ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus' nazaat waard.

Bilderdijk. Darius aan Alexander.

De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar

zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig

Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen

van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van

krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak,

aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Friesland bleek zulks

in dit geval eene onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden

ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun

land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlog

voeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit

te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak

was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof:

leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk,

aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op

vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun

onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het

besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu

men het in 't werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare

van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken:

en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten,

terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van

in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals

in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende,

elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger

omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat, ten prooi vielen.

Nog eene omstandigheid werkte mede om de vorming van een leger

te belemmeren: deze was gebrek aan eenheid in het uitvoerend

bewind. Voorheen had men in netelige omstandigheden een Potestaat

verkoren, die, met een macht bekleed, niet ongelijk aan die eens

Dictators te Rome, het hoofdbeleid der verrichtingen op zich nam; thans

echter geschiedde dit niet: eensdeels, omdat men huiverig was geworden,

het gezag aan een enkele toe te vertrouwen: anderdeels omdat de eene

partij ongenegen was, toe te stemmen in de keuze van een Potestaat

uit de andere. Het opperbewind was daarom toevertrouwd geworden aan

een raad van velen, 't geen zeker niet tot bespoediging der zaken

strekte. Wel deed Adeelen zich in dien raad krachtig gelden; maar hij

leerde nu ook bij ondervinding, dat voortvarendheid in 't besluiten,

en spoed in het uitvoeren, twee geheel afgescheidene dingen zijn.

Ook van de strooptochten, waartoe men had verklaard, te zullen

overgaan, was niets gekomen. De poorters van Stavoren, althans de

vermogenden onder hen, waren over 't algemeen Hollandschgezind:

en velen dreven handel met het graafschap: maar zelfs die, welke op

de Oostzee voeren, en uithoofde van hun belang moesten verlangen,

dat de handel van Holland gefnuikt werd, waren in dit tijdsgewricht

bezorgd, daden van aanranding te bedrijven of goed te keuren, welke

maatregelen van weerwraak konden tengevolge hebben: want zij wisten,

dat een Hollandsen smaldeel voor het Vlie kruiste, en velen hunner

wachtten rijkbevrachte schepen te huis, welke zij niet gaarne door

Hollandsche kapers zouden zien prijsgemaakt. Zoomin uit deze als

uit eenige andere haven van Westergoo zeilden dus roofschepen naar

Holland uit: en men bepaalde zich ook daar, en wel nog slechts flauw,

alleen tot verdedigingsmiddelen.

Na in deze weinige woorden den toestand, waarin zich Friesland bevond,

te hebben afgebeeld, zullen wij terugkeeren tot de schoone Madzy en

haar voogd, den Heer van Aylva.

Deze had zich, na het verlaten van den landdag, naar een kleine stins

begeven, op een paar uren afstands van het Gaasterland nabij het dorp

Caudum gelegen, en Awert-state genaamd. Op dit gebouw, hetwelk sedert

lang in het bezit van zijn geslacht was, was door hem een pachter

geplaatst, onder voorbehoud echter van een paar vertrekken voor zich

en de zijnen. Zijn voornemen was niet geweest aldaar te vertoeven;

doch zich den volgenden dag naar zijn gewoon verblijf bij Scadaert

in Wonseradeel te begeven; dan, een geweldige aanval van koorts, die

hem dadelijk na zijn aankomst overviel, noodzaakte hem van dit plan

af te zien. Madzy bleef, gelijk men gissen kan, bij hem; en daar de

eene zuster van Aylva ondertusschen overleden, en de andere met een

edelman in Groningen gehuwd was, kwam de gansche zorg op haar alleen

neder; en zij vervulde jegens haar voogd op de teederste wijze al de

plichten eener liefhebbende dochter, terwijl Sytsken (die op de maar

der terugkomst van haar meesteres dadelijk naar Awert-state gereisd

was) haar in deze taak op de dienstvaardigste wijze ondersteunde. De

toestand van den zieke werd weldra van een bedenkelijken aard, en

de arts, zijnde een convers uit het naburige Sint-Odulfsklooster,

gebood, dat men alles zorgvuldig zou vermijden, wat strekken kon om

het geschokt gemoed van den kranke door nieuwe aandoeningen te kwetsen.

