VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

O simpele vogels! de listige knippen

Bedriegen u schendig door 't veinzende voer.

't Zoet fluitje speelt vrede: 't loos net dekt den vloer

Der weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.

Poot.

Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een

voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke

verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis,

die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van

zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke

onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken,

wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin

zij belang stellen.

Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard

des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te

Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof,

en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In

dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreven eikenhouten tafel

gezeten, en hield zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg

thans noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond,

noch het boerinnenpak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een

eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des

adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren

op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans

door ziels- en lichaamssmarten eenigszins verdoofd schenen: meer dan

eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de

naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in

somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een

burgervrouw van middelbare jaren aan 't spinnewiel gezeten. Zij scheen

minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong

klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende

draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der

vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was,

zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek

in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het

hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken,

te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was,

onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs

met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder

moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote

hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen

de zwaar vooruitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament,

dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker

had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het

rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde

nagenoeg die eener loerende kat;--want wat het linkeroog betrof, dit

was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van

onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken

twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de

dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het

geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan.

Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel

ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor

't overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en

droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar

gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans

alles behalve aangenaam was; intusschen moeten wij dit zeggen tot eer

van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan

wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd

was, nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde,

welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden

tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud

diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren.

"Lief kind!" zeide zij: "hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot

het werk niet, of hebt ge muizenissen in 't hoofd?"

"Mij dunkt," zeide Madzy, "ik heb weinig reden tot

opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis,

waar ik met niemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan

't harte ligt...."

"Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw

van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te

geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje

ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat

hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind,

dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom;

maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk

was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden

van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en

wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed

en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjer

heer?--En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die

haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in

kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den

ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en

drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En

wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd

werd op het blonde Femmeke, schoon het maar een arm schepseltje was,

dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed

aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten,

dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zien als een vink?"

Het scheen, dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk

een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te

boezemen, op deze laatste geenszins de gehoopte uitwerking maakten;

althans de _Jonkvrouw_ zag haar met een blik van verontwaardiging

aan en loosde vervolgens een diepen zucht.

"Waarlijk poesje!" vervolgde Mechtelt: "gij bezondigt u, met zoo te

kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door

onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet,

toen gij hier aankwaamt met de koorts op 't lijf, doen genezen en

verzorgen of ge zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en

mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan

ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u

wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat

gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult

zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is

als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven,

toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond,

omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens

van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch

en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zich

alleen met groentestelen en erwteschillen moeten tevreden houden, dat

moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch

vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansche beleg, dat men

een goudstuk voor een gestopten beuling geeft, dat doet men!"

"Dat moet niet zijn," zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke

Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht

verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: "dat mag zoo niet

blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger

worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal

zijn. Ik zal hierover met onzen gastheer spreken."

"Wat een dwaasheid, engeltje!" riep Mechtelt, vervaard en verontrust

door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de

lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats

maken voor den soberen pot der arme burgerij: "ik hoop, dat gij wijzer

zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel

noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes

te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te

bezorgen, die zij hadden toen ik u 't eerst zag."

"En gij zoudt verlangen," zeide Madzy, "dat die blos op mijn wangen

gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal

geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten,

hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een

lijdend huisgezin had kunnen verzekeren."

"Nu! ik mag het lijden," zeide Mechtelt: "maar gij krijgt het van

onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester,

dat is hij! die niet wil, dat iemand in zijn huis gebrek lijde."

"Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs," zeide Madzy; "maar ik

wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit

huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen."

"Dit huis verlaten!" herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden

indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware

vatbaar geweest: "heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze

gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij

zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen

de vrucht, dat doen wij! en waarachtig! al de meisjes hier in de

stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij

zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim

en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer

te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij

zou het nooit dulden."

"Hoe!" zeide Madzy, verwonderd en verontrust: "Nooit dulden! wat meenen

deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse

ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt."

De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets,

dat een glimlach beteekenen moest: "och mijn hartje!" zeide zij:

"gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele:

die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond,

en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zoo bout als gij,

dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig

penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten

en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van

Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat 's waar;--maar

er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en

vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen

als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu

het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man,

die haar met de pen opvoedt, dat doet hij."

