Sy quamen 's morgens met getaelen
Van schepen, klein en groot;
Maar toen de nacht begon te daelen
Riep elck: waer is de vloot?
Geusen-liedtjen op de Armada.
Het was op den morgen van dien dag, dat de koggen, bestemd het
Grafelijke leger naar de Friesche kust over te brengen, en welke met
den meesten spoed den IJsel, de Vecht en het IJ waren komen afzakken,
zich in de kom van de Zuiderzee vereenigd hadden en aldaar een machtige
vloot gevormd van over de tweehonderd vaartuigen, die nu gezamenlijk
naar de Friesche kust den steven wendden. Nooit voorheen was een
heerlijker schouwspel in die wateren te zien geweest: nooit was er een
tocht op de Zuiderzee beproefd geworden, ontzaglijker door het aantal,
uitnemender door den rang, belangrijker door de vermaardheid van hen,
die daaraan deelnamen. Geheel de adel van Holland, van Henegouwen en
van het Sticht was op de vloot vertegenwoordigd: en menig heer- en
ridderlijk Huis had er al zijn leden gezonden. Met een oogverblindenden
luister schitterde de morgenzon op de nieuwgeverfde en geëmailleerde
blazoenen en wapenborden, welke aan mast en spiegel praalden, op de
vergulde helmen en op het blinkend staal van schilden en rondassen:
dartel speelde de wind in de ontelbare wimpels en banderollen, of
deed hij de blanke pluimen en geborduurde mantels golven op zijn
adem: en die van verre dat heerlijk schouwspel had kunnen genieten,
zou gewaand hebben, dat hij een vereeniging dier zeebewoners zag, van
welke de Arabische schrijvers in hun vindingrijke verhalen spreken,
die met goud en koralen en edelgesteenten en kostbare zeegewassen
beladen, zich boven de oppervlakte der wateren vertoonen. Aan boord
heerschte overal onbedwongen vroolijkheid: dartele scherts en blij
gezang verwisselden elkaar en aller harten waren tot blijmoedigheid en
hooge verwachting gestemd: de bezorgdheid, welke, gelijk wij verhaald
hebben, bij sommigen, over deze onderneming was gevoed geweest, zoolang
zij niet werkelijk was aangevangen, was verdwenen, zoodra men zich aan
boord bevond: zij had voor een kommerlooze gerustheid plaats gemaakt;
want hoe kon men anders, wanneer men het oog in 't ronde sloeg, en die
landingstroepen zag, wier aantal omtrent gelijkstond met de gansche
bevolking van Wester- en Oostergoo te zamen, en geheel uit welgeoefende
strijders bestond, hoe kon men anders dan zich een gemakkelijke zege
toeschrijven? Nadat Utrecht, het rijke en machtige Utrecht gezwicht
was, was het toch niet te denken, dat de onderling verdeelde Friezen
eenigen noemenswaarden wederstand zouden beproeven. Vroolijk schuimde
de beker dan ook rond en wenschte men elkaar geluk met de bijna
zekere overwinning. Ach! weinig dachten zij, die moedige Ridders en
Baanrotsen, dat de blijde disch, waarom zij zich onder luide gezangen
en schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg!
Er was echter onder al die hooggestemde tochtgenooten een enkele,
die niet in de algemeene blijmoedigheid deelde, ofschoon zijn gelaat
die trachtte voor te wenden: het was het hoofd der onderneming zelf,
Graaf Willem, die anders, meer dan een ander, reden moest gehad hebben
om op zijn gelukster, die hem nooit verlaten had, een blind vertrouwen
te stellen, indien dit al niet bij hem opgewekt werd door de gunstige
voorteekenen, waaronder de tocht was aangevangen. De oorzaak zijner
geheime zorg was bovendien van een zoo beuzelachtigen aard, dat hij er
zelf schaamte over had; maar het innerlijk gevoel, dat hem ontrustte,
was hem te sterk, dan dat hij het door redeneering of verstrooiing kon
te boven komen. Op het vaartuig dat zijn vlag droeg was een prachtig
paviljoen opgericht, van welks top de driedubbele Gravenkroon sierlijk
schitterde tusschen een bundel van kunstig gewerkte banieren: van
welks troonhemel het fluweel in purperen plooien, met gouden franje
geboord, rondom afhing, terwijl rozeroode gordijnen van zijde de
stralen van het zonnelicht keerden. Daarbinnen liepen banken rond, met
spierwit doek overtogen en bedekt met donzige kussens van karmozijn,
waar 's Graven naamcijfer of wapen in gouden letteren op prijkte:
terwijl een dressoir, over den ingang geplaatst, beladen was met al
de geriefelijkheden, die den smaak konden streelen, en van goud en
zilver fonkelde. Dit fraai geheel was een geschenk van den Bisschop
van Utrecht en de vrucht van het nacht en dag doorwerken der meest
bekwame kunstenaars uit al de omliggende steden. Kort na het afzeilen
was de Graaf het paviljoen binnengetreden om er al den rijkdom van te
bewonderen; maar niet weinig was hij verwonderd geweest, van op het
dressoir, in den voor hem bestemden drinkhoorn een briefje te vinden,
waarop deze woorden te lezen waren: "denk aan de voorspelling van
Reinout van Gelder."--Dadelijk na de lezing verborg hij die ontijdige
waarschuwing: en, het paviljoen uittredende, vroeg hij aan den
deurwachter, op een toon, dien hij zoo kalm mogelijk deed schijnen,
wie er vóór hem binnen geweest ware.
