VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Il faut suivre Cassandre ou choisir Antigone.

Voltaire. Olympie.

Toen Arkel zich uit het vertrek van Madzy verwijderd had, was hij

naar den kant gegaan, waar het geroep vandaan was gekomen en waar hij

spoedig Reinout vond, die, altijd onder de aangenomene wapenrusting

van den Ridder des Rooden Adelaars, bezig was met hem overal te zoeken.

"Gij hebt welgedaan van te komen, Otto!" zeide hij met een luide stem:

"ik zou u bijna reeds zijn gaan opzoeken in de verbodene vertrekken,"

voegde hij er zachtjes bij.

"Wat is er gebeurd?" vroeg Arkel, haastig met hem in een zijvertrek

gaande: "is de vijand in de stad?"

"Neen!" zeide Reinout, wiens gelaat van angst en toorn scheen te

gloeien: "maar ik wilde u het vertrek doen verlaten, waar gij u in

bevondt, en waar ik niet binnen mocht komen, zonder mijn belofte

te schenden."

"Wat is er dan zoo dringends?" vroeg de Bisschop, die reeds in een

kwade luim gebracht was door den slechten uitslag van zijn bezoek

bij Madzy, en bij wien deze woorden van Reinout weinig geschikt waren

een betere stemming te doen ontstaan.

"Bisschop van Utrecht!" zeide Reinout, hem met fonkelende oogen

aanziende: "wie is het meisje, dat gij daar in de gindsche kamer

houdt opgesloten?"

"Stil! stil toch!" zeide Arkel, zich verbijtende: "gij weet immers,

dat ik slechts uw schildknaap ben."

"Geef antwoord!" hernam de woedende jongeling, "of ik ga uw naam

overluid op de markt schreeuwen."

"Dat ware vrij ondankbaar van uwentwege," zeide Arkel: "maar herinner

u, dat gij mij uw woord gegeven hebt van geen onderzoek te doen naar

hetgeen gij thans begeert te weten."

"Ik herinner mij niets van dien aard," zeide Reinout: "integendeel weet

ik zeer wel, dat ik u alleen beloofd heb, niet in de verboden kamer

te komen en dat gij verder geen eeden van mij gevergd hebt; ik zou

uwe geheimenis geëerbiedigd hebben, indien mij met een toeval zooeven

had doen ontdekken, hoe schandelijk ik door u beleedigd ben geworden."

"Beleedigd! door mij!" herhaalde Arkel: "en wat hebt gij dan vernomen?"

"Ik heb zooeven dat oude wijf ontmoet, hetwelk gij tot de oppassing,

zoo 't heet, der zieke deerne had aangenomen, ik hoorde haar mompelen:

zij vloekte op u; zij beklaagde zich dat gij haar had toegegrauwd,

en dat zij meer last had van eene zotte Friezin, dan van al de mooie

meisjes, die zij ooit onder haar bewaring had gehad:--ik weet niet,

welk vreeselijk vermoeden mij beving; maar ik ondervroeg haar: en de

overtuiging, die ik verkregen heb, is, dat die Friezin niemand anders

is dan de door mij altijd aangebeden Madzy Dekama."

"Ik zal die vervloekte koppelaarster laten geeselen," zeide Arkel,

met de vuist op de tafel slaande.

"Gij kendet mijne liefde voor dat meisje," vervolgde Reinout:

"en niettemin zocht gij haar aan uw schendigen lust op te offeren?"

"Ho! dat gaat te ver!" zeide Arkel: "ik had, dunkt mij, evenveel

recht als gij, om haar mijn hof te maken."

"Maar gij hebt vergeten," ging Reinout voort, "dat gij mij door die

handelingen hoondet: dat ik uw geheim in mijne macht heb: dat, eer

de avond daalt, gansch Utrecht en het geheele leger des Graven weten

kunnen, hetgeen gij zoo gaarne zoudt willen verbergen!"

"Welaan!" zeide Arkel, met bitterheid: "het moge ontdekt worden:

ik heb mij over geen sluipmoord te schamen."

"Neen!" hernam Reinout: "maar een geestelijke, die de wapens voert,

is door die daad zelve vervallen van zijn waardigheid."

