TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Sy quamen 's morgens met getaelen

Van schepen, klein en groot;

Maar toen de nacht begon te daelen

Riep elck: waer is de vloot?

Geusen-liedtjen op de Armada.

Het was op den morgen van dien dag, dat de koggen, bestemd het

Grafelijke leger naar de Friesche kust over te brengen, en welke met

den meesten spoed den IJsel, de Vecht en het IJ waren komen afzakken,

zich in de kom van de Zuiderzee vereenigd hadden en aldaar een machtige

vloot gevormd van over de tweehonderd vaartuigen, die nu gezamenlijk

naar de Friesche kust den steven wendden. Nooit voorheen was een

heerlijker schouwspel in die wateren te zien geweest: nooit was er een

tocht op de Zuiderzee beproefd geworden, ontzaglijker door het aantal,

uitnemender door den rang, belangrijker door de vermaardheid van hen,

die daaraan deelnamen. Geheel de adel van Holland, van Henegouwen en

van het Sticht was op de vloot vertegenwoordigd: en menig heer- en

ridderlijk Huis had er al zijn leden gezonden. Met een oogverblindenden

luister schitterde de morgenzon op de nieuwgeverfde en geëmailleerde

blazoenen en wapenborden, welke aan mast en spiegel praalden, op de

vergulde helmen en op het blinkend staal van schilden en rondassen:

dartel speelde de wind in de ontelbare wimpels en banderollen, of

deed hij de blanke pluimen en geborduurde mantels golven op zijn

adem: en die van verre dat heerlijk schouwspel had kunnen genieten,

zou gewaand hebben, dat hij een vereeniging dier zeebewoners zag, van

welke de Arabische schrijvers in hun vindingrijke verhalen spreken,

die met goud en koralen en edelgesteenten en kostbare zeegewassen

beladen, zich boven de oppervlakte der wateren vertoonen. Aan boord

heerschte overal onbedwongen vroolijkheid: dartele scherts en blij

gezang verwisselden elkaar en aller harten waren tot blijmoedigheid en

hooge verwachting gestemd: de bezorgdheid, welke, gelijk wij verhaald

hebben, bij sommigen, over deze onderneming was gevoed geweest, zoolang

zij niet werkelijk was aangevangen, was verdwenen, zoodra men zich aan

boord bevond: zij had voor een kommerlooze gerustheid plaats gemaakt;

want hoe kon men anders, wanneer men het oog in 't ronde sloeg, en die

landingstroepen zag, wier aantal omtrent gelijkstond met de gansche

bevolking van Wester- en Oostergoo te zamen, en geheel uit welgeoefende

strijders bestond, hoe kon men anders dan zich een gemakkelijke zege

toeschrijven? Nadat Utrecht, het rijke en machtige Utrecht gezwicht

was, was het toch niet te denken, dat de onderling verdeelde Friezen

eenigen noemenswaarden wederstand zouden beproeven. Vroolijk schuimde

de beker dan ook rond en wenschte men elkaar geluk met de bijna

zekere overwinning. Ach! weinig dachten zij, die moedige Ridders en

Baanrotsen, dat de blijde disch, waarom zij zich onder luide gezangen

en schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg!

Er was echter onder al die hooggestemde tochtgenooten een enkele,

die niet in de algemeene blijmoedigheid deelde, ofschoon zijn gelaat

die trachtte voor te wenden: het was het hoofd der onderneming zelf,

Graaf Willem, die anders, meer dan een ander, reden moest gehad hebben

om op zijn gelukster, die hem nooit verlaten had, een blind vertrouwen

te stellen, indien dit al niet bij hem opgewekt werd door de gunstige

voorteekenen, waaronder de tocht was aangevangen. De oorzaak zijner

geheime zorg was bovendien van een zoo beuzelachtigen aard, dat hij er

zelf schaamte over had; maar het innerlijk gevoel, dat hem ontrustte,

was hem te sterk, dan dat hij het door redeneering of verstrooiing kon

te boven komen. Op het vaartuig dat zijn vlag droeg was een prachtig

paviljoen opgericht, van welks top de driedubbele Gravenkroon sierlijk

schitterde tusschen een bundel van kunstig gewerkte banieren: van

welks troonhemel het fluweel in purperen plooien, met gouden franje

geboord, rondom afhing, terwijl rozeroode gordijnen van zijde de

stralen van het zonnelicht keerden. Daarbinnen liepen banken rond, met

spierwit doek overtogen en bedekt met donzige kussens van karmozijn,

waar 's Graven naamcijfer of wapen in gouden letteren op prijkte:

