Jan Carels zit aan het Lekkerveer
En vaart met zijn pontje al heen en weer:
En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,
Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.
Daar roept hem een monnik, een man van verstand:
"Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"
"Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
"Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
"De monniken dragen geen beurs op zij."
"Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij.
De pater zijn tol met een aflaat betaalt,
Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--
Daar roept hem een kook'ler, een geestige kwant:
"Ei, spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"--
"Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
"Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
"Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!"
"Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij;
De kook'ler zijn tol met een kunstje betaalt,
Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--
Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand:
"Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"--
"Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
"Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
"De meistreel is arm, geloof mij vrij."
"Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij.
De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,
Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--
Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:
"Ei spoedig: gij veerman! naar d' overkant!"--
"Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
"Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
"Och, veerman, zoo waar, 'k heb geen penning bij mij."--
"Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij."
Het meisje haar tol met een kusje betaalt,
Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--
Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land:
"Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"--
"Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
"Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
"Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij."--
"Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij;
Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,
Die wordt met zijn pontje niet overgehaald."
Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten,
die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven,
zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn
gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy tot
een goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen.
"Welzoo, meester hansworst! alweer terug?" riep een der soldaten hem
toe: "en nogal wel met uw aap?--Begon het u in Utrecht al te vervelen?"
"Men heeft er een al te schralen pot," antwoordde Daamke, "voor lieden,
die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik."
"Ik geloof het wel," hernam de krijgsman: "en wat mij het meest
verwondert, is dat men er u beiden niet aan 't spit gestoken heeft,
en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld
sedert hedenmorgen."
"Bij Sint-Julfus!" zeide Daamke: "dat is buit, dien ik gemaakt
heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad
medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas
en zijn gevangenen." En hij deed deze woorden vergezeld gaan door
eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien.
"Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet," zeide de krijgsknecht: "wij moeten
eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge
meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen,
tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een
veer zou laten?--Neen man! gij hebt het zelf gezongen; een kusje van
de deerne; en de pater zal ons _absolutie_ geven voor al de zonden,
die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven."
Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral
toen zij de onbeschaamde blikken bespeurde, welke sommigen uit de
bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich
deze en gene onder hen bediende.
"Waar is uw aanvoerder?" vroeg Feiko, vooruitrijdende: "Jonker Zweder
heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan
en terug te keeren."
"Tut! tut!" zeide een van de bende: "hij zou wel dwaas zijn, die
hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons,
en niet één zal er door zonder tol te betalen."
"Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen," zeide
Madzy: "noem uw eisch; maar bedenk, dat wij arme reizigers zijn."
"Arm of niet," zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging
makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: "een mooi meisje,
dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg."
Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap
ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard
met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op
hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven
en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal
latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel
met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvallers deed
nederkomen.
"Wij zijn op de flesch!" riep de hansworst, wiens dapperheid, gelijk
ons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen
vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid
voort, alsof het in Navarre, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren
ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna;
maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem
tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht.
Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van
Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de cistenser
monnik haar op zijde gekomen.
"Vlucht!" zeide hij: en meteen den teugel van haar paard grijpende,
zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde
hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een
zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door
een rij berkeboomen was afgescheiden.
Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan
haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende en schier sprakeloos
naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder,
of zij greep den monnik angstig bij den arm: "Om Gods wil!" riep zij:
"laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!"
Maar de monnik scheen òf weinig over het lot van den dienaar bekommerd
te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te
brengen, òf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zich
zelven in gevaar zouden brengen, zonder Feiko van eenigen dienst
te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding
ten hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar
moedigde, met het korte zweepje, dat hij in de hand had, het paard
van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen.
Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog
maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een
nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij
dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij
zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen,
wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken.
De plaats, waar zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met
een dubbele rij stevige rasters omringd, welker punten naar hen waren
toegekeerd. De ingang was nauw en werd 's nachts door een valboom
gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten,
onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen,
welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de
tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten
van onderscheiden wapen wandelden heen en weer of waren bezig met het
polijsten en opscherpen hunner bijlen en seizen: enkelen ook met het
spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar
maken van allerlei storm werktuigen:--in 't kort, het was een tooneel
vol gewoel;--maar op het oogenblik, dat Madzy en haar reisgenoot
aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op
eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op
den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het
echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar
de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.
De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van
onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde
te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen,
zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig,
dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos
rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest
herkregen had, onvervaard het poortje binnen.
"Verzoek uw hopman hier te komen," zeide zij, zich met waardigheid
tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder
kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.
"Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?" vroeg de speerman,
over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning
verwonderd: "slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken
hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons
zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware,
waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt."
Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden,
dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. "Ga!" zeide zij:
"en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien
zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen."
"Wat hamer!" zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren
ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid
komen aan wandelen): "zijn wij onder 't spinrokken vervallen, dat
wij bevelen ontvangen van een jonge meid?"
"Gij kunt vrij lachen," zeide de speerman, die het eerst gesproken
had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede
litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen:
"er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik
wel zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht."
"Zie dien ouden snoeshaan," hernam de andere soldaat: "altijd
hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient."
