Kom, beul en doet v werck, kom laet de deugh-niet knielen
En wilt hem door het sweert van stonden aen vernielen.
Siet, daer ist al geseyt. Men doet het recht te kort,
Indien men niet terstont het schendigh bloet en stort.
Cats. Trou-ringh.
Deodaat trad met vader Syard de zaal binnen, welke hem geopend werd,
en haastte zich een nieuwsgierig oog in 't rond te slaan op de aldaar
aanwezige personen. Hij herkende terstond Seerp Van Adeelen, die,
met het ongeduld op 't gelaat en de handen op den rug, heen en weer
wandelde achter een tafel, aan welke eenige wereldlijke en geestelijke
personen gezeten waren. De Abt van Sint-Odulf was onder deze laatsten,
en men kon aan 's mans gelaat, vooral aan den doffen blik, dien hij
voor zich uitwierp, ras bespeuren, dat hij niet op zijn gemak was. Wat
verder stonden, in de sponning van een groot kruisraam, een drietal
gewapende edellieden in een druk gesprek bijeen. Deodaat meende te
hooren, dat een hunner bij zijn binnenkomst een uitroep van verbazing
deed en zich toen terstond weder omwendde, zijn mantel om zich heen
trekkende, als wilde hij niet herkend wezen.
"Aha! daar is onze vrome broeder Syard weer," riep de Abt van
Sint-Odulf uit, terwijl zijn strak gelaat op eenmaal opklaarde:
"ja! mijn waarde Broeder van Lidlum," vervolgde hij, zich tot den
geestelijke wendende, die naast hem gezeten was: "het is broeder Syard,
die ons tegen dat Satansche plan van den Graaf is komen waarschuwen:
hij is door een bestiering Gods in de handen der Amalekiten moeten
vallen om het te ontdekken. Wij achtten hem reeds dood, en ik had
al gelast, dat men zielmissen voor hem zoude lezen; maar nu kunnen
wij het Halleluja zingen om zijn weerkomst; hoewel gij ziet, dat de
man een schrale keuken heeft gehad bij de Hollanders: ja hij ziet er
waarlijk uit, of hij al dien tijd alleen op _hiera picra_ geteerd had;
en dat is niet het middel om vet te worden."
"Thans moeten wij alleen om de _hiera gladii_ [34] denken," zeide
de kloostervoogd van Lidlum, die een reusachtig man was, aan wiens
forsche ledematen het harnas beter zou gepast hebben dan de monnikspij:
en meteen stak hij zijn breede hand over tafel toe aan vader Syard,
dien hij kende en hoogachtte, en heette hem van harte welkom. Hetzelfde
deden ook de overige aldaar gezeten lieden.
"Wien brengt gij ons daar mede, monnik?" vroeg Adeelen, op een
haastigen toon: "de duivel hale mij!" riep hij eensklaps uit, na
Deodaat aandachtig beschouwd te hebben, "indien het die vervloekte
Italiaan niet is!"
"Ik ben het zelf, Seerp Van Adeelen!" zeide Deodaat: "en ik dank het
den eerwaardigen vader, dat gij mij herkennen kunt. Hij heeft mij uit
de handen van het grauw verlost, dat mij te lijf wilde.--Men bereidt
hier een slecht onthaal aan hen, die uwe stad bezoeken komen."
"Wanneer zij vermomd en met slechte inzichten komen, bereidt men hun
het onthaal, aan verraders bestemd," zeide Adeelen, op een strengen
toon. "Wat komt gij hier zoeken?"
"Mag ik weten, of ik hier voor een rechtbank sta?" vroeg Deodaat:
"welke vergadering vermeet zich hier, mij te verhooren?"
"Aha! gij wilt weten, met wie gij te doen hebt?--Welnu! ik zal niet
minder beleefd zijn, dan uw Graaf op den Vogelesang was.--Den Abt van
Sint-Odulf kent gij: deze is zijn ambtgenoot van Lidlum: en hier zit
de kloostervoogd van Bloemkamp of Oldeklooster."
Deodaat zag verbaasd op. De kloostervoogd van Bloemkamp was een
breedgeschouderd ventje, barsch van uitzicht en van top tot teen
geharnast.
"Hier ziet gij de Edelen Eelco Galama en Sytse Martena, en aan deze
zijde Tiete Cammingha en Jouke Helbada;--gezamenlijk met mij het
tegenwoordige bestuur van Friesland uitmakende. Moet ik die ginds aan
't raam staan ook noemen:--het zijn Epe Fadinga en...."
"Al genoeg," zeide Deodaat; "alleen begrijp ik niet, wat gij van een
bestuur van Friesland praat, hetwelk alleen bij Graaf Willem berust,
als Heer van dit gewest."
"Noch rechtens, noch in de daad heeft Willem hier iets in te
brengen," zeide Adeelen: "maar ik verlang in geene woordenwisseling
te treden. Wat begeert gij?"