Arkel zweeg en ging met groote stappen het vertrek op en neder,

terwijl zijn hoofd vervuld was met onaangename gedachten. Wat

baatten hem nu al zijn fijn gesponnen listen? wat de vernuftige

wijze, waarop hij Madzy in zijn geweld had weten te houden en zich

van Reinout tot zijn belang bedienen? Hij werd (en voor 't eerst van

zijn leven) door een folterenden hartstocht gekweld, waar hij alleen

verstrooiing gezocht had: hij had met beschaamde kaken gestaan voor

het eenvoudige meisje, waarop hij zich gevleid had een gemakkelijke

zegepraal te zullen behalen: en hij zag zich in de macht van een man,

wien hij slechts als een werktuig zijner hooge plannen beschouwde. Het

was hem evenals degene, die een bergstroom over zijn landgoed heeft

afgeleid, met de hoop van de wateren tot voordeel van zijn plantsoen

en landerijen te zullen gebruiken, en die integendeel het nat boven

peil ziet wassen en alle moeite moet aanwenden om niet zijn oogst

onherstelbaar bedorven te zien. Maar zoodra Arkel eens zooverre

gekomen was, dat hij een recht begrip gekregen had van het netelige

en hachelijke zijns toestands, riep hij zijn vindingrijken geest te

hulp: en deze begaf hem ook nu niet: weldra was bij hem het besluit

vastgesteld om aan den storm, hoe geweldig die hem ook tegenwoei,

een mannelijken weerstand te bieden. Hij besefte intusschen, dat

hem zulks niet zoude kunnen gelukken, dan ten koste zijner meest

geliefkoosde uitzichten; maar gelijk de schipper, die een rijke lading

overboord werpt om zijn schip te behouden, zoo aarzelde hij niet, om

de streelende hoop op het bezit der schoone Friezin te laten varen,

zoo hij door die opoffering zijn eer en waardigheid voor schipbreuk

behouden kon. Eerst echter trachtte hij nog eene poging te doen.

"Reinout!" zeide hij: "ik belach uw ijdel geklap. De laatste

uitval is voorspoedig geweest: Graaf Willem is gekwetst in zijn

tent teruggevoerd: de verslagenheid heerscht onder de Hollandsche

benden. Nooit kon ik gunstiger tijdstip vinden om mij aan mijn brave

Utrechtenaren bekend te maken: om, sterk door de algemeene stem,

die zich voor mij verklaren zoude, hem te doen zwijgen, die mij in

verdenking poogde te brengen."

"Vlei u daar niet mede," zeide Reinout met bitterheid: "Willem moge

gekwetst zijn, maar het is slechts aan den voet; en zijn geest blijft

even helder als te voren: elke uitval kost opnieuw ons dapperen,

en zoo de verslagenheid ergens heerscht, het is in deze wallen,

waar gebrek en ziekte reeds woeden en geene hoop meer is dan op een

spoedige overgave."

"Dwaze vrees! de stad kan het nog lang uithouden: en weldra snelt

Gelder met talrijke legerscharen aan tot ontzet."

"Gelder!" herhaalde Reinout, met een hoonenden lach: "hij heeft zich

met Holland vereenigd: en gezamenlijk bedreigen zij deze wallen."

"Hoe!" riep Arkel: "zou de leeuw een aandeel in den buit aan den

tijger afstaan? en van waar hebt gij op eens die schoone tijdingen?"

"Van de raadzaal, waar de Kapittels en de vroedschap met benauwde

gezichten bijeenzitten:--men heeft een wapenstilstand van vier en

twintig uren gesloten: men vreest oproer onder 't volk, dat reeds

mompelt van overgaaf. Ha! wat een schoon gezicht zal het zijn, u naast

het paard des Graven te zien gebonden, wanneer hij in zegepraal door

de bres binnentrekt."

"Dan bindt men u gewis aan den staart," zeide Arkel wrevelig.--"Maar

waartoe zal dit alles leiden? Gij waant mij vrees aan te jagen:

en intusschen zijt gij zelf de eenige, die hier te vrezen hebt."

"Ik kan slechts het leven verliezen, dat sedert lang voor mij geene

waarde meer heeft: maar voor u is alles verloren."