"Eene zeer juiste aanmerking," zeide de veteraan: "waarvoor gij,
Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar
den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is.--Zoo er lieden
aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan."
Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten,
terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen
last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf
man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den
voorpost wandelde.
"Wat wilt gij?" vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.
"Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen:
zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den
uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in 's Hemels naam."
De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een
doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid
dat hem ontsnapte.
In dit oogenblik werd Madzy's aandacht door een ander schouwspel
gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund
en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien,
die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige
pijlen staken, op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek,
en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten.
De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen,
stuurde haar ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij
gekwetst ware.
"Gave de goede God," zeide de hansworst, "dat de pijl mij getroffen
had, en niet mijn trouwen vriend en makker."
"Hoe!" vroeg Madzy: "wie dan? wie is gewond?"
"Zijn broertje is gewond," riepen verscheidenen onder de omstanders
lachende uit.
Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke's bittere smart geen
minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de
hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had,
eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een
pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den
arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid
aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde.
"Lacht vrij, steenen harten!" kreet hij: "lacht vrij: er zullen nimmer
zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed;
maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt,
mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op 't commando een
buiging maken voor 't gezelschap, en doodliggen, net zooals nu!--maar
nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes,
over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en
lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet
verliezen! och! och! ik ben alles kwijt:--mijn meester; die zelfs de
beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die
hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!"
Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad
had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen
rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk
te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet
daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en
bestaan verloor, en dat hij hem ook niet beklaagde, gelijk een kind
zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig
kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoel sproot uit een
oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen,
schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht
afgescheiden.
Onze heldin had echter niet lang tijd om haar meewarigheid te toonen;
de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die
haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en
haar tegelijk de hand bood om haar van 't paard te helpen. Terwijl
zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in 't gezicht, en
het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De
spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening
te bevestigen.
De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote
te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: "de Ridder heeft
nog onlangs gebiecht," zeide hij: "hij heeft nu alleen van de deerne
gesproken:--misschien," voegde hij er bij, lachende om zijn eigene
geestigheid, "zal hij een priester noodig hebben als het meisje van
hem af is."
De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard
leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl
de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren
mompelen: "ja! 't is misschien beter, dat zij alleen gaat.... wie
zou haar kunnen weerstaan?" Sommigen echter merkten op, dat hij
gedurende Madzy's afwezigheid blijken gaf van innerlijke onrust en
dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en
onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht om zich tegen een
onverwachten aanval te verdedigen.
Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar,
tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.
"Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp," zeide de
schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en
waar de banier van afgenomen was: "hij is den Graaf gaan bezoeken,
die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn
meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert."
"En wie is uw meester, goede schildknaap?" vroeg Madzy.
"Ho! Jonkvrouw!.... dat zult gij ras bespeuren.... iemand, wien de
schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u."
"Gij kent mij?" zeide zij verbaasd:.... "maar nu ik mij wel herinner,
ik heb u ook gezien, in een anderen dos!--zijt gij niet de neef van
die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang
met zooveel hartelijkheid behandelde?"
"Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en
heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele
wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons
thans bevinden."
Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig
of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Een schildknaap,
ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje
de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen.
Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste
voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren
geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent
prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had
moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare
trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen
zweefde, van Deodaat van Verona.
De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare;
want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had
om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die
trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn,
om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.
Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf
Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende,
welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl
hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap
te schetsen, dan: "is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt
mij dit genoegen? 't Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!"
"God zij geprezen! gij leeft dan nog," was alles wat Madzy uit kon
brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar
blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte
te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de
arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.
O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde
het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder
beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij
lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare
tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met
welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare
daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen,
dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft
gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig
dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen
zouden wij die vruchteloos beschrijven.
Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde,
welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het
wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich,
aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich
uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven
gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond,
wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op
de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.
"Madzy! aangebeden Jonkvrouw!" stamelde Deodaat, terwijl hij voor
haar nederknielde, en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en
lippen drukte.
"Ridder! dit moet zoo niet zijn," zeide Madzy: "ons laatste onderhoud
heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder
hersteld te zien."
"De wond is spoedig geheeld geweest," zeide Deodaat: "en zou ik die
niet zegenen, nu zij mij het genoegen verschaft van een woord van
belangstelling uit uwen mond te vernemen!"
"Ridder!" zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: "waartoe dient
het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele
plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en
het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien."
"IJdele plichtplegingen!" riep Deodaat: "ach! kunt gij dit ernstig
zeggen?--maar gij hebt gelijk:--ik herinner mij ter goeder ure,
dat gij de verloofde bruid van Seerp Van Adeelen zijt."
"Seerp Van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden; hij zelf,
hij heeft mijn hand afgeslagen."
"Mijn God!" riep Deodaat: "waar kan de man bestaan, die zulk een
prijs weigert?"
"Veroordeel hem niet," zeide Madzy, blozende en verward: "hij moest
denken dat ons gesprek op den Vogelesang een.... het gevolg van een
afspraak was.... en dat ik u.... dat mijn hart.... in 't kort, hij
beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt.... en
misschien had hij niet geheel ongelijk.... ik had u nooit moeten
aanhooren."
