Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.
Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
Aylva, nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende,
zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige
Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde
naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds
dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen
van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan,
toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk
gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken.
"Daar zal onze goede Feiko zijn!" zeide Madzy, haar boek nederleggende:
"die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is."
"Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen," zeide Aylva,
"om zijn lang uitblijven te vergoeden."
"Ach!" hernam Madzy, met een zucht: "in de tegenwoordige dagen is
een belangrijke zelden een welkome tijding."
"Ik ben overtuigd," zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek
zat te spinnen, "dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar
zijn tijd verpraat."
Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters
bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij
vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten
hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het
hart van den jongeling gemaakt had.
"Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?" vroeg Madzy,
toen de dienaar het vertrek binnentrad.
"Weinig goeds," antwoordde deze: "de Hollandsche vloot is in aantocht
en misschien voor morgen op de kust."
"De Hollandsche vloot!" herhaalde Aylva: "Feiko, zegt gij
waarheid?--Breng mijn wapens!--Ik heb reeds lang genoeg als een
nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft."
"Om 's Hemels naam! mijn goede voogd!" zeide Madzy: "denk om uw
zwakheid, om uw ongesteldheid."
"Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot
verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijn een pijl
af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind?--Hedennacht,
zegt gij?"
"Laten wij ten minste eerst vernemen," zeide Madzy, "wat Feiko te
verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt."
"Gij hebt gelijk:--welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en
gehoord hebt.... alles; daarmede versta ik het noodige, zonder
uitweidingen of herhalingen."
"Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken
van den dag naar Stavoren was getrokken, om een pond of wat honig te
halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer
hoe meer hoest, sedert hij die pillen inneemt, die Daamke hem gegeven
heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester.... hij deed beter,
sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten
varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den
Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven;
maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen,
ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls
zeg: Daamke! zeg ik...."
"Wat bruien ons Daamke en zijn pillen," zeide de Olderman, ongeduldig
wordende; "ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken. Gij waart
dan te Stavoren."
"Nog niet, Heer Olderman!" hernam Feiko met veel koelbloedigheid:
"ik was nog maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken,
omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag
heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was
als mijn hemd.... Zoodat ik maar zeggen wil," vervolgde hij, ziende
dat Aylva van drift begon te stampvoeten, "dat ik er uitzag als een
Urker varensgast."
"Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper
kleedt?" vroeg Sytsken, spijtig.
"Maar Feiko!" zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: "wat
kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan
't lijf hadt?"
"Meer dan gij denken zoudt misschien," antwoordde Feiko: "ik kwam dan
te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel
gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om
een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel
wonderlijke dingen."
"Nu vraag ik toch eens," zeide Sytsken: "wat Feiko altijd met die
varenslui te maken heeft? Is dat een gezelschap voor den dienaar van
een edelman?"
"Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen
aanhooren?" vroeg Aylva: "kom tot de zaak: wij hebben met uw gedraai
niet noodig."
"Wij komen er al," zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurtelings aanziende:
"maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans
om alles te vertellen zonder iets te vergeten."
"Kom, ga voort, mijn goede Feiko!" zeide Madzy, verontrust door den
staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurde dat zich
Aylva bevond: "verhaal ons alles; maar zoo kort mogelijk."
"Welnu!" vervolgde Feiko: "de Workummer verhaalde dan, dat hij met
vader Syard uit de Eem was gekomen en dat...."
"Is vader Syard terug?--Is het mogelijk!" riepen Aylva en Madzy
verheugd uit.
"En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven
was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden
is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de
overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook
twee gewapende koggen op den Workummer jacht gemaakt; maar oomkool
was hun te vlug."
"Welnu! is dit alles?"
"Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en
hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij
een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand
was vastgeraakt, 't geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn
overal verzet of...."
"Wij weten het:--ga voort."
"Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat
vaartuig:--ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder;--maar
wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was,
die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid."
"Een mantel met lieren...." riep Madzy; terwijl een hoogrood hare
wangen bedekte.
"Een mantel met lieren!" herhaalde Aylva: "was niet ridder Deodaat
op het steekspel juist zoo gekleed?--Het is het wapen van de Scalieri!"
