meer te vreezen had: terwijl het

haar voorts eenigszins welkom was, dat de Olderman, ten gevolge der

landsaangelegenheden, meest van huis was, en zij in eenzaamheid aan

haar droefheid den vrijen loop kon laten.

Vader Syard was de eenige, die van het vreeselijke geheim bewust

was en den toestand kende van Madzy's hart. Hij was op den avond

na de slachting te Sint-Odulf op Awert-State gekomen en had aldaar

Madzy's voornemen, om het geheim voor Aylva te verzwijgen, vernomen en

goedgekeurd. De aanleiding zijner tegenwoordige komst op Aylva-stins

was, om haar mede te deelen, dat het, na vele nasporingen, aan de

arbeiders eindelijk gelukt was, het lijk van Deodaat terug te vinden,

en dat wel aan den voet des torens, waaruit het hem, vader Syard,

thans vermoedelijk voorkwam, dat de jongeling zich had nedergestort:

dat men hem herkend had aan de koopmanspij, welke hij aanhad bij zijn

komst te Stavoren; doch dat het gelaat onkenbaar was geworden door

het vuur: dat wijders op het erf zelf van het klooster op last van

den Abt een diepe kuil gegraven was, waar al de binnen den grond van

Sint-Odulf gesneuvelden een rustplaats zouden hebben, en dus, hetgeen

Madzy zeker tot vertroosting zijn zou, in gewijden grond. De vrome man

beloofde daarenboven aan de bedroefde Jonkvrouw, dat hij, ingevolge

hare bede, zorg zoude dragen, dat er zielmissen voor den overledene

gelezen werden, ter vergelding waarvan zij hem een aanzienlijk

geschenk toezeide ter opbouw van het klooster. Tevens gaf hij haar

zijn verwondering te kennen, dat de Heer van Aylva, wien hij nu en

dan ontmoet had in de te Stavoren en elders gehouden bijeenkomsten,

zich niet meer over Deodaat had uitgelaten, dan eens, wanneer hij den

monnik had te kennen gegeven, dat, hoe bejammerenswaardig een dood de

jongeling gestorven ware, het lot van dezen toch niet verbeterd zoude

geweest zijn, al ware hij voor de vlammen gespaard gebleven; vermits

hij dan voorzeker een slachtoffer van de volkswoede geworden ware.

Terwijl zij aldus te zamen den droevigen loop bejammerden, welken de

gebeurtenis genomen had, verkondigde het gerucht van paarden op de

slotbrug de terugkomst des Burchtheers van het lijkfeest; en weldra

trad deze binnen met den Abt van Sint-Odulf.

"Gij wachttet den ouden Heer zoo spoedig niet te huis, mijn

kind!" zeide vader Volkert, naar Madzy toetredende en haar onder

de kin streelende: "wij hebben ook niet lang getafeld. Slechts even

twaalf uren: 't Is waarlijk de moeite niet waard, om er voor aan te

zitten:--nu, 't was ook slechts voor een Hollander; en dan met een

Bisschop tot voorzitter, die geen Fries is, en niet met de gebruiken

bekend. Hij weet zijn gasten niet aan den gang te houden. 't

Is anders een hupsche borst onze Hoogwaardigste.... Sint-Odulf

vergeve mij dat ik zoo van hem spreke; maar hij is vriendelijk en

innemend:--ofschoon ik hem net zooveel vertrouwen zoude als een

kat in een bontwerkerswinkel:--maar van een lijkmaal te bestieren,

daar heeft hij nog geen verstand van. Dan ging het anders, toen Seerp

Van Adeelen begraven werd: dat duurde drie dagen: en van de honderd

personen, die er onthaald werden, gingen er geen vijf op hun beenen

naar huis.--Zoo! en broeder Syard ook hier! 't Is of gij het geraden

hadt, Broeder! dat ik herwaarts komen zou."

"Uw Eerwaarde had mij gelast, rond te reizen, ten einde giften in te

zamelen bij geloovigen, ter herbouwing van ons gesticht," zeide de

monnik: "en het is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat ik hier,

wel niet buiten, maar toch boven verwachting geslaagd ben."

"Zeer goed! daar twijfel ik niet aan," zeide vader Volkert, zich

nederzettende: "liefdadigheid is altijd een deugd van ons lief

Dekamaasch Roosje geweest. Maar komaan, mijn engeltje!" vervolgde

hij op een vroolijken toon (want de wijn van het lijkmaal, al had

dit te kort naar zijn zin geduurd, was echter goed genoeg geweest

om hem in een vroolijke luim te brengen): "gij moet u wat opbeuren;

indien gij zoo droevig kijkt, en uw wangen zoo bleek blijven zien,

zouden wij genoodzaakt zijn u in 't vervolg de Lelie van Dekama te

noemen: en dat ware jammer;.... hoewel misschien meer naar den aard;

want gij voert toch een lelie in uw wapen."

"Bevindt gij u ongesteld?" vroeg Aylva, Madzy met deelneming naderende

en haar de hand drukkende.