"Laat mij daarvoor zorgen," zeide Arkel met fierheid: "ondankbare! ik

had ook voor u gezorgd; maar gij zelf, gij schijnt er genoegen in

te scheppen, om alles omverre te stooten, wat ik voor uw heil had

bedacht."

"Hoe!" zeide Reinout, hem verbaasd aanstarende: "wat beduidt deze

ontijdige scherts?"

"Ik scherts niet:--ik had mij gevleid, om, wanneer eens de wapenen onze

rechtmatige zaak hadden doen zegevieren, en ik in staat zoude zijn,

mijn erkentenis en vriendschap te toonen aan hen, die mij blijken van

trouw gegeven hadden, om u dan, tot loon uwer dapperheid, de schoone

Madzy in den arm te voeren en u tevens als den wettigen zoon van den

Heer van Aylva te doen erkennen."

"Welke nieuwe list bedenkt gij thans?" vroeg Reinout, meer en meer

verwonderd.

"Een list? hoor toe, of ik listig met u handel. Madzy Dekama kwam

vermomd op mijn slot Nyenstein een schuilplaats zoeken. Zij was uit

de handen des Graven ontsnapt, die haar in 't klooster te Rijnsburg

wilde steken."

"'t Kan wezen! verder!"

"Uit deernis nam ik haar mede: zij had mij haar naam geopenbaard:--doch

onder voorwaarde van geheimhouding:--ik vond geene vrijheid, u dien

mede te deelen."

"Zij gaf u haar naam te kennen!"

"Laat ik vervolgen:--hier komende, bevond zij zich te ziek om verder te

reizen: ik liet haar genezen: intusschen bekende zij mij haar afschrik

voor u:--voor u, Reinout! die een onschuldigen medeminnaar in haar

bijzijn den doodsteek had gegeven.--Daarom verzweeg ik aan u beiden,

dat gij met elkander onder één dak woondet."

"Gij deedt zeker wel," zeide Reinout, met bitterheid, "niets daarvan

te melden aan uw bijzit: men kan met zulke kostbare schatten niet te

geheim wezen."

"Ridder!" zeide Arkel op een toon, welken Reinout niet miskennen kon,

"bij de eeuwige zaligheid, welke ik eenmaal hoop in te gaan! zooverre

is het er van af, dat Madzy Dekama mijne bijzit zoude zijn, dat ik u

plechtig kan betuigen, nooit een meer zuivere, meer engelreine ziel

te hebben leeren kennen."

"Ik geloof u," zeide Reinout: "verder!"

"Ik poogde echter, haar afkeer tegen u te overwinnen. Tot dusverre ben

ik slechts ten halve geslaagd.--Welaan!--na hetgene er tusschen ons is

voorgevallen, kan ik niet langer met u als met een vertrouwden vriend,

gelijk te voren, omgang hebben. Wij moeten scheiden.--Verlaat mij,

verlaat Utrecht!--voer Madzy met u!--tracht haar afkeer in liefde

te veranderen:--en voorts, neem dezen ring: Aylva zal hem erkennen:

het was zijn gift aan uwe moeder Bianca di Salerno: neem dezen brief,

dien zij aan Carlo della Scala schreef om...."

"Mijn God! de brief, dien wij aan den Pelgrim medegaven! Hoe komt

gij aan deze stukken?"

"Om 't even! gij weet dat Barbanera in mijnen dienst was:--wat hij u

voor goud wilde afstaan, geef ik u om niet:--en nu, verzuim geen tijd,

om de gunst des Oldermans te winnen. Madzy zal wellicht aan den zoon

van haar voogd de hand schenken, welke zij den onbekenden Italiaan

volstandig bleef weigeren."

"Droom ik? of waak ik?" zeide Reinout, duizelend, met de bewijsstukken

in de hand, het vertrek op en neder gaande: "mensch!" riep hij op

eenmaal uit, terwijl hij Arkel aanstaarde: "misleidt gij mij niet? zeg

mij, herhaal mij, dat gij mij niet misleidt, en ik zal u aanbidden."

"Dat behoeft niet," zeide Arkel, glimlachende: "bezorg mij slechts

een duizendtal wakkere Friezen en ik scheld u alle erkentenis kwijt."