De deurwachter betuigde op zijne eer, dat niemand zich verstout
had binnen te treden, sedert het paviljoen gezet was, dan alleen de
behangers en een paar lijfbedienden des Bisschops, ten einde zich te
verzekeren dat alles in behoorlijke orde ware.
De Graaf sloeg de oogen om zich heen en ontdekte kort bij hem het
vaartuig, waarin Jan van Arkel zich bevond, in zijn priesterlijk
gewaad, half zittende en half liggende tusschen een hoop welgevulde
kussens, op het dek gespreid. De oogen des Kerkvoogds hadden op
dit oogenblik een boosaardig spottende uitdrukking; maar zoodra de
Graaf hem aansprak, nam het gelaat terstond weder de effen plooi aan,
die het gewoonlijk kenmerkte.
"Wij hebben nooit iets prachtigers gezien dan uw geschenk, Heer
Neef!" riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen
eenigszins nader bij elkander brachten, om het gesprek tusschen de
twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken.
"Uwe Genade heeft te veel goedheid," zeide de Bisschop, zich half
opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette:
"ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen
behandelen."
"Men vindt er bewonderenswaardige dingen in," vervolgde Willem, hem
veelbeduidend aanziende; "dingen, die men er niet zou verwachten. Die
drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de
inhoud heeft ons verrast."
't Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, 't zij
dat hij op alles gewapend ware, de effen kalmte van zijn trekken
onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet
neder voor den scherpen blik des Graven: "ik had gelast," antwoordde
hij, op een flauwen toon, "dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen,
die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend
voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen;
want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op
mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe
Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb."
Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zich
omwendende, zakte hij in zijn kussens neer.
"Nu ben ik even wijs," dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging
en het dek op en neer wandelde. "Maar kom! die grillen uit het hoofd
gezet. Waar is de kaart van Friesland?--Mijne Heeren! wij zullen ons
plan van landing nog eens nazien."
Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teylingen en eenige
andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen
gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek,
de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten:--ieder oogenblik
liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen:
waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend
was; maar dat, zoo de wind niet voordeeliger werd, men genoodzaakt
zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de
twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was.
"Ik heb het al gevreesd,"--zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op
tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht
werd:--"wanneer zal men eens vaartuigen uitvinden, die niet van den
wind afhangen?"
Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn
zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte
hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich
gedwongen, zijn voorbeeld te volgen.
"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "daar zijn er al drie, die wegloopen
zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zijn
leenmannen gelijk zijn:--en men moet bekennen, dat wij mooi scheef
gaan en aardig stooten.--Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de
Bisschop van sprak?"
Met deze woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik
dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een
golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg.
"Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde," zeide Willem, het oog
slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander
vloeide, "en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord
te verzuipen, zoo niet in zeewater, dan in druivennat:--dat ware een
andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat
noodlottige orakel:--zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?"
Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een
belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegenwind
te zien worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende
vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle
banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen
noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien
onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt.
Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag
werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een
flauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen
en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de
eetlust bij velen, en de Graaf had juist last gegeven, dat men de
omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in 't verschiet een
schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het
was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en
die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich
terstond aan boord van des Graven schip.