Eens, op een schoonen avond, had Madzy het vertrek des Oldermans

verlaten, met oogmerk, om voor eenige oogenblikken versche lucht te

scheppen: een genot, waarvan zij nu een geruimen tijd was verstoken

geweest. De toestand van den zieke had sedert een paar dagen eenig

uitzicht op beterschap doen geboren worden: hij lag in een zachte

sluimering: en Sytsken, in zijn vertrek gezeten, had aan Madzy

beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zij was dus,

te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreden en verkwikte zich met

de liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van

huis willende verwijderen, wandelde zij een geruimen tijd op en neder

voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene

woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich aan de westzijde

bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken,

twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was,

waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld

met een ster en een halve maan van goud. Aan dien toren grensde een

half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn

huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de

schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag

men nog sporen van versterking, door den bouwmeester aangebracht;

maar deze waren bij vervolg van tijd tot andere gebruiken besteed:

en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de

dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht

of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en

daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige

middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl

een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en

weder liep, den al te vrijpostigen voorbijganger door zijn norsch

aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude

zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja

zelfs, toen Madzy zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar,

schoon zij van binnen kwam, eenigszins schuins aanstaren, stond stil

en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam,

dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hem van verre

toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden.

Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en

neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een

kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters

zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af:

en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp Van Adeelen

en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben

toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan.

"Roep uw hond terug, vrouw!" schreeuwde Adeelen: "wij komen den Heer

van Aylva bezoeken."

De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op.

De eerste gedachte van Madzy was, binnen te gaan en zich te onttrekken

aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig,

dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, òf om den

Heer van Aylva te spreken, 't geen zij moest zoeken te beletten, òf

om een onderhoud met haar zelve te hebben;--en dan was zij nog minder

voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude

geweest zijn.

"Madzy Dekama!" zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: "wij

wenschen den Olderman te spreken."

"Dat mag niet geschieden," zeide zij: "de arts heeft het stellig

verboden."

"Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen

vriend immers niet betreffen?"

"Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak

en moet alle aandoeningen mijden."

"Gij zult toch," zeide nu Reinout, "den zoon niet blijven weigeren,

de sponde zijns vaders te naderen."

"Meer dan iemand," antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien:

"was het niet het onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die

krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon u dan

niet aan hem, voor hij u ontbieden laat."

De beide jongelingen zagen elkander eenige oogenblikken besluiteloos

aan.

"Gelooft mij," vervolgde Madzy: "dringt heden niet aan op een

onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan met zich

sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomen,

twijfel ik niet, of hij zelf zal het onderhoud verlangen, dat hij nu

niet in staat is te verduren."

"Welnu!" zeide Adeelen: "indien gij den ouden Heer achter de traliën

wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, mijn boodschap is nog

niet geëindigd:--gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken:

ik kom u die teruggeven."

"Ik dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp Van Adeelen!" zeide

Madzy, op een fieren toon: "althans, na het gedrag, door u te Haarlem

gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden."

"Des te beter! Ik herhaal het slecnts, opdat gij weten zoudt, dat gij,

zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer

zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat

van dezen Ridder."

"Adeelen!" riep zij verontwaardigd uit: "ik ben geen koopwaar, welke

men van de eene in de andere hand kan doen overgaan."

"Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eenigen

twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen,

dan met genen Ridder over 's Heeren wegen reist, die weken lang bij

een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder,

noch haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken

gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten

heenstappen."

