DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoe dat een krijgsheir aan quam rukken

En onze grenzen vast bestreed,

Veel min ontzachlijk door getalen

Van benden, dan door zegepralen:

Fluks riep men: wapen!

Dullaert.

Niet verre van Stavoren, doch meer noordwaarts op, stond in den tijd,

waarvan wij gewagen, een zeker dorpje, Norwert geheeten, hetwelk men

thans vruchteloos op eenige kaart zou zoeken, vermits de plaats zelve,

waar het zien bevond, sedert lang een prooi der invretende golven

geworden is. Het was op een geringen afstand van de zee gelegen,

tegen wier geweld het benevens eenig daarbij behoorend land, door

een wierdijk beschut werd. Ten oosten paalde het aan een moerassigen

veengrond, die zich langs het meer van Stavoren uitstrekte; ten

noorden aan eenig kreupelhout, waarvan de schrale groei en de kale

takken, aan dewelke niet meer dan eenige verdorde en verschrompelde

bladeren hingen, getuigden, hoezeer het van den zeewind te lijden

had. Op den dijk, en kort bij dit geboomte, hetwelk men voor een

overblijfsel hield van het eenmaal zoo vermaarde Kreiler bosch,

zat een jonge zeemansgast sedert een paar uren in de zee te kijken,

die reeds al het buiten het wierdijkje gelegen land overstroomd had:

en hoewel het een orkaan woei, hoewel zijn tengere ledematen doornat

waren, en hem de regen in 't gezicht speelde en meermalen het zien

belette, was hij nog niet van zijn plaats gerezen om een schuilplaats

op te zoeken; want een krachtig denkbeeld had zich van hem meester

gemaakt en deed hem het woeden der elementen vergeten. Zoolang het nog

helder dag was geweest, had geen blijk van ongeduld zich op zijn gelaat

vertoond, maar het werd reeds avond en nog kon hij geen vaartuig op die

oppervlakte der wateren bespeuren, dan een ellendige visschersschuit,

die door den storm naar de kust gedreven werd; maar deze was het niet,

welke de knaap verwachtte.

"Zij zullen niet komen!" zeide hij eindelijk bij zich zelven, terwijl

hij oprees en het water uit zijn muts wrong: "de Graaf zal hen bij

zich gehouden hebben:--was het nu niet beter, dat ik naar Sint-Odulf

trok en daar de vloot afwachtte?"

Terwijl hij dit voornemen overpeinsde, zag hij, zooveel de duisternis

hem zulks toeliet, dat het visschersvaartuig begon te naderen en

weldra niet ver van den dijk een ankertje uitwierp. "Voorwaar,"

dacht hij: "die visscher kiest ook een vreemde ankerplaats uit. 't

Is waarschijnlijk een vreemdeling: anders zou hij zijn schuit wel

vastleggen aan de palen, die ik ginds op de hoogte van het dorp gezien

heb.--Kom! wij zullen nog een vijfhonderd tellens wachten en dan in

Sint-Japiks naam hier vandaan:--mits ik slechts het houten pad door het

moeras niet misloop in de duisternis; anders loop ik stellig gevaar,

te smoren voor ik twintig schreden gedaan heb."

Hij begon hierop de aangename bezigheid van te tellen, welke hij ten

einde bracht met de vaste overtuiging, dat hij nu gerust kon gaan;

want het was omtrent stikdonker geworden. Dan, juist op het oogenblik,

dat hij van den dijk wilde afspringen, hoorde hij een flauw gedruisch

en gespat in het water, hetwelk zijn aandacht boeide.

"Bij Sint-Japik!" dacht hij: "ik geloof waarachtig, dat die

visschers zich in dat fraaie weer met zwemmen vermaken. Nu! elk zijn

liefhebberij."

Zijn nieuwsgierigheid was echter opgewekt: hij liep den dijk langs,

naar de plaats, waar het geluid vandaan kwam, en hoorde weldra

duidelijker nog, dat verscheidene menschenstemmen, hoezeer met zoo

weinig geruchts mogelijk, door het water liepen. Dan weldra werd zijn

vermoeden volkomen bevestigd; want een bliksemstraal, die opeens den

ganschen zeekant verlichtte, deed hem een twintigtal gewapenden zien,

die van het vaartuig naar den dijk waadden.

"Wie duivel zijn dat?" vroeg hij zich zelven af: "zeker geen vrienden

van Friesland, die op zulk een ongewone wijze aanlanden.--Zouden zij

het zijn? o! nog een bliksemstraaltje om hen eens recht te kunnen

opnemen!"

Met dezen wensch was hij al dichterbij gewandeld, achter den dijk

blijvende, om door de aankomenden niet gezien te worden: en nu hoorde

hij opeens iemand in het water, die met een zachte stem aldus tot

een ander sprak:

"Wij hadden wel een paar haken van boord mogen medenemen, Gillis! die

vervloekte wal is zoo steil en zoo hard, dat ik waarlijk niet weet,

hoe ik er tegen op zal klauteren."

"Kom maar hier: ik zal u wel een handje helpen," riep de knaap,

die de stem herkende, hem van boven toe.

"Alle duivels! daar is volk aan gene zijde van den dijk!" zeide de

aanvoerder der bende, terugdeinzende.

"Hoe nu!" hernam de knaap: "kent de wakkere Boudewijn de stem van

zijn makker Zweder niet meer?"

"De Satan mocht u of uwe stem herkennen," zeide Boudewijn, terwijl hij

de hand aangreep, die Zweder hem toestak, en tegen den dijk opklom. Dat

vervloekte zeewater spat een mensch om de ooren, dat hij niet hooren

of zien kan."

"Ik had den moed al opgegeven," zeide Zweder: "en was verre van u in

die visschersschuit te verwachten."

"Ja man!" zeide Boudewijn: "dat was een denkbeeld van mij:--toen

wij hedenmorgen Stavoren verlaten hadden, kreeg ik die schuit in

't gezicht. Wacht! zeide ik tot Krijn Jansz:--nu weet ik een beste

gelegenheid om aan wal te komen, zonder dat een enkele Fries er

gedachte op heeft."