"Welnu!" zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen
stond: "wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al
onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?"
Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer
bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.
"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende:
"dat is fout!--Intusschen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar
wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige
eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar het volk dat met u was,
zit dat nog onder uwe vaten?"
"Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen," zeide Krijn Jansz. "Die
twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in hun
schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten, zonder
weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal gebleven,
om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem, zoo mogelijk,
te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik, nadat wij Stavoren
verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in
zee overrompeld hebben. Zij zouden zich vandaag op de hoogte van het
dorpje Norwert, benoorden Stavoren, ophouden, met den nacht landen, en
het dorpje in brand steken: dan kon uwe Genade op het licht aanzeilen."
"En dat zullen wij doen ook!--Dit verandert ons plan eenigszins, mijne
Heeren! maar dat is om 't even. Men boodschappe deze tijding terstond
aan den Heer van Beaumont. Hij houde met zijne vaartuigen op de Lemmer
aan en rukke vandaar landwaarts in, terwijl wij benoorden Stavoren
landen: dan vereenigen wij ons in het hart van Friesland. Ha! daar
zal evenwel een kamp plaats hebben!"
"Met het verlof van uwe Genade," zeide Krijn Jansz, die op dit
oogenblik buiten de tent keek: "ik vrees, dat de kamp met den storm
wel de ergste wezen zal, dien gij heden zult strijden. Ik zal zien
uw boodschap te doen, maar ik moet naar mijn schip keeren. Wel over!"
En zonder eenigen verderen last af te wachten, ijlde hij het paviljoen
uit en sprong in zijn vaartuig over.
"Storm?" herhaalde de Graaf, verwonderd op het dek tredende. "Is de
kerel dol? Het is het heerlijkste weer, dat men uitdenken kan."
"Naar binnen, Graaf!" riep de schipper, die aan 't roer stond, hem toe:
"alle man op het dek! Bergt de zeilen!"
"Mij dunkt," zeide Willem, de vermaning des schippers volgende,
"dat ons gezag nu geheel naar de maan is. Straks praatte ik nog van
gelijkheid; maar nu zie ik wel, dat de Keizer zelf geen baas zou zijn,
als hij zich aan boord bevond."
Niet lang echter kon hij zijn nieuwsgierigheid en ongeduld
bedwingen. Hij trad weder naar den ingang van het paviljoen;
maar hij bemerkte reeds dadelijk, dat de schipper de waarheid had
gesproken. De gansche toestand der vloot was veranderd. Nergens was
een zeil meer te aanschouwen: de zee had op eenmaal die gele, vale
kleur aangenomen, die een geweldige, inwendige beroering verkondigt,
en stak, sterk door de zon verlicht zijnde, krachtig af tegen de
donkere en loodkleurige wolken, die, als een tooverslag opgewekt,
uit het Oosten kwamen opdagen. Nog was het water stil om hen heen;
maar het duurde geen twintig tellens, of de windvlaag, welke men van
verre over de oppervlakte der zee zag aankomen, was nabij hen, en
had het paviljoen omgeworpen, waarvan de rijke hangtapijten, nu als
rag gescheurd, maar weerhouden door de sterke koorden, waaraan zij
vast waren gemaakt, over het dek in de hoogte fladderden. Terstond
snelden een paar matrozen toe en sneden die koorden los, zoodat nu
dat geheele meesterstuk van kunst overboord vloog.
"Daar gaat onze heerlijkheid naar de visschen," zeide de Graaf, met
een gedwongen lach; maar eene kille huivering overviel hem, toen hij
de kronen, waarmede het paviljoen versierd was geweest, ter prooi
der golven zag. Hij had echter schier geen tijd tot denken; want
op hetzelfde oogenblik ontlastten zich de wolken in zulke hagel- en
regenbuien, dat het dek een stortvloed geleek, en de gansche krijgsdos
der edelen en gewapenden in een oogenblik onkenbaar was. Geen pluim
was er meer, die niet gescheurd en druipend neerhing: geen wapenrok
of mantel, waarin de hagelsteenen geen gaten hadden geslagen.
"Voor den duivel!" zeide Walcourt: "de Friezen zullen ons voor een
koppel wilde eenden aanzien, als wij ons zoo aan hen vertoonen."