"Madzy zou de mijne zijn!" riep Reinout, uitgelaten van blijdschap. "Ik

heb u miskend, Heer Bisschop! maar waarom ook zoolang gezwegen?"

"Stil!" zeide Arkel: "wees slechts kalm, en laten wij de middelen

beramen, welke tot het doel kunnen leiden, dat wij beoogen. Op welke

wijze komt gij met uwe schoone veiligst buiten Utrecht en door 's

Graven leger heen? dit vereischt een bedaard overleg."

Maar tot bedaard overleg bestond thans geene mogelijkheid; want een

plotseling gedruis, dat zich aan de huisdeur hooren deed, belette hen

elkander te verstaan en noodzaakte hen te gaan zien, wat aanleiding

tot die opschudding gaf.

Het schouwspel, dat zich aan hun oogen voordeed, ware in elk ander

oogenblik wel geschikt geweest om hunne lachspieren in beweging te

brengen. In het voorportaal stond de eerzame Mechtelt Dirksdochter

luid te schreeuwen en alle mogelijke moeite aan te wenden om zich te

verweren tegen den aanval van onzen welbekenden vriend, meester Cezar,

die op haar schouder had postgevat en bezig was met zijn voorpooten

haar kapsel op een deerlijke wijze te havenen. Aan de deur vertoonde

zich de wakkere hansworst, pogende binnen te dringen, in spijt van

Arkels dienaars, die hem met geweld tegenhielden: en achter hem,

op die stoep, bleef een kloekgebouwde knaap bedaard afwachten, wat

de uitslag der tweespalt zou zijn.

Arkel en Reinout lachten echter niet: de laatste omdat zijn ziel

nog te veel vervuld was met het aangename vooruitzicht, 't welk zich

voor hem opende, dan dat hij op iets anders acht had kunnen geven:

de eerste, omdat de onverwachte verschijning van den hansworst hem

zeer in verlegenheid bracht; daar deze, door de vermelding van zijn

boodschap naar Harderwijk, hem bij Reinout tot een logenaar kon

maken. Hij stapte echter naar hem toe, en vroeg, wat er gaande was.

Maar het was niet gemakkelijk, terstond een duidelijk antwoord op

deze vraag te bekomen. Wel traden de dienaars terug en poogde Daamke

zijn boodschap te verrichten; maar de luide kreten van Mechtelt,

die gestadig schreeuwde dat zij 't besterven zou, beletteden dat

men iets anders hooren kon: en het was noodig dat de hansworst haar

van het kwellende dier verloste ('t geen echter niet dan ten koste

van haar hoofdtooisel en van een goed deel der enkele grijze haren,

die zij nog overhad, kon volbracht worden) eer er eenige stilte kwam.

"Kan mij nu iemand verhalen," vroeg Arkel, "wat aanleiding gegeven

heeft tot dit onhebbelijk rumoer?"

"Deze knapen wilden mij niet binnenlaten," zeide de hansworst:

"ofschoon ik een boodschap voor uwe Edelheid heb."

"Deze vent wilde binnendringen," riepen de dienaars, "ofschoon wij

last van u hadden, hem weg te jagen, wanneer hij zich weder vertoonde."

"En ik, arme ziel! die met den twist niets te maken had," riep

Mechtelt, "en er een paar woordjes van vrede wou tusschen spreken,

ik zie mij aanvliegen door dat ongure beest! O wee! mijn arme kapsel!"

"Nu! nu! bedaar, Mechteltje!" zeide Arkel: "het lieve diertje

heeft zeker gemeend, zijn moeder te omhelzen. Intusschen moet ik u

zeggen, dat ik uwe diensten niet langer hier in huis van doen heb;

ziehier een goudstuk, dat uwe moeite ruim beloonen zal; maar pak u

uit mijn gezicht. Gij," vervolgde hij tot Daamke: "volg mij in het

zij vertrek. Ridder!" (tegen Reinout) "gij zult mij wel voor eenige

oogenblikken willen verschoonen?"

Reinout, voor wien dit voorval niets belangwekkends had, keerde naar

zijn vertrek terug: Daamke volgde den Bisschop: de dienaars gingen

lachende naar de keuken terug, en Mechtelt, zich dus verlaten ziende,

begon haar gemoed lucht te geven tegen den onbekende, die nog altijd

als een paal tegen de voordeur stond.