"Wel, zou dat wonder wezen?" zeide de Abt: "'t is ook wat erg, zoo

twee vrijers op éénen dag te verliezen. 't Is waar, uw zoon kan nog

terugkomen, ofschoon ik hem tegenwoordig niet raden zoude, zulks te

beproeven; want hij heeft het hier leelijk laten liggen (met verlof

gezegd, en zonder u te beleedigen); maar Seerp Van Adeelen is dood en

blijft dood. 't Is jammer, hij was in den grond een goede vent, en

een echte Fries, maar koppig als een stier; daar weten wij best van

te spreken, mijn vriend Aylva en ik: hij was lastig genoeg op reis;

maar dat alles daargelaten, kindlief, gij moet u wat opvroolijken,

zooals ik zeide: denk maar aan de oude profetie: het is immers alles

uitgekomen, en volgens de laatste woorden, moet het u nu weer goed

gaan; want de plunje des Graven is de roof der Friezen geworden."

"Helaas!" zeide Madzy, terwijl zij het hoofd weemoedig schudde en haar

bleek gelaat treffend afstak bij de karmozijnkleur, die op de wangen

des kloostervoogds prijkte: "ik vrees, dat het laatste gedeelte der

voorspelling alleen onvervuld zal blijven."

"Toch niet, mijn hartje! toch niet.--Maar van wat anders: gij moet

mij eenige windsels bezorgen en wat boter, eierdooren, nieuwe was en

saffraan, tot een zalf voor twee onzer monniken, die beneden zitten en

zich bijna niet kunnen verroeren van de blaren aan handen en voeten,

ten gevolge van den brand van Sint-Odulf."

"Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen," zeide Madzy, zich

gereedmakende om te vertrekken.

"Een oogenblik, mijn kind!" zeide Aylva, haar terughoudende; "het is

onnoodig, dat gij u daarmede bezighoudt. Ik heb reeds aan Feiko en

aan Sytsken gelast, daarvoor te zorgen."

"Hoe, mijn waarde voogd?" zeide Madzy, verbaasd stilstaande, want

het was de eerste reize, dat de Olderman haar beletten wilde, een

liefdewerk in persoon te verrichten.

"Hoe!" herhaalde de Abt: "maar 't is waar ook, ik dacht er niet aan,

dat de twee gebrande broeders nog gezond van harte zijn, en dat, zoo

de Jonkvrouw zelve hen ging verbinden, de wondheelster wellicht nog

meer nadeel zoude doen dan de wond. _Ne nos inducas_.... 't Is waar

ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer

Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke,

geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jagen; of dat wij het

geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken."

"Tegen Daamke!" herhaalde Aylva: "en wat heeft die arme duivel

bedreven?"

"Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die

den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en

ziekten te genezen, verwerpende de middelen, die van God gezegend zijn

en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid

ten dienste van kranksn en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan,

de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een

balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand

had, te herstellen met een Italiaansche tooverzalf, die zeker in de

apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?"

"Ik heb het middel onderzocht," zeide broeder Syard: "het komt mij

voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen."

"Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?" vroeg de

Abt eenigszins ontevreden: "om 't even wat men u vertoond heeft: ik

zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd:

_libera nos a diabolo_: verlos ons van den Booze.--Maar, om van dien

verwaten mensch af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een

serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit

de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek,

dat op Aylva-stins verwacht wordt."

"Geen gewoon bezoek!" herhaalde Madzy: "en wie kan er dan komen voor

wien ik mij meer zou moeten opschikken, dan voor uw Eerwaardigheid?"

"Het is zooals de vrome vader zegt," zeide Aylva: "de Bisschop van

Utrecht zal onze nederige woning met een bezoek vereeren, en wij

zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben."

"De Bisschop!" herhaalde Madzy, verbleekende: "de Bisschop van

Utrecht!"

"Nu ja!" zeide de Abt: "gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken: 't

is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden;

maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen:--'t

zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden

een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor,

vroegen zij naar den Bisschop."

"Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!" mompelde Aylva

binnensmonds:--"maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe

te veel gevoel van betamelijkheid.--Nu Madzy!" vervolgde hij overluid:

"doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een

kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als

de beste kok."

"Ik zal.... ik zal uwe bevelen volgen...." stamelde Madzy: "maar ik

vrees.... zoo slechts de tijd mij niet ontbreekt.... Heilige Maagd! wie

kon dat verwachten?"

"Wat verwachten?" vroeg Aylva, verwonderd; maar dadelijk voegde hij er

met minzaamheid bij: "'t is of gij angst hebt voor de komst van iemand,

die u geheel onbekend is. De Bisschop weet, dat gij onvoorbereid zijt:

hij zal het eenvoudige voor lief nemen. Maar hoor! men blaast aan de

slotbrug: daar is hij zelf."

"En een half dozijn vrouwspersonen met hem," zeide de Abt, uit het

venster ziende: "wat heb ik u gezegd?"

"Waarlijk?" riep Aylva misnoegd uit: "dat had ik niet van hem

verwacht."

"En dit is de man, die tucht in onze kloosters zou brengen," zuchtte

vader Syard.

Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin elk der aanwezigen een diep

stilzwijgen bewaarde. Aylva stond midden in de zaal, in de houding van

iemand, die gasten ontvangen gaat, welke hem slechts half welkom zijn;

maar ten opzichte waarvan hij de vereischte beleefdheid dient in acht

te nemen: de Abt was bezig om zijn gewaad, hetwelk nog bestoven was

van de reis, met een schuiertje op te knappen. Madzy stond als aan

den grond genageld, onzeker of zij gaan of blijven zoude: en vader

Syard was in een donkeren hoek teruggetreden, nieuwsgierig om te zien,

welke houding Arkel zoude aannemen, maar toch gereed om, zoodra hij

zulks gevoeglijk doen kon, het vertrek te verlaten.