"Ik vat al: gij bemachtigdet de schuit."

"Was dat niet wel verzonnen?--nu heeft de Graaf (bijaldien hij niet al

tot een aas der zeehonden verstrekt, met dien hagelschen storm) tijding

van ons:--en wij zullen hem die nog nader geven, dat beloof ik u."

De manschappen waren nu allen aan wal gekomen, en verzamelden zich

aan de binnenzijde des dijks om Boudewijn en zijn makker, die hun

mededeelde, wat hem omtrent Ridder Deodaat bekend was.

Spoedig werd nu het besluit opgemaakt. Men nam voor, Norwert in

brand te steken, hetgeen het dubbel voordeel zou verschaffen, tot een

baak voor des Graven vloot te verstrekken en de aandacht der Friezen

derwaarts te bepalen: en vervolgens weder zee te kiezen.

"Dat is nu alles mooi en wel!" zeide Zweder: "en ofschoon het mij

eenigszins tegen de borst stuit, dat mijn eerste krijgsonderneming een

brandstichting wezen zal, zie ik, dat het noodzakelijk is:--maar, het

is niet genoeg een besluit te nemen, waar vinden wij de brandstoffen?"

"Zotskap!" zeide Boude wijn: "alsof ik geen vuursteen bij mij

had:--laat dat aan mij over, en gij zult een Sint-Maartensvuurtje zien,

waarbij gij uw natte kleeren in een amerijtje zult kunnen drogen. Zeg

mij maar liever, of gij zeker weet, dat het dorp onbezet is?"

"Niet slechts onbezet, maar verlaten:--de mans zijn, God weet waarheen,

de vrouwen en kinderen naar Stavoren gevlucht."

"'t Is mij onbegrijpelijk!" zeide Boudewijn, na eenige oogenblikken

nagedacht te hebben: "hoe kan men zich zulk eene achteloosheid

verklaren van lieden, die een aanval wachtende zijn? Ik had reeds

gevreesd, hier den dijk vol krijgsvolk te vinden en ik zie zelfs den

staart van een dog niet."

"Hoe jammer!" zeide Zweder: "dat de Graaf hier niet tijdig genoeg

wezen kan; hij ook zou zonder slag of stoot kunnen binnentrekken."

"Ja ventje! dat is waar; maar die groote nalatigheid baart mij

achterdocht. Ik zorg, of zij ook slechts schijnbaar is en de vijand

altemet in hinderlagen schuilt."

"Licht mogelijk," hernam Zweder: "maar dat moet ons niet beletten,

spoed te maken met de uitvoering van ons plan."

Aldus sprekende, waren zij langzamerhand verder getrokken en het dorp

meer genaderd. Het was en bleef stikdonker en geen geluid deed zich

hooren. Weldra bevonden zij zich midden in Norwert, zonder kind of

kraai te hebben bespeurd. Dadelijk gaf Boudewijn bevel, dat men de

deuren van eenige woningen open zou loopen, om te ontdekken of er nog

iemand schuilde; maar men vond niemand. In een paar huizen smeulde

er nog vuur aan den haard.

"Goed zoo!" zeide Boudewijn: "steekt licht aan! legt dat vuur maar

in de bedstede en smijt er al het droge stroo op, dat gij vinden

kunt: en laat ons ondertusschen de spijskast ook eens onderzoeken:

't ware jammer, zoo er iets verloren ging."

Allen gehoorzaamden volijverig aan deze bevelen: en spoedig was

de geringe voorraad van spijs en drank, welken de bewoners hadden

achtergelaten, door de vermoeide krijgslieden verslonden, terwijl zij

hun doornatte kleedingstukken uitwierpen en verwisselden tegen die,

welke zij in de huizen vonden. Al wat nu maar brandbaar was werd op de

vuren gesmeten, en in weinige oogenblikken sloeg de vlam menig dak uit.

"En nu weer naar boord," riep Boudewijn: "eer de vlam ons zelven den

terugtocht afsnijde."

De bende nam den terugtocht weder aan, die nu door de vlam verlicht

werd, welke het dorp weldra geheel omgeven had. Op den dijk gekomen,

wendde Zweder nogmaals de oogen om, ten einde het tooneel van ellende,

dat zij hadden aangericht, te aanschouwen. Het was een vreeselijk

gezicht, die strijd der elementen onderling. Nu eens was het, of de

zware regenvlagen de opstijgende vlam geheel zouden uitdoven;--dan

weder zegevierde het geweld van het vuur en golfde het in rooden

gloed langs de daken. Nu en dan stortte er een krakend gebouw in en

versmoorde voor een oogenblik den gloed, die het verteerd had; maar

die weldra des te feller van alle zijden onder het puin te voorschijn

kwam: de zeewind gierde door de opengeborsten luiken en vensters en

dreef brandende stroohalmen en half verteerde lappen zeildoek en

netten landwaarts in, waar zij weldra in het moeras neervielen of

door den regen werden uitgebluscht.

"Kom!" zeide Boudewijn, zijn makker bij den arm trekkende, "maak

voort: men zal misschien spoedig genoeg bij de hand wezen om ons na

te zitten."

"Bij Sint-Japik! men is reeds bij de hand," riep Zweder verbaasd uit,

en zijn uitgestrekte hand wees naar het moeras, dat door den brand

in al zijn uitgestrektheid verlicht was.

Boudewijn wierp insgelijks den blik derwaarts en hij verbleekte,

toen hij ontdekte, dat, waar men het oog wendde, de geheele vlakte

met gewapenden vervuld was, wier aanwezigheid, hoe onbeweeglijk zij

zich ook hielden, verraden werd door het licht der vlam, dat op het

ijzer der wapenen terugkaatste.

"Ik had het wel vermoed," zeide hij met een zucht.

"Zij zitten daar als kikkers, in hun moerassen of achter hun

zomerdijkjes verborgen, waar geen duivel hen uit zal drijven. Zij

weten, dat de gansche vloot niet ontscheept is: en zij wachten ons

daar.--Maar wij zullen hun een aangename nachtrust wenschen en ons

stilletjes weer naar boord begeven. Ik verwonder mij toch, dat zij,

hoewel de afstand wat verre is, ons niet een pijltje toezenden."

Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of een pijl kwam sissende

aangevlogen en trof hem vlak in 't voorhoofd.

"Vlucht, Zweder! vlucht allen!" riep hij onder 't nederstorten. "Het

is met mij gedaan. Vlucht! en laat mij hier aan mijn lot."

Al de wapenknechten waren terstond in zee gesprongen. Zweder alleen

was nog bij zijn vriend gebleven, toen hem een tweede pijl de muts van

't hoofd dreef.

"Het is uit dat vervloekte boschje!" riep hij: "wie had het

gedacht? zij hebben ons willen omsingelen:--hoe gaat het,

Boudewijn?"--Geen antwoord.--"Arme hals! hij is wel dood.--Dan is

het zaak, dat ik voor mij zelf zorge."--Met deze woorden liet hij

zich mede van den dijk afzakken en zwom naar de schuit. Op hetzelfde

oogenblik kwamen de Friezen het bosch uit en zonden den vluchtelingen

hun pijlen na, die echter geene of althans weinige schade deden. Meest

al de tochtgenooten bereikten gelukkig het vaartuig: het anker werd

gekapt, en daar het nu wederom ebbe was, dreef men spoedig ver genoeg

van wal om buiten bereik te zijn. Zweder, op wien door den dood van

Boudewijn het bevel was overgegaan, gaf nu last, dat men zooveel

doenlijk zuidwaarts zou stevenen en een poging doen om zich met de

vloot te vereenigen.--Wij zullen hem met zijn makkers goede reis

wenschen en inmiddels eens gaan zien, hoe de Heer van Aylva bij zijn

komst te Stavoren de zaken gevonden had.

Nauwelijks was hij de poort van Stavoren binnengereden, of hij

ontmoette den Abt van Sint-Odulf, en vernam van dezen, dat de

voornaamste maatregelen ter verdediging reeds genomen waren. Het was in

den Raad, na lange wederspraak, aan Reinout gelukt, den Friezen te doen

beseffen, dat het hun onmogelijk zou vallen, aan de Hollandsche vloot

het ontschepen hunner talrijke en welgeoefende benden te beletten:

daar deze, zooras het op een bestormen en bemachtigen der zeekust

aan zoude komen, door hun meerdere voortreffelijkheden in rusting

en wapenhandel een te groot voordeel op de Friezen zouden hebben,

die slecht gedekt en bijna van geene weerbare wapens voorzien waren;

waarbij kwam, dat een nederlaag, aldaar geleden, terstond verwarring en

schrik onder de saamgeraapte benden brengen, en aan den vijand den weg

naar 't hart van Friesland zoude banen. Hij had dus den raad gegeven,

dat men de landing niet belemmeren zou, maar de Hollanders buiten de

mogelijkheid stellen daarvan partij te trekken, door zelven zooveel

doenlijk een gepast gebruik te maken van de gelegenheid, die de grond

van Stavoren hun aanbood om een verdedigingsoorlog met voordeel te

voeren. Men dient te weten, dat de landstreek om de stad heen, behalve

uit eenig laag en moerassig weiland, dat langs het meer gelegen was,

voornamelijk uit een heuvelachtigen heigrond bestond, over 't geheel

welbebouwd, en aan onderscheidene eigenaars toebehoorende. Nu was elke

bijzondere akker, met het land, dat er bij behoorde, door een aarden

wal of zomerkade omringd, ter afkeering: van het zeewater, dat niet

zelden bij springvloed een gedeelte van den bodem overstroomde. Deze

kampen leverden dus als het ware zoovele verschansingen op, waarachter

zich de gewapenden in hinderlagen konden verbergen en tusschen welke

men des Graven heirmacht lokken wilde, als in een doolhof zonder

uittocht, waar het van alle zijden door vijanden omringd, geene

gelegenheid zou hebben, zich van zijn ruiterij te bedienen of zich

in slagorde te vormen, maar overal voor een onverhoedschen aanval

blootstaan. Dit stelsel van verdediging werd goedgekeurd, en men nam

terstond alle maatregelen om er uitvoering aan te geven. Aan volk

ontbrak het niet; want geen Fries bleef achter in de ure des gevaars:

niet enkel uit loutere vaderlandsliefde; maar omdat de immer woedende

onderlinge veeten hem van zijn jeugd af het hanteeren der wapenen tot

een noodzakelijkheid en het vechten tot een gewoonte gemaakt hadden:

ja wat meer is, tot zijn gewenscht en eenig tijdverdrijf. Alle dorpen

waren dus terstond verlaten geworden, en van Hindeloopen af tot aan

Gaasterland toe was de geheele landstreek met weerbare manschappen

bezet: terwijl de nog gedurig opkomende benden zich aan een der

beide vleugels moesten aansluiten. De rechtervleugel, zoo men overal

verspreide krijgsbenden aldus noemen kan, werd door Adeelen aangevoerd:

Cammingha bestierde de verdediging van Coudum af tot aan Warns: en

de linkervleugel was aan Martena toevertrouwd. De Abten van Lidlum

en Bloemkamp vormden met hun talrijke en welgeoefende conversen twee

hulpbenden, gereed om zich overal te begeven, waar de strijd het

heetste was. Reinout was bij Adeelen. Helbada en Fadinga kruisten

Gaasterland door, ingevalle zich de vijand daar mocht vertoonen. In

Stavoren oefende Galama het opperbewind, terwijl al de in de haven

aanwezige schepen en schuiten onder zijn opzicht bemand werden,

om zoo mogelijk de vaartuigen der Grafelijke vloot aan te randen en

afbreuk te doen.

"En gij, Eerwaardigste!" vroeg Aylva aan den Abt, toen deze hem al

die omstandigheden verhaald had. "Welken post zult gij waarnemen?"

"Wat mij betreft, ik ben een vreedzaam man," antwoordde vader Volkert,

"en heb nooit tegen iemand het staal ontbloot, waar ik O. L. Vrouwe

en Sint-Odulf voor dank. Ik keer naar mijn klooster en zal daar voor

den goeden uitslag bidden. Dat is alles wat ik doen kan."