"Mijn eerste boodschap was aan zekeren Ambtman des Graven, Claes
Gerritsz genaamd," zeide Deodaat.
"Begeert gij dien te zien?"
Deodaat knikte toestemmend.
"Zie uit dat kruisraam en gij zult hem ontdekken," zeide Adeelen,
met een woesten glimlach.
Deodaat, zonder de meening dezer woorden te beseffen, begaf zich naar
het aangeduide raam, waarvan de drie Edelen, die er voor stonden,
dadelijk bij zijne nadering terugweken, als om hem een vrijen doortocht
te laten. Van het venster had men het uitzicht over een gedeelte van
den stadswal: en Deodaat trad met ijzing terug, toen hij van verre
het lijk van onzen armen Haarlemmer aan een pereboom zag hangen. Vol
verontwaardiging begaf hij zich weder naar de tafel.
"Wie is de bedrijver van een zoo schendig stuk?" vroeg hij met
fonkelende oogen: "zijn hier de wetten omgekeerd, dat men 's Graven
dienaren ophangt?"
"Het doet u zeker leed," zeide Adeelen, met bitterheid, "dat gij nu met
hem de middelen niet kunt beramen om ons in slavernij te brengen. Uw
plan is ontdekt, hoe listig het ook overlegd ware. De muis zal in de
val blijven, zelfs zonder het spek geproefd te hebben."
"Kom! kom!" zeide de Abt van Bloemkamp, met zijn gewapende vingers op
de tafel trommelende: "straks waart gij zoo voortvarend, Adeelen! en
nu houdt gij ons met allerlei snorrepijpen op. Wat bruit ons die
Hollander? Laat hij bij zijn makker hangen.--En hoe is het? 't Is of
ik Eise Makkinga nog buiten hoor met zijn krijgsvolk. Is dat schip
nog niet in brand gestoken?"
Adeelen vloog naar het raam, dat op de straat uitzag: "bij
alle duivels!" riep hij: "gij hebt gelijk. Wat sammelt gij,
Eise?" schreeuwde hij, het venster openende: "en waarom gaat gij uw
last niet ten uitvoer brengen?"
"Vader Syard heeft mij gelast, hier post te houden," antwoordde de
Hopman van beneden.
"Vader Syard is een ezel, en ik gelast u te handelen als
afgesproken is, en niet weer te komen voordat het schip tot pulver is
verbrand. Scheer u weg!--Ik wilde wel eens weten, Pater!" zeide hij,
terugkomende: "waar gij u mede bemoeit?--Ware het niet om den dienst,
dien gij ons heden bewezen hebt, ik liet u opknoopen."
"Dat is te zeggen," zeide de Abt van Sint-Odulf, "gij zoudt u,
geloof ik, tweemaal bedenken, eer gij een broeder van mijn klooster
dorst aanranden."
"Met dat al, 't is toch vreemd," zeide die van Lidlum, "dat een wijs
man, als broeder Syard, bevelen geeft, strijdig met die van de Abten en
de Grietlui. Wij moeten hooren, welke redenen hij daartoe heeft gehad."
"Ik heb," zeide vader Syard, die dit luidruchtig gesprek staande
en zwijgend had aangehoord, "ik heb den Hopman verzocht, voor
de veiligheid van dezen Ridder te zorgen, daar ik overtuigd was,
dat mijn vader Abt het hoogst euvel zou opnemen, indien men iemand
onverhoeds veroordeelde in een stad, welke onder de bescherming van
onzen Heiligen Patroon staat."
"Gij hebt volkomen wel gehandeld, Broeder!" zeide de Abt van
Sint-Odulf: "en ik zou in uwe plaats niet anders gedaan hebben. Wij
mogen niemand onverhoord ter dood brengen, veelmin toelaten, dat
zulks door dat domme gepeupel worde gedaan."
"Recht zoo!" zeide een der Edelen: "verhoort dan dezen man ook;
maar maakt het spoedig."
"Eer gij hiermede aanvangt," zeide Deodaat, die de noodzakelijkheid
gevoelde, onbeschroomdheid tegen geweld over te stellen: "zoo wil ik
vragen, of gij opgehouden hebt, het gezag van Graaf Willem, uwen Heer,
te erkennen?"
"Moet men het u tienmaal zeggen?" grauwde hem Adeelen toe: "wij
erkennen geen gezag ter wereld. Wij zijn vrij en willen vrij blijven."
"Welnu! het is dan als afgevaardigde van den Graaf, dat ik tot u
spreek. Hier is mijn geloofsbrief!" en meteen haalde hij een perkament
uit den boezem, waarmede hem de Graaf voorzien had, ten einde hij
zich daarvan in een oogenblik van nood zou kunnen bedienen.
"Hij wil in alles het voorbeeld van den Haarlemmer volgen," zeide
Adeelen: "die kwam ons ook met schrifturen aan boord. Ziedaar het werk,
dat wij van dergelijke prullen maken!" En, het perkament verscheurende,
wierp hij Deodaat de stukken in 't gezicht.