Eindelijk gingen de dubbele zaaldeuren open en de Bisschop trad

binnen; maar zonder eenig gevolg. Hij groette Aylva met wellevendheid,

schudde den Abt op een gulle wijze de hand, en zich vervolgens tot

Madzy wendende, boog hij het hoofd, zonder dat een enkele trek op

zijn gelaat verried, dat hij haar vroeger gekend had.

"Deze is ongetwijfeld de erfdochter van Dekama," zeide hij, met een

vriendelijken blik tot den Olderman: "voorwaar! wie haar aanziet,

kan gemakkelijk besluiten, dat zij niet langer onder uwe voogdij

zal behoeven te blijven, dan zij zelve verkiezen zal.--God zegene u,

mijn dochter!"

Madzy boog zich, zonder nauwelijks het oog te durven opslaan: zij kon

bijna niet gelooven, dat de man, die voor haar stond, in geestelijk

gewaad gedost, en die op een zoo minzamen en bedaarden toon tot naar

sprak, dezelfde opbruisende jongeling ware, die te Utrecht aan haar

voeten had gelegen. Eindelijk waagde zij het, naar hem op te zien:

inderdaad, zij kon Arkel bijna niet herkennen, zoo geheel veranderde

hem zijn tegenwoordige kleeding, bestaande uit een reismantel en kap

van best Haarlemsch linnen, dat in breede, niet onbevallige plooien

om zijn welgevormde leden hing: en waaronder hij, in weerwil van de

verbodswetten en kerkelijke verordeningen, een zijden kleed droeg,

rijkelijk met bont geboord, en van voren met een juweelen gesp

gesloten. Een oogenblik nog twijfelde zij, of haar Stichtsche minnaar

zich wellicht een waardigheid had toegekend, welke hij niet bezat;

maar toen hij, om haar verlegenheid en op het zien van de gebaren van

vader Volkert (die, achter Aylva om, niet ophield van haar wenken

te geven, dat zij voor den Bisschop knielen en zijn zegen af moest

smeeken), den glimlach niet bedwingen kon, die op zijn lippen zweefde,

toen hield alle twijfel bij haar op.

Eindelijk echter kreeg Arkel medelijden met het ontroerde meisje, en

zich tot den Abt wendende: "al die teekens zijn niet noodig," zeide

hij: "ik kom heden niet als Bisschop; maar als vriend.--Maar wie zien

wij daar? broeder Syard, zoo waar ik leve! Kom nader, Broeder! en

geef mij de hand.--Altijd zonder wrok, nietwaar? Verbeeldt u, mijne

Heeren! dat ik dezen goeden vader, zonder het te weten, zes weken

lang in een kelder op Nyenstein heb laten doorbrengen. Ik hoop,

ter vergoeding daarvan, hem eens, zoo mijn invloed iets vermag, in

de vetste Abdij van mijn Sticht te plaatsen;--maar ik zou bijkans

iets vergeten.--Ik kom niet alleen: er is een vreemde dame in mijn

gezelschap.... een vrouw van rang.... en zij is de eerste jeugd

ook al voorbij;" haastte hij zich er bij te voegen, toen hij een

spotachtigen trek op het gelaat van den Abt gewaarwerd: "gij weet,

broeder Volkert! hoe ik over de losbandigheid in uw kloosters denk,

(Sint-Odulf zonder ik uit)--en ik zal hier geen slecht voorbeeld

geven:--die dame is eenigszins ongesteld:--zoude ik de jonkvrouw mogen

verzoeken, haar een oogenblik gezelschap te houden?--Zij bevindt zich

in de benedenzaal."

Verheugd, een zoo goede gelegenheid te kunnen aangrijpen van zich

uit het gezelschap te verwijderen, haastte zich Madzy, zonder

eenige verdere vragen te doen, het vertrek te verlaten, en aan des

Bisschops verzoek te voldoen. Zij begaf zich naar de benedenzaal,

waar zij werkelijk de persoon vond, waar Arkel van gesproken had,

zittende in een armstoel en omringd van haar vrouwen, die bezig

waren, met haar die zorgen te verleenen, welke haar toestand scheen

te vorderen. Bij den eersten oogopslag was Madzy getroffen door

het innemend gelaat, de fijne leest en het edele, ja vorstelijke,

dat over de onbekende verspreid was. Haar kleeding was eenvoudig en

hield als het ware het midden tusschen het wereldlijk en geestelijk

gewaad: en hoewel zij bovendien thans half nedergebogen was over de

armen van eene harer kamerjuffers, duidde echter het statige en tevens

bevallige, dat haar ook in die min gunstige houding bijbleef, genoeg

aan, dat zij van een edele geboorte was en eenmaal een hoogen rang

bekleed had. De tijd of het verdriet hadden haar gelaatstrekken doen

verkleuren en vermageren en het vuur der gitzwarte oogen getemperd;

maar noch het een noch het ander had eenig nadeel kunnen doen aan de

volkomen zuiverheid des beloops van voorhoofd, neus en kin: en niets

kon meer dan haar hoofd gelijken op een model der Grieksche Niobé,

in was gevormd; ofschoon geene kunst de zachtaardige, onderworpene

uitdrukking van hare oogen had kunnen nabootsen, welke teweegbracht,

dat men haar bij het eerste gezicht liefkreeg, alvorens men er om

dacht om haar als een schoon beeld te bewonderen.