"God verhoore uw gebeden, Vader!" zeide Aylva: "wat mij betreft:

ik zal hier blijven: Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet zonder

noodzakelijkheid vermoeien: maar waar ik van dienst kan zijn, daar zal

men mij niet lang behoeven te wachten.--Ik ga nu eens naar de haven,

ten einde Galama te helpen in zijn maatregelen van verdediging.--Zoo

er iets te Sint-Odulf gebeuren mocht, laat het mij dan weten."

Met deze woorden scheidden zij, en de Olderman begaf zich naar de

haven. Hier deed zich een dof gemompel hooren: verscheidene menschen

liepen met drift heen en weer, en Feiko, naar de aanleiding van het

rumoer gevraagd hebbende, kwam aan Aylva melden, hoe Norwert in brand

stond, en hoe het gerucht reeds door de stad liep, dat de gansche

vloot aldaar geland was.

"Dan gaan wij derwaarts heen, goede Feiko! Mijn zoon bevindt zich

aldaar met onze wakkere volgelingen, en men zal niet zeggen, dat ik

hen, wanneer het er op aankomt, in den steek laat zitten."

Nauwelijks waren zij de poort uitgereden of zij ontdekten reeds

de vlam; maar zij hoorden geen krijgsgerucht, hetgeen Aylva aan

het geweld van den storm toeschreef; zij vervolgden echter hun weg;

maar spoedig vernamen zij hoefgetrappel voor zich uit, en zagen twee

ruiters op hen afkomen.

"Sta!" riep Aylva, die in de duisternis niet wist of hij vriend of

vijand ontmoette: "wie zijt gij?"

"Gij hier, mijn Vader!" zeide de Ridder, zijn paard intoomende. Het

was Reinout, van Daamke gevolgd.

"Waarheen? En hoe staat het te Norwert?" waren Aylva's vragen.

"Norwert bestaat niet meer; maar de brandstichters zijn reeds weer

gevlucht. Adeelen is van oordeel, en ik met hem, dat deze schijnbare

aanval slechts een krijgslist is, om onze aandacht af te trekken,

terwijl men ons van de andere zijden aanvalt. Hij zond mij naar

Martena en Helbada om hen tot dubbele waakzaamheid aan te sporen en

te beletten, dat zij niet, door den brand verlokt, hun benden van de

plaats doen gaan."

"Voortreffelijk, mijn knaap! Toon u heden een wakkere zoon van

Friesland! Ik blijf in de stad! Wellicht kan ik hier van nut zijn."

Met deze woorden verlieten zij elkander. Aylva begaf zich weder naar

de haven en Reinout reed, de stad door, naar Martena.

Ondertusschen was vader Volkert in zijn klooster teruggekeerd. Dit

was, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, niet verre van de stad,

doch meer zeewaarts in gelegen, aan het uiterste einde eener landtong,

welke sedert door de golven is weggeslagen; wordende echter de plaats,

waar het gebouw stond, nog heden door de zeelieden de kerk genaamd. Het

bestond uit een hoofd- en andere kleine gebouwen, door een muur van

duifsteen en een smalle gracht of sloot omringd. Het hoofdgebouw was

vierkant, en bevatte vooreerst de kerk, die, van duifsteen en naar den

Saksischen bouwtrant gesticht, ten westen met een vrij hoogen toren

voorzien was, boven welke zich een peervormige koepel verhief, met

groen koper beslagen, en volkomen gelijk aan die, welke de moskeeën

der Mahomedanen versieren. Nog kan men in Friesland, op sommige

plaatsen, dergelijke koepels zien, wier bouworde waarschijnlijk ten

tijde der kruistochten aan de Oosterlingen is ontleend geworden. De

kerkramen zagen aan de eene zijde op de zee uit, en aan de andere

op een groote binnenplaats, besloten tusschen het klooster zelf,

dat twee verdiepingen hoog en met talrijke kamers en cellen voorzien

was. Wat de buitengebouwen betrof, deze dienden tot bakkerij, tot

brouwerij en tot voorraadschuur.--Intusschen dwingt de plicht van een

waarheidlievend geschiedschrijver ons, te melden, dat, op sommige

tijden van het jaar, en ook thans, dit laatste gebouw ontoereikend

was om den oogst te bevatten, en deze dienvolgens voor het grootste

gedeelte in de kerk geborgen werd.

Zoodra de Abt binnen de muren van het gesticht gekomen was, begaf

hij zich naar den refter, waar de broeders gewoonlijk op dat uur

bijeenkwamen; maar zijn verwondering en ongenoegen waren groot, toen

hij bespeurde, dat slechts een klein aantal monniken, en dat nog wel

alleen de ouden en ziekelijken, zich aldaar bevonden.

"_Salvete_!" zeide hij, bij het binnenkomen: "maar hoe nu? waar zijn

al de jongere broeders en de conversen?"

De oude pater Prior haalde zuchtende de schouders op: "er was niets

aan te doen, Eerwaardigste!" zeide hij, zij zijn allen uitgeloopen

om zich bij het leger te voegen."

"Is het waar? En tegen mijn stellige bevelen?--Het klooster te

verlaten, nu zij er het meest noodig zijn?--En om wat? Om zich te

laten doodslaan? Want er is niet één van hen, die de wapens voeren kan;

daar heb ik voor gezorgd."

"Och!" zeide de Prior: "dat jonge volk is altijd klaar, als het op

vechten en smijten aankomt. Ik heb hen nog zoeken terug te houden;

maar het is ijdel preken tegen wie niet luisteren wil."

"Lang mij een teug bier, broeder Keldermeester!" zeide de Abt:

"ik heb grooten dorst, en mijn tong kleeft aan 't verhemelte van al

hetgeen ik vandaag heb moeten praten.--Waar is de gevangen Ridder?"

"Broeder Syard heeft, toen hij hier met hem aankwam, verzocht, dat

men hem in zijne cel zoude herbergen en toedienen wat hij verlangde."

"Dat is nu alles goed en wel en juist gelijk ik het ook zou hebben

voorgeschreven; maar met dat al hoop ik, dat men de cel goed gesloten

heeft, en de deuren van de gang ook; want wat zouden wij, oude lieden

doen, indien de Ridder eens uit wilde breken?"

"Men zal er voor zorgen," zeide de vader Guardiaan, opstaande en met

een bos sleutels naar boven gaande.

"Hoe!--heeft men er nog niet voor gezorgd?--Dat kan ik van broeder

Syard niet begrijpen. Men ontbiede hem eens: hij is zeker met

godvruchtige overdenkingen bezig."

"Broeder Syard heeft ons insgelijks verlaten, een paar uur geleden."

"Verlaten!" herhaalde de abt, die voor het eerst begon te vinden,

dat broeder Syard niet overeenkomstig zijn verlangen had gehandeld:

"nu! dan verwondert het mij niet, dat de jongere broeders ongehoorzaam

zijn, wanneer de oudere het voorbeeld geven.--Het is tegenwoordig

een zondige wereld.--Ik had gehoopt, Broeders! dat ik heden een

loflied met u zou kunnen aanheffen, ter eere van onzen broeder Syard,

die uit de kaken des doods verlost is geworden; _e faucibus mortis_,

zooals de Schrift zegt; maar de nood van het land eischt een anderen

toon: en wij zullen het _libera nos_. aanheffen.--Men geve mij mijn

koorgewaden en men steke het licht in de kerk op; met de noodige

zorg van niet te dicht bij hooi of stroo te komen; want een vonkje

kan ons ongelukkig maken."

De bevelen des kloostervoogds werden ten uitvoer gebracht: en

korten tijd daarna liet de godvruchtige schaar, onder het kerkgewelf

vereenigd, het heilige koorgezang aan.

Nog was het gezang niet geëindigd, toen men vader Syard op eens

zag binnentreden. Maar in stede van zijn gewone zitplaats onder zijn

broeders te nemen, bleef hij midden in het kerkgebouw en vlak tegenover

den Abt staan, wien hij met een blik van ongeduld aanstaarde. Wel

wenkte hem vader Volkert, zich naar zijn plaats te begeven; maar hij

bleef, zonder zich aan deze vermaning te storen, onbeweeglijk stand

houden. De Abt, verwonderd en toornig, deed het gezang ophouden.

"Zijt gij dronken, Broeder?" zeide hij: "_num dulci vino plenus_? of

heeft uw gevangenschap u van uwe zinnen beroofd, dat gij u in een

zoodanige houding vertoont en onze plechtigheden stoort? Ga naar uw

cel en zeg de zeven boetpsalmen op, ten einde...."

"Later!" zeide vader Syard, hem in de rede vallende: "nu is dit

onmogelijk:--binnen weinige oogenblikken is de vijand hier."

"De vijand, zegt gij?" herhaalde de Abt, sidderende.

"Het is zooals ik u zeg. Hij landt aan de Zuidvenne. Ik bevond mij

nog op het pad langs het meer, toen ik over de hoogte heen de masten

zijner schepen gewaarwerd: binnen een halfuur kunnen zij hier zijn."

Een schrikbarende stilte volgde op deze mededeeling des monniks: de

verschrikte grijsaards zagen hun Abt aan, om van dezen te vernemen,

wat er te doen viel; maar het anders zoo fleurig gelaat van vader

Volkert was thans door de bleekheid van den angst overtogen.

"Broeders!" zeide de Abt, met een bevende stem: "wie kan er raad

schaffen?"

"Ware het niet best, naar Stavoren te trekken?" vroeg de pater Prior,

"daar zijn wij veilig voor 't oogenblik."

"En ons klooster aan den vijand laten?" zeide vader Syard: "wij zijn

geestelijken, Vader! maar wij zijn Friezen: zouden wij het voorbeeld

geven van te vluchten?"

"Maar wat wilt gij dan," hernam de Prior: "dat wij ons verdedigen,

dat wij vechten? wij, zwakke en afgeleefde lieden?"

"Neen!--maar ik begeer, dat gij niet den schrik binnen Stavoren

verspreiden gaat.--Onze eerwaardige Abt was heden in den Raad aanwezig:

hij weet, dat de mogelijkheid van een aanval op Sint-Odulf voorzien

is, hoe belangrijk men dit punt beschouwde, en wat er besloten werd."

"Gij hebt gelijk, dat gij mij daaraan herinnert, Broeder!" zeide

de Abt, oprijzende; want het gevoel van zijn waardigheid en plicht

begon bij hem de overhand te krijgen boven de vrees: "er is besloten,

dat wij een noodsein zouden geven en den vijand zoolang ophouden,

tot er hulp kwame. Gij hebt gelijk, broeder Syard: wij mogen ons

heilig gesticht en de graven onzer broeders niet verlaten.--Maar,

Broeder! ik weet niet, of u bewust is, dat onze weerbare mannen,

tegen mijn wil, naar het leger zijn."

"Zij zijn _niet_ in het leger," zeide de monnik. "Ik heb hen ontmoet,

toen zij er naar toe wilden trekken; en hun beduid terug te keeren:

zij zijn bezig, de voorpoort te voorzien."

"Wij danken u, Broeder!--Men geve dan het sein:--twee lantarens aan

den kerktoren."

"Zij zijn reeds opgeheschen. Indien _ik_ mij nu mag vermeten eenigen

raad te geven, zoo is het deze: dat niemand werkeloos blijve. Het

ware een dwaasheid, pogingen aan te wenden, om den lagen muur,

die ons erf of onze buitengebouwen omringt, te willen verweren: wij

zouden onze verdedigers noodeloos aan een zekeren dood blootstellen

en hun getal zonder vrucht verminderen. Alleen tot de verwering van

het hoofdgebouw moeten onze krachten besteed worden: en daartoe kan

ieder, hoe oud en stram ook, van nut zijn."

"Zouden wij niet een poging doen, hen buiten den wal te houden?" vroeg

broeder Agge, zijn met ijzer beslagen knods in de rondte zwaaiende.

Broeder Agge was een stevige vierkante monnik, in de kracht zijns

levens, en die liever sterkte zocht in de wijnkan dan in het gebed.