"Dat dacht ik ook zoo bij mij zelf, toen de Workummer dat verhaalde,"
zeide Feiko: "maar ik hield mijn mond.--En toen kwam er een ander,
en vertelde dat vader Syard aan Seerp Van Adeelen gezegd had, dat
de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen--en dat er gewapend
volk in dien bierhaalder school:--en toen werd het volk zoo giftig,
dat het aan 't plunderen en aan 't hangen ging."
"Hangen! wie hing men?"
"Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;--maar daar bemoeide ik mij
niet mee:--ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat
Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen,
dat die nu van een slechte reis kwam."
"Dat was wel van u gedacht," zeide Aylva.--Madzy sprak geen woord;
maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen,
hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang
het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken.
"Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te
verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden:
en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken."
"Dacht ik het niet?" zeide Sytsken: "en wist gij nergens beter raad
te krijgen, dan bij die nuffen?"
"Zwijg Sytsken!" zeide Aylva: "en laat Feiko zijn rede
voleindigen. Welnu--gij waart dan bij Wybinga."
"Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij
zich zelven vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet
tegen de anderen varen kon;--want zij liepen nu allen naar de kaai,
omdat men het vaartuig al in 't gezicht kreeg:--en ieder wou de eerste
zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus;
want hij was op stroom gaan liggen."
"En toen?"
"Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende
hield mij voor een varensgast; 'k was ook de eerste aan boord; maar
jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld."
"Goede God!" riep Madzy: "en hebben zij hem vermoord?" vroeg zij met
een nauwelijks hoorbare stem.
"Neen!--maar 't heeft weinig gescheeld:--Ridder Reinout heeft het
zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen
zal blijven."
"Reinout!" riep Madzy: "God loone hem!"
"Hij is mijner waardig," zeide Aylva, verheugd:--"maar nu de tijding
der vloot, is zij echt?"
"Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden
heengestuurd:--mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem
heden niet zien zoudt:--zij hebben het ook druk genoeg."
"En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel
mijn paard."
"Met uw verlof," zeide Feiko: "Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast,
u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond,
hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou
wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook."
"Zal ik van hem mijn plicht leeren?" vroeg Aylva, vertoornd. "Doe
als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze
stins te verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige
wijkplaats meer verstrekken zal."
"Ach! sta mij toe, hier te blijven," zeide Madzy: "hier kan ik u,
hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een
boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al
wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het
niemand ontbreken."
"Dat weet ik," zeide Aylva: "niemand dan ik, kan beter getuigenis
geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppasster gij zijt. Nu! ik begeer
dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik
zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen
ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten
doodslaan dan het veld te verlaten, zoolang zij nog tanden in den
mond hebben om hun vijand te bijten.--Wees nu zoo goed en help mij,
mij van dit nachtgewaad te ontdoen:--waar blijft Feiko toch?--Het is
waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden."
"Waarlijk, mijn waarde voogd," zeide Madzy: "gij overhaast u te
zeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog
altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds
zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebben,
wanneer u die het meest te stade zult komen."
"Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd;--maar zie, gij beseft
dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te
wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd
en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der
ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht.--Maar
laat ik eens aan 't raam gaan, en naar den wind zien."
"De wind is om, dunkt mij," zeide Madzy.
"Ha! welk een heerlijk gezicht," zeide de Olderman, het venster
openslaande en de lucht beschouwende: "wat zeide hij, de Hollandsche
vloot was nog niet in 't gezicht?--Indien zij hedenmorgen is afgezeild,
moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind is naar
't zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor 't lapje!
"Met den nacht reeds!" zeide Madzy, verbleekende.
"Gewis;--maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof
mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken, en menig
vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in 't oog; krijgen. Er
is zwaar weer op zee:--zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt:
merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo
gij over den heuvel heen kondet kijken, gij zoudt de zee zien schuimen
als een ziedende pot.--Aha! eindelijk is Feiko klaar."
"Waarlijk, Heer Olderman," zeide Feiko, die met de wapenrusting aan
kwam dragen: "ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik
van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken
noodig, die...."
"Wat beenstukken!--Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm:
de beenen zullen wij maar ongedekt laten:--indien wij vechten, zullen
wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle
onnutte wapenrusting maar tot overlast.--Voorwaar!" vervolgde hij,
toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: "ik kan toch merken
dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen."
"Hoe dunner hoe beter," zeide Feiko lachende: "des te meer plaats is
er naast u voor de pijlen."
"Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn
bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter...."