Het was dan ook met meer dan gewone welwillendheid, en tevens met

eerbied, dat Madzy haar de diensten aanbood, welke het in haar vermogen

was te bewijzen. De vreemde dame, aan wie de Friesche taal onbekend

scheen, en die dit aanbod meer uit den toon dan uit de beteekenis van

Madzy's woorden opmaakte, dankte haar met een minzame hoofdbuiging

en een glimlach, zoo betooverend, als Madzy er nooit een gezien had

(want zij zelve was niet gewoon, voor den spiegel te staan glimlachen)

en hoewel de beide dames elkanders taal niet verstonden, zoo ontsproot

er van het eerste oogenblik een overeenstemming tusschen beiden, welke

haar over en weder op haar gemak bracht. Deze spoedige kennismaking

moge onwaarschijnlijk voorkomen; maar, er zijn menschen, die als

het ware zusterlijke zielen bezitten, wier eerste ontmoeting altijd

aan een herinnering gelijk is, alsof zij elkander niet slechts een

toekomst aanbrachten, maar ook een verleden.

De onbekende, die in den beginne als door een hevige aandoening

overstelpt scheen, bekwam langzamerhand van haar ontroering,

en terwijl zij nu Madzy met minzaamheid bij de hand had genomen,

en beiden zwijgend elkanders schoonheid bewonderden, trad Sytsken,

die door haar meesteres was uitgezonden om ververschingen te halen,

haastig weder binnen en fluisterde Madzy eenige woorden in 't oor,

welke deze nauwelijks verstaan had, of zij gaf een luiden kreet en

begon over al haar leden te beven. Het was nu de beurt der onbekende,

om tot hare hulp toe te snellen; maar terwijl zij, vergetende dat Madzy

haar niet verstaan kon, naar de oorzaak van haar ontsteltenis vernam,

stoof er iemand, in 't geestelijk gewaad gekleed, de kamer binnen;

doch bleef, bleek als een doek, aan de deur standhouden, als onzeker

of hij terugkeeren, dan voort durfde gaan.--Voor wij echter aan onze

lezers verhalen, wie deze nieuwaangekomene was, moeten wij tot den

Heer van Aylva en zijn gasten terugkeeren.

"Gij ziet," zeide de Bisschop, zoodra Madzy vertrokken was, tot

den Olderman, "dat ik aan mijn belofte getrouw ben. Maar, mag ik u

thans vragen, of de beide jongelingen, welke ik op mij genomen heb,

als geestelijken vermomd, onder mijne bescherming buiten Friesland

te brengen, hier aanwezig zijn?"

"Zij hebben ons herwaarts vergezeld," antwoordde Aylva: "niemand

behalve de Abt en ik, benevens een getrouwe dienaar, dragen kennis

van hun bestaan. Zij hebben nog last van de wonden, bij den brand

bekomen; doch ik vlei mij, dat zij desniettemin in staat zullen zijn,

heden met u af te reizen."

"Ik weet niet," zeide Arkel, glimlachende: "maar ik geloof, dat ik

slechts een van beiden zal kunnen medevoeren."

"Hoe!" zeide Aylva: ik had mij gevleid, dat uwe Hoogwaardigheid...."

"_Homo proponit: sed Deus disponit_," zeide de Bisschop, de schouders

ophalende: "maar ik zal het u zelf laten beoordeelen, wanneer gij mijne

redenen gehoord zult hebben. Neen, blijf, broeder Syard!" vervolgde

hij, ziende dat de monnik zich uit bescheidenheid wilde verwijderen:

"de zaak zal toch niet lang meer geheim blijven. Vooraf moet ik den

Heer Olderman vragen, of hij niet nog betrekkingen in Italië heeft,

van welke hij gaarne bericht zoude ontvangen."

"Bij alle Heiligen!" riep Aylva: "zou het mogelijk kunnen zijn dat...."

"Dat ik er u tijding van gaf?--Zeer waarschijnlijk. Mij is in de

vorige week in de Kuinder iemand ontmoet, die een boodschap uit

Verona bracht."

"Uit Verona! Leeft.... leeft Bianca di Salerno nog?" riep de Olderman,

in hevige gemoedsaandoening en de handen samenvouwende.

"Francesco della Scala, de dwingeland van Verona, is niet meer," zeide

Arkel: "zijn dood heeft de vrijheid hergeven aan zijn echtgenoote,

die sedert jaren in een gedwongen eenzaamheid moest leven."

"God zij geloofd en geprezen!" riep Aylva: "haar lijden heeft dan

een einde genomen."

"Zij wilde wel weten," vervolgde de Bisschop, "of de Heer van Aylva,

wien zij vroeger schijnt gekend te hebben, nog harer gedenkt:

en tevens, of een zoon, dien zij in zijn kindsheid aan Carlo della

Scala had toevertrouwd, en die later, volgens het bericht van zekeren

Paolo, haar voormaligen dienaar, aan het hof van Graaf Willem (zaliger

gedachtenis) kwam, haar zou willen erkennen."

"Of ik haar nog liefheb?" vroeg de anders zoo bedaarde Aylva, thans

geheel verwilderd: "o mijn God! ik heb nooit opgehouden haar te

beminnen!.... ik gevoel mij weder jong.... de dagen onzer jeugd,

de dagen onzer liefde zullen terugkeeren.... ik zal naar Verona

gaan.... ik zal haar den zoon teruggeven, dien zij zien wil.... ik

zal aan Beaumont schrijven. Reinout moet bij hem wezen!"