"De Graaf had ook wel naar beneden kunnen gaan," bromde Teylingen:
"zoo hij er vermaak in schept, doornat te worden, ik zie volstrekt
niet, waarom wij onze plunje moeten laten bederven."
"Durft gij het hem niet voorstellen?" vroeg een ander edelman.
"Ik heb het reeds gedaan; maar hij vroeg mij, of wij van zout
waren. Zie eens! mijn overrok is aan flarden gehageld; en mijn helm
zal meer roestvlakken bekomen, dan of hij tien jaren in den dauw
gelegen had."
Terwijl zij zich dus beklaagden, stond de Graaf onbeweeglijk tegen
den mast geleund. Deze schonk hem een gedeeltelijke beschutting
tegen het onweder; echter had hij niet zoozeer daarom deze plaats
uitgekozen: zijn oog bleef met een angstig ongeduld gevestigd op
de overige schepen; en pijnlijk was de indruk, door die beschouwing
teweeggebracht. De schoone orde, waarmede de vloot nog zoo kort geleden
zeilde, was verbroken: het geweld van den wind, die ieder oogenblik
veranderde, had de vaartuigen in een oogenblik over de oppervlakte der
zee verstrooid: sommige schepen waren op zandgronden vastgeraakt, en
hun half omgeslagen kielen leverden een onheilspellend schouwspel op:
andere, wier manschap niet tijdig genoeg klaar geweest was, hadden den
mast moeten kappen en met zeil en want overboord werpen: enkele, wier
schippers stoutmoediger waren, of die door den breeden bouw minder
gevaar hadden van om te slaan, hadden het fokkezeil bijgehouden,
lensden op Gods genade voort, en waren spoedig uit het gezicht:
de meeste echter werden nu her- dan derwaarts heengeslingerd.
De avond begon intusschen te vallen en het werd den Graaf hoe langer
hoe moeilijker te onderscheiden, hoevele schepen hij nog bij zich
had. Op eens kreeg hij van verre een licht in 't oog.
"Wat kan dat zijn?" vroeg hij aan een bootsgezel, die nevens hem stond.
"Dat is Stavoren, uwe Genade," was het antwoord: "en zoo de wind
nog blijft aanzuidelijken, zitten wij binnen een paar uren op de
Friesche kust."
De Graaf ontving deze tijding zonder schrik; maar ook zonder
genoegen. Zijn last was, dit had hij wel bespeurd, niet aan Beaumont
kunnen gebracht worden: zijn schoone vloot was verstrooid, en hij wist
niet, hoe lange tijd er verloopen zou, eer men de schepen weder bij
elkander zou kunnen brengen en de orde van de landing herkrijgen. Hij
pleegde nu raad met den schipper, die het meest raadzaam oordeelde,
een poging te doen om voor Enkhuizen te ankeren en daar den dag af
te wachten. Dit gelukte na eenigen tijd: de lantaren werd aan den
mast geheschen, en werkelijk zag men dit sein door sommige vaartuigen
herhalen, die hetzelfde voorbeeld gevolgd hadden. Dan niet lang hadden
zij zich op die reede bevonden, toen de schepelingen een hevige vlam
ten noorden van Stavoren zagen opstijgen.
"Ha!" riep Willem, die op dit gezicht al zijn moed herleven voelde:
"zij houden woord, mijn trouwe Zeeuwen! Hoe is de wind, schipper?"
"Nu sedert eenigen tijd stik zuidwest," was het antwoord.
"Dan het anker gelicht en op die vuurbaak afgezeild! Sint-Niklaas is
met ons!"'
"Ik vrees er voor," zeide de bezorgde schipper: "het is hier zulk
een vervloekt vaarwater, dat wij, bij nacht varende, machtig veel
kans hebben om aan den grond te geraken."
"Om 't even! daar moet een poging worden aangewend. Ik kan mijn dappere
strijdmakkers, dien kleinen hoop daar aan wal, niet hulpeloos laten. En
dan? herschept dat vuur den nacht niet in een dag? daarop aangehouden,
zeg ik: de gevolgen zijn voor mijne rekening."
De schipper haalde de schouders op en gehoorzaamde; zijn voorbeeld
werd door de nabij hen liggende schepen gevolgd en weldra stevende
alles naar Norwert toe: maar ofschoon sommige vaartuigen den tocht
voorspoedig volbrachten, bleek het echter, dat de angst des schippers
niet voorbarig was geweest; want de grootste helft van het smaldeel
raakte ieder oogenblik vast en kwam dus, òf niet, òf te laat, ter
bestemmingsplaatse aan.
