ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Zoo vlught de nachtegael het vogelvangers garen,

En valt in 's arends klaauw.

Vondel. Maria Stuart.

Ofschoon Madzy's verlangen om Utrecht zoo spoedig mogelijk te verlaten,

en de noodzakelijkheid om van den gesloten wapenstilstand gebruik

te maken, de toebereidselen tot het vertrek hadden verhaast, was het

echter reeds laat in den namiddag, toen onze heldin met haar gezelschap

de Witte poort uittrok, voorafgegaan door Arkel zelf, die in zijn

dos van schildknaap des Ridders van den Rooden Arend, welke bij het

krijgsvolk welbekend was, hun een onverhinderden aftocht verschafte,

en uitgeleide deed tot aan de overzijde der stadsgracht. Hier hield

hij een oogenblik stil, en, Madzy naderende, boog hij met eerbied

zijn gehelmd hoofd over de hand, welke zij hem ter afscheid toestak,

waarna hij, zonder een enkel woord te spreken, de teugels wendde

en langzaam weder naar binnen reed, terwijl de Jonkvrouw met haar

geleide haar weg vervolgde. Madzy bereed het paard, waarop Arkel bij

zijn vertrek van Nyenstein gezeten was geweest: en weinig dacht zij,

dat de vos, die een zoo zachte en gelijke beweging had, eens het

eigendom geweest was van dien ongelukkigen Deodaat, wiens beeld al

de vreemde voorvallen, die zij ondergaan had, nog geenszins uit haar

geest hadden geweerd. Naast haar reed Feiko, wiens oplettend oog al

de bewegingen van het paard zijner wedergevonden meesteres gadesloeg,

ten einde in staat te zijn, zoo er iets gebeurde, dadelijk met zijn

hulp bij de hand te kunnen zijn. In de achterhoede kwam onze goede

hansworst op zijn ezel, met den aap op den schouder en de tooverkast

van meester Barbanera op den rug, en beweerde al lachende, dat zijn

vracht zwaarder was dan die van grauwtje, en dat hij nabij de eerste

rustplaats beproeven zou, de kast op den ezel te zetten en zelf

op de kast te gaan zitten. Nevens hem reed een Cistenser monnik,

welken laatsten Arkel, zoo 't heette, uit overmaat van voorzorg, hun

tot gids en gezelschap had medegegeven. Hoewel beiden elkander veel

te vragen hadden, zetteden echter Madzy en Feiko hun weg in stilte

voort, liever verkiezende, hun onderhoud uit te stellen tot zij in 't

open veld en veilig waren; want niettegenstaande den wapenstilstand,

en de gerustheid, welke het gezelschap eens potsenmakers inboezemen

moest, bleef het een gewaagd stuk, aldus door een legerplaats heen

te trekken, waar men veel kans had kwalijk behandeld te worden,

en Madzy bovendien gevaar liep van herkenning, welke haar opzet ten

eenenmale zoude verijdelen. Zij reed dan langzaam en met omsluierd

gelaat, zonder op te zien, vooruit; maar Feiko daarentegen liet

gestadig, zoowel uit bezorgdheid voor haar als uit nieuwsgierigheid,

den blik nu her- dan derwaarts weiden, om te onderzoeken of er ook

eenig gevaar ophanden ware, en om te beschouwen wat bezienswaardig

scheen. Reeds hadden onze reizigers rechts en links van zich een

paar dier hooge stormtuigen laten liggen, waarvan er dertien om

de benarde stad waren opgericht, en waaruit, onder de bedekking

van de talrijke boogschutters, die zich op de bovenste verdieping

bevonden, steenen kogels van een ontzettende zwaarte in de stad werden

geschoten. Thans echter waren die gevaarten verlaten en alleen door

een kleine wacht bewaakt. Zij bevonden zich nu aan den ingang der

belegeringswerken, achter welke men tallooze horden, karren met aarde,

en andere voorwerpen onderscheidde, tot demping der gracht bestemd;

maar de belegeraars, afgetobd na de vermoeienissen der vorige dagen,

lagen meest allen in diepen slaap uitgestrekt en genoten die rust,

welke de wapenstilstand hun toeliet gedurende vier en twintig uren

ongestoord te smaken. Met dat al geraakten de vluchtelingen niet binnen

het rasterwerk, waarmede deze legerschans omsloten was, zonder door

de schildwachten te zijn aangehouden; maar dezen, zoodra zij Feiko

en Daamke voor dezelfde personen herkenden, welke dien morgen door

Jonker Zweder van Naaldwijk tot aan de poort waren geleid, lieten hen

onverhinderd doortrekken, 't zij uit eerbied voor den hun gegeven last,

't zij uit aanmerking van den wapenstilstand, 't zij eindelijk omdat

zij te lui en te vermoeid waren om nadere bevelen te gaan vragen.