terwijl een dressoir, over den ingang geplaatst, beladen was met al

de geriefelijkheden, die den smaak konden streelen, en van goud en

zilver fonkelde. Dit fraai geheel was een geschenk van den Bisschop

van Utrecht en de vrucht van het nacht en dag doorwerken der meest

bekwame kunstenaars uit al de omliggende steden. Kort na het afzeilen

was de Graaf het paviljoen binnengetreden om er al den rijkdom van te

bewonderen; maar niet weinig was hij verwonderd geweest, van op het

dressoir, in den voor hem bestemden drinkhoorn een briefje te vinden,

waarop deze woorden te lezen waren: "denk aan de voorspelling van

Reinout van Gelder."--Dadelijk na de lezing verborg hij die ontijdige

waarschuwing: en, het paviljoen uittredende, vroeg hij aan den

deurwachter, op een toon, dien hij zoo kalm mogelijk deed schijnen,

wie er vóór hem binnen geweest ware.

De deurwachter betuigde op zijne eer, dat niemand zich verstout

had binnen te treden, sedert het paviljoen gezet was, dan alleen de

behangers en een paar lijfbedienden des Bisschops, ten einde zich te

verzekeren dat alles in behoorlijke orde ware.

De Graaf sloeg de oogen om zich heen en ontdekte kort bij hem het

vaartuig, waarin Jan van Arkel zich bevond, in zijn priesterlijk

gewaad, half zittende en half liggende tusschen een hoop welgevulde

kussens, op het dek gespreid. De oogen des Kerkvoogds hadden op

dit oogenblik een boosaardig spottende uitdrukking; maar zoodra de

Graaf hem aansprak, nam het gelaat terstond weder de effen plooi aan,

die het gewoonlijk kenmerkte.

"Wij hebben nooit iets prachtigers gezien dan uw geschenk, Heer

Neef!" riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen

eenigszins nader bij elkander brachten, om het gesprek tusschen de

twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken.

"Uwe Genade heeft te veel goedheid," zeide de Bisschop, zich half

opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette:

"ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen

behandelen."

"Men vindt er bewonderenswaardige dingen in," vervolgde Willem, hem

veelbeduidend aanziende; "dingen, die men er niet zou verwachten. Die

drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de

inhoud heeft ons verrast."

't Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, 't zij

dat hij op alles gewapend ware, de effen kalmte van zijn trekken

onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet

neder voor den scherpen blik des Graven: "ik had gelast," antwoordde

hij, op een flauwen toon, "dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen,

die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend

voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen;

want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op

mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe

Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb."

Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zich

omwendende, zakte hij in zijn kussens neer.

"Nu ben ik even wijs," dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging

en het dek op en neer wandelde. "Maar kom! die grillen uit het hoofd

gezet. Waar is de kaart van Friesland?--Mijne Heeren! wij zullen ons

plan van landing nog eens nazien."

Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teylingen en eenige

andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen

gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek,

de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten:--ieder oogenblik

liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen:

waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend

was; maar dat, zoo de wind niet voordeeliger werd, men genoodzaakt

zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de

twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was.

"Ik heb het al gevreesd,"--zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op

tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht

werd:--"wanneer zal men eens vaartuigen uitvinden, die niet van den

wind afhangen?"

Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn

zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte

hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich

gedwongen, zijn voorbeeld te volgen.

"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "daar zijn er al drie, die wegloopen

zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zijn

leenmannen gelijk zijn:--en men moet bekennen, dat wij mooi scheef

gaan en aardig stooten.--Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de

Bisschop van sprak?"

Met deze woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik

dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een

golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg.

"Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde," zeide Willem, het oog

slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander

vloeide, "en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord

te verzuipen, zoo niet in zeewater, dan in druivennat:--dat ware een

andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat

noodlottige orakel:--zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?"

Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een

belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegenwind

te zien worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende

vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle

banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen

noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien

onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt.

Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag

werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een

flauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen

en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de

eetlust bij velen, en de Graaf had juist last gegeven, dat men de

omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in 't verschiet een

schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het

was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en

die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich

terstond aan boord van des Graven schip.