"O! wat dat betreft," zeide Feiko: "daar heeft Jonker Reinout al voor
gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden
naar uw stinsen in Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden."
"Hij is een brave borst, dat moet ik hem nageven," zeide Aylva met
een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde.
"Maar hoor!--daar is weer iemand: de hond blaft...."
"Ik herken die stem!" zeide Madzy: "ja waarlijk, het is vader Syard,
die binnengelaten wil worden."
"Wat jaagt hem hier?" zeide Aylva: "Feiko! gij zult mij mijn helm
achternadragen.--Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien
voor den tijd.--Hoor hoe het onweer buldert!--Ha! daar is de vrome
man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk,
wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien."
"De Heer heeft mij verlost," zeide de monnik, "gelijk Hij Daniël uit
den leeuwenkuil verloste."
"Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd," zeide de
Olderman:--daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens
gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel
te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar
het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden?--waar is mijn zoon?"
"Het is dan waar!--Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die
Ridder Reinout...."
"Dat zal Madzy u alles wel vertellen:--ik moet voort: zeg mij slechts,
waar ik hem vinden zal."
"Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar...."
"Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?"
Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten,
zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was
door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden.
"Om 's Hemels wil, mijn goede voogd!" zeide Madzy: "zult gij u waarlijk
aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel
hersteld zijt."
"Een heerlijk weer," zeide Aylva: "zie, de Hemel strijdt met ons. In
een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel
omslaan: en dan lach ik met een bui."
"Nog een woord, eer gij vertrekt," zeide de monnik: "God weet,
of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen,
dat Ridder Reinout uw zoon is?"
"Vanwaar die vraag?--En op dit oogenblik?" zeide Aylva:--ja, ik heb
die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd,
ten strijde te gaan."
"Gij hebt gelijk," zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel
overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. "Maar dan
heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf
overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u,
draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks,
bij uw zaligheid!"
"Ik zal mijn best doen," zeide Avlva: "ik zelf heb dubbele redenen
om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor
het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy
betoond."
Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar
gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending
genomen; thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag, een in zijn
toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken tocht te ondernemen,
vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij
zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko
leunende, daalde Aylva de trap af; zoodra hij zich echter buiten en
in den zadel bevond, scheen net, of zijn zwakheid geheel verdwenen
was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld,
in vollen draf den weg op naar Stavoren.
Zoodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig
brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn
wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen,
terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen
tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander
veel te vertellen hadden en als 't ware verlegen waren hoe te beginnen.
Eindelijk vatte de monnik het woord op: "Wij hebben wel reden om
God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en
ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te
zullen wederzien."
"God heeft mij gesterkt," zeide Madzy: "maar ik heb veel geleden."
"Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop," zeide de monnik:
"men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart
gevangengehouden.--Mag ik vragen, was deze ook dezelfde als de
burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?"
"Ik zag hem het eerst op het slot," zeide Madzy: "wie hij was heb ik
gezworen te verzwijgen."
"Zooveel ik dan kan opmaken uit het onzamenhangend verhaal van uw
lotgevallen, dat hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers
geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om
te gelooven, dat die zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de
hand in 't spel heeft gehad."
"Die zoogenaamde zoon?--gij hebt reden om te gelooven, dat....?"
"Dat hier een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft;--maar om
des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen
sedert ik u verliet."
Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de
aanleiding tot haar opneming in 't slot Nyenstein te vermelden. De
monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan Van Arkel
in 't werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn
verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht
gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij het
verslag van haar reis en van het gebeurde in 't Gaasterbosch vernam.
"Hoogst zonderling!" zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had:
"die Reinout heeft zich dus voor den zoon van den Olderman doen
erkennen?--En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?"
Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke
in Reinouts dienst was.
"Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout
zijn stilzwijgendheid koopt!--Dat alles moet zich eenmaal oplossen
of.... misschien.... weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns
meesters Barbanera heeft met zich gebracht?"
"Voorzeker," zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag:
"maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust,
zijne pillen en tincturen te gebruiken."
"Misschien!" zeide de monnik op een ernstigen toon: "ik geloof dat gij
met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren
verhaal.... het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog
niet missen te Sint-Odulf.--Zoo gij dus geen vaak hebt, luister."
Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren,
deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat
hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met
meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten.