"Vrouw!" riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het

onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens

gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar

onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): "Vrouw! wat

bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen

dag langer in dit huis. Ziedaar!" vervolgde zij, een gouden doekspeld

op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien

zij die Mechtelt in handen gaf: "neem dit tot belooning der diensten,

die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster

het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis.--Van

daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen."

Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar

Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en

de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt,

waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep.

"Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!" riep zij: "men gaat hier zoo

niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als

waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik.--En schreeuw

maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!"

In dit oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel

trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst

terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelwijze haar

kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen

zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg:--en Madzy, omdat zij op

een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij

handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig

met haar stand en geboorte.

"Hoe nu!" zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: "de wangen

van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had

gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp

die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen,

Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij

Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken,

dan met u de minste beleediging aan te doen."

"Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?" zeide Mechtelt:

"Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dacht

ik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heen wandelen, dat wou ze:

en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad

te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik."

"Gij dacht als een oude zottin," zeide Arkel, haar verstoord aanziende:

"is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan

waar zij heen wil?--Alleen smart het mij," voegde hij er bij, terwijl

hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag,

"dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij

vergund te hebben, afscheid van u te nemen."

Madzy bloosde en zag voor zich; want, hoewel zij geen berouw gevoelde

over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat

deze handelwijs den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer:

en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat

in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet,

haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich

innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins

jegens hem in 't ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem

terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had.

"Vertrek!" zeide Arkel tegen de oude vrouw: "en beef, indien ik ooit

weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het

oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt."

Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug

te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer

nooit anders als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe

verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen

meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de

afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine

ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze haar voornemen

varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid.

Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel

gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er

was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders

zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber

wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid

op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt,

om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden

zijn lokken van onder uit de muts van Gentsen scharlaken, die

met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van

dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel

om 't lijf gesloten, liet een wit zijden buis zien, met zilverdraad

doorweven: terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier

punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In 't kort,

hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt

maken, dan op den geheimen inwoner eener belegerde stad.

"Het is dan waar," zeide hij eindelijk met een diepen zucht, "gij

hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijken

van eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder

waarschuwing, te verlaten?"

"Ridder!" zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in 't aangezicht

ziende: "het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben

slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop

van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de

zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik

spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal

dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik

het meen.--Wel dan:--ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik

ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang

en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt:--dit alleen

is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven:

en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken,

dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan

die, welke gij mij verleenen kunt."

"Ik heb vermeend," zeide Arkel, "de welvoeglijkheid in acht te nemen,

door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart

mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de

keuze bedrogen heb."

"Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?" vroeg Madzy, hem scherp

aanziende: "dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud

van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna

opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij mij was geplaatst....;

maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder

uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte

rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats

gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij

geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij

liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een

voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den

wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden:--het is mij

steeds geweigerd uithoofde van zwakte.... het zij zoo!--die reden

bestaat thans niet meer."

"En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis

te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zoudt ontrooven,

wat hem het leven draaglijk maakt?"

"Hoe!" riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig

verwezenlijkt te zien.

"Ja, bekoorlijke Madzy!" zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: "ik

zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft

al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te

veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de

tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en

moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk

bemin? Zie dezen arm," vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en

het verband toonende, dat om den arm geslagen was: "heden werd hij in

den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij

verheugde de gedachte: Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden

heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk

wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb,

om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend

leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw

oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde."

Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe

verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare

voeten zag.

"Gij hebt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld," zeide zij:

"gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te

houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen

te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns

ondanks terug te houden."

"En wat is dan mijn misdaad geweest?" vroeg Arkel: "is het mij te

wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf

in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval

gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord,

dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid

in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, om het tijdstip nog

verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo

't zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven.--Is dat een misdaad, u

te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel;

want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En

waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te

verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder

de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien

trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden,

voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak

mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook

dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst

beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan

ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u

dat Friesland, waaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven,

dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een

koude, vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide,

een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt,

dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden,

nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde

zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken,

al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd:

geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord

worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al

de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke

het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets

zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen:

en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele

blik van tevredenheid mijne pogingen beloont."

"Ridder!" zeide Madzy: "indien ik in vrijheid ware en in 't midden

van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen,

dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans

moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan

het onnoozele vinkje in 't kooitje sluiten of den kop inknijpen;

maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn

kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van

Gods vrije lucht verkieze."

"Moet ik," vroeg Arkel, "uit uwe woorden zelven, niet afleiden, dat

ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen,

dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?"

"Neen!" zeide Madzy, ontsteld: "zoo laag zult gij niet handelen. Zoo

er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van

hier vertrekken."

"En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in:

vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn

handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren."

"Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis

gebleven;--maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik

zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden."

"Beproef het eens," zeide Arkel met een boozen glimlach, "bel slechts

aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke

zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen,

dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong

Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter."

Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart

terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de

juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede

naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja

wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te

schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte

zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg.

"Ween niet, beminde vrouw!" zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig

genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: "ween niet:

mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en

geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit

wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat

deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken:

gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de

zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden;--doch

blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult

onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een

norsch gelaat te toonen."

"Neen!" snikte Madzy: "zulk een afschuwelijke boosheid heeft nooit

bestaan. Verfoeilijk mensch!" vervolgde zij, hem met ijzing aanziende:

"wie zijt gij?"

"Wie ik ben," antwoordde Arkel, "zal misschien de toekomst

ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop;

maar dit kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, met de

voornaamsten in 's Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den

voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan

doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven."

"Elk uwer woorden," zeide Madzy, zich van hem afwendende, "maakt u

nog gruwzamer in mijne oogen. Eén woord van u kan den oorlog doen

eindigen!--en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen

om kwaad te doen?"

"Neen meisje!" zeide de Bisschop: "in welk ongunstig daglicht gij mijne

handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was

edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang

mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven

voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te

hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet,

dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zou mij schamen, van met

geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan

't zijn, aan de liefde wil dank weten."

"Geen nadenken, geene overweging," zeide Madzy, terwijl zij haar oogen

afdroogde en met waardigheid oprees, "zijn in staat, eenige verandering

in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te

voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al

moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter

vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die,

welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de

zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster

mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik

uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid

een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden,

zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht,

tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en

hare tranen, geweld moeten gebruiken."

"Dat zal onnoodig zijn," zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich

van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken,

achter een bitteren lach verbergende: "zoo uw meisjesarm sterk genoeg

is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het

u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren,

u aan uw kerker te gewennen."

"Welaan!" zeide Madzy: "er blijft mij een middel over om mij aan uw

dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer

te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt

opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten:--dan voor 't minst zal

mij de dood van uw dwang bevrijden."

"Madzy!" zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud

begon te nemen: "o! spreek zoo niet!.... zoo gij wist....; maar neen;

ik mag niet spreken."

"Voleind," zeide zij: "onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet,

die in uwe ziel komt opgerezen."

"Helaas!" hernam hij, "zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt,

gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet

verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt

mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama

en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt u te

beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen

u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen

alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels

toe;--welaan! ik zal duidelijker spreken,--Madzy Dekama! ik ben...."

Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den

schildknaap Otto riep. Zoodra de Bisschop dit geluid vernam, zweeg hij

eensklaps, sloeg zich voor 't hoofd en snelde de deur uit, welke hij

echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten;

waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was.

Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en, gelijk men

denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde

zij opnieuw den dag, toen zij voor 't eerst het land van haar

geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest,

die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel

leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier

voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars

gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het

derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe,

zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar

voorspoed was aan een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier

vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het

orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden

de roof der Friezen worden?

Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch

ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar,

in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen

verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer dan eens werd het door

heete tranen afgebroken;--maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij

zich gesterkt en opgebeurd, en met een kalm gelaat besloot zij naar

lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op

de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden

haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar:

zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open:--maar wie

schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats

van haar gevreesden vervolger, Aylva's dienaar, den getrouwen Feiko

voor zich zag.

Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het

volgende hoofdstuk ophelderen.

De Roos van Dekama · 第 31 / 46 题