Zoo vlught de nachtegael het vogelvangers garen,
En valt in 's arends klaauw.
Vondel. Maria Stuart.
Ofschoon Madzy's verlangen om Utrecht zoo spoedig mogelijk te verlaten,
en de noodzakelijkheid om van den gesloten wapenstilstand gebruik
te maken, de toebereidselen tot het vertrek hadden verhaast, was het
echter reeds laat in den namiddag, toen onze heldin met haar gezelschap
de Witte poort uittrok, voorafgegaan door Arkel zelf, die in zijn
dos van schildknaap des Ridders van den Rooden Arend, welke bij het
krijgsvolk welbekend was, hun een onverhinderden aftocht verschafte,
en uitgeleide deed tot aan de overzijde der stadsgracht. Hier hield
hij een oogenblik stil, en, Madzy naderende, boog hij met eerbied
zijn gehelmd hoofd over de hand, welke zij hem ter afscheid toestak,
waarna hij, zonder een enkel woord te spreken, de teugels wendde
en langzaam weder naar binnen reed, terwijl de Jonkvrouw met haar
geleide haar weg vervolgde. Madzy bereed het paard, waarop Arkel bij
zijn vertrek van Nyenstein gezeten was geweest: en weinig dacht zij,
dat de vos, die een zoo zachte en gelijke beweging had, eens het
eigendom geweest was van dien ongelukkigen Deodaat, wiens beeld al
de vreemde voorvallen, die zij ondergaan had, nog geenszins uit haar
geest hadden geweerd. Naast haar reed Feiko, wiens oplettend oog al
de bewegingen van het paard zijner wedergevonden meesteres gadesloeg,
ten einde in staat te zijn, zoo er iets gebeurde, dadelijk met zijn
hulp bij de hand te kunnen zijn. In de achterhoede kwam onze goede
hansworst op zijn ezel, met den aap op den schouder en de tooverkast
van meester Barbanera op den rug, en beweerde al lachende, dat zijn
vracht zwaarder was dan die van grauwtje, en dat hij nabij de eerste
rustplaats beproeven zou, de kast op den ezel te zetten en zelf
op de kast te gaan zitten. Nevens hem reed een Cistenser monnik,
welken laatsten Arkel, zoo 't heette, uit overmaat van voorzorg, hun
tot gids en gezelschap had medegegeven. Hoewel beiden elkander veel
te vragen hadden, zetteden echter Madzy en Feiko hun weg in stilte
voort, liever verkiezende, hun onderhoud uit te stellen tot zij in 't
open veld en veilig waren; want niettegenstaande den wapenstilstand,
en de gerustheid, welke het gezelschap eens potsenmakers inboezemen
moest, bleef het een gewaagd stuk, aldus door een legerplaats heen
te trekken, waar men veel kans had kwalijk behandeld te worden,
en Madzy bovendien gevaar liep van herkenning, welke haar opzet ten
eenenmale zoude verijdelen. Zij reed dan langzaam en met omsluierd
gelaat, zonder op te zien, vooruit; maar Feiko daarentegen liet
gestadig, zoowel uit bezorgdheid voor haar als uit nieuwsgierigheid,
den blik nu her- dan derwaarts weiden, om te onderzoeken of er ook
eenig gevaar ophanden ware, en om te beschouwen wat bezienswaardig
scheen. Reeds hadden onze reizigers rechts en links van zich een
paar dier hooge stormtuigen laten liggen, waarvan er dertien om
de benarde stad waren opgericht, en waaruit, onder de bedekking
van de talrijke boogschutters, die zich op de bovenste verdieping
bevonden, steenen kogels van een ontzettende zwaarte in de stad werden
geschoten. Thans echter waren die gevaarten verlaten en alleen door
een kleine wacht bewaakt. Zij bevonden zich nu aan den ingang der
belegeringswerken, achter welke men tallooze horden, karren met aarde,
en andere voorwerpen onderscheidde, tot demping der gracht bestemd;
maar de belegeraars, afgetobd na de vermoeienissen der vorige dagen,
lagen meest allen in diepen slaap uitgestrekt en genoten die rust,
welke de wapenstilstand hun toeliet gedurende vier en twintig uren
ongestoord te smaken. Met dat al geraakten de vluchtelingen niet binnen
het rasterwerk, waarmede deze legerschans omsloten was, zonder door
de schildwachten te zijn aangehouden; maar dezen, zoodra zij Feiko
en Daamke voor dezelfde personen herkenden, welke dien morgen door
Jonker Zweder van Naaldwijk tot aan de poort waren geleid, lieten hen
onverhinderd doortrekken, 't zij uit eerbied voor den hun gegeven last,
't zij uit aanmerking van den wapenstilstand, 't zij eindelijk omdat
zij te lui en te vermoeid waren om nadere bevelen te gaan vragen.