"Is het geene schande," zeide zij, "zoo voor het oog van de menschen

een trouwe dienares weg te zenden, die bij Hertogen en Graven is

werkzaam geweest, en bij Kerkvoogden ook, dat ben ik. Daar was de

Graaf van Gelder, wiens ziel bij God is; die heeft mij een maand lang

op zijn huis te Rozendaal gehad bij zijn zoetelief: en gaf mij dubbel

loon toen ik vertrok en nog twee zilveren ringen tot een vereering,

dat gaf hij!--En daar was de Domproost Gwy, de oudoom van den Graaf

van Holland, de vroolijkste en vriendelijkste man, die ooit een

mis gelezen heeft, (onze L. V. zij met hem) die kwam ook dikwijls

zijn leed bij mij verzetten, dat kwam hij, en nooit lieb ik een

onvertogen woord van hem gehad: en des Graven vader zelf, die nu in

't paradijs is, heeft hij ook niet meer dan eens met mij gesproken,

of ik zijn vleeschelijke zuster ware? en mij altijd de hand boven

't hoofd gehouden, dat heeft hij."

"Ik moet dan zeggen, dat des Graven vader een raren smaak heeft gehad,"

zeide halfluid de onbekende, die aan zijn tongval een vreemdeling

scheen, en niet recht begreep, welke verplichtingen die heeren aan

Juffer Mechtelt konden gehad hebben.

"Maar men kent den vogel aan zijn veeren," vervolgde het wijf, zonder

acht te slaan op zijn aanmerking: "dat waren edele, brave Heeren,

die wisten wat een mensch toekomt, dat dag en nacht voor het lieve

brood moet sloven, en altijd zorgen, ieder tevreden te stellen. Maar

deze spreeuw, die mij zoo onbeschaamd afjakkert, wat is hij anders

dan een kale, stomme nachtegaal, die nu eens voor schildknaap en dan

weer voor heer speelt, die opeens uit de lucht komt gevallen, zonder

dat iemand weet waar vandaan, met zijn kameraad van den rooden Arend,

en met zijn Friesch kwikstaartje, dat meer kuren heeft in haar pink

dan al de meezen van Utrecht in haar heele lijf, dat heeft zij."

Deze laatste woorden schenen den vreemdeling uit zijn onverschilligheid

op te wekken: en zijn breede hand op den schouder van Mechtelt

leggende: "wat praat gij van Friesche kwikstaarten?" vroeg hij:

"houdt dat heer er Friesche kwikstaarten op na?"

"Waarachtig!" zeide zij: "en ofschoon ik altijd dicht ben als een

pot, dat ben ik, (gelijk wel gebleken is, toen de Heer van Zuylen

van mij wilde te weten komen, waar zijn zoon alle avonden zat),

na zulk een behandeling als ik nu heb ondergaan, zal ik spreken zoo

luid als ik kan, dat zal ik! en vond ik een edelen Fries, die er wat

voor overhad om 't fijne van de mis te verstaan, ik zou hem wel in

't oor fluisteren dat Madzy Dekama hier zit opgesloten."

"Wat zegt gij, wijf!" riep de verbaasde Feiko (want de vreemdeling

was geen ander dan hij): "Freule Madzy opgesloten! en wie Satan durft

dat doen?"

"De man die daar is binnengegaan," antwoordde Mechtelt met een

hoonenden lach: "Aha! Heer Otto! of hoe gij u ook mocht verkiezen

te noemen! Wij zullen zien, hoe u dit peertje smaken zal, dat zullen

wij: en gij zult uw onbeschoftheid tegen mij duur betalen! Te zeggen,

dat zulk een onguur dier mij voor zijn moeder aanzag!"

Dit laatste gedeelte van haar redeneering was een alleenspraak; want

Feiko was reeds het vertrek binnengesneld, waar zij hem op gewezen

had. Daar had ondertusschen het navolgende onderhoud plaats gehad

tusschen den Bisschop en den hansworst.

"Welnu!" was Arkels eerste vraag: "Wat brengt gij?"

"Ik heb uw bevelen volbracht."