"Welnu!" zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen

stond: "wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al

onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?"

Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer

bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.

"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende:

"dat is fout!--Intusschen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar

wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige

eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar het volk dat met u was,

zit dat nog onder uwe vaten?"

"Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen," zeide Krijn Jansz. "Die

twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in hun

schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten, zonder

weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal gebleven,

om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem, zoo mogelijk,

te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik, nadat wij Stavoren

verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in

zee overrompeld hebben. Zij zouden zich vandaag op de hoogte van het

dorpje Norwert, benoorden Stavoren, ophouden, met den nacht landen, en

het dorpje in brand steken: dan kon uwe Genade op het licht aanzeilen."

"En dat zullen wij doen ook!--Dit verandert ons plan eenigszins, mijne

Heeren! maar dat is om 't even. Men boodschappe deze tijding terstond

aan den Heer van Beaumont. Hij houde met zijne vaartuigen op de Lemmer

aan en rukke vandaar landwaarts in, terwijl wij benoorden Stavoren

landen: dan vereenigen wij ons in het hart van Friesland. Ha! daar

zal evenwel een kamp plaats hebben!"

"Met het verlof van uwe Genade," zeide Krijn Jansz, die op dit

oogenblik buiten de tent keek: "ik vrees, dat de kamp met den storm

wel de ergste wezen zal, dien gij heden zult strijden. Ik zal zien

uw boodschap te doen, maar ik moet naar mijn schip keeren. Wel over!"

En zonder eenigen verderen last af te wachten, ijlde hij het paviljoen

uit en sprong in zijn vaartuig over.

"Storm?" herhaalde de Graaf, verwonderd op het dek tredende. "Is de

kerel dol? Het is het heerlijkste weer, dat men uitdenken kan."

"Naar binnen, Graaf!" riep de schipper, die aan 't roer stond, hem toe:

"alle man op het dek! Bergt de zeilen!"

"Mij dunkt," zeide Willem, de vermaning des schippers volgende,

"dat ons gezag nu geheel naar de maan is. Straks praatte ik nog van

gelijkheid; maar nu zie ik wel, dat de Keizer zelf geen baas zou zijn,

als hij zich aan boord bevond."

Niet lang echter kon hij zijn nieuwsgierigheid en ongeduld

bedwingen. Hij trad weder naar den ingang van het paviljoen;

maar hij bemerkte reeds dadelijk, dat de schipper de waarheid had

gesproken. De gansche toestand der vloot was veranderd. Nergens was

een zeil meer te aanschouwen: de zee had op eenmaal die gele, vale

kleur aangenomen, die een geweldige, inwendige beroering verkondigt,

en stak, sterk door de zon verlicht zijnde, krachtig af tegen de

donkere en loodkleurige wolken, die, als een tooverslag opgewekt,

uit het Oosten kwamen opdagen. Nog was het water stil om hen heen;

maar het duurde geen twintig tellens, of de windvlaag, welke men van

verre over de oppervlakte der zee zag aankomen, was nabij hen, en

had het paviljoen omgeworpen, waarvan de rijke hangtapijten, nu als

rag gescheurd, maar weerhouden door de sterke koorden, waaraan zij

vast waren gemaakt, over het dek in de hoogte fladderden. Terstond

snelden een paar matrozen toe en sneden die koorden los, zoodat nu

dat geheele meesterstuk van kunst overboord vloog.

"Daar gaat onze heerlijkheid naar de visschen," zeide de Graaf, met

een gedwongen lach; maar eene kille huivering overviel hem, toen hij

de kronen, waarmede het paviljoen versierd was geweest, ter prooi

der golven zag. Hij had echter schier geen tijd tot denken; want

op hetzelfde oogenblik ontlastten zich de wolken in zulke hagel- en

regenbuien, dat het dek een stortvloed geleek, en de gansche krijgsdos

der edelen en gewapenden in een oogenblik onkenbaar was. Geen pluim

was er meer, die niet gescheurd en druipend neerhing: geen wapenrok

of mantel, waarin de hagelsteenen geen gaten hadden geslagen.

"Voor den duivel!" zeide Walcourt: "de Friezen zullen ons voor een

koppel wilde eenden aanzien, als wij ons zoo aan hen vertoonen."

"De Graaf had ook wel naar beneden kunnen gaan," bromde Teylingen:

"zoo hij er vermaak in schept, doornat te worden, ik zie volstrekt

niet, waarom wij onze plunje moeten laten bederven."