Onze reizigers waren alzoo de werken doorgekomen, welke de stad als met
een ring omsloten, en bevonden zich op een ruimen grond, waar zij het
vooruitzicht hadden, vooreerst niet te zullen worden aangehouden;--want
de tenten lagen, uithoofde van plaatselijke omstandigheden, niet langs
den weg, dien zij volgden, maar aan weerszijden, meer landwaarts in;
terwijl schier elk krijgshoofd of Baanderheer zijn eigen kamp had,
zoodat men niet slechts ééne legerplaats zag, maar ongeveer evenveel
legerplaatsen als er bevelhebbers waren, naar de gelegenheid van
den grond hier en daar over de vlakte verspreid. Niet zonder moeite
echter vervolgde de kleine stoet zijn weg langs de groote heirbaan op
Amersfoort, die zelfs in gewone tijden niet gemakkelijk te berijden
was; maar thans, zoo door veelvuldige regens als door den gestadigen
overtocht van voet- en paardenvolk, legerwagens, karren met steenen,
mondbehoeften, en andere benoodigdheden voor de belegeraars, bijna
onbruikbaar was geworden. De zon, welke sedert een paar weken achter
donkere wolken was verscholen geweest, had echter onze reizigers,
even nadat zij Utrecht verlaten hadden, met haar welkome stralen komen
verkwikken, als wilde zij haar verschijning tot een goed voorteeken
voor den aangevangen tocht doen verstrekken, en bij onze lieve
zwerfster de hoop doen herleven, dat na de bange onspoedsdagen, welke
zij had doorgestaan, het geluk opnieuw voor haar zou dagen. Een los
zuidenwindje verdreef de dunne en waterlooze wolken, welke nog in het
luchtruim zweefden, en dartelde in het loof der hooge eikeboomen, welke
van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende
wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vroolijk staken de witte
legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het
donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier
en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van
een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht
in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten
levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig
en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide
tevens. Men zag vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd,
wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen
en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de
halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om
tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen
met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en
tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd
en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zelven,
door den onbarmhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag
krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met
het schieten met den boog;--en daarlangs, hunne in den krijg gekwetste
makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij
den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen,
in slooten en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door
hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy
was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde
zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den
blauwen hemel te wenden: "ja!" dacht zij dan bij zich zelve: "hier
op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede."
Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van
nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet
dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden,
en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield,
kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen,
hun op zijde. "Nu!" riep hij: "bij Sint-Julfus: zoo die Cistenser
broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als
die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed
voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en
laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met
een diefleider hetzelfde veer moet oversteken."
"Hij zit met dat al goed in den zadel," zeide Feiko, even omziende: "en
ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven gedaan had,
dan vigiliën te zingen en missen te lezen:--in waarheid!" herhaalde
hij, nogmaals omziende: "hij rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit
niet beter te paard."
En door die warme belangstelling gedreven, die elken liefhebber
van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon
onze goede Feiko niet nalaten, in spijt van zijn bezorgdheid voor de
Jonkvrouw, telken reize het hoofd te wenden om de rijkunst van den
vromen pater te bewonderen, die, zonder te bemerken dat men acht op
hem sloeg, tusschen de ooren van zijn paard voor zich neder keek en
voor niemand eenige gedachten scheen te hebben dan voor het moedige
ros, dat hij bereed.
"Voorwaar!" riep onze vroolijke hansworst, terwijl hij de blikken in
't rond sloeg en zijn tong in vrijheid vierde: "ziedaar een schoon
schouwspel! bij Sint-Julfus! mijn waarde Cezar, mochten wij eens
samen over die velden trekken als de strijd volstreden is en het
slagveld verlaten! Wat een vette buit ware daar voor u en mij ten
beste.--Voorwaar! ik heb vrij wat legers gezien; maar men zoude
er moeilijk een aantreffen, zoo rijk en prachtig als dat van den
Graaf! Wat dunkt u, vriend Feiko! zou de tiendepart van dat troepje
niet genoegzaam wezen om uw landje in te pakken?"