"Waarlijk!" zeide Arkel, op een onverschilligen toon: "ik geloof dat

er ruim zes weken verloopen zijn, sedert ik u gezien heb; en ik weet

op zijn best meer, wat die bevelen waren."

"Om aan die Friesche Heeren te Harderwijk te verhalen, dat Jonkvrouw

Madzy....-"

"Ja! ik herinner mij.... Verder!"

"Nu! zij keken mooi op hun neus, toen ik de tijding bracht;--maar

daar was een zekere Feiko bij.... ik heb den man eens leelijk slaag

zien krijgen, te Haarlem."

"Ter zake!--al die uitweidingen verlang ik niet."

"Nu! die Feiko wilde met alle geweld naar Rijnsburg om Jonkvrouw

Madzy te gaan opzoeken."

"Ik wensch hem goede reis.--Wat wijders?"

"En zoo keerde de man, die den weg niet kende, met mij terug; want ik

was ook juist van zins, meester Barbanera op te zoeken: en wij gingen

eerst naar Plaswijk, waar ik bleef: en Feiko trok naar Rijnsburg: hij

is een hupsche kerel, die Feiko: en ik had hem beloofd, te Plaswijk

op hem te zullen wachten...."

"Maar wees dan toch wat kort! wat gaan mij al uw reizen aan?"

"Joost haal mij! wij hebben van den een noch van den ander iets

vernomen. Te Rijnsburg wist men van geene Madzy Dekama, zooals ik

trouwens ook wel dacht: en te Plaswijk wist men evenmin waar meester

Barbanera was: ik heb alleen zijn kast gevonden en die meegenomen om

voor den man te bewaren.--En toen Feiko weer terugkwam te Plaswijk en

hoorde van de kasteleines, dat er een vermomde Jonkvrouw bij haar had

gehuisvest en dat zij 's nachts van daar geloopen was, en dat er den

volgenden dag een draagkoets den Ridder van den Arend naar Utrecht

gevolgd was, kreeg hij kwaad vermoeden, en zoo besloten wij samen u

te gaan opzoeken."

"Gij zijt een ezel," zeide Arkel: "wat deedt gij hem te Plaswijk te

brengen? en kondet gij hem niet met een kluitje in 't riet sturen?"

"Ja, wat zal ik zeggen? ik was zelfs nieuwsgierig om te weten waar

meester Barbanera gebleven was:--en zoo trokken wij samen naar

Utrecht, zonder zelf te weten hoe wij er zouden binnenkomen; maar

gelukkig is er heden een wapenstilstand gesloten: en zoo werden wij

doorgelaten voor een paar goede woorden, die mijn reismakker aan een

kleinen springer van een schildknaap gaf en voor een paar kunsten,

die meester Cezar deed."

"Freule Madzy! freule Madzy! waar is freule Madzy?" riep Feiko,

die op dit oogenblik de kamer binnenstoof.

"Wat is er van uw dienst?" vroeg Arkel: "en wat beduidt deze woeste

manier van binnen te stuiven?"

"Ik zoek Jonkvrouw Madzy Dekama, die gij opgesloten houdt," riep de

eerlijke Feiko: "ik moet mijn brave Jonkvrouw terughebben."

"Nu! nu!" zeide Arkel, met bedaardheid: "maak slechts zulk een

geweld niet. Niemand denkt er aan, om uw Jonkvrouw tegen haar zin

hier te houden."

"Hoe!" zeide Feiko, verbaasd blijvende staan, en zich omtrent in den

toestand bevindende van iemand, die een stok heeft opgenomen om een

hond te verjagen, door wien hij denkt te zullen worden aangevallen,

en die integendeel het beest kwispelstaartend naar zich toe ziet komen,

om hem de handen te likken.

"Welnu!" vervolgde Arkel, tegen Daamke: "ik bedank u voor uw tijding;

maar uw diensten heb ik niet langer noodig. Uw meester Barbanera heb

ik niet in mijn zak;--ik meen gehoord te hebben, dat de Graaf hem

heeft doen opknoopen."

"Laat u dat niet ontmoedigen," zeide Feiko, terwijl hij den bedrukten

hansworst op den schouder klopte: "gij zult met mij naar Friesland

terugkeeren: en men zal er geene huisvesting noch een stuk brood

weigeren aan den man, die mij geholpen heeft, om mijn Jonkvrouw terug

te vinden."