"Neen Broeder!" zeide de abt: "broeder Syard heeft gelijk. Onze

conversen zouden daar, waar het op een geregelde verdediging aan

zou komen, niet bestand zijn tegen de geoefende krijgsknechten des

vijands. Zij zijn niet tot kampen opgebracht, gelijk de conversen

van Oldeklooster of Lidlum, en ik dank er God voor. Maar achter deze

muren zullen zij, hoop ik, hun plicht weten te betrachten."

"Dat zullen zij!" zeide vader Syard:--"verspreidt u nu allen, en zoekt

alles bijeen wat dienstig zijn kan om de voorpoort te beschutten. En

gij, Broeder Rienk! die jong en vlug zijt, klim eens even in den

toren en breng ons bericht terug, wat de vijand in zijn schild voert."

De jonge monnik snelde de drie ladders op, die hem in den toren

brachten. De lucht was opgehelderd en de wind begon te verflauwen:

weldra ontdekte hij een drom gewapenden, waarvan een gedeelte stand

hield op den kruisweg, waar het pad naar Sint-Odulf met den landweg

naar Stavoren ineenliep: een ander gedeelte kwam de landtong langs en

recht op het klooster af. Zoodra vader Syard deze tijding ontvangen

had, gaf hij last, de onderste der drie trapladders, die naar den

toren leidden, weg te breken, ten einde te verhinderen, dat de vijand,

zoo hij de kerk bemachtigde, in het klooster drong, dat met den toren

gemeenschap had, terwijl hij tevens beval, de kerkdeur, die op een

gaanderij in het klooster zelf opende, met versperringen te voorzien.

Het voorportaal des kloosters leverde ondertusschen een schouwspel

op, dat in andere omstandigheden kluchtig had geschenen. Al wat

draag- of tilbaar was, hadden de monniken hier bijeengesleept, als

moest er een verkooping van huisraad gehouden worden. Daar kwamen,

zwoegende en zweetende, de Prior en een ander stokoude grijsaard met

de planken van de etenstafel aanslepen: hier zag men er, die geheele

deuren, kisten en koffers droegen: sommigen zelfs hadden de steen

en uit den vloer en de houten beschotten der kamers uitgebroken:

de vader Keldermeester hield, ofschoon met menige verzuchting, het

opzicht over het ophijschen der wijnvaten, die vervolgens naar voren

werden gerold: en met al deze materialen werd een bolwerk achter

de voorpoort opgeworpen, bestemd om den vijand, zoo niet geheel te

stuiten, althans zoolang op te houden, tot er hulp kwame.

"Dat is wel goed, mannen," zeide vader Syard: "maar alles met beleid:

beter wat minder spoed en dat de verschansing des te steviger zij. Waar

is nu de vader Keukenmeester?"

De monnik, naar wien hij zocht, kwam juist met een zwaren ketel

aansjouwen.

"Neen Broeder!" zeide vader Syard, "breng dien ketel maar weer

weg: wij kunnen dien beter gebruiken. Leg maar een goed vuur op de

binnenplaats aan en laat al de olie koken, die in 't huis te vinden

zij. Onze jongere broeders zullen zich daarmede op de tinnen begeven

en de ouderen zullen de vaten en ketels aandragen."

Terstond haastte men zich, dit bevel ten uitvoer te brengen; maar

nauwelijks was men daarmede bezig, toen men trompetgeschal van

buiten vernam. De afstand zoowel als de dikte der muren belette,

dat men de aankondiging hoorde, door den Heraut gedaan, dat Jan,

Heer van Beaumont, Schoonhoven en Gouda, vrijen intocht eischte.

Het was inderdaad Beaumont, die, met eenige schepen, reeds in

het begin van den storm de vloot vooruit was geraakt en met het

vallen van den nacht voor Stavoren was gekomen, van meening om naar

Norwert te stevenen, hetwelk hij in de verte branden zag. De schuit,

welke Zweder bevoer, was hem hier ontmoet: en terstond had hij het

besluit genomen, aan de andere zijde bij Stavoren te landen, teneinde

hierdoor den vijand in verwarring te brengen. Hij ontscheepte dan

werkelijk zijn volk aan de Zuidvenne; dus noemde men een stuk gronds

van eenige uitgestrektheid, landwaarts en ten zuiden van de landtong

van Sint-Odulf gelegen. De bende, die hij bij zich had, was echter

geen duizend man sterk: en de onmogelijkheid inziende om daarmede

in het binnenland te trekken, waar hij niet wist, welk onthaal hem

te wachten stond, besloot hij, op Sint-Odulf aan te rukken, het te

bemachtigen en daar de komst der overige schepen te verbeiden. Den

dijk langs getrokken zijnde, ging hij aan het hoofd van vierhonderd

man op het klooster af, het overige gedeelte zijner benden, gelijk

wij reeds gezegd hebben, aan den driesprong latende, waar zich de

weg naar Stavoren en naar het klooster vereenigde, om te voorkomen,

dat de vijand hem in den rug aanviel.

"Er komt nog geen antwoord, mijn Heer!" zeide de Heraut, nadat hij

tweemalen vruchteloos geblazen had: "het schijnt, dat de broeders

het klooster verlaten hebben."

"Misschien wel liggen zij bezopen in hun cellen," zeide de Heer

van Spangen: "bij Sint-Japik! ik wou, dat zij antwoordden; want wij

hebben op dat hagelsche schip te lang koude geleden, om hier nog te

staan blauwbekken."

"Wij zullen," zeide Beaumont, "die opeisching aan de poort van het

klooster zelf dienen te doen: het schijnt, dat wij hier te ver zijn

om gehoord te worden."

Terstond werden er op zijn bevel planken over de sloot geslagen:

een paar krijgsknechten hakten het buitenpoortje open; terwijl een

ander gedeelte over den muur klom: welhaast stond de geheele macht

van Beaumont op het beslotene erf, waar nu de opeisching herhaald en

evenzeer door een diepe stilte gevolgd werd.