"Laten zij in tiendubbelen getale komen," antwoordde Feiko: "dan waren
wij pas gelijk; want als zij komen, staat geheel Friesland als één
man op; en zij zullen nog een harden dobbel hebben, dat beloof ik u."
Op dit oogenblik gaf Madzy een gil en haar paard deed een
zijsprong. Het dier was geschrikt voor een lijk, dat dwars over den
weg lag uitgestrekt. Feiko, die juist dat oogenblik omkeek naar
den monnik, ware te laat gekomen om Madzy te helpen, indien haar
paard gestort ware; maar de pater, hoeveel hij oogenschijnlijk zich
alleen met zijn eigen ros bezig hield, toonde zich op dit oogenblik
meer bij de hand dan de trouwe dienaar zelf, en was dadelijk aan de
zijde der Jonkvrouw. Hij kortte de teugels, zoodra hij bespeurde,
dat zij, zonder iemands hulp, haar vos weder in bedwang had, en bleef
in de achterhoede.
"Wees voorzichtig, Jonkvrouw!" riep Feiko verschrikt:--"wat duivel,
Pater! gij hebt uw oogen overal en zoudt er vlugger bij zijn dan ik."
Een half gesmoord gemompel, dat men niet duidelijk kon onderscheiden
of het een gebed dan een vloek ware, was het eenige antwoord, dat de
monnik gaf.
Madzy had intusschen haar paard bij het lijk doen stilhouden.
"In Gods naam!" zeide zij: "vrienden! ziet toch eens; misschien leeft
hij nog."
"'t Is een Bisschoppelijke ruiter," zeide Daamke, het lijk met zijn
zotskolf aanstootende: "zie eens! hij is reeds stijf."
"Dat gezicht heb ik meer gezien," zeide Feiko, de wezenstrekken des
gesneuvelden aandachtig beschouwende.
"Dat geloof ik wel," zeide Daamke, lachende: "heugt u den
Haarlemmerhout niet meer, en den koddebeier, met wien gij zoo dapper
aan 't bakkeleien zijt geweest?"
"Bij mijn zaligheid!" zeide Feiko: "het is dezelfde man; maar hoe
duivel komt hij hier in het pak van een Bisschoppelijken ruiter?"
"Zeker is hij bij een uitval gebleven," zeide de potsenmaker: "wie
had kunnen denken, toen wij, zes weken geleden, te Plaswijk bij den
kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten? Daar
hebt gij nu wat aan gehad, om uw wijf te slaan en met eens andermans
paarden door te gaan. Ik geloof wel, Jonkvrouw! dat uw vos voor hem
schrikte. Zij zijn oude kennissen."
"Hoe!" zeide Madzy: "was die ongelukkige de man...."
"De man van Elske, met uw verlof," zeide Daamke: "en de dief van
het paard, dat gij berijdt. Maar kom!" vervolgde hij, de bleekheid
bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy's gelaat hadden
verspreid: "het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden
te Amersfoort willen zijn."
Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. "Gij waart dan
te Plaswijk," voer zij voort: "en dat dier, was het met u?"
"Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!" zeide Daamke: "nu ik mij wel bezin,
moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd,
begin ik te begrijpen, dat hij u uit uw slaapplaats verdreven heeft."
Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien
nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen
besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling
van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar
verraste, natuurlijk ware of niet. "Cezar! Cezar!" zeide zij, het beest
met den vinger dreigende: "gij hebt mij vrij wat onheils berokkend."
"Kom!" zeide de hansworst: "gij moet het hem vergeven, Jonkvrouw! om
der goede diensten wille, welke hij u bewees, door dat zaterdagsche
wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frisschen knauw te geven."
"Stil!" zeide Madzy: "over haar verlang ik niets meer te hooren,
noch ten goede, noch ten kwade.... maar zeg mij, ziet gij ginds geen
stormhoeden blinken achter de heggen?"
"Juist! wij komen hier aan den buitensten cirkel van de legerplaats:
en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zij houden scherpe
wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van
Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere
doe verwerven, wij hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik
hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar 't zij hoe 't zij,
Jonkvrouw! er moet een vroolijk gelaat getoond worden en een liedje
gezongen: hoe luidruchtiger wij zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij
zullen wekken."
En aanstonds ving hij aan met een heldere stem een liedje te zingen,
waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt: