....Die zich inbeeldt, door het bukken,
Te vinden 't einde van den nood,
Is van gesond verstand ontbloot.
't Moet er heel door, of wel aan stukken.
Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129.
Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in
Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den
dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde
voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een
geestelijk gesticht, een adellijke state of een stad geleidden, zag
men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting,
doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door
den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden,
en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer
aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen
zich zelven en hunne paarden te verfrisschen, die allen, zeggen
wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang
daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden
licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan
de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers,
die hun vergezelde: 't zij uit loutere staatsie, 't zij uit voorzorg
tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten
en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewone
verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre
kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den
telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen,
dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal
deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de
overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts
enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen,
en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur
van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had,
en die aan de burgers zijn bescherming verleende.
Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig
oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte,
welke ditmaal tot het houden van een algemeenen landdag, werf of
weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven
den Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen
gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de
Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde:
anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden
zich op een tijdstip, dat men een landing der Hollanders vreesde,
niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen.
Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun
paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid
hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aannemen, zoowel om
niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet
toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het
Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het
overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond
bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg,
waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals met Urk,
vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur
om het Zuidermeer gevormd, verbroken en dien plas met de Noordzee
vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust
zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor 't overige leverde
hij weinig anders op, dan ruige, steenachtige heiden, hier en daar met
bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier
ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te
treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de
over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide
keisteenen, zoodat men aanhoudende oplettendheid en overleg noodig
had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend,
had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een
schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen
of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode
glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter,
het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte
der kamperfoelie, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle
struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu
eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder
een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal
door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met
haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door
twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het
ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des
schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude
stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend
uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog
op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar
de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in
de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een bekoorlijk
tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld
door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met
de zee in 't verschiet, en daarover de West-Friesche kust, welke den
gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig
indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der
hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan,
het was dat van medelijden met een landstreek, welke, zoo 't hun
voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar
voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw,
die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren.
Het was, gelijk reeds gezegd is, in 't midden van dit oord, dat zich de
plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men
een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het
was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden
lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat
bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik,
dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van
Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later
werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden,
de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen
uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder
den naam van de _wilde merkt_ behouden heeft.
Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine
aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de
oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en
waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen
staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet
geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren,
welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat
zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der
aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der
reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter
werd hun het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de
door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het
Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De
alzoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel
om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der
landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te
wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonden zich, zooals
het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale,
en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen,
die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden,
geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te
voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene
herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden.
Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade
te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het
veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door
de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek,
hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid
verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander
in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander met een blijden groet
de hand drukken: ginds wandelden eenige rijke Vetkoopers te zamen,
en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van
gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken,
om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij
met een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen
of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart
hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een
weinig vetweiderij. Eindelijk kon men nog, aan de donkere blikken
en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door
meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor 't oogenblik en om de
heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten
om weder uit te barsten.
Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen
genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden,
dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen,
die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein
daartoe gaf, door met zijn staf eenige helderklinkende slagen te geven
op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des
voorzitters aan een ouden dwergachtigen eikeboom was opgehangen en
waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in
volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in
de andere een ontbloot, naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende.
Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende
zitplaatsen. De vaste rangschikking, welke in andere landen op
dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet,
of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre
de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste
plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van
rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de
machtigste en voornaamste Edelen, of de Grietluiden, de beste plaatsen
innamen (zijnde die welke zich dichtst aan den zetel des voorzitters
bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder
plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de
eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg
mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard,
en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van
latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde,
waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en
aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met
moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander
aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen.
Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar
zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de
Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen,
aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbende nevens zich een
monnik van Sint-Odulf en een van Luidinga-kerke, om aanteekening te
houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering.
Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene
nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat
al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren,
en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor
een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde
de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een
besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en
vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland
in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het
wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst
met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende
wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw
door dwang in 's Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf
een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen
aan den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van
de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des
Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en
door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij
voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde
angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende
gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie
iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en
onbewimpeld verklaren zoude.