Terstond liet Beaumont eenige krijgsknechten aantreden en gaf hun

last zich met geweld een ingang te banen. Spoedig werden er eenige

bijlen geheven; maar de planken der eikehouten deur waren zoo dik en

zoo dicht met nagels en spijkers beslagen, dat de slagen, welke er

op gegeven werden, haar minder nadeel deden, dan aan de werktuigen,

tot hare verbrijzeling gebezigd.

"Laat de deur opengeramd worden!" zeide Beaumont: "op deze wijze

houdt zij ons te lang op."

Twee masten, welke men van boord had medegenomen, werden hierop in

den grond gestoken, zoo, dat de toppen elkander kruisten: en aan

dat in der haast opgeslagen werktuig, werd een derde mast in een

horizontale richting gehangen om tot stormram te dienen. Maar hoe

men ook bonsde en rammeide, de deur week niet van haar plaats; want

de massa, die er achter tegen aangebracht was, deed alle pogingen om

haar te verwrikken te loor gaan.

Intusschen was Zweder met eenige krijgsknechten, op last van

Beaumont, het klooster rondgegaan om te ontdekken, of er ook een

andere gelegenheid was om binnen te komen. Weldra waren zij aan de

kerk gekomen, waarvan zij de ramen beklommen en openbraken en alzoo

weldra binnen waren; maar spoedig zagen zij in, dat zij hierdoor nog

slechts weinig gevorderd waren; want ook de deur, welke de kerk van

het klooster scheidde, bood weerstand aan hunne slagen.

"Mij dunkt," zeide Spangen tegen Beaumont, nadat zij eenigen tijd

vruchteloos op de uitwerking van zijn stormram gewacht hadden,--"zoo

deze deur proef houdt tegen ijzer en hout, moesten wij zien, of zij

ook tegen het vuur bestand is."

Dit voorstel was uitmuntend; maar de uitvoering bleek aan groote

zwarigheden onderhevig te zijn: want al het hout of andere

brandstoffen, die men er tegen aan stapelde, waren zoo vochtig,

dat men de hoop moest opgeven, die aan brand te krijgen.

Niettegenstaande het mislukken van zoovele pogingen gaven de aanvallers

den moed niet op: Beaumont sloeg zelf de hand aan het werk, en een

ijzeren koevoet tusschen de deur en het metselwerk daaromheen hebbende

weten in te werken, liet hij niet af, voordat hij eenige steenen uit de

muur gebroken had; maar nauwelijks hadden de werklieden hem vervangen

om van deze breuk gebruik te maken en de opening te vergrooten,

of het grootste gedeelte stoof schreeuwend terug. Vader Syard, die,

plat in de goot liggende, al de bewegingen der belegeraars gadesloeg,

had het gezette sein gegeven, en eenige ketels kokende olie werden

door de monniken, die nevens hem op den buik lagen, op de hoofden

der werklieden uitgestort.

"Ha!" zeide Beaumont: "men begint zich daarboven te bewegen.--Staakt

dit spel!" riep hij, opwaarts ziende: "en geeft u over. Alle weerstand

ware ijdel. Ontsluit de poorten, of wij zullen u uitbranden als men

een wespennest doet."

Een tegelsteen, die op zijn voorhoofd gemikt was, maar gelukkig

slechts op zijn helmvizier aan stukken sprong, was het eenige antwoord,

dat hij bekwam.

"Welnu!" zeide hij: "zoo het niet anders wil, is het tevergeefs met

u geredeneerd;--doet uw plicht arbeiders! en mijn Heer van Spangen,

wees zoo goed aan de boogschutters last te geven, dat zij die daken

schoonhouden."

De arbeiders naderden opnieuw de poort; maar deze reis hadden zij

de voorzorg gebruikt van een nat zeil over hun hoofden te spannen,

zoodat hun de olie geen hinder kon doen. Vader Syard, die overal het

oog op had, bespeurde weldra, dat het niet lang duren zoude, of zij

hadden zich van den ingang meestergemaakt. Intusschen snorden hem de

pijlen om de ooren; maar, dewijl de monniken meestal plat neerlagen

en door de vooruitspringende lijst van het gebouw gedekt waren,

konden die hun weinig of geen hinder aanbrengen.

"Wij kunnen hier geen goed meer doen," zeide hij: "alle man naar

beneden en de poort verdedigd!"

Op dit oogenblik kwam een monnik vervaard over den zolder aangeloopen:

"de kerk staat in brand!" riep hij: "en de Hollanders zijn bezig het

dak te beklimmen."

Beide was waar! Zweder, ziende dat de kerkdeur hun weerstand bood,

had den, aan de eene zijde der kerk verzamelden, voorraad stroo en

graangewas tegen de deur doen stapelen en dien hoop aangestoken,

zoodat eerst de deur en vervolgens de daarachter geplaatste meubelen

weldra in brand geraakten;--maar daarmede was de zwarigheid nog niet

overwonnen; want nu bevonden zich Zweder en zijn makkers voor een

muur van gloed, die eerst omvergehaald en opgeruimd moest worden,

alvorens men verder door kon dringen. Terwijl dit binnen het kerkgebouw

geschiedde, hadden eenige soldaten de masten, welke tot den stormram

gediend hadden, daarbuiten tegen den muur geplaatst. Tweee hunner

waren met touwladders daartegen opgeklommen en op deze wijze was er

spoedig eenig volk op de lijst van het kerkdak, toen de Abt zelf hen

daar met eenige zijner kloekste broeders te gemoet kwam, met houten

knodsen, sommigen met keukengereedschap gewapend.

"Gij loopt verkeerd, vrienden!" zeide vader Volkert, terwijl hij

een der beklimmers een slag op de hersenen gaf, dat hij van het dak

rolde. "Terug! zeg ik! Hier, Broeders! werpt mij alle man van het

dak! Snijdt die touwladders los!--en gij, broeder Guardiaan! zeg,

dat men nog meer broeders zende om ons te helpen."

"Al de anderen zijn beneden," antwoordde de monnik, "en helpen broeder

Syard de voorpoort beschutten."

"Goed zoo!--zuivert mij het dak van ongedierte. Werpt hen naar beneden,

die spreeuwen, die hier ongevraagd komen nestelen. Houwt er op in,

Broeders! vreest niet voor het aantal. Een daar binnen in zoo goed

als tien daar buiten."