De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij

beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden.--"Neen!" borst zij

eindelijk uit: "zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster

werd nooit gesponnen! Ridder Reinout! zijt gij de verspreider

dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had

voorgesteld.--Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is

het bewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al

beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dien man,

die mij beleedigen durft, dat hij zich bedriegt, en dat ik tegen mijn

wil in Utrecht ben opgehouden en dat ik u niet kende, toen gij mij

als reisgenoot vergezeldet."

"Kan ik krachtiger bewijs geven, hoe hoog ik u in eere houde," zeide

Reinout, "dan de verklaring zelve, dat ik het mij tot het hoogste geluk

zoude rekenen, indien gij mij tot uw Ridder wildet verkiezen? Geef mij

slechts eenen lichtstraal van hoop, en mijn zwaard zal elken boezem

bedreigen, waarin een gedachte, uwer onwaardig, mocht opstijgen."

"Ik weet het," zeide Madzy, met een afkeerige beweging, "uw zwaard is

ras geneigd, de scheede te verlaten. Maar uw voorwaardelijk aanbod is

onvoldoende. Wie heeft aan Adeelen die valsche berichten medegedeeld,

zoo gij het niet geweest zijt?"

"Ik heb hem niets dan de waarheid gemeld," zeide Reinout: "de

tevolgtrekkingen en de wijze van voordracht zijn van hem. Maar

dit verklaar ik u, Seerp Van Adeelen! dat, schoon gij mij met

Ridder-handslag tot wapenbroeder verkoren hebt, schoon ik u

dank en trouw verschuldigd ben, dat ik u, als elk anderen, den

Ridder-handschoen zal toewerpen, zoo gij u een woord laat ontvallen,

beleedigend voor de eer dezer Jonkvrouw."

"Zooals gij wilt," zeide Adeelen, wrevelig; "ik ben met u gegaan om

u een dienst te bewijzen, niet om twist te zoeken. Er heerscht reeds

tweedracht genoeg in Friesland."

"Hoe!" zeide Madzy: "is nog de haat der partijen niet uitgedoofd,

bij de gevaren die ons bedreigen?"

"Trekt gij u nog de zaken van Friesland aan?" zeide Adeelen, met een

spottenden lach.

"Gij behandelt mij onwaardiglijk, Seerp!" zeide Madzy: "misschien moest

ik zwijgen en uwe woorden alleen met verachting beantwoorden! maar ik

kan niet vergeten, dat uw ouders mijne weldoeners, dat gij de vriend

mijner jeugd waart. Bij de schim uwer zalige moeder, Adeelen! ik ben

onschuldig, en de Zuiderzee zal een droge heide worden, eer ik ophoude,

een echte dochter van Friesland te zijn."

"'t Is mogelijk!" zeide Adeelen, de schouders ophalende: "welnu! ik

wil u dan wel melden, dat de Graaf, zoo ik hoor, den tocht naar

Friesland uit het hoofd heeft gezet en bij Dordrecht een vloot laat

bouwen om Eduard van Engeland tegen Frankrijk te ondersteunen: dat

er nimmer schooner gelegenheid ware, een pleiziertocht in Holland te

doen, zoo niet iedereen gek was geworden: dat wijders de Vetkoopers

en Schieringers vuilaardiger zijn dan ooit; dat de monniken van

Bloemkamp met den Proost van Pingjum zijn slaags geweest: dat Lidlum

en Luidingakerke overhoop liggen: dat Wybe Reynalda en Seppe Ribalda

elkaar hebben bevochten en beiden gesneuveld zijn: dat Helbada's

zoon, Douwe, door Worp Ropta in een hinderlaag gelokt en vermoord

is; dat er geene stins in Oostergoo is, waar geen boom op staat [32]

en dat Utrecht zich liever vandaag dan morgen moet overgeven, indien

het zijn redding van ons verwachten moet."

"O mijn ongelukkig vaderland!" zuchtte Madzy: "wat moet er van

u worden?"