Onze reizigers waren alzoo de werken doorgekomen, welke de stad als met

een ring omsloten, en bevonden zich op een ruimen grond, waar zij het

vooruitzicht hadden, vooreerst niet te zullen worden aangehouden;--want

de tenten lagen, uithoofde van plaatselijke omstandigheden, niet langs

den weg, dien zij volgden, maar aan weerszijden, meer landwaarts in;

terwijl schier elk krijgshoofd of Baanderheer zijn eigen kamp had,

zoodat men niet slechts ééne legerplaats zag, maar ongeveer evenveel

legerplaatsen als er bevelhebbers waren, naar de gelegenheid van

den grond hier en daar over de vlakte verspreid. Niet zonder moeite

echter vervolgde de kleine stoet zijn weg langs de groote heirbaan op

Amersfoort, die zelfs in gewone tijden niet gemakkelijk te berijden

was; maar thans, zoo door veelvuldige regens als door den gestadigen

overtocht van voet- en paardenvolk, legerwagens, karren met steenen,

mondbehoeften, en andere benoodigdheden voor de belegeraars, bijna

onbruikbaar was geworden. De zon, welke sedert een paar weken achter

donkere wolken was verscholen geweest, had echter onze reizigers,

even nadat zij Utrecht verlaten hadden, met haar welkome stralen komen

verkwikken, als wilde zij haar verschijning tot een goed voorteeken

voor den aangevangen tocht doen verstrekken, en bij onze lieve

zwerfster de hoop doen herleven, dat na de bange onspoedsdagen, welke

zij had doorgestaan, het geluk opnieuw voor haar zou dagen. Een los

zuidenwindje verdreef de dunne en waterlooze wolken, welke nog in het

luchtruim zweefden, en dartelde in het loof der hooge eikeboomen, welke

van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende

wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vroolijk staken de witte

legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het

donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier

en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van

een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht

in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten

levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig

en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide

tevens. Men zag vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd,

wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen

en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de

halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om

tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen

met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en

tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd

en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zelven,

door den onbarmhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag

krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met

het schieten met den boog;--en daarlangs, hunne in den krijg gekwetste

makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij

den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen,

in slooten en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door

hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy

was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde

zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den

blauwen hemel te wenden: "ja!" dacht zij dan bij zich zelve: "hier

op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede."

Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van

nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet

dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden,

en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield,

kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen,

hun op zijde. "Nu!" riep hij: "bij Sint-Julfus: zoo die Cistenser

broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als

die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed

voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en

laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met

een diefleider hetzelfde veer moet oversteken."

"Hij zit met dat al goed in den zadel," zeide Feiko, even omziende: "en

ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven gedaan had,

dan vigiliën te zingen en missen te lezen:--in waarheid!" herhaalde

hij, nogmaals omziende: "hij rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit

niet beter te paard."

En door die warme belangstelling gedreven, die elken liefhebber

van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon

onze goede Feiko niet nalaten, in spijt van zijn bezorgdheid voor de

Jonkvrouw, telken reize het hoofd te wenden om de rijkunst van den

vromen pater te bewonderen, die, zonder te bemerken dat men acht op

hem sloeg, tusschen de ooren van zijn paard voor zich neder keek en

voor niemand eenige gedachten scheen te hebben dan voor het moedige

ros, dat hij bereed.

"Voorwaar!" riep onze vroolijke hansworst, terwijl hij de blikken in

't rond sloeg en zijn tong in vrijheid vierde: "ziedaar een schoon

schouwspel! bij Sint-Julfus! mijn waarde Cezar, mochten wij eens

samen over die velden trekken als de strijd volstreden is en het

slagveld verlaten! Wat een vette buit ware daar voor u en mij ten

beste.--Voorwaar! ik heb vrij wat legers gezien; maar men zoude

er moeilijk een aantreffen, zoo rijk en prachtig als dat van den

Graaf! Wat dunkt u, vriend Feiko! zou de tiendepart van dat troepje

niet genoegzaam wezen om uw landje in te pakken?"