"Gij zijt een lafaard," riep de Ridder, "maar ik zal mij bedwingen,
omdat mijn last niet aan u gericht is. Eerwaarde Vaderen! Dappere
Edellieden! ik spreek tot u in naam des Graven, wiens weldaden
met ondank geloond, wiens goedheid getergd is! Staat af van uw
roekeloos bestaan!--Stoot u zelf en uw landgenooten niet in een
onherstelbaar verderf, door u te verzetten tegen hem, wiens macht
u allen kan verpletteren. Bedenkt, dat Utrecht, het geheele Sticht,
door zijn wapenen overweldigd zijn. Het ware noodeloos het u langer
te ontveinzen; eer twee dagen om zijn, zal dit land met Hollandsche
wapenknechten overdekt wezen, tenzij gij u onderwerpt. Staat af van uw
rasch besluit!--Legt de wapens af en zendt woorden van onderwerping
en vrede. Zoo alleen kunt gij den storm afweren, die anders geweldig
op uwe kusten woeden zal."
En als wilde de natuur zijn overdrachtelijke spreekwijze metterdaad
bevestigen, een donderslag deed zich in de verte hooren.
"De storm!" zeide Adeelen:--"daar komt hij al; maar wij hebben dien
niet te vreezen.--Friezen! gij hebt hem gehoord: welk lot hebben
wij bepaald dat hem beschoren zoude wezen, die van Graaf Willem tot
ons kwam?"
"De dood!" riepen schier al de leden der vergadering als uit éénen
mond.
"Gij hoort het!" zeide Adeelen: "uw dood is bepaald!--Hier
knapen! knevelt hem, en hangt hem naast meester Claes Gerritsz."
Deze woorden verwekten geene geringe opschudding in de zaal. Deodaat,
besloten hebbende zijn leven duur te verkoopen, had reeds zijn dolk
getrokken, toen hij onverhoeds van achteren werd aangegrepen door
eenige staffieren, die achter een gordijn verborgen hadden gestaan en
hem knevelden eer hij zich kon verweren. Vader Syard vouwde de handen
met ontzetting in elkander en scheen te peinzen op een middel om den
gevangene te redden: een der aan het raam staande Edelen mompelde
een verwensching en deed een paar schreden voorwaarts; de Abt van
Bloemkamp wenkte met de hand, dat men voort zou maken: die van Lidlum
ledigde in eene teug eene geweldige bierkan, die voor hem stond:
vader Volkert keek eenigszins bedrukt: de Grietlieden fluisterden
halfluid met elkaar: en Adeelen bleef rustig, op zijn sabel leunende,
het tooneel aanschouwen.
De Abt van Sint-Odulf scheen de eenige man van gewicht te zijn,
die medelijden met den gevangene gevoelde: "Is er gezorgd voor
een biechtvader?" zeide hij: "nu onze waarde broeder Syard uit de
handen der Philistijnen verlost is, zou hij waarschijnlijk gaarne de
gelegenheid aangrijpen zijn heilige bediening weder eens te vervullen."
"Eerwaarde Vader!" zeide de monnik: "er is nog een heiliger plicht, die
op mij rust en waaraan ik gehoor moet geven. Heeft deze vreemdeling
iets gedaan dat des doods waardig is? Heeft hij niet integendeel
aanspraak op de dankbaarheid van Friesland, daar hij het was, die
Seerp Van Adeelen uit de klauwen van het Haarlemsen gepeupel redde,
en die Madzy Dekama veilig door de legerplaats van Willem liet brengen
en haar vergunde tot ons te keeren?"
"Ziedaar juist wat ik nog dacht aan te merken," zeide de Abt van
Sint-Odulf: "ik verheug mij dubbel in uwe terugkomst, Broeder!--Niemand
wist in uwe afwezigheid mijne meening te vatten. Inderdaad, Seerp
Van Adeelen was den vreemdeling een beter dank verschuldigd dan een
streng touw."
"Bovendien," vervolgde de monnik: "deze Ridder komt als afgevaardigde,
en het recht aller beschaafde natiën eerbiedigt de personen van
gezanten en herauten."
"Dat is volkomen waar," zeide de Abt: "en ik wilde wel weten, met welk
recht Seerp Van Adeelen een stuk verscheurd heeft, dat niet aan hem,
maar aan ons allen gericht was?"
"Met welk recht?" herhaalde Adeelen op een schamperen toon:
"ben ik hedenmorgen niet door de aanwezigen, ook door u, vader
Volkert! verzocht geworden het hoofdbestier te nemen van den
verdedigingsoorlog, dien wij voeren zullen? Heb ik geene machtiging van
u ontvangen om te doen, wat ik oorbaar en nuttig voor 's lands welzijn
zou achten? Ik had hem op eigener gezag kunnen doen ter dood brengen;
maar ik heb uw aller oordeel gevraagd: en heeft zich wel ééne stem te
zijnen voordeele doen hooren, toen ik voorstelde, dat hij als verrader
den dood zou ondergaan? Zouden wij van ons besluit terugkeeren om het
gereutel van een monnik, die zijne zinnen in een Hollandschen kerker
verloren heeft en hier ongeroepen in de vergadering verschijnt?"
"Ik kwam hedenmorgen ook ongeroepen tot u, Seerp Van Adeelen!" zeide
vader Syard:--"en zoo ik niet gekomen was, ware de stad met dezen
nacht in handen der Hollanders."
"'t Is waar," zeide Adeelen: "gij bracht zelf den os ter slachtbank
en nu de slachter zijn bijl opheft, wilt gij het beest sparen."
De Abt van Lidlum, die ondertusschen met zijn buren gefluisterd had,
vatte nu het woord.
"Wij meenen," zeide hij, "dat men dezen vreemdeling in aanmerking
der door hem bewezene diensten het leven zou kunnen schenken, indien
hij ons de noodige kondschap wilde geven omtrent de voornemens van
zijnen meester."
Deodaat had sedert den onverhoedschen aanval, op hem gedaan, een
somber stilzwijgen bewaard, als gevoelde hij, dat welsprekendheid
even nutteloos zou zijn als wederstand. Maar bij de woorden van
den Lidlummer voelde hij al zijn geestkracht herleven. "Spaart u
de moeite," riep hij uit, terwijl zijn oog met verachting op den
forschgebouwden kloostervoogd rustte, "mij een zoo onteerenden
voorslag te doen. Ik ben in uwe macht en het staat aan u, mij te
dooden; maar weet vooraf, dat ik u allen, Edelen, Prelaten en Burgers,
wat gij zijn moogt, in naam van mijnen en uwen Heer, den Grave van
Holland en Henegouwen, uitmake voor rebellen en muiters, en tegen
u inroep al de straffen, die uw opstand verdient.--En u bovendien,
Seerp Van Adeelen! verklaar ik een onwaardige bloodaard te zijn,
die van de overmacht gebruik zoekt te maken, om een bijzonderen wrok
tegen mij te koelen."
Aller oogen wendden zich bij dezen laatsten uitval op Adeelen:
de goedhartige Abt van Sint-Odulf knikte Deodaat goedkeurend toe;
zijn ambtgenoot van Lidlum, die, gelijk men zich herinneren zal, een
oude veete tegen Adeelen had, wreef zich vergenoegd de breede handen:
terwijl de Edelen nieuwsgierig schenen, te vernemen op welke wijze
Adeelen zich van deze betichting zoude zuiveren.
Wat dezen betrof, hoe geraakt hij zich ook gevoelde, de hoogmoed
zegevierde bij hem over den toorn: "Ware ik bloot een krijgsman,"
zeide hij, "ik zou met vreugde de uitdaging beantwoorden, mij eens
door u gedaan;--als veldheer kan ik thans het welzijn des vaderlands
aan geene bijzondere twisten opofferen."
"Het is wel gezegd!" zeide de Abt van Bloemkamp, terwijl hij met
de in ijzer gehulde vuist krachtig op de tafel sloeg: "niemand zal
hier te lande in Seerp Van Adeelen een bloodaard zien, omdat hij
de zotte gewoonten van vreemde landen niet opvolgt en zijn leven
waagt, nu Friesland zijn arm en zijn hoofd behoeft. Al genoeg
geredekaveld! Waarom brengt men den verrader niet ter dood!"
"Sleurt hem van hier!" zeide Adeelen.
De wachters maakten zich gereed, dit bevel te volvoeren: Deodaat zag
reeds geene andere uitkomst dan den dood: hij wierp een scherpen blik
op Adeelen, over wiens gelaat een glans van zegepraal verspreid was,
en dwong hem, de oogen neder te slaan. Vader Syard scheen zich gereed
te maken om nog eene poging te doen en iets mede te deelen, hetwelk hij
niet dan op het uiterste had willen ontvouwen, toen de geheimzinnige
persoon, die, aan het raam staande, tot dien tijd het geheele tooneel
met een afgewend gelaat en zonder zich te verroeren had bijgewoond,
eensklaps toesnelde. "Dat zal in eeuwigheid niet gebeuren," riep hij;
en, te gelijk tusschen de wachters inspringende, ontrukte hij Deodaat
aan hunne handen. Deze wendde zich om, en men oordeele over zijne
verbazing, toen hij in zijn beschermer zijn voormaligen wapenbroeder
herkende, die hem in de armen drukte.
"Reinout!" riep hij: "gij zijt mijn vriend nog! O! dan is al het
verledene vergeten."
"Wat beduidt deze nieuwe dwaasheid?" vroeg Adeelen.
"Neen!" riep Reinout, wiens onstuimige ziel gedurende het verhoor een
bangen kamp gestreden had, en die, eerst beschaamd op het onverwacht
herzien van den man, dien hij beleedigd had, bij diens gevaar al zijn
vorige vriendschap had voelen herleven: neen! ik verzet mij tegen
zulk een schanddaad!--Ik zal nimmer gedoogen, dat een edel Ridder,
dat de vriend mijner jeugd, aan een verfoeilijke wraakzucht worde
opgeofferd. Al stond geheel Friesland op om hem aan te vallen, ik zal
hem blijven beschermen, zoolang er een droppel bloeds in mijn aderen
vliet. O mijn Deodaat! mijn eenige, mijn oprechte vriend! kunt gij het
mij vergeven?--Ja--ik geloof nu aan uwe onschuld; want Madzy heeft mij
daarvan verzekerd:--en uw eerlijk oog kan niet liegen.--Deodaat! zoo
gij sterven moet, sterf ik met u, en wij zullen ten minste als
vrienden vergaan."
"Reinout!" riep Deodaat, hem met vervoering de hand drukkende: "Ik
hervind den vriend, dien ik verloren waande! nu kan ik gerust sterven."
"En met welk recht," vroeg Adeelen: "durft gij, die u sedert een
blauwmaandag onzen landgenoot noemt, u tegen mijn wil en dien van
Frieslands overheden verzetten?"
"Bloos, bloos Adeelen!" riep Reinout: "ziet gij hem aan en schaamt
gij u niet? Lag zonder hem uw lijk niet te rotten op het Haarlemmer
kerkhof?--Heeft Madzy Dekama hem haar ontkoming uit het Sticht niet
te danken?--uw wil!--ja, het is altijd uw wil geweest, hem leed
te doen?--Wat praat gij van uwen wil? moeten wij, die ons van de
oppermacht eens Graven ontslaan, van uwe luimen afhangen! Waag het,
hem een haar te deren, en al wat in Friesland met Aylva of Dekama
vermaagschapt is valt u af."
"Luistert toch niet naar dien dwaas," zeide Adeelen: "heden verdedigt
hij een man, wien hij drie maanden geleden naar de hel wilde sturen."
"De vreemdeling heeft den dood verdiend," zeide de voortvarende Abt van
Bloemkamp: "en wij hebben allen daarin medegestemd. Zal dat gehaspel
nooit eindigen?"
"Herroept dat schandelijk vonnis," zeide Reinout: "gij kunt er geen
gezonde redenen voor inbrengen!"
"En die bende krijgsvolk, in zijn schip verborgen?" vroeg Adeelen,
met bitsheid.
"Waar zijn zij? Wie heeft die gezien?--uitgestrooide praatjes, om
't slechte volk op te ruien.--Hij zegt, hij komt als afgezant, en gij
verscheurt zijn geloofsbrief:--en gij veroordeelt hem onverhoord.--Moet
dan de Friesche naam een schandnaam worden?"
De taal van Reinout scheen eenigen indruk op de aanwezigen te maken: de
Abten van Lidlum en Sint-Odulf althans gaven blijken van goedkeuring;
terwijl Cammingha en Martena een blik van ontevredenheid op Adeelen
sloegen.
"Beschermt den weerlooze," vervolgde Reinout, "gij allen, die vrienden
zijt van ons huis. Ik smeek u daarom, in naam mijns vaders, in naam
van den edelen Aylva."
"In naam van Aylva!" herhaalde vader Syard, en zag Reinout aan
met een blik van verwondering en twijfel: "maar ja," vervolgde hij:
"ook ik smeek u in dien zelfden naam en in dien der rechtvaardigheid:
geeft aan geene onbesuisde drift gehoor. Deze Ridder hier (op Deodaat
wijzende) zou een twistappel tusschen u worden en Friesland heeft niets
meer van doen, dan eensgezindheid onder zijn zonen. Schort zijn vonnis
op tot na de beslissing van het lot, dat ons vaderland wacht: en dan,
spant de vierschaar over hem. Dat hij intusschen op zijn ridderwoord
gevangen blijve, en zij hem een eerlijke kerker aangewezen."
"Ziedaar juist, wat ik wilde voorstellen," zeide vader Volkert:
"laten wij hem in Sint-Odulf bewaren: indien gij hem dan later van
kant wilt maken, is het altoos nog tijd."
Op dit oogenblik keerde de Hopman Eise Makkinga terug met de tijding
dat het Hollandsche vaartuig, reeds voordat hij aan de haven kwam,
het anker gelicht had en afgezeild was.
"Goddank!" dacht Deodaat: "mijn brave spitsbroeders zijn gered!"
"Die tijding neemt mijn laatste bezwaren weg," zeide Cammingha,
oprijzende: "en ik zie nu geene redenen meer, om bij ons overhaast
besluit te blijven. Er is thans geen bewijs, dat deze vreemdeling
een aanslag in den zin had, en ik acht, dat wij zonder gevaar het
onderzoek tot een meer geschikte gelegenheid kunnen uitstellen."
"Voorzeker!" zeide Martena: "en ik zou bovendien niemand willen deren,
in wien het huis van Aylva belang stelt."
De Abten, zelfs die van Bloemkamp, die slechts naar een afdoening
van zaken verlangden, en de overige Edelen voegden zich bij het advies.
"Geef uw toestemming, Adeelen!" fluisterde Cammingha hem in 't oor,
"zoo gij niet begeert, dat wij uw handelwijze aan een min zuivere
reden dan aan vaderlandsliefde toeschrijven."
"Gij zijt allen een hoop dwaze kinderen," zeide Adeelen, "en gij weet
zelf niet wat gij wilt. Ik heb voor den dood van dien man gestemd,
omdat ik dien noodig oordeelde voor het algemeene welzijn:--en
niet omdat ik hem haat, ofschoon ik geenszins schrome ook dit te
bekennen. Ja! nog liever dan hem naar de gevangenis te sturen,
gaf ik hem geheel vrij, in de hoop van hem in 't veld te kunnen
bestrijden.--Maar dit alles doet er niets toe:--gij verlangt het
allen:--en ik moet toegeven. Hij geve dan zijn woord en ga naar den
duivel.... of naar Sint-Odulf."
Na deze fraaie uitboezeming, welke Adeelen geheel kenschetste, wierp
hij zich in een armstoel, den rug naar de vergadering gekeerd.
Deodaat ziende dat hem niets anders overbleef, aarzelde niet om
zijn woord te verpanden van gevangen te blijven: en na een korte
woordenwisseling werd er algemeen goedgevonden, het voorstel van den
Abt van Sint-Odulf aan te nemen. Men besloot echter, den avond af te
wachten om hem derwaarts te vervoeren, ten einde hem niet opnieuw aan
de woede van het verhitte grauw bloot te stellen, en hem zoolang in
het raadhuis te bewaren. Dit alzoo bepaald zijnde, ontboeide men hem
en bracht hem in een zijvertrekje, waar men hem alleen liet.
Een geruimen tijd had hij daar gezeten, eer hem de lust bekroop
eens aan 't venster te gaan zien, dat openstond; want de Friezen
waren zelven zoo gewoon, aan hun gegeven woord getrouw te blijven,
dat zij ook tegen den gevangene geen argwaan voedden en dus alle
voorzorg overtollig rekenden. Men had van uit dit raam het gezicht op
een boomgaard, waarin enkele pereboomen groeiden, zijnde schier het
eenige houtgewas, dat men, op dezen schralen en aan gedurige zeewinden
blootgestelden hoek, in 't leven kon houden: over den lagen aarden
wal, welke daaromheen gelegd was, en tusschen eenige huizen door,
op den stadswal gebouwd, onderscheidde men een klein meertje, dat
(sedert uitgemalen) ten zuidoosten van Stavoren lag: en daarover
den heuvel, waarop het bevallige Coudum gelegen is. Weinig dacht
Deodaat, dat een der beide torens, die hij in de verte zag oprijzen,
het aangebeden voorwerp zijner eerste en eenige liefde bevatte.
Nauwelijks had hij over dit schouwspel dien onbestemden en dwalenden
blik doen weiden, welke op de voorwerpen rust zonder die te zien en
te kennen geeft, dat de gedachten verre van daar zijn, toen hij zich
door een zachte, gesmoorde stem hoorde toeroepen. Hij zag in den tuin
beneden; daar was niemand; maar nogmaals deed zich het flauwe geroep
hooren; en nu ontdekte hij tusschen de bladeren van een zwaar beladen
pereboom het gelaat van zijn schildknaap.
"Zweder!" zeide hij: "welk een onvoorzichtigheid.--Indien iemand
u zag...."
"Stil!" zeide de schildknaap: "tracht het venster uit te klimmen. Gij
kunt u over de heining redden."
"Ik mag niet: ik ben op mijn woord gevangen," zeide Deodaat.
"Des te erger.--Ik ben, toen ik u niet meer helpen kon, naar boord
gezwommen en heb hun geraden zich te verwijderen."
Deodaat knikte goedkeurend.
"Zij komen echter hedenavond terug en zullen ten noorden der stad
ankeren. Waar voert men u heen?"
"Naar Sint-Odulf."
"Dan weet ik genoeg," zeide Zweder, en zich uit den boom latende
vallen, klauterde hij als een kat den aarden wal over en was terstond
uit het gezicht. Hij had geen gelukkiger oogenblik kunnen uitkiezen;
want bijna op hetzelfde oogenblik ging de deur van Deodaats tijdelijke
gevangenis open en Reinout vloog in zijn armen.
"Hoe moet ik het toch verklaren," zeide Deodaat, nadat de eerste
uitboezemingen over waren, "dat gij u hier in Friesland bevindt en
u den zoon van Aylva noemt?"