"Reinout is haar zoon niet," zeide Arkel: "zoomin als de uwe."

"Niet!" herhaalde Aylva: "en wie dan...."

"Bij al wat heilig is!" riep vader Syard, zich voor den Bisschop

nederwerpende! "Hoogwaardigste! zoo u het vreeselijk geheim bewust is,

verscheur dan het hart eens vaders niet."

"Verscheuren!" zeide de Bisschop: "is Deodaat dan geen Ridder, wien

elke vader trotsch zou wezen, zoon te noemen?"

"Deodaat!" gilde Aylva, sprakeloos van vreugd en verbazing.

"Ach!" zuchtte de monnik: "het is al te waar! Deodaat ligt onder het

puin van Sint-Odulf begraven."

"Neen Broeder!" zeide de Abt, zich een traan uit het oog vegende:

"Deodaat en nog een knaap zijn op den avond na den brand, toen gij op

Awert-State waart, door Feiko halfdood in de kelders van het klooster

gevonden: de Heer van Aylva en ik werden er alleen van onderricht,

en wij besloten de beide jongelingen binnen Scharl verborgen te

houden, uit vrees, dat het volk hen zou ombrengen. Wij hebben er

met niemand over gesproken, ook met freule Madzy niet: want het was,

dacht de Olderman, beter, dat zij den knaap dood waande, dan dat zij

een hopelooze liefde voor hem bleef voeden:--en nu had de Bisschop

ons beloofd, dat hij hen beiden, als tot zijn gevolg behoorende,

zou met zich voeren;.... maar de Heer van Aylva is niet wel! hij

moest wat schrikpoeder nemen."

"Almachtige! hoe wonderbaar zijn uwe wegen!" riep de monnik:

"ja waarlijk! mijn Heer van Aylva! Deodaat is uw zoon; hier is het

geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder: en zoo wij u

dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren

beschouwden."

"Ik kan niets lezen," zeide Aylva, die, overstelpt van aandoeningen,

in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te

ontcijferen, die voor zijne van tranen glinsterende oogen schemerden:

"maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers

gezegd!"

"En behalve de getuigenis van uw hart," hernam Arkel, "hebben wij

ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kuinder

aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier

in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend

toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar

tevens de zekerheid bekomen, dat hij de wettige zoon was van Bianca's

vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera."

"Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad," zeide vader Syard:

"het oordeel over hem komt Gode alleen toe."

"Uwe bestraffing is billijk," zeide de Bisschop: "en ik verdien

haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekening

op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelve aan

't hart drukken?--Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig."

"Bianca!" riep Aylva, opstaande en wankelende naar den Bisschop

toetredende: "nog wel waardig!.... gij hebt haar dan gezien?.... o

Hemel!.... die vreemde dame, die hier met u.... Hoogwaardigste! zijt

gij een engel of een mensch?"

"Zij kon niet in Friesland komen," vervolgde Arkel, dat vraagpunt in

't midden latende, "eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij

genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zoudt zijn, haar

te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden."

Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige

oogenblikken later lag hij in de armen van zijn gade en van hun zoon.

* * * * *

Lange jaren waren voorbijgeloopen en de hand des tijds had de

meesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden,

van het wereldtooneel afgevaagd, toen een vreemdeling, door een enkelen

dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag, langs den kronkelenden weg,

die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden

schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid

van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door

lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren

geworden, zoowel als de breede en veelvuldige litteekens, welke wang

en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar

ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om

hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar

had niets buitengemeens; maar dat des meesters was wel geschikt om de

opmerkzaamheid, en weldra den eerbied des voorbijgangers op te wekken:

en meer dan één landman of kloosterling, die hem op zijn weg ontmoette,

was, na den gewonen groet gewisseld te hebben, op het voetpad blijven

staan om den onbekenden grijsaard na te oogen: ja zelfs gebeurde

het nu en dan, dat deze of gene dorper, (die de weelde zoo verre

dreef van zijn blonde haren onder een hoed of muts te verbergen)

door een onwillekeurige beweging de hand aan zijn hoofddeksel sloeg

en zich de kruin ontblootte. Het was niet de uiterlijke tooi des

vreemdelings, welke dit ongewone eerbewijs teweegbracht; want zijn

kleeding bestond eenvoudig uit een effen bruin gewaad van sergie,

en daarbij behoorende kaper, welke waarschijnlijk lange dienstjaren

gezien hadden, daar men slechts op enkele plaatsen, welke de stof,

de regen en de bloedvlekken gespaard hadden, nog bemerken kon, dat de

kleur oorspronkelijk grijs was geweest. De indruk, welken de onbekende

teweegbracht, had haar oorzaak in de fierheid van zijn oogopslag,

in de vastheid, waarmede hij in den zadel zat, en in de behendigheid,

waarmede hij op zijn gevorderde jaren met zijn klepper wist om te gaan,

een fraai, bruin paard van Andalusisch ras, dat niet dan met ongeduld

den teugel scheen te velen, en welks bestiering, naar men zien kon,

een geoefende, fiksche hand vereischte; want meer dan eens, als zijn

meester even ophield en in gebroken Hollandsch naar den weg vroeg,

begon het met de voorbeenen op den harden kleigrond te krabben, en

de manen te schudden, als wilde het te kennen geven, dat het niets

liever verlangde, dan zijn weg in vollen ren te vervolgen. Zijn

berijder scheen echter ongenegen om aan dit verlangen toe te geven;