"Laten zij in tiendubbelen getale komen," antwoordde Feiko: "dan waren

wij pas gelijk; want als zij komen, staat geheel Friesland als één

man op; en zij zullen nog een harden dobbel hebben, dat beloof ik u."

Op dit oogenblik gaf Madzy een gil en haar paard deed een

zijsprong. Het dier was geschrikt voor een lijk, dat dwars over den

weg lag uitgestrekt. Feiko, die juist dat oogenblik omkeek naar

den monnik, ware te laat gekomen om Madzy te helpen, indien haar

paard gestort ware; maar de pater, hoeveel hij oogenschijnlijk zich

alleen met zijn eigen ros bezig hield, toonde zich op dit oogenblik

meer bij de hand dan de trouwe dienaar zelf, en was dadelijk aan de

zijde der Jonkvrouw. Hij kortte de teugels, zoodra hij bespeurde,

dat zij, zonder iemands hulp, haar vos weder in bedwang had, en bleef

in de achterhoede.

"Wees voorzichtig, Jonkvrouw!" riep Feiko verschrikt:--"wat duivel,

Pater! gij hebt uw oogen overal en zoudt er vlugger bij zijn dan ik."

Een half gesmoord gemompel, dat men niet duidelijk kon onderscheiden

of het een gebed dan een vloek ware, was het eenige antwoord, dat de

monnik gaf.

Madzy had intusschen haar paard bij het lijk doen stilhouden.

"In Gods naam!" zeide zij: "vrienden! ziet toch eens; misschien leeft

hij nog."

"'t Is een Bisschoppelijke ruiter," zeide Daamke, het lijk met zijn

zotskolf aanstootende: "zie eens! hij is reeds stijf."

"Dat gezicht heb ik meer gezien," zeide Feiko, de wezenstrekken des

gesneuvelden aandachtig beschouwende.

"Dat geloof ik wel," zeide Daamke, lachende: "heugt u den

Haarlemmerhout niet meer, en den koddebeier, met wien gij zoo dapper

aan 't bakkeleien zijt geweest?"

"Bij mijn zaligheid!" zeide Feiko: "het is dezelfde man; maar hoe

duivel komt hij hier in het pak van een Bisschoppelijken ruiter?"

"Zeker is hij bij een uitval gebleven," zeide de potsenmaker: "wie

had kunnen denken, toen wij, zes weken geleden, te Plaswijk bij den

kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten? Daar

hebt gij nu wat aan gehad, om uw wijf te slaan en met eens andermans

paarden door te gaan. Ik geloof wel, Jonkvrouw! dat uw vos voor hem

schrikte. Zij zijn oude kennissen."

"Hoe!" zeide Madzy: "was die ongelukkige de man...."

"De man van Elske, met uw verlof," zeide Daamke: "en de dief van

het paard, dat gij berijdt. Maar kom!" vervolgde hij, de bleekheid

bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy's gelaat hadden

verspreid: "het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden

te Amersfoort willen zijn."

Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. "Gij waart dan

te Plaswijk," voer zij voort: "en dat dier, was het met u?"

"Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!" zeide Daamke: "nu ik mij wel bezin,

moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd,

begin ik te begrijpen, dat hij u uit uw slaapplaats verdreven heeft."

Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien

nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen

besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling

van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar

verraste, natuurlijk ware of niet. "Cezar! Cezar!" zeide zij, het beest

met den vinger dreigende: "gij hebt mij vrij wat onheils berokkend."

"Kom!" zeide de hansworst: "gij moet het hem vergeven, Jonkvrouw! om

der goede diensten wille, welke hij u bewees, door dat zaterdagsche

wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frisschen knauw te geven."

"Stil!" zeide Madzy: "over haar verlang ik niets meer te hooren,

noch ten goede, noch ten kwade.... maar zeg mij, ziet gij ginds geen

stormhoeden blinken achter de heggen?"

"Juist! wij komen hier aan den buitensten cirkel van de legerplaats:

en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zij houden scherpe

wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van

Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere

doe verwerven, wij hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik

hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar 't zij hoe 't zij,

Jonkvrouw! er moet een vroolijk gelaat getoond worden en een liedje

gezongen: hoe luidruchtiger wij zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij

zullen wekken."

En aanstonds ving hij aan met een heldere stem een liedje te zingen,

waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt:

De Roos van Dekama · 第 33 / 46 题