"Durft gij het hem niet voorstellen?" vroeg een ander edelman.

"Ik heb het reeds gedaan; maar hij vroeg mij, of wij van zout

waren. Zie eens! mijn overrok is aan flarden gehageld; en mijn helm

zal meer roestvlakken bekomen, dan of hij tien jaren in den dauw

gelegen had."

Terwijl zij zich dus beklaagden, stond de Graaf onbeweeglijk tegen

den mast geleund. Deze schonk hem een gedeeltelijke beschutting

tegen het onweder; echter had hij niet zoozeer daarom deze plaats

uitgekozen: zijn oog bleef met een angstig ongeduld gevestigd op

de overige schepen; en pijnlijk was de indruk, door die beschouwing

teweeggebracht. De schoone orde, waarmede de vloot nog zoo kort geleden

zeilde, was verbroken: het geweld van den wind, die ieder oogenblik

veranderde, had de vaartuigen in een oogenblik over de oppervlakte der

zee verstrooid: sommige schepen waren op zandgronden vastgeraakt, en

hun half omgeslagen kielen leverden een onheilspellend schouwspel op:

andere, wier manschap niet tijdig genoeg klaar geweest was, hadden den

mast moeten kappen en met zeil en want overboord werpen: enkele, wier

schippers stoutmoediger waren, of die door den breeden bouw minder

gevaar hadden van om te slaan, hadden het fokkezeil bijgehouden,

lensden op Gods genade voort, en waren spoedig uit het gezicht:

de meeste echter werden nu her- dan derwaarts heengeslingerd.

De avond begon intusschen te vallen en het werd den Graaf hoe langer

hoe moeilijker te onderscheiden, hoevele schepen hij nog bij zich

had. Op eens kreeg hij van verre een licht in 't oog.

"Wat kan dat zijn?" vroeg hij aan een bootsgezel, die nevens hem stond.

"Dat is Stavoren, uwe Genade," was het antwoord: "en zoo de wind

nog blijft aanzuidelijken, zitten wij binnen een paar uren op de

Friesche kust."

De Graaf ontving deze tijding zonder schrik; maar ook zonder

genoegen. Zijn last was, dit had hij wel bespeurd, niet aan Beaumont

kunnen gebracht worden: zijn schoone vloot was verstrooid, en hij wist

niet, hoe lange tijd er verloopen zou, eer men de schepen weder bij

elkander zou kunnen brengen en de orde van de landing herkrijgen. Hij

pleegde nu raad met den schipper, die het meest raadzaam oordeelde,

een poging te doen om voor Enkhuizen te ankeren en daar den dag af

te wachten. Dit gelukte na eenigen tijd: de lantaren werd aan den

mast geheschen, en werkelijk zag men dit sein door sommige vaartuigen

herhalen, die hetzelfde voorbeeld gevolgd hadden. Dan niet lang hadden

zij zich op die reede bevonden, toen de schepelingen een hevige vlam

ten noorden van Stavoren zagen opstijgen.

"Ha!" riep Willem, die op dit gezicht al zijn moed herleven voelde:

"zij houden woord, mijn trouwe Zeeuwen! Hoe is de wind, schipper?"

"Nu sedert eenigen tijd stik zuidwest," was het antwoord.

"Dan het anker gelicht en op die vuurbaak afgezeild! Sint-Niklaas is

met ons!"'

"Ik vrees er voor," zeide de bezorgde schipper: "het is hier zulk

een vervloekt vaarwater, dat wij, bij nacht varende, machtig veel

kans hebben om aan den grond te geraken."

"Om 't even! daar moet een poging worden aangewend. Ik kan mijn dappere

strijdmakkers, dien kleinen hoop daar aan wal, niet hulpeloos laten. En

dan? herschept dat vuur den nacht niet in een dag? daarop aangehouden,

zeg ik: de gevolgen zijn voor mijne rekening."

De schipper haalde de schouders op en gehoorzaamde; zijn voorbeeld

werd door de nabij hen liggende schepen gevolgd en weldra stevende

alles naar Norwert toe: maar ofschoon sommige vaartuigen den tocht

voorspoedig volbrachten, bleek het echter, dat de angst des schippers

niet voorbarig was geweest; want de grootste helft van het smaldeel

raakte ieder oogenblik vast en kwam dus, òf niet, òf te laat, ter

bestemmingsplaatse aan.