"Gij zijt wederom vrij!" riep Deodaat, wiens oogen van vreugde
fonkelden: "en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?"
"Helaas!" zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt,
hem aanzagen met een onbeschrijfelijke uitdrukking van teederheid en
weemoed: "waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen,
door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt
worden?"
"En waarom, vraag ik op mijne beurt," zeide de Ridder, "waarom zoudt
gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken,
zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop,
te ontzeggen? Zal een teedere, belangelooze liefde niet in staat
zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif
het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet,
van u eenmaal de mijne te mogen noemen."
"Ridder!" hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: "ik wil
u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of
gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet
onverschillig zijn. Ik heb achting voor u,.... en mijn hart had u
wellicht boven anderen verkozen.... neen!--spaar uwe betuigingen en
antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken.--Gij zijt geen Fries,
Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer
dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in
de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn
loon zijn, indien ik tot zulk een stap besloot: en daarin zoudt gij
deelen:--wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:.... ook
dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor
al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat
geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons
hart;--maar!--ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet
opofferen:--mijn goede naam ware onherstelbaar verloren."
"Uw goede naam!" herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigszins gevoelig:
"'t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt."
"Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij:
door u te huwen, zou ik zijn vermoedens niet alleen bevestigen,
maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom
verraden had om eenen anderen mijn min te schenken."
"Adeelen verdenkt u!" herhaalde Deodaat, zich voor 't hoofd slaande:
"ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel
het: gij behoordet mij te haten; maar ik zweer het u, zoodra mijn
plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen
opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen,
dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn."
"Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen
hebben," zeide Madzy: "mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer
van een vrouw aan de punt van 't zwaard hangt."
"Gij hebt misschien gelijk," zeide Deodaat: "en toch behoort er iets
gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw
bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen,
dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen."
"Wel!" hernam de Jonkvrouw: "laat ons dan beginnen met voor het
tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist
geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen
wilt. God weet het: het is mij lief, u wèl gezien te hebben; maar
had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit
onderhoud te vragen."
"Hoe!" zeide de Ridder: "gij wist niet.... en wien zoekt gij dan?"
Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk
om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het
offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door
't hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde,
dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten.
"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij, "mijn trouwe Feiko!.... hij is aan
de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd
over hem."
"Wij zullen naar hem laten vernemen," zeide Deodaat: "Zweder!"
De jonge schildknaap trad binnen.
"Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten
gevochten heeft."
"Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest," zeide de knaap: "de
man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden
en wachten op uw bevel omtrent hem."
"God zij geloofd!" zeide Madzy: "waarlijk, de goede Feiko was misschien
wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen...."
"Hoe!" riep Deodaat! "men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?"
"Ik bid u," antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben:
"laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om
mijnentwil iemand leed geschiede."
"Zooals gij verkiest is het wel! Zweder! ga, en zeg dat men den man
ontboeie.--En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt
van mij te gaan verhalen...."
Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht
naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken,
ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de
haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking
had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den
Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat,
indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te
leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet,
en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort
zou doen.
"Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen,"
zeide Deodaat: "ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te
plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert
lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven,
dan nog zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht
als 's Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af
te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank
geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had."
"Ridder!" zeide Madzy, hem haar hand toereikende: "gij zijt een edel
mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang
met een dankbaar hart gedenken.--Maar nu.... o! bedenk wat ik zeide:
wij moeten scheiden."
"Ach," riep Deodaat: "hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed
zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan
den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten,
daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik
de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk
ter wereld zou willen verruilen.--Dan genoeg!--Hier scheiden wij!--Ik
durf mij zelfs het genoegen met vergunnen, u tot buiten de deur te
geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud,
hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u
vergezelde.--Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u!--geleid
deze.... dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de
poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag
het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En
laat Boudewijn intusschen het paard van de.... van dit meisje hier
brengen. Gij hebt mij verstaan."
"Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij
mijn liefste," zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.
"Hoe nu, knaap! weet gij....?"
"Uwe Edelheid weet zoowel als ik," antwoordde Zweder, "dat men
Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens
gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren,
zien en zwijgen;--daarvoor ben ik page geweest."
Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns
meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men
verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij
te verdragen.
Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek
van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat
zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten
of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te
ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het
uur van scheiden aankondigde.
Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende,
drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord
vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol
teederheid aan, en haalde toen haar kaper over 't gezicht. Zij traden
de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten,
en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van
Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.
"Een wakker beestje!" zeide Boudewijn: "maar wat hamer, heer
Ridder! het gelijkt, als 't eene ei op 't andere, naar den vos,
die u ontstolen is."
"Inderdaad!" zeide Deodaat, verwonderd van zijn paard te herkennen:
"maar des te beter!"
Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat
vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op
het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde
houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over
den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig
gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, 't geen hem niet
belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen,
en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen,
nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.
Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide
van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort
vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden
ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen hen intusschen
vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest,
in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.