"Gij hebt mij niet willen gelooven," zeide Reinout, "maar ik had
toch geen onrecht mij met dien meester Barbanera te onderhouden. Hij
heeft mij de bewijzen mijner geboorte bezorgd en mij gemaakt wie ik
ben."--En hij deelde hem mede hetgeen onzen lezer reeds bekend is.
"En ik? wie ben ik dan?" kon Deodaat niet nalaten uit te roepen,
nadat hij zijn vriend geluk had gewenscht.
"Gij!" zeide Reinout, blozende, en hem niet willende bedroeven, door
hem te melden dat, zoo een hunner de zoon van Aylva was, de andere
noodwendig die van Barbanera zijn moest; "gij zijt.... ik weet het
niet:... zeker een basterd van Carlo della Scala;.... maar dat zal
ook wel eens aan 't licht komen."
"Ik vrees er voor," zeide Deodaat, het hoofd schuddende: "maar,
ik handel dwaas met mij daarover te bekommeren.--Gij waart dan, zoo
ik u wel begrepen heb, bij het leger van Utrecht!--En gij kondet uwe
oude wapenbroeders bevechten!"
"Helaas!" zeide Reinout: "het lot heeft het zoo gewild: ik zal het
immers wellicht spoedig nogmaals moeten doen!--Maar thans is het
mijn plicht; ofschoon ik u zweer, dat het mij tegen de borst stuit,
met deze ongelikte beren ééne lijn te trekken; en dat ik dikwijls
het hof van Graaf Willem terug zou wenschen, ware het niet om...."
"Welnu! voleindig!" zeide Deodaat.
"Ik durf niet:--ik zou van iemand moeten spreken, wier naam gij ook
niet zonder blozen zoudt hooren:--en van die moet tusschen ons de rede
nimmer meer zijn; want bij alle heiligen! Deodaat! ik zou u andermaal
kunnen haten, indien ik u weer in haar gezelschap zag.--Spreken wij
liever van onverschillige zaken: van Utrecht, bij voorbeeld.--O! toen
ik daar tegen de uwen streed, wist ik niet wat ik deed; ik was als
iemand, die van den duivel bezeten is.--Maar verhaal mij toch eens,
hoe is de stad overgegaan? En op welke voorwaarden?"
"Na den afloop van den wapenstilstand," zeide Deodaat, "heeft
Utrecht het nog eenigen tijd gehouden; maar men kon toch zien dat
de verdediging meer slap in haar werk ging, en dat de belegerden
weldra tot het uiterste zouden gebracht worden. De Graaf, geheel
van zijn wond hersteld, had dan ook het bevel gegeven, dat men den
laatsten storm zou wagen, die ongetwijfeld beslissend ware geweest,
toen zich eensklaps als een loopend vuurtje de tijding in het leger
verspreidde, dat de Bisschop uit Frankrijk terug was gekomen en zich
in de tent des Graven bevond."
"Inderdaad!" zeide Reinout, glimlachende: "hij kwam wel juist van pas!"
"Wat er tusschen hen beiden is verhandeld, heb ik niet recht te
weten kunnen komen; maar het schijnt, dat Jan van Arkel 's Graven
vertrouwen heeft weten te herwinnen en genade voor zijn oproerige
stad te verkrijgen. De Bisschop is vervolgens naar Utrecht vertrokken,
alwaar hij als in triomf is binnengehaald en men hem den verlosser der
stad genoemd heeft. Door zijne bemiddeling is vervolgens het verdrag
der overgave tot stand gebracht, waarin voor Utrecht meer onteerende
dan wel nadeelige voorwaarden vervat waren."
"En gewis, de vrome Bisschop heeft zich zelf bij die gelegenheid niet
vergeten," zeide Reinout.
"Hij heeft althans tengevolge van dit alles meer gezag in de stad weten
te bekomen dan een zijner voorzaten ooit gehad heeft. De Kapittels
hebben niets meer te zeggen: de regenten der stad zijn door nieuwe
vervangen: en de Bisschop regeert naar zijn welgevallen, daar Willem
een onbepaald vertrouwen in hem stelt...."
"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Reinout, zonder na te denken;
"niemand verstaat beter dan Arkel de kunst om iedereen te winnen...."
"Hoe!" zeide Deodaat verwonderd: "van waar kent gij hem?"
"Ik?" herhaalde Reinout, verrast: "dat is te zeggen.... ik heb het
gehoord."
"Neen, maar," hernam zijn vriend: "het ware mogelijk, dat gij hem
gezien hadt; want er zijn lieden, die beweren dat hij zich sedert
een geruimen tijd, eerst nabij Haarlem, en later in het Sticht heeft
opgehouden. En hieruit nemen sommigen aanleiding om hem te wantrouwen."
"'t Ware zeker mogelijk," zeide Reinout: "dat terwijl uw Graaf met
zijn vloot herwaarts komt, Arkel de gelegenheid waarname om hem den
oorlog te verklaren."
"Dat ware niet mogelijk," zeide Deodaat: "want Arkel zelf zal den
Graaf op den tocht vergezellen. Een der punten van het verdrag was,
dat hij hem met hulptroepen zoude bijstaan in zijn onderneming tegen
Friesland."
"Die verrader!" riep Reinout: "op het oogenblik, dat wij hier volk
verzamelen om tot ontzet zijner stad aan te rukken!--'t Is waar! 't
heeft hem niet veel gebaat, en hij heeft weinig reden om zich over
onze voortvarendheid te verheugen.--En dus is des Graven vloot in
vollen aantocht naar deze kust?"
"Ziedaar," antwoordde Deodaat, met een glimlach, "hetgeen ik mijn
Frieschen vriend niet mag verhalen."
"'t Is waar ook," hernam Reinout lachende: "welnu! ik zal openhartiger
zijn met u:--en ik zal u verklaren dat ik het weet--en wel door
denzelfden vader Syard, aan wien gij uw gevangenneming en tevens uw
leven te danken hebt."
"Maar, hoe wist hij?...."
"Luister!--de man heeft, ik weet niet hoe en waarom, in een kerker
ergens in het Sticht gezeten. Daaruit verlost zijnde, is hem door
iemand, dien hij ons niet genoemd heeft, geraden, zich zoo spoedig
mogelijk herwaarts te begeven en hier de tijding te brengen dat
de vloot, welke te Dordrecht werd uitgerust, niet, zooals men
algemeen dacht, naar de Fransche kusten bestemd was, maar tot
overweldiging van Friesland dienen moest: dat zij reeds langs de
binnenwateren kwam aanzeilen; terwijl één vaartuig zou vooruitgaan
om Stavoren te bedwingen. De monnik kwam met een Workummer visscher
herwaarts. Onderweg stevenden zij een vaartuig voorbij, dat aan den
grond zat en met bier beladen was: zij kregen vermoeden, dat dit het
bewuste schip zoude wezen."
"Inderdaad!" zeide Deodaat: "hij heeft wèl geraden."
"Welnu! de monnik kwam hier en vond er Adeelen, Cammingha, mij, en
een paar andere Edelen, die juist gekomen waren om de middelen van
tegenweer te onderzoeken, die de stad kon aanbieden. Hij deelde ons
den aanslag mede. Terstond werden er boden uitgezonden naar alle
kanten. De Abten van Lidlum en Bloemkamp, die hun monniken meer
met den wapenhandel dan met gebeden kwellen, en verscheidene Edelen
kwamen terstond hier. Ik moet ter eere van Adeelen zeggen, dat zijn
beschikkingen verstandig waren. Hij gelastte, dat men het Amsterdammer
vaartuig zou laten binnenkomen en voorts prijsmaken; dit laatste ware
ook gebeurd, indien men terstond gewapend volk genoeg gehad had en
indien het gemeen, dat door den Workummer intusschen onderricht was
van de toedracht der zaak, niet naar de haven was geloopen, waardoor
uwe manschap het gevaar, dat zij liep, heeft kunnen bemerken, en zich
daaraan onttrekken."
Hier kwam een bode binnen en berichtte aan Reinout, dat Adeelen
hem wachtte.
"Welaan!" zeide deze: "ik moet u verlaten. Wie had ooit gedacht,"
vervolgde hij met een zucht, nadat de bode vertrokken was, "toen
wij dien Fries uit de handen van de Haarlemmers verlosten, en ik zoo
vertoornd op hem was, dat ik eenmaal, in de plaats van Graaf Willems
bevelen, de zijne zou volgen?"
"Ik geloof," zeide Deodaat, "dat hij meer moeite zal hebben om zich
door zijn volgelingen te doen gehoorzamen dan onze Graaf."
"Ik moet mijn oordeel opschorten," zeide Reinout, de schouders
ophalende: "alles gaat hier zoo zonderling en vreemd in 't werk:--dit
is zeker, dat Adeelen hier te Stavoren als meester heerscht. Het
gemeen, dat alles behalve Hollandschgezind is, heeft zijn komst
dadelijk gevierd met de plundering van een paar rijke kooplieden,
wier getrouwheid aan vermoedens onderhevig was, met het afzetten van
de vroedschap, en het ophangen van onzen armen Claes Gerritsz:--de man
is zich zelf gelijk gebleven, tot zoolang hij begon te merken, dat
zijn leven er mede gemoeid was: toen heeft hij van zijn Privileges,
waar hij te voren den mond van vol had, op eens gezwegen, en is
bitter begonnen te kermen en het uur te vervloeken, dat hij zijn
marktschrijverschap te Haarlem vaarwelgezegd had.--Maar het wordt
mijn tijd!--Vaarwel!--Ik moet van hier."
Hier drukten de beide vrienden elkander nogmaals de hand en Reinout
verliet het vertrek, Deodaat ter prooi latende aan duizend gissingen
naar den verrader, die zoo getrouwelijk al de geheimen van den aanslag
des Graven aan den monnik van Sint-Odulf had medegedeeld.