Het vaartuig, waarop de Bisschop zich bevond, had langen tijd omtrent
gelijken koers met dat des Graven gehouden. Hoewel door gestadige
zeeziekte gekweld, had Arkel echter niet zonder een geheim genoegen
den bedroefden toestand der vloot waargenomen. Toen het duister begon
te worden liet hij den schipper bij zich komen.
"Gij behoeft u zoo niet te haasten," zeide hij: "ik ga slechts als
toeschouwer mede: en als het donker is, kan ik toch niets zien."
"Hoogwaardigste!" zeide de schipper: "ik vrees, dat, indien ik niet
zooveel mogelijk koers op het noorden houde, wij te ver van het
Grafelijk schip zullen afdwalen: want de wind zou ons oostwaarts
drijven."
"Zeer wel!" hernam de Bisschop; "maar ik heb geen trek om op het
Enkhuizer Zand vast te raken. Doe mij het vermaak en poog zoo lang
als gij kunt in 't goede vaarwater te blijven."
"Hoogwaardigste!" zeide de schipper verbaasd: "dan raken wij hoe langer
hoe verder van de vloot en drijven misschien tot aan de Kuinder af."
"Licht mogelijk:--en indien het niet anders kan," zeide Arkel, die
deze gevolgtrekking des schippers wel verwacht en daarop zijn gansche
redeneering gegrond had, "dan zie ik er geen kwaad in, naar de Kuinder
te trekken. Daar zijn wij op onzijdigen grond en toch aan de grenzen
van Friesland.--Ja! steven gerust naar de Kuinder: als net dag is,
kunnen wij altijd zien wat wij doen zullen."
De schipper gehoorzaamde: en de gewapenden van 's Bisschops gevolg,
die het onderhoud niet vernomen hadden, waren niet weinig verwonderd,
toen zij zich 's morgens bij hun ontwaken in de haven van de Kuinder
zagen. De Bisschop ging dadelijk met zijn geestelijken en verder gevolg
aan land en trok naar het nabij de stad gelegene nonnenklooster van
Sinte-Martha, waar hij besloten had van de reis uit te rusten en op
nadere tijding uit Friesland te wachten, ten einde naar bevind van
zaken te kunnen handelen.
Hij vond bij zijn aankomst een groote beweging in het gesticht. Er
was den avond te voren een vreemde dame aldaar aangekomen, die naar
Friesland toog, maar door het slechte weer verhinderd was geworden
hare reis te vervolgen. Zij scheen een vrouw van aanzien te zijn;
althans voor zooverre men zulks moest opmaken uit hetgeen de gids,
die haar vergezelde, van haar dienaars en juffers vernomen had.
Men kan licht beseffen, welke verlegenheid en verwarring het onverwacht
bezoek van den Bisschop bij de vrouw Abdis en haar vrome gezellinnen
teweegbracht. In het afgelegen en weinig bezochte klooster van de
Kuinder waren vreemdelingen een buitengewoon, een welkom verschijnsel,
hetwelk voor een geheel jaar stof tot gesprekken gaf;--maar nu
twee hooge personages te gelijk! een uitheemsche Vorstin!--want
dit voor 't minst moest de onbekende zijn: en het geestelijk hoofd
van het Sticht.--Dat was te veel genoegen op eenmaal en bracht al
de nonnenhoofdjes op hol. Waar zou men die beide bezoekers en hun
gevolg plaatsen? Of de vreemde dame haar reis dien dag vervolgen
zoude, was nog onzeker, want er waren reeds geruchten in omloop,
dat men in Friesland met strijden bezig was:--haar weg te zenden,
ware onchristelijk geweest:--en den Bisschop kon men nog veel minder
terugwijzen.
Arkel kon niet nalaten, hartelijk te lachen, toen hij de verlegenheid
der Abdis vernam: en zich terstond bij haar begevende, nam hij alle
zwarigheid weg, door te melden, dat hij zich met elk vertrek, hoe
klein ook, behelpen zou, en zijn stoet, op eenen lijfbediende na,
naar de Kuinder terugzenden. Op deze wijze was alles spoedig geschikt:
en niet lang daarna was de Abdis, recht opgeruimd en wel te moede,
bij naar beide voorname gasten aan een goeden disch gezeten.