Terwijl de Abt, wiens moed met het gevaar scheen te groeien, zich

aldus dapper weerde, was vader Syard met een aantal broeders naar

het voorportaal gesneld. De deur was eindelijk uit haar hengsels

gelicht, en de krijgsknechten van Beaumont waren nu bezig, de

daarachter geworpen verschansing weg te ruimen, eene bezigheid,

die wel langzaam in het werk ging, maar die Vader Syard wel inzag,

dat hun eindelijk gelukken zoude. Ton en waschvat, tafel en kuip,

werden stuk voor stuk omvergehaald: en daar begon reeds van boven

een opening te ontstaan, zoo groot, dat de monniken de hooge helmen

der belegeraars in 't gezicht kregen, toen men op eens de arbeiders

in hun werk verflauwen zag en er in de verte een gerucht ontstond,

dat, nu de hamerslagen zoo fel niet meer vielen, ook van binnen door

de kloosterlingen gehoord werd.

"Houdt moed! Broeders!" riep vader Syard:--"er daagt redding op!--Onze

vrienden zijn aan den gang met de Hollanders!"

Het was inderdaad zoo: het sein op den toren was zoowel te Stavoren

als in het Friesche leger bespeurd: verspieders, hier en daar achter de

heggen verspreid, hadden reeds de Friesche legerhoofden met de geringe

sterkte der Hollandsche landingstroepen bekend gemaakt: een aantal

boogschutters en slingeraars, voorzichtig achter de aarden wallen en

struiken voortkruipende, was de bij den kruisweg staande krijgsknechten

ongemerkt genaderd en begroette hen nu op eenmaal met een hagelbui

van pijlen en steenen. Te gelijk daagden de welgewapende Lidlummer

monniken en conversen op, met hun Abt aan 't hoofd, door Martena

afgezonden, die nu op de Hollanders aanvielen in hetzelfde oogenblik,

dat deze door de afgeschoten pijlen in verwarring waren gebracht.

Beaumont had zoodra niet bespeurd, dat men aan den viersprong slaags

was, of hij snelde in persoon derwaarts, aan den Heer van Spangen de

zorg overlatende om het klooster te bedwingen. Zijn voornemen was,

om, indien hij den vijand niet terug kon dringen, zijn gansche

macht op de landtong samen te trekken, welke hij overtuigd was,

met goed gevolg te kunnen verdedigen tegen een veel grootere macht

dan de zijne: althans tot zoolang het overige gedeelte van het

leger geland ware. Maar nauwelijks was hij bij de vechtenden, of

hij bemerkte, dat het gevaar grooter was, dan hij dacht. Hij vond

zijn volgers in verwarring gestort door den onverwachten aanval,

en onzeker, hoe zich in slagorde te stellen, dewijl er van elken

kant vijanden aanrukten. Pijl noch slingertuig was den Hollander van

nut; want de vijand, door de duisternis begunstigd, was hem reeds op

het lijf gevallen eer hij zich daarvan bedienen kon: en de te paard

zittende Ridders en speermannen, tusschen het voetvolk ingedrongen,

waren ternauwernood in staat om zich te bewegen en van hun wapenen

een goed gebruik te maken: terwijl zij zelven, buiten de hoofden

uitstekende, tot een des te wisser merk strekten voor de Friesche

boogschutters. Wel waren eenige ruiters en voetknechten het land

opgerukt om deze laatsten uit hunne schuilhoeken te verdrijven; maar

de weekheid van den grond, welke langs het meer, gelijk wij zeiden,

moerassig was, de menigvuldige slooten en dijkjes, welke zij gedurig

ontmoetten, maakten hun weldra zoowel het voortgaan als den terugtocht

even moeilijk: en bleven zij op de landpaden, daar zagen zij zich

dadelijk van alle zijden bestookt door de vijanden, die òf hun te

gemoet kwamen, òf van achter hunne hinderlagen te voorschijn sprongen.

De komst van Beaumont, die nu, onder het uitgalmen van zijn

oorlogsschreeuw, langs de zijnen heen en weder reed, deed voor een

oogenblik hun moed herleven. Voorziende, dat alles verloren zou zijn,

tenware men zich in geregelde slagorde vormde, liet hij het sein

der herzameling blazen, met het oogmerk om naar de landtong terug te

trekken. Men voldeed terstond aan het bevelteeken; maar nauwelijks

was een klein gedeelte van zijn volk de landtong opgerukt, of hij

zag zich den weg afsnijden door een nieuwe bende, die, door Aylva in

persoon aangevoerd, met een paar schuiten uit de haven van Stavoren

aangekomen, en halverwege de landtong geland was. Nu was het, gelijk

Vondel zich uitdrukt:

Nu was het, elck voor zich: een ieder bergh zijn leven.

Een algemeene schrik had de Hollanders bevangen, die, overal

niets dan vijanden ziende, zonder naar de bevelen van Beaumont,

die hen hereenigen wilde, te luisteren, op de vlucht togen en zich

naar den zeekant spoedden, ten einde hunne vaartuigen weder te

bereiken. Vruchteloos waren de bedreigingen en smeekingen van hun

legerhoofd, die in weerwil van zich zelven zich door den drang der

menigte genoodzaakt zag, van de landtong te wijken, en in de vlucht

werd medegesleept. Een groot deel der Friezen vervolgde de Hollanders,

een groote slachting onder hen aanrichtende: de Abt van Lidlum echter

voegde zich met eenigen der zijnen bij Aylva om met hem het klooster

te helpen herwinnen, waarvan zij vreesden dat zich de vijand reeds

meester had gemaakt.

Wat Beaumont betrof, hij was met de zijnen de landingsplaats reeds

genaderd; maar wie schildert de verslagenheid, die zijne, nu radelooze,

volgers beving, toen de morgenschemering, die langzamerhand begon aan

te breken, hun deed zien, dat de schepen, waarin zij hunne eenige

toevlucht stelden, met de ebbe waren van wal gedreven en alle kans

om te ontkomen voorbij was.

De Roos van Dekama · 第 41 / 46 题