"Mijn eerste gevoel," vervolgde hij, "was, gelijk gij denken kunt,
een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van
mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog
lang in den waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen
hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een
staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet
geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit
te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen
troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel
als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel
toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht
verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te
dulden eens gevloekten godslasteraars;--maar ik offerde mijn lijden
den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer; Hij maakte
mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden,
en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat
anders wellicht verborgen ware gebleven.
"Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet
opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met
gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand
aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep:--weder geen
voedsel:--gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal 's weeks gevuld
werd, nog halfvol;--maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera:
en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en
boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn
handelwijze te mijwaart, hij biechte mij zijn zonden en toonde een
hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen:
en toen smeekte hij mij, om, zoo ik tegen alle verwachting het leven
behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven
had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan,
dat hij mij half in 't Italiaansch, half in krom Latijn, half in
gebroken Hollandsch deed: het kwam hierop neer, dat hij zich in
't verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den
Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland
aankwam, die naar Italië trok en in 't voorbijgaan den Prelaat
bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij
samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat
van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde
hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan
Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te
doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di
Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekend is. Hij
besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld:
dat viel hem te gemakkelijker, doordien de pelgrim kort daarna ziek
werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet
den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het
klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert
jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde,
en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken,
en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die
zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond
toevallig èn uw pleegvader èn de beide jongelingen te Haarlem. Gij
weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in 't werk stelde om hun
nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard,
hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar
de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den
meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den
brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog
niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd
en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij
Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had;
anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon
bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk
Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of
stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van
Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde."
"Goede God!" riep Madzy: "en van waar bekwam hij die overtuiging?"
"Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich 's nachts ontkleedde,
zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming
van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had."
"En zou Deodaat dat teeken....?"
"Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof
hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in
't oog kreeg, zijn gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding,
dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval
eenigszins gewijzigd.--Maar hoor verder:--Barbanera verhaalde mij,
dat hij met opzet Bianca's brief, waarin deze omstandigheid vermeld
was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbelen
bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust."
"Hemel! indien er slechts mogelijkheid is, die kist te bekomen!"
"De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in
mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam,
den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang
mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te
voldoen;--maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims:--en in
niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u."
"Ik dank u, goede Pater!--En hoe werdt gij verlost?"
"Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou
spoedig deelen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op
eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had
Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de
deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar
buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een
beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben,
het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid,
daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn
wond hersteld, en in 't leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te
Utrecht om den zegepralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat
echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den
roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende,
dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl
in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De
Bisschop had nu, zoo 't scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik
begaf mij naar den listigen kerkvoogd."
"Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?"
"Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest
de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij
echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij
was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn
gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij,
niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder
bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten:--en inderdaad,
ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer
vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later
deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan
ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere,
u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben."
"En.... waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt....?"
"Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven
van Deodaat."
"En hij zelf, wie is hij dan....?"
"De zoon van Bianca's dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht
voor het ongenoegen van diegene der beide jongelingen, welken hij
niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout
wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was van een
hunner.--En thans!" vervolgde de monnik, opstaande, "moet ik naar
Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland
wijden.--Ha! Indien die looze Bisschop mij niet bedrogen had,--het
ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard, had
in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen
brengen eer Willem nog een leger bijeen had."
Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op
't gelaat geschilderd.
"Heilige maagd!" riep zij: "daar is de bliksem zeker in den toren
van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand."
"De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren
neerkomt?" zeide de monnik: "dat zou mij vreemd voorkomen."
"Ik verzeker u," hernam Sytsken, "dat het geheele zwerk rood is van
de vlam die opstijgt."
"Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen
is?" stelde Madzy voor.
"Het zwerk rood van vuur!" herhaalde vader Syard: "dan zeker moet
er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u
te volgen."
De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen
den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van
den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon
onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen,
dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu
geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam,
die ten noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen, hetwelk
aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte
echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had,
dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was.
"Het is niet Stavoren dat in brand staat," zeide hij: "Stavoren
ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den
gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft
uitgestoken."
"Ik hoor het alarmgeklep!" zeide Madzy: "de vijand moet geland zijn."
"Hij is geland!" riep de monnik: "ik moet geen tijd verliezen, de ure
des gevaars kan voor ons klooster komen:--en dan mag niemand zeggen
dat broeder Syard afwezig was."
Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar
Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den
landweg af derwaarts geleidde.