maar bleef bedaard doorstappen, nu en dan, links en rechts, uitziende,

of hij het goede spoor was ingeslagen, en somtijds, wanneer hij aan

een kruisweg of driesprong kwam, even stilhoudende, als iemand, die

zich een weg zoekt te herinneren, en een landstreek zoekt te herkennen,

welke hij in vele jaren niet bezocht heeft. Eindelijk, nadat hij weder

een dusdanig onderzoek had in 't werk gesteld, bleef hij zoolang in

diep gepeins voor zich uitzien, dat zijn dienaar begon te vreezen,

dat zij geheel verdwaald waren.

"Ik heb het u wel gezegd, Heer Ridder," zeide hij met een ontevreden

hoofdschudden, en op dien toon van gemeenzaamheid, welken het deelen

van dezelfde krijgstochten en gevaren niet zelden tusschen Heer en

dienaar ontstaan doet: "wij hadden te Harlingen een wegwijzer moeten

nemen: nu zijn wij het spoor geheel bijster."

"Dat zijn wij niet, Berthout!" antwoordde zijn meester, terwijl hij op

een breed en hooggebouwd slot wees, dat, recht voor hem, uit het groene

weiland oprees. "Dat is Aylva-state: en dat de Burchtheer te huis is,

bewijst de banier, welke gij op de torenspits ziet wapperen. Zoo ik

een oogenblik weifel, is het, omdat ik nog onzeker ben, welke van al

de wegen, die zich hier vereenigen, als de draden van een spinneweb

in het middelpunt, mij het spoedigste daar brengen zal."

De dienaar scheen zich met dit antwoord te vergenoegen; maar indien

hij in de ziel zijns meesters had kunnen lezen, zou hij geweten

hebben, dat de opgegeven reden de eenige niet was, waarom de grijze

krijgsman stilhield; maar dat de herinneringen aan verloopen jaren,

de onzekerheid van het onthaal, dat hem verbeidde, en de vloed van

andere, zoowel aangename als pijnlijke gedachten, zich van zijn geest

hadden meester gemaakt en hem ongeveer in den toestand hadden gebracht

van iemand, die bij een morgensluimering, half wakende, nog door een

belangrijken droom wordt beziggehouden, en schoon hij de zonnestralen

reeds in zijn vertrek kan zien schijnen, nochtans onwillig is om de

banden des slaaps te verbreken.

"UEd. kon den rechten weg misschien van dat volkje daar vernemen,"

zeide de dienaar, op eenige kinderen wijzende, die zich op een

nabijgelegen kamp vermaakten: "ik zou het zelf wel doen, zoo ik

slechts de taal verstond; maar dat gesnater kan geen mensch ter

wereld begrijpen."

De Ridder glimlachte; de goede dienaar, die eigenlijk een Henegouwer

van geboorte was, had zoolang met hem rondgezworven, dat hij zelf

eigenlijk geene taal, maar een mengelmoes van allerlei spraken en

tongvallen bezigde. Hij volgde echter den gegeven raad, en, de stem

verheffende, wekte hij opeens de aandacht van het vroolijke hoopje,

dat, in den ijver van het spel, hem niet eens bespeurd had. En, terwijl

de kleinsten onder de jongens, die bezig waren met den bal te werpen,

hun spel staakten en hem met open mond, en eenigszins vreesachtig

bleven aanstaren, en de meisjes, die een kransje van veldbloemen

vlochten, zich angstig tegen elkander drongen, waagden het vier of

vijf meer in jaren gevorderde knapen, hem te naderen, beurtelings

het oog op hem slaande en op den boog, dien zij in de hand hielden.

"Wat is de kortste weg naar Aylva-state, mijn maats?" riep de

vreemdeling, zijn vraag herhalende.

"De weg naar Aylva-state!" herhaalden al de knapen: "Wel, Aylva-state

ligt daarginder vlak voor u."

"Gij moet recht voor u uitrijden," vervolgde een hunner in zijn

Frieschen tongval: "en dan over de hoeve van Jouke Wybes heen: en

dan links houden: en dan langs de schutting tot gij aan een ouden

boom komt, en dan rechtuit: en dan...."

"Wel, dat is een mijl op zeven," viel hem een ander in de rede: "gij

moet linksaf naar de woning van Tiete Donia en daar uw paarden laten:

en het voetpad nemen, tot aan de schuur, en dan rechtsaf...."

"Ei neen!" zeide een derde: "hij kan immers hier dadelijk afstappen en

't land oversteken...."

"Dan moet hij slootje springen," riep een vierde: "want de vonder

is weggehaald."

Terwijl zij aldus hun vrij duidelijke aanwijzingen deden, waar onze

reiziger te minder van begreep, daar hij de taal, waarin die gegeven

werden, niet te best verstond, en hij zijn oogen beurtelings van den

eenen op den anderen spreker liet ronddwalen, al lachende om hun

gesnap, kwam een oude Fries, wien hij niet dadelijk bespeurd had,

omdat hij achter een terp had gestaan, naar hen toegetreden met

een witte schijf in de hand, die aan de jeugdige schutters tot een

doel gestrekt had. Het verlangen des vreemdelings vernomen hebbende,

wendde hij zich tot de kinderen: "mij dunkt," zeide hij, "'t is voor

vandaag lang genoeg: wij konden wel meteen naar huis gaan en dien

kameraden den weg wijzen."