"Dat weet ik niet," zeide Adeelen: "ik kan niet alles alleen af. Aylva

ligt ziek: vader Syard, die zooveel praats had, is verdwenen:--denkt

slechts om zich zelf:--maar zooals het nu is zal het niet blijven,

of ik werp mijn zwaard in 't meer en word een monnik.--En nu vaarwel!"

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, sprong op zijn paard en

was spoedig buiten het gezicht. Madzy wilde zich nu terstond naar

huis begeven; maar Reinout hield haar staande.

"Uw hart is nog tegen mij ingenomen," zeide hij, op een smeekenden

toon: "maar kunt gij op mij eeuwig vertoornd blijven, wegens een

opwelling van gramschap, welke haar oorzaak en tevens haar verschooning

in mijn blakende liefde vond?"

"God beware mij, Ridder!" zeide Madzy: "dat ik u gestreng zou

veroordeelen. Hij zelf heeft u een eeuwig naberouw gespaard, door

niet toe te laten dat uw moorddadig opzet den dood van uw evenmensch

ten gevolge had:--wat zeg ik? den dood van uw boezemvriend, van hem,

die u sedert uwe geboorte als een broeder bemind had.... en die,

ik betuig het u, u geene oorzaak tot zulk een handelwijze gegeven had?"

"En toont dit juist niet de kracht mijner liefde voor u," vroeg

Reinout, "dat ik hem, die mij zoo dierbaar was, eraan opofferde?

"Dit toont alleen, dat gij een hartstochtelijk mensch zijt," zeide

Madzy: "een liefde, die tot misdaad vervoert, is geenszins de ware

liefde, zooals ik mij die heb voorgesteld."

"Welnu dan!" zeide Reinout: "zij maakt voor 't minst die misdaad

verschoonlijk.--Maar ik wil het u niet verbloemen: ja! ik heb

afschuwelijk gehandeld! Ik wil gelooven, dat Deodaat niet zoo

schuldig was, als ik dacht: ik heb, meer dan eens, in eenzaamheid,

mijn halsvriend betreurd:--maar nu, nu leeft hij weder, en het is

niet langer de hand eens moordenaars, die Reinout van Aylva u aan

durft bieden."

"Ridder!" hernam Madzy: "ik mag u niet vleien met een ijdele

hoop. Tracht mijn achting, tracht de uwe te herwinnen, en dan zal

Madzy Dekama u eeren als den zoon van iemand, wien zij boven elk

ander vereert."

"Wel, in naam van dien braven man bid ik, trek uw onbarmhartige

uitspraak in. Ach! Ik vermoed het: mijn vader zelf is tegen mij

ingenomen wegens mijn wandaad. Wees gij de engel, de middelaarster,

die ons weer te zamen brengt en hem met mij verzoent. Hij ziet, hij

hoort slechts door uwe oogen: zoo uw bijstand mij faalt, hoe zal ik

genade bij hem verwerven? Maar een woord van u, en hij schenkt mij

vergeving en liefde: en dan, bedenk het zelve: gij hebt gehoord in

welk licht Adeelen uw gedrag heeft durven plaatsen? Is er een beter

middel om zijnen, om ieders mond te doen zwijgen, dan om uw hand te

schenken aan hem, die ze niet zou afbidden indien hij niet van uw

deugd overtuigd ware."

"Ik weet een beter middel," zeide Madzy: "het is van uw liefde af te

slaan, en daardoor te toonen, dat ik den laster niet vreeze.--Wat

voorts uw verzoening met uw vader betreft, wees gerust, dat Madzy

Dekama blozen zou, haar invloed op hem te misbruiken, door zijn hart

van u te verwijderen."

"Ik vertrouw dit," zeide Reinout: "oordeel zelve, welke waarde ik

aan die betuiging hecht, daar ik mij door u een recht laat ontnemen,

dat ik bij elk ander zoude doen gelden, dat namelijk, van mijn vader

in zijn krankheid te verzorgen."

Hier werd hun gesprek gestoord door Sytsken, die, de deur uitkomende,

zich tot Reinout wendde en hem te kennen gaf, dat de Olderman verlangde

hem te spreken.

"Is het mogelijk!" riep Reinout uit, terwijl een glans van vergenoegen

zich over zijn gelaat verspreidde: "ik zie met blijdschap, dat de

toestand mijns vaders niet zoo erg is, als mij die werd afgeschilderd."

"God geve," zeide Madzy: "dat deze ontmoeting zoo gezegend voor u

afloope, als ik dit van harte wenschte. Maar zeg mij, Sytsken! heeft

de Olderman uit zich zelven naar den Ridder gevraagd?--Wist hij,

dat die zich hier bevond?"

"Wat zal ik zeggen?" zeide Sytsken: "zooeven werd hier vrij heftig

gesproken: onze goede Heer ontwaakte ervan. Hij gelastte mij te

vernemen, wat er gaande was: en daar ik hoorde, dat het gerucht hier

vandaan kwam, ging ik even met den neus aan 't venster en zag Seerp Van

Adeelen, die als een pauw heenstapte, en den Ridder, die met u sprak,

en toen zei ik het den Olderman en vroeg of ik de Jonkvrouw roepen

zou, gelijk gij mij bevolen hadt te doen, als hij wakker werd. De

oude Heer ging recht overeind in 't bed zitten, zoo fiks gelijk hij

nog niet gedaan heeft: 'Sytsken!' zeide hij: 'ga den Ridder verzoeken

hier te komen.'--'Maar,' zei ik, 'uw Edelheid weet, wat de arts heeft

gezegd.'--'Ik weet het,' zeide de oude Heer; 'maar ik begeer hem te

spreken en 't zal mij geen nadeel doen.'--En zoo volgde ik zijn last."

"O! voldoe dan terstond aan zijn verlangen, Ridder!" zeide Madzy:

"en moge de uitslag van uw onderhoud zijn als gij dien wenscht."

Een dankbare blik was het antwoord van Reinout, en hij volgde

zijn geleidster met een blijmoedigheid, die niet vrij was van

ontroering. Weldra bevond hij zich in het vertrek, waar Aylva op het

ziekbed lag uitgestrekt.

De Olderman richtte zich op toen zij binnentraden: hij zag zwijgend

Reinout aan, die zich naast zijn sponde op de knie liet neervallen en

de vermagerde hand van Aylva kuste. Deze trok haar zachtjes, zonder

ruwheid, terug, verzocht Sytsken een waterkruik naast het hoofden

einde te plaatsen en vervolgens het vertrek te ruimen. Zoodra hij

met Reinout alleen was, wenkte hij hem, een stoel te nemen en zich te

zetten. De jongeling gehoorzaamde zwijgend, in pijnlijke verwachting

van hetgeen er volgen zoude.

"Ik heb verlangd, mij met u te onderhouden," zeide Aylva; "onze laatste

ontmoeting heeft mij geschokt, ik wil dat niet ontveinzen: met dit

al hebt gij recht om gehoord te worden. Wees zoo goed en verhaal mij

thans eens omstandig de gebeurtenissen, waarop gij uw recht grondt,

van mij vader te noemen."

Reinout gehoorzaamde. Hij vermeldde de wijze, waarop hij bij Carlo

della Scala gekomen was, herhaalde hetgeen Barbanera hem betreffende

Bianca had gezegd, en door ons in het achtste Hoofdstuk geboekt is,

en gaf vervolgens verslag hoe hij bij dit zonderling toeval, in dezen

zijn ouden bekende Paolo ontmoet had, aan wien hij de ontdekking der

waarheid verschuldigd was.

"Ik herinner mij dien Paolo," zeide Aylva, nadat Reinout zijn verhaal

geëindigd had: "hij leide het te Milaan op mijn leven toe, en schoon

hij het vertrouwen van mijn Bianca schijnt genoten te hebben,

blijkt het mij thans, dat hij haar zoowel als den dwingeland van

Verona gelijktijdig gediend en gelijktijdig bedrogen heeft. Wellicht

is hij het geweest, die aan Bianca de valsche tijding van mijn dood

deed weten: en ook hieruit kan ik mij de reden verklaren, waarom hij

geschroomd heeft, mij te Haarlem te komen opzoeken en mij daar reeds

het geheim uwer geboorte mede te deelen. Ach! dat hij het gedaan

hadde! Ik had hem een bedrog, dat zoovele jaren geleden plaats had,

gaarne vergeven: en wellicht had dan de euveldaad geene plaats gehad,

die sedert uw naam bezoedeld heeft."

Reinout zuchtte: "Wijt die euveldaad" zeide hij, "aan gekrenkte

spijt wegens slecht beloond vertrouwen, aan een opwelling van

onbedachten toorn: aan het Italiaansche bloed, dat mij door de aderen

vloeit.... misschien ook aan het Friesche... want naar ik bemerk, men

ziet er hier te lande ook niet veel kwaad in, elkander het staal in

't hart te jagen:--in allen gevalle, Deodaat leeft nog: en gewis, zijn

hart heeft mij vergeven. Zou mijn vader gestrenger over mij oordeelen?"

"Leeft hij nog?" vroeg Aylva, verheugd: "God zij geprezen! hij was

een edel jongeling! en wel waardig," vervolgde hij met een zucht, "van

uit ridderbloed gesproten te zijn.--Hij was met u opgevoed, nietwaar?"

Reinout wendde zich spoedig om, zoodat hij met den rug naar het

licht kwam te zitten; want hij voelde, dat hij op deze onverwachte

vraag bloedrood werd. Hij had met opzet de omstandigheid, dat Deodaat

met hem te gelijk aan Carlo della Scala was toevertrouwd geworden,

aan Aylva verzwegen: niet zoozeer omdat bij hem zelven nog eenige

twijfel omtrent de echtheid zijner geboorte uit Bianca bestond, als

uit vrees, dat de Olderman nog tusschen hem en Deodaat zou twijfelen,

daar toch de bepaling, wie van beiden Bianca's zoon ware, alleen van

de verklaring van Barbanera-Paolo afhing, die niet tegenwoordig was, en

aan wien Aylva bovendien wellicht weinig geloof zou slaan.--Intusschen

was hij dubbel tevreden, van deze omstandigheid geene melding gemaakt

te hebben, nu hij uit Aylva's woorden kon afleiden, dat Deodaat hem

als zoon meer welkom zou geweest zijn dan hij. Hij zweeg dan eenige

oogenblikken, en antwoordde toen: "Hij was een braaf en beminnelijk

mensch: de speelmakker mijner jeugd.... evenals ik door den edelen

Carlo als zoon aangenomen: wij hebben samen veel lief en leed

doorgestaan:--hadden wij niet beiden ons oog op Madzy laten vallen,

wij waren eeuwig vrienden gebleven."

"Nu spreekt gij, zooals ik het gaarne heb," zeide Aylva: "en ik ontwaar

met vreugde, dat gij hem recht doet, en dat uw misdaad alleen een

gevolg van gramschap was en niet uit een boos gemoed ontsproot. Neen:

ik mag niet langer twijfelen. Deze brief is van Bianca's hand! De

edele Carlo heeft die zeker herkend--en gezwegen, om haar rampspoedig

lot niet te verzwaren!--Deze ring--ik gaf hem aan Bianca bij ons

huwelijk. Barbanera heeft dien, zegt gij, van haar ontvangen?"

"Hij heeft haar gezien, voor hij zich naar dit land op reis begaf

en hem toen van haar ontvangen om tot bewijs mijner geboorte te

strekken." (Dit had Barbanera aan Reinout in de herberg te Plaswijk

verhaald.)