"Waarom niet?" zeide Arkel, wien het op eens voor den geest kwam,

dat hij zich van deze gelegenheid bedienen kon: "gij zegt, gij zijt

onverhinderd door het vijandelijke leger gegaan?"

"Zooals ik u verhaalde," antwoordde Daamke: "Uwe Edelheid weet, dat

potsenmakers overal tolvrij zijn, mits de aap een paar kunsten doe."

"En wat mij betreft," zeide Feiko, "ik heb een aardigen kleinen duivel

van een schildknaap ontmoet, die mij te voren meer gezien had," zeide

hij: "en toen ik hem verhaalde, dat ik Freule Madzy ging zoeken,

liet hij mij terstond door; en hij had zelfs de vriendelijkheid van

mij te zeggen, dat als ik terugkwam, ik slechts naar Jonker Zweder

van Naaldwijk moest vragen en hem melden of ik geslaagd ware."

"Uitmuntend!" zeide Arkel, "welnu! heden nog zult gij vertrekken. Wij

zullen dadelijk de middelen beramen om uw terugreis te

verzekeren. Wacht mij slechts een oogenblik hier."

Dit gezegd hebbende, haastte hij zich naar Reinout, aan wien hij

het gebeurde mededeelde: zoodra zij het te zamen eens waren geworden

over de beste wijze, waarop de reis zou kunnen plaats hebben, ging

de Italiaan zijne toebereidselen maken, en keerde Arkel naar de beide

nieuwaangekomenen, aan wie hij zijn ontwerp voor zooverre hun aanging

mededeelde en het noodige onderricht gaf.

"Maar kan ik nu mijn Jonkvrouw niet zien?" vroeg Feiko, die van

ongeduld brandde.

"Jawel!--en zoo gij wilt, kunt gij haar tevens verzoeken, zich

reisvaardig te maken. Ziehier den sleutel van haar vertrek. Gij gaat

de trap op, de lange gang die voor u is ten end, en opent de laatste

deur aan uw linkerhand."

Recht in zijn schik nam Feiko den sleutel in de hand en ijlde

naar Madzy's verblijf. Onbeschrijflijk was de vreugde van den

getrouwen dienaar, en niet minder hare blijde verwondering, bij hun

ontmoeting. Hij huppelde naar haar toe, kuste haar de handen, wreef

zich een traan uit de oogen, sprong in de rondte en deed ongeveer

al de bewegingen, welke een trouwe huishond in 't werk stelt bij het

wederzien zijns lang afwezigen meesters.

"Feiko!" riep zij: "mijn trouwe Feiko! gij hier? o! dan ben ik niet

geheel van den Hemel verlaten."

"Verlaten!" herhaalde hij: "'t mocht wat, Freule! heden nog gaan wij

op reis: de edele Heer van dit huis heeft mij zelf gezegd, het hing

alleen van u af te vertrekken, wanneer gij wildet. Hoezee! wij zeggen

vaarwel aan Utrecht en zien ons vrije Friesland weer, waar men geen

zes weken heeft rond te loopen, eer men zijn kennissen terugvindt."

"Hoe!" zeide Madzy, die een zoo spoedigen omkeer in haar lot niet

had kunnen verwachten en nauwelijks wist of zij waakte of droomde:

"en wie heeft gezegd dat ik vertrekken kan wanneer ik wil?"

"Dat heb ik gezegd," zeide Arkel, die ongemerkt Feiko gevolgd was en

nu de kamer binnentrad. "Ga nu, mijn goede Feiko! en maak dat alles

vaardig zij, gelijk onze afspraak was."

"Blijf Feiko!" riep Madzy, beangstigd; maar de trouwe dienaar was

reeds vol ijver naar beneden gesneld.

"Vrees niet langer, een oogenblik met mij alleen te zijn," zeide Arkel,

terwijl hij in een deemoedige houding voor Madzy bleef staan: "het

is de laatste reize. Gij zijt getuige van mijn dwaasheid geweest:

wees het ook van mijn naberouw. Ja, ik heb onwaardiglijk met u

gehandeld; maar ik wil herstellen, wat ik misdaan heb. Deze brave

dienstknecht, wien de hemel zelf ons schijnt toe te zenden, en twee

getrouwe gidsen zullen u naar Friesland teruggeleiden:--Ik gevoel,

dat ik geene vergiffenis verdiend heb voor mijn vergrijp jegens u;

maar uwe ziel is te rein, te edel, om wrok te voeden wegens een

misdaad, alleen door uwe bekoorlijkheden voortgebracht."