Op deze woorden verzamelde zich de gansche troep om den ouden man

heen; de een echter met meer spoed en bereidwilliger dan de andere;

en op menig gelaat was ongenoegen en teleurstelling te lezen.

"Ik hoop niet," zeide de vreemdeling, met deelneming die lieve,

ronde gezichtjes, die er allen even gezond en bevallig uitzagen,

beschouwende, "dat die goede kinderen om mijnentwil hun spel zouden

moeten staken."

"In 't geheel niet," antwoordde de Fries: "'t is toch hun tijd: komaan,

Madzy!" vervolgde hij tot een klein vierjarig meisje, schoon als de

dag, dat haar bloempjes bijeenpakte: "rep u wat, kind! Sytsken mocht

op u knorren."

"Madzy!" herhaalde de reiziger, blijkbaar ontroerd: "is dat kind een

dochtertje van de Vrouwe van Aylva?"

"Hei! ho!" antwoordde de Fries, meesmuilende: "de Vrouwe van Aylva

is nog kras en vlug; maar toch...." hier zag hij eerst de kinderen

en toen den vreemdeling aan, als wilde hij hem te kennen geven, dat

hij om hunnentwille het verdere zweeg:--"neen!" vervolgde hij, op den

grootsten der knapen wijzende: "deze hier, Juwe, is de jongste zoon

van onze waardige Vrouwe--al die anderen zijn haar kleinkinderen: ja:

't is een heel zootje: en dan zijn er nog wel zes of zeven te huis."

De reiziger scheen aangedaan; hij reikte eene hand toe aan den knaap,

dien de Fries hem had voorgesteld en beschouwde met aandacht zijn

fraaie regelmatige trekken en heldere blauwe oogen: "Ja! ik herken

u!" zeide hij eindelijk: "gij zijt het sprekend evenbeeld uwer moeder."

"Dat is een heel geweer, dat gij daar aan uw zijde hebt," hernam de

knaap, op den langen zwaren kruisdegen des vreemdelings wijzende.

"Wilt gij het eens bezien?" vroeg deze: en, toen hij de oogen van Juwe

zag fonkelen van blijdschap, gespte hij het lemmer los en stelde het

hem ter hand. "Ziezoo!" voegde hij er bij: "nu ben ik uw gevangene."

"Ik wilde op dit paard zitten," zeide de kleine Madzy, op den klepper

des reizigers wijzende.

"Zijt gij dwaas, Madzy?" vroeg de oude dienaar: "dat Daamke u nu en

dan op een ezel rondrijdt, laat ik toe: want die is vanouds gewend

met ezels om te gaan; maar zoo gij op dat beest ging zitten, kwam er

geen stuk van u terecht."

"Geef het lieve kind maar hier!" riep de oude krijgsman: "ik zal er

zorg voor dragen of het mijn eigen was."

"Ja! ja!" riepen sommigen onder de knapen, verheugd: "gij zult het

moeten aanzien, Feiko!" en meteen, het meisje opvattende, tilden zij

het hoog genoeg, dat de ruiter het aan kon nemen en voor zich op het

paard plaatsen.

"Zijt gij waarlijk Feiko?" zeide de vreemdeling, terwijl hij meteen

een kus drukte op de blozende wangen van het kind: "nu, wees dan zonder

zorg; en wees verzekerd, dat ik zoo goed rijde als de Cistenser monnik,

die eens in uw gezelschap Utrecht verliet."

"Wat duivel!" zeide Feiko, den ruiter stijf aanziende: "een

Cistenser monnik!.... ja waarlijk!.... zoo mijn oude oogen mij niet

bedriegen....?"

"Neen, zij bedriegen u niet," antwoordde de reiziger: "zeg mij maar,

is alles wel op Aylva-state en zou men er mij willen ontvangen?"

"U ontvangen!.... wel mijn goede tijd! onze Heer spreekt nog alle

dagen over u. Hij heeft dan ook in al te lange jaren geene tijding

van u gehad."

"Dat is waar! maar ik heb ook heel wat rondgezworven," zeide Reinout,

wien onze lezers reeds zullen herkend hebben: "Ik begin thans echter

oud en stijf te worden, en naar rust te verlangen: en zoo er nog een

hoekje op Aylva-state open is, wilde ik daar mijn dagen wel eindigen."

"Hoe!" zeide Juwe: "Is dit werkelijk Ridder Reinout, Feiko? daar

vader ons zoo dikwijls van verteld heeft?"

De oude dienaar knikte met het hoofd: en Juwe, zonder een woord te

spreken, wierp den degen op den weg, sprong een dijkje en een paar

slooten over, en liep, zonder adem te halen, dwars over het land naar

Aylva-state heen, om de blijde tijding aldaar te brengen. Straks

was alles in de weer: en niet lang daarna traden Deodaat van Aylva

en zijn Madzy, thans wel geen jeugdig, maar toch nog een gezond en

stevig paar, met hun eigene en aangehuwde kinderen, de stins uit en hun

gastvriend te gemoet. Spoedig zagen zij hem verschijnen en dat wel in

een kluchtigen trein: want Reinout was, ten gevalle der kinderen, die

allen rijden wilden, van 't paard gestegen, waarop er nu een vijftal

zaten, terwijl hij zelf aan den kop voorging en de teugels hield,

daar Feiko er naast liep om alle ongelukken te voorkomen. Een ander

gedeelte van het troepje zat op het paard van Reinouts dienaar: en

zij, die geene plaats hadden kunnen krijgen op een der beide rossen,

reden op den langen degen des Ridders.