De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe
vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen
in Friesland waren in 't algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en
noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden,
na gedurige stroop- en plundertochten van West-Friezen en Nooren
ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen
smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten,
welke echter toen nog de trap van woede niet bereikt hadden, waartoe
zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed
zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder
grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden
stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid
des lands te bewaren, maar men schroomde, die van 't zwaard te doen
afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den
Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts
de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een
streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des
Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met
goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder
zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te
overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt kon
worden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier
hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar
was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs
ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden
van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig
waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn
betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd)
had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzame Seerp
Van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die, zich daardoor ook in
Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd
der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva's
taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde
het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte, dat iemand van meer
leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de
Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos
nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte,
vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in
de navolgende bewoordingen uit:
"Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop
de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd:
hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen,
daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in
heldere trekken afgemaald;--maar indien ik, indien gij geroepen zijt,
om hier alleen te beslissen, hoe men 's Graven vriendschap en den
vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat
kostbaar erfdeel onzer vaderen,--dan verklaar ik ronduit, dat men
ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij
zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne
vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem,
welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen
doodvijand, en kan 't zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die
ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af
te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van
hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons
veracht en versmaadt!--Vrede met Holland! met Holland, dat sinds
eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en
Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op
ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze
landen braak te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en
onze landgenooten in slavernij te brengen!--En denkt gij, dat het
met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf,
die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te
drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen
nemen?--Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi bespringen,
en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de
tanden niet verstompt zijn.--Gelooft mij: elke poging, aangewend
om onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal
slechts strekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken,
om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te
verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer
eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een
eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet
zelven den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig
aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping,
dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem:
dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons
aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst
terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang
genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen
bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in
onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen
werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit,
Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve
het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, laatdunkend, den
Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een
vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te
verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te
fnuiken.--Ik heb uitgesproken."
Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit,
brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar
een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen
nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo
ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard
gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen
zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen,
naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij
waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het
met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem
aan zijn woorden te geven: de vredelievenden daarentegen, die zijn
taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet
bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde
op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht,
waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het
aan Aylva, de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te
hooren wat ook andere sprekers mochten in 't midden brengen. Er trad
er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen
en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden
van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen
minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen:
men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te
fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien
men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer,
dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door
een Helbada werd voorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon
vergramd, de hand aan 't zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit
waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te
verliezen, om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva
vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de
beide partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong
hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden:
"Zwijgt! zwijgt allen!" riep hij met een donderende stem: "wordt
het hier een kinderspel?--Wat zijt gij, gij allen, tot wie ik
spreek?--Vetkoopers en Schieringers?--IJdele dwaasheid! ziet
op het schild.--Wat staat daarop afgebeeld?--Is het het merk der
Vetkoopers?--Is het een vette koe?--Past maar op! de Hollanders zullen
haar melken.--Is het een schieraal, de leus der Schieringers?--Draagt
zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen.--Neen Friezen! het
is het wapen van Friesland: een gewapend man!--Wapent u dan!--Zorgt,
dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen:--en
dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt!--ik heb ook
getwist,--met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit;--maar
wij hebben vriendschap gemaakt:--want de Hollanders lachten in hun
vuist.--Spreekt bedaard!--want bij den hemel! den eersten, die zijnen
landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!"
Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast
oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de
meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De
opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig
besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden
kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd
en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf,
die juist aan 't woord en bezig was der vergadering te verhalen dat
broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe
de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen,
en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die
beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich
onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met
een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva
wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen
men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als
wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene
den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen:--en nu vertoonde zich,
zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening
op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwere,
het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den
voormaligen Marktschrijver van Haarlem.
Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en
neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten,
maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men
geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aan te
bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag ten einde hem te
vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige
kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen:
welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest,
maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander
wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot
om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen
verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen
eens recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den
Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid
ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was
onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten
dat geene ware redenen tot klachten gegeven had, en zijn mederechters,
vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe
geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was
hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou
gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden
plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden;
maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des
Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke
hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij
ook ongenoodigd derwaarts te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat
's Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets
plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig
voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet,
daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal
gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen.
Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte
nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude
veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode
op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke
dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan
te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met
toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden
aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de
uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken,
stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende
met een beschermenden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen
hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan
de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep
dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet
en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin
voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende
blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te
kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen
gelden. Weinig gesticht over dat onthaal en bemerkende dat zijn persoon
hier omtrent denzelfden indruk maakte als een bunsingstaart zou doen
in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan
den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid,
welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats
te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde,
liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord
gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten
te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen,
den nieuwaangekomene toesprak:
"Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?"
"Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!" zeide Claes
Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter
hield als bemerkte hij zulks niet: "ik dacht weinig, toen wij malkaar
laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te
zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten
zich niet, maar...."
"Maar kort en goed," viel Aylva in: "wat is het doel uwer komst?"
"Lieve Hemel! Is het hier geen landdag?--Ik kom een weinig laat,
't is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen...."
"En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen," riep Adeelen, lachende.
"Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen," hernam Aylva.
"Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen
als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo
als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe
landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het
belang der Heerlijkheid?"
"Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen," zeide Aylva:
"hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken
stap hebben afgeraden: en," vervolgde hij halfluid, "ik rade u thans
nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig
gelaat, dat u weinig goeds belooft."
"Hoe!" zeide de Ambtman, onthutst om zich heen ziende: "ik wil niet
hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het
Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan...."
"Wat wil hij?--wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!" riepen nu
verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de
naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de
vergadering rondgingen.
"Welnu!" riep Adeelen: "Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij
ziet het!--op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn
verspieders zenden."
"Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik
trommelen!" riep Helbada.
"Zijt bedaard, vrienden!"--riep Aylva: "laat mij hem
ondervragen. Vriend!--Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet
om hier zitting te nemen?"
"Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V," hernam Claes
Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, "zullen ter
plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten,
Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen...."
Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen
door de geweldige kreten, die van alle zijden omgingen.
"Hij verlangt zitting onder ons," riep Aylva met luider stemme:
"Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven."
"Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!" schreeuwde Helbada.
"Wij willen geen verspieder van Graaf Willem!" riepen anderen: "wij
zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal.--Is er
geen water in de buurt?--Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!"
En reeds drong menigeen op den Ambtman aan, om door daden klem aan
zijn woorden te geven.
"Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen," kraaide Claes Gerritsz
zijn schrille stem tot den hoogsten toon verheffende welken zij
bereiken kon; "denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen
ofte anderen 's Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden
zal beleedigd hebben...."
"Toon ons uw lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u,"
zeide Aylva, op een gestrengen toon: "de gemoederen zijn verhit:
en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen."
"Hier is de opene brief," zeide Claes Gerritsz, een perkament voor
den dag halende, "waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft
aangesteld tot...."
"Wij zullen u het lezen besparen," zeide Adeelen, die, inmiddels
genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de
hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een
boomtak hangen bleef.
"Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?" vroeg de Ambtman,
zich met drift tot Aylva wendende, die, onbeweeglijk op zijn
zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden
blik beschouwde.
"Gij ziet uw kaarteblad hangen," vervolgde Adeelen: "welnu! zoo gij
geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want,
bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter
prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft."
"Geene onberadenheid, Seerp Van Adeelen!" riep Aylva, op een strengen
toon: "dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij
wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang
Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne
landdagen gedoogd."
Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn
hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste
gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen
dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval,
dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtige vertoogen ter
aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn
voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament,
dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder
toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw
gedruis op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de
Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan
den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen.
"Daar is zij! daar is freule Madzy weer," riep hij, springende,
en zijn muts in de hoogte werpende.
En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den
alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland,
hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den
weerstal zouden vinden, waren zij 's morgens derwaarts gereden.
"Mijn dochter!" riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met
teederheid omarmende: "zijt gij het waarlijk?"
"Hoezee voor Madzy Dekama!" riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis
eenstemmig: "Hoezee voor de Roos van Dekama!" riepen Schieringers
en Vetkoopers: "Hoezee!" riep de gansche vergadering. Adeelen alleen
bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen.
"Verschoont mij, edele Friezen!" zeide Aylva, "zoo ik een oogenblik
aan mijn gevoel toegeve:--ik zie, met vreugd, dat gij allen in de
blijdschap dezer heuglijke ontmoeting deelt.--Maar zeg mij, mijn
kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?"
"Aan God alleen komt de dank toe voor mijn redding," antwoordde zij,
hem de hand kussende; "maar ik weet, gij handelt hier over 's lands
belangen: veroorloof mij voort te reizen: mijne tegenwoordigheid is
hier onvoegzaam.--Waar zal ik u afwachten?"
"Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert:
daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets
gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn."
Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende,
maakte zij zich gereed te vertrekken.
"Men zal zorg voor u dragen, goede vader!" zeide Aylva, ziende dat
de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef.
"Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht," zeide deze,
"'t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond:
ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen
uitstel lijden mag."
Bij deze woorden, welke Madzy's geleider op een krachtigen,
doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva
zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren,
waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd
een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den
onbekende. Madzy bleef plotselings staan als van den bliksem getroffen;
haar gelaat werd met een doodskleur overtogen en teekende de angstigste
verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde,
keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in 't gelaat
te zien.
"Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries," zeide Aylva:
"of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van
Friesland betreffende."
"In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor," zeide de onbekende,
"de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries
genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij uw zegen."
Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de eene
knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog
toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil:
en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de
leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk,
Reinout van Verona herkende.
"Wat wil dit?" zeide hij: "is dit een scherts, dan is zij
afschuwelijk!"
"Geene scherts!" zeide Reinout, zonder van houding te veranderen:
"of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te
smeeken, die hem te lang onthouden werd?"
"Gij!" riep Aylva in hevige ontroering: "gij de zoon van Bianca
di Salerno?"
"Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn
opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden,
welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw
naricht geven kan."
Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij
er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij
hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend
genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem
onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens
jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te
sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen
bedekkende, viel hij op zijn zetel neer.
"God! wat heb ik gedaan?" riep Reinout, opspringende: "de ontroering,
de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom
tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt."
De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te
verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk het beeld der wanhoop
als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de
toekomst dacht, en zag in 't vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund
door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijke liefde
vervolgen.
Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich
de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk
een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen,
lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: "ik neem u gevangen,"
zeide hij, "als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig
uit 's Graven gevangenis."
"Hoe! wat? wat zal dat?"--riepen verscheidene stemmen.
"Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!" vervolgde de
Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep,
die hier weinig gezag had: "Reinout van Verona, dien gij hier ziet,
ligt onder den ban des Graven:--ik eisch dat hij in mijne handen
worde overgeleverd."
Reinout keerde zich met een half verwonderden, half toornigen blik
naar den spreker: "Er is geen Reinout van Verona meer," zeide hij:
"dus is de ban uws Graven nietig:--en wat Deodaat betreft, die is zoo
levend als ik:--gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid."
"En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel
verhuisd," zeide Adeelen: "welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt
u zoo stout," vervolgde hij tot Claes Gerritsz, "om niettegenstaande
onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak u van hier, of ik sla u
't hoofd van den romp."
"Neen!" zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den
bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: "Laat hij nog een oogenblik
blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven,
dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf
Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort
het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij
een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik
ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan
Friesland alleen."
"Wèl gesproken!" zeide Adeelen: "en wie anders denken moge, Seerp
Van Adeelen houdt u voor een echten Fries."
Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen
volgden zijn voorbeeld.
"Goddank!" zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden
en zich uitsluitend met dezen had bezig gehouden: "hij opent de
oogen weder."
"Wat is hier gebeurd?" vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende:
"was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde?--Maar neen,
de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind,
gij daar?--Gij zijt toch altijd mijn dochter!"--
"O! laten wij van hier gaan, mijn vader!" zeide zij: "laten wij naar
een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen," herhaalde zij, ziende
dat Aylva weder ineenzakte.
Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn
hoofd gaf te kennen, dat hij stemde in haar voorstel. Door Madzy, den
trouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout,
dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden.
"Wat wilt gij?" vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging
aanziende: "verlangt gij hem te vermoorden?"
"Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?" zeide Reinout met een smeekend
oog: "wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen."
"Terug!" zeide Madzy met fierheid: "verdien eerst den naam van zijn
zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen."
Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende
dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar
nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder
verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz
dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat
Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het
voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden.
Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige
oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar
men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel
of die behoorden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen,
gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door,
om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij,
dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het
voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen
voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde
tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend.
"Friezen!" zeide hij: "ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik
weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in
uw aller harten vinden zal. _Te wapen_!--Het is de vraag niet meer, of
gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen
kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is,
ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan
geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het,
dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag
door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den
Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche havens
benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der
belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des
Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen:
zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen
zal door geen vreemden voet bezoedeld worden."
Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de
ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij,
die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich,
nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had
toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware,
dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan
te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij
het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus
boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringen het geval is,
en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting
besloten, een leger naar Utrecht te zenden.