Het vaartuig, waarop de Bisschop zich bevond, had langen tijd omtrent

gelijken koers met dat des Graven gehouden. Hoewel door gestadige

zeeziekte gekweld, had Arkel echter niet zonder een geheim genoegen

den bedroefden toestand der vloot waargenomen. Toen het duister begon

te worden liet hij den schipper bij zich komen.

"Gij behoeft u zoo niet te haasten," zeide hij: "ik ga slechts als

toeschouwer mede: en als het donker is, kan ik toch niets zien."

"Hoogwaardigste!" zeide de schipper: "ik vrees, dat, indien ik niet

zooveel mogelijk koers op het noorden houde, wij te ver van het

Grafelijk schip zullen afdwalen: want de wind zou ons oostwaarts

drijven."

"Zeer wel!" hernam de Bisschop; "maar ik heb geen trek om op het

Enkhuizer Zand vast te raken. Doe mij het vermaak en poog zoo lang

als gij kunt in 't goede vaarwater te blijven."

"Hoogwaardigste!" zeide de schipper verbaasd: "dan raken wij hoe langer

hoe verder van de vloot en drijven misschien tot aan de Kuinder af."

"Licht mogelijk:--en indien het niet anders kan," zeide Arkel, die

deze gevolgtrekking des schippers wel verwacht en daarop zijn gansche

redeneering gegrond had, "dan zie ik er geen kwaad in, naar de Kuinder

te trekken. Daar zijn wij op onzijdigen grond en toch aan de grenzen

van Friesland.--Ja! steven gerust naar de Kuinder: als net dag is,

kunnen wij altijd zien wat wij doen zullen."

De schipper gehoorzaamde: en de gewapenden van 's Bisschops gevolg,

die het onderhoud niet vernomen hadden, waren niet weinig verwonderd,

toen zij zich 's morgens bij hun ontwaken in de haven van de Kuinder

zagen. De Bisschop ging dadelijk met zijn geestelijken en verder gevolg

aan land en trok naar het nabij de stad gelegene nonnenklooster van

Sinte-Martha, waar hij besloten had van de reis uit te rusten en op

nadere tijding uit Friesland te wachten, ten einde naar bevind van

zaken te kunnen handelen.

Hij vond bij zijn aankomst een groote beweging in het gesticht. Er

was den avond te voren een vreemde dame aldaar aangekomen, die naar

Friesland toog, maar door het slechte weer verhinderd was geworden

hare reis te vervolgen. Zij scheen een vrouw van aanzien te zijn;

althans voor zooverre men zulks moest opmaken uit hetgeen de gids,

die haar vergezelde, van haar dienaars en juffers vernomen had.

Men kan licht beseffen, welke verlegenheid en verwarring het onverwacht

bezoek van den Bisschop bij de vrouw Abdis en haar vrome gezellinnen

teweegbracht. In het afgelegen en weinig bezochte klooster van de

Kuinder waren vreemdelingen een buitengewoon, een welkom verschijnsel,

hetwelk voor een geheel jaar stof tot gesprekken gaf;--maar nu

twee hooge personages te gelijk! een uitheemsche Vorstin!--want

dit voor 't minst moest de onbekende zijn: en het geestelijk hoofd

van het Sticht.--Dat was te veel genoegen op eenmaal en bracht al

de nonnenhoofdjes op hol. Waar zou men die beide bezoekers en hun

gevolg plaatsen? Of de vreemde dame haar reis dien dag vervolgen

zoude, was nog onzeker, want er waren reeds geruchten in omloop,

dat men in Friesland met strijden bezig was:--haar weg te zenden,

ware onchristelijk geweest:--en den Bisschop kon men nog veel minder

terugwijzen.

Arkel kon niet nalaten, hartelijk te lachen, toen hij de verlegenheid

der Abdis vernam: en zich terstond bij haar begevende, nam hij alle

zwarigheid weg, door te melden, dat hij zich met elk vertrek, hoe

klein ook, behelpen zou, en zijn stoet, op eenen lijfbediende na,

naar de Kuinder terugzenden. Op deze wijze was alles spoedig geschikt:

en niet lang daarna was de Abdis, recht opgeruimd en wel te moede,

bij naar beide voorname gasten aan een goeden disch gezeten.

De Roos van Dekama · 第 40 / 46 题