Hier viel hij op ééne knie voor haar neder en boog het hoofd in diepen

ootmoed. Madzy zag hem aan en zij had den moed niet, haar rechtmatige

gramschap jegens haren verdrukker te blijven behouden. En welke vrouw,

tenware zij haar kunne had afgezworen, zou wrok hebben kunnen voeden

jegens den schoonen jongeling, wiens gelaat zoo innemend, zoo bevallig

was, op wiens voorhoofd de naam van _edelman_ in zulke sierlijke

trekken geschreven stond, in wiens oogen een traan van boete fonkelde

en die geknield aan haar voeten lag.--Bewogen reikte zij hem de hand

toe: "sta op Ridder!" zeide zij: "en moge God u vergeven, gelijk ik

het doe. Zoo wij scheiden, zal het in vriendschap zijn."

"Uw goedheid boezemt mij stoutmoedigheid in," hernam Arkel, oprijzende:

"niet om mijnentwil, maar om hooge, gewichtige redenen, welke gij

eenmaal misschien doorgronden zult, smeek ik u, laat hetgeen tusschen

ons is voorgevallen voor elk een geheim blijven."

"Ik beloof het u," zeide Madzy: "maar het smart mij van u, Ridder,

dat gij u tot daden liet vervoeren, waarvan gij geheimhouding verzoeken

moet. Neem den raad van een eenvoudig meisje aan, en handel nimmermeer

in 't verborgen anders dan gij in 't openbaar zoudt handelen."

De fijne, de listige Arkel, de man, die zijn medemenschen slechts

als poppen beschouwde, bestemd om door hem met onzichtbare draden

bewogen te worden, was getroffen, geschokt door de eenvoudige,

reine taal der waarheid, ontvloeid aan de lippen van een onschuldig

meisje, dat hij kort te voren nog als een lichte prooi beschouwd had:

"Engel!" zeide hij, in vervoering hare hand kussende: "ach! spreek

niet één woord meer; want gij zoudt mij het scheiden al te smartelijk

maken. O! waarom verbiedt mij die gevloekte gelofte u te beminnen,

gelijk gij verdient bemind te worden."

"Een gelofte!" herhaalde Madzy verbaasd: "een gelofte! Wat zijt gij

dan? Een Ridder van Sint-Jan?"

"Meer dan dat," antwoordde hij met een gesmoorde stem: "ik ben

een priester, Madzy! ik ben" (hier fluisterde hij) "de Bisschop

van Utrecht."

"Heilige God!" riep zij met verbazing uit: "gij?"

"Nu geen woord meer;--gij weet mijn geheim!--het zal u heilig

blijven.--Voort! voort! aan de deur wachten uw geleiders."

En met deze woorden voerde hij de ontstelde maagd, aan wie alles wat

zij zag en hoorde een droom scheen, haar vertrek uit naar beneden.

"En nu, vaarwel aan alle liefdedroomen!" zeide de Bisschop, toen hij

zich 's avonds alleen bevond en zich vermoeid in zijn zetel wierp:

"Ellendige wezens, die wij menschen zijn! Ik, die niets op de wereld

meer bejaagde dan mijn onafhankelijkheid, ik was op het punt de slaaf

te worden van een paar schoone oogen! Maar, God lof! ik heb als een

andere Simson de banden dier tweede Delila verbroken.... en ik zal

hem niet in zijn dwaasheid volgen, om zich mede onder de puinhoopen

te begraven, welke hij op 't hoofd zijner vijanden storten deed.--God

zegene u, schoone Madzy, en geve u een voorspoedige reis! Zoo die reis

mij slechts een paar duizend wakkere Friezen bezorgen kon, dan ware

er wellicht nog kans het beleg te rekken.--In een tegenovergesteld

geval!--welnu, ook dan is mijn besluit genomen!"

De Roos van Dekama · 第 32 / 46 题