"Zij zou dan nog leven!" riep Aylva in vervoering uit: "leven... maar

in de slavernij van dien afschuwelijken dwingeland!--O God! zoo ik

naar mijn herstelling zou wenschen, het ware om haar uit hare boei

te verlossen!--Kom!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens;

"ik ben vermoeid; maar wat geschieden moet, dient niet langer te

worden uitgesteld. Roep Feiko binnen."

De dienaar verscheen, en ontving last, om Madzy, den pachter, en

Aylva's huiskapelaan te ontbieden. Zoodra deze binnen waren, gaf hij

laatstgemelden bevel, een verklaring op te maken, waarbij hij, Sjoerd

van Aylva, Reinout als zijn wettigen zoon en erfgenaam erkende. Dit

stuk, opgesteld zijnde, werd door aller onderteekening, voor zooverre

zij schrijven konden, en door de overigen met hun kenmerk bekrachtigd.

"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva: "kniel neder en ontvang den

vaderlijken zegen."

Reinout viel op beide knieën voor het bed; maar een kille huivering

rolde hem door de leden, toen Aylva hem de handen op het hoofd

leide en den vaderlijken zegen over hem uitsprak. Hij wist niet,

waaraan hij het gevoel moest toeschrijven, dat hem drukte; maar de

aandoening, welke hem overstelpte, was gelijk aan die, welke volgens

zijne gedachten, Jakob moet gekweld hebben toen hij den zegen aan zijn

broeder ontstal. Hij rees op en omhelsde Aylva: maar hij bleef koel bij

die omhelzing: hij droeg den Olderman eerbied toe; maar hij ondervond

die warme kinderlijke liefde niet, welke hij zich verbeeldde dat in

het hart eens zoons jegens zijn vader wonen moest. Hij trad een stap

achterwaarts en toen de huispriester hem met deftigheid, Feiko met

belangstelling, de pachter met onderdanigheid en Madzy op een recht

welmeenenden toon gelukwenschten, gevoelde hij zich bijna ongelukkig.

"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva, "nu heb ik rust noodig. Neem den Heer

kapelaan en deze verklaring mede, reis mijn goederen rond en bezoek

mijn gezin. Het is voegzaam en nuttig, dat gij een en ander leert

kennen. Uw bekwaamheid en kennis in krijgszaken is mij bekend. Gij

zijt nu een Fries, en het betaamt u het vaderland te dienen. Gij kunt

in de tegenwoordige omstandigheden van nut wezen. Beschik over al

het mijne naar uw goeddunken, voor zooveel gij oordeelt, dat zulks

voor Friesland heilzaam kan zijn."

"Ik hoop, mij uw vertrouwen niet onwaardig te maken," was alles,

wat Reinout kon uitbrengen: en, een kort afscheid nemende, verliet

hij de ziekekamer en weldra de stins, vergezeld van den huispriester.

"Welnu, Ridder!" vroeg hem aan den ingang Daamke, die na den landdag in

zijn dienst getreden was en zijn ezel tegen een paard, zijn zotskolf

tegen een zwaard en zijn narrenpak tegen het gewaad eens speermans

verruild had: "hoe is uw wedervaren geweest?"

"Ik ben voorgoed erkend als erfzoon van Aylva," antwoordde Reinout,

terwijl hij met een bedrukt gelaat te paard steeg.

"Als erfzoon van Aylva," dacht Daamke: "en hij kijkt zoo sip als

een hoen, dat op 't sterven ligt! Men zou waarlijk zeggen, dat het

hem leed deed.--Bij Sint Julfus! Indien mij zulk een geluk overkwam,

ik zou waarlijk in staat zijn van blijdschap den dood van mijn goeden

vriend Cezar te vergeten."

De Roos van Dekama · 第 36 / 46 题