"Wij brengen u een gevangene, grootvader!" riepen de kleinen, als

uit éénen mond.

"En dien ik niet hoop te laten ontsnappen," zeide Deodaat, zijn ouden

vriend omhelzende. "Kom Madzy! kus onzen nieuwen huisgenoot welkom."

"Dat zou hij voor dertig jaren niet gezegd hebben," beet Feiko al

lachende zijn vrouw in 't oor.

"Stil!" duwde Sytsken haar man toe: "hoe kunt gij daarmede spotten? Ik

ben er geheel van aangedaan."

Een uur later was het gansche huisgezin met den nieuwgekomen gast

aan den avonddisch gezeten, en gaf deze laatste een korte schets van

zijn avonturen.

Na zijn plotseling vertrek uit Friesland, was hij, als voorheen, de

fortuin van Beaumont gevolgd, had eerst met dezen in Bretagne en, na

den dood van dien volmaakten Ridder, dien _parangon de la Chevalerie_,

gelijk hem de Fransche kroniekschrijvers noemen, met den vermaarden

Du Guesclin, in Spanje den oorlog bijgewoond: zonder dat hem echter

al zijn wakkere daden en getrouwe diensten, aan de Fransche kroon

bewezen, merkelijk verrijkt hadden. Eindelijk, zwervens moede, had

hij besloten het weinige, dat hem overgebleven was, bij zijn ouden

vriend te komen verteren.

"Ik heb aan de Vrouwe van Aylva den groet over te brengen van een

oude kennis," zeide hij, na zijn verhaal geëindigd te hebben: "mij

eenige dagen geleden te Luik bevindende, had ik de eer ontvangen te

worden bij den Heer Bisschop, vroeger Bisschop van Utrecht."

"Inderdaad!" zeide Madzy, glimlachende: "en hoe maakt het zijn

Hoogwaardigheid thans?"

"Ja! wat zal ik u zeggen," antwoordde Reinout: "oud, jichtig en

stijf, wachtende en stille zittende, maar altijd nog klaar om van

elke omstandigheid tot zijn voordeel partij te trekken, en zijn eigen

ik meer dan ooit boven alles stellende. Hij gevoelt intusschen de

hand des tijds, gelijk wij allen, onze edele gastvrouw uitgezonderd,

die waarlijk zoo weinig veranderd is," (hier fluisterde hij Madzy in

de ooren) "dat ik bijna niet weet, of ik wel voorzichtig gedaan heb

om hier te komen. Men ziet meer, dat bij een ouden krijgsman zich

somtijds wonden openen, die hij lang geheeld waande."

"O! dat is niets," antwoordde zij lachende; want de toon, waarop

Reinout sprak, was geruststellende genoeg om haar te doen bespeuren,

dat zijne woorden niets dan loutere plichtpleging waren: "wij hebben

hier nog een goeden geneesmeester voor alle wonden."

"Hoe!" zeide Reinout: "leeft onze oude vader Volkert nog, en geeft

hij nog altijd geneesmiddelen?"

"Neen," zeide de Heer van Aylva: "de vrome Abt en de waardige broeder

Syard zijn niet meer, maar daarachter u staat een oude kennis, die

u een voortreffelijk middel tegen alle kwalen komt toedienen."

"Wel, mijn brave held, leeft gij nog?" zeide Reinout, zich omkeerende

en Daamke ziende, die hem, met vele buigingen en strijkages, een

zilveren beker op een schenkblad aanbood: "wel vriend! wij hebben

ons indertijd met een wat al te haastig afscheid verlaten. Het spijt

mij, ik kan u niet weer uw oude betrekking bij mij laten vervullen;

daar zou mijn goede Berthout wat tegen hebben; maar gij zoudt zelf,

denk ik, ook weinig lust hebben om, tegen de bediening van een armen

dolenden Ridder als ik ben, den post van schenker, dien ik zie dat

gij thans bekleedt, te verwisselen. Kom! geef hier uw beker, die

betere medicijn bevat dan de tooverkast van meester Barbanera."

Dit zeggende aanvaardde hij den beker uit des dienaars handen. Het

was een sierlijk gewerkte kroes, rijkelijk met wingertranken en

gesneden bloemen versierd. Bijzonder trok de fraaiheid van het deksel

de opmerkzaamheid van Reinout, prijkende met het wapen van Aylva,

op een kunstige wijze gesneden, terwijl het oude rijmpje betreffende

de Roos van Dekama om den rand gegrift was.

"Hebt gij uw wapen niet veranderd, Deodaat?" vroeg Reinout, na het

pronkstuk gedurende eenige oogenblikken aandachtig te hebben beschouwd.

"Ja!" antwoordde deze: "ik heb, toen de dood mijns eerwaardigen en

onvergetelijken vaders mij tot het hoofd van mijn stamhuis maakte, ter

gedachtenisse aan onze zonderlinge avonturen, en van den gelukkigen

echt, die ze besloten heeft, mij die vrijheid veroorloofd, en de

gouden ster en halve maan op het lazuren veld vermeerderd met

De Roos van Dekama · 第 44 / 46 题