NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

WAARD. Mijnheer! 'k bedien de lui

voor een civielen prijs.

LODEWIJK. Ik weet wel, hospes, dat is te Utrecht

zoo de wijs.

Langendijk. Het wederzijds huwelijksbedrog.

De herberg van het dorpje, waar onze reizigers stilhielden,

maakte een niet onaanzienlijke vertooning, in vergelijking met de

overige woningen, die in een halven cirkel verspreid lagen rondom

een groot grasperk, met eenige ijpeboomen beplant, onder wier

gebladerte ettelijke biggen en schapen hun voedsel zochten, of

zich in gezelschap van eenige kwakende eenden laafden in een plas

of waterkom, midden in het perk aanwezig, en aan welken sommige

oudheidkenners van vroegere dagen beweren dat het dorp zelf zijn

naam verschuldigd was. Anderen echter leidden dien naamsoorsprong

af van de veenen, die in den omtrek gevonden worden; want Plaswijk,

hetwelk men thans vergeefs op eenige kaart zou zoeken, daar het in de

Hoeksche en Kabeljauwsche twisten grootendeels in assche gelegd en

sedert met de naburige gemeenten ineengesmolten is, lag juist op de

grensscheiding tusschen de lagere veen- en weilanden van Amstelland

en den hoogeren Stichtschen grond. Het leverde hierdoor ook van beide

kanten een geheel verschillend uitzicht op; want achter de huizen zag

men kampen met haver en wintergerst beteeld, en door kleine hagen of

dijkjes vaneengescheiden, langs welke tallooze musschen en vinken op

en neder vlogen: terwijl aan de overzijde onafzienbare landerijen zich

uitstrekten, met poelen en slooten doorsneden, en rijk in prachtig

rundvee. Alleen aan de oostzijde werd het uitzicht belemmerd door

een boschje, waarboven het slot Nyenstein, hetwelk den Bisschop van

Utrecht toebehoorde, zijn ronden toren slechts even ophief.

"Kunnen wij hier vernachten, moeder?" vroeg de monnik aan de dikke,

gezonde kasteleines, die met een vroolijken glimlach op den mond en

de handen in de zijden, de deur uit kwam scharrelen, zoodra zij de

beide reizigers voor haar woning had zien stilhouden.

De waardin antwoordde niet op deze vraag. Waarschijnlijk was zij in

een tweestrijd met zich zelve, als willende zij, aan den eenen kant,

haar nieuwe kalanten niet afschrikken, indien zij bekende dat zij

geene plaats meer had, en aan den anderen, haar ziel met geen logen

bezwaren. Zij hield zich dus, of zij de vraag niet gehoord, of niet

verstaan had, en zich dadelijk half omkeerende, riep zij naar binnen:

"Peer! Kees! hei daar! komt hier en helpt me dien huisman ereis! waar

zijn de luiaards! hier Trui! kom ereis uit en hou de paarden van de

lui vast, dat ze af kunnen stijgen."

En Trui, een frissche boerenmeid, kwam de herberg uitdraven en nam

met haar purperkleurige handen de teugels der beide rossen, terwijl

haar meesteres er Madzy afhielp, eer deze nog wist of zij blijven

zou dan verder gaan.

"Ik vroeg u, moeder!" zeide vader Syard droogjes, en nog altijd in

den zadel blijvende, "of wij hier vernachten kunnen."

"Komt binnen maar, menschen," zeide de kasteleines, Madzy met een

beschermenden lach op den schouder kloppende: "Kees zal wel zorg

dragen voor die knollen."

En inderdaad, Kees, een half blinde, half lamme boerenknecht, kwam

strumpelende voor den dag uit een schuurtje, dat aan de herberg paalde,

en vatte post naast zijn medehelpster Trui.

De monnik, ziende dat Madzy zich reeds genoodzaakt zag tegen wil

en dank de waardin te volgen, steeg nu ook af: en terwijl de beide

dienaars de rossen als in zegepraal naar de stalling voerden, trad

hij naar de meesteres en vatte haar bij den arm, juist zooals zij

zich gereedmaakte, met Madzy binnen te treden.

"Een oogenblik, vrouw!" zeide hij, haar met een strakken blik

aanziende: "voor wij binnengaan, wenschten wij te weten, of er al of

niet kans voor ons is hier hedennacht te vertoeven, althans of gij

mijner nicht een slaapstede kunt bezorgen."

"Dat zal de vraag zijn," zeide de waardin: "doch komaan! het oude

spreekwoord zegt: er kunnen vele makke schapen in een hok; maar gaat

toch binnen, goede lien, wij zullen er in 't voorhuis over praten."

"Neen, met uw verlof!" zeide de monnik, die door de opene deur

verscheidene lieden in het voorhuis bijeen zag en zich niet onnoodig

aan het gezicht wenschte bloot te stellen, "dat niet: hier geeft gij

mij antwoord of wij rijden terstond verder."

"Wel, dat zou toch wat erg zijn," hernam de vrouw, al grinnekende en

zich de handen wrijvende: "den _Roerdomp_ voorbij te rijden zonder

eens binnen te zijn geweest! neen huisman! dat gaat niet. Het huis

is wel mooi vol; doch met overleg komt men wijd; en wij zullen het

wel zoo schikken, dat gij tevreden zijt."

"Mijn nicht is wat vermoeid," zeide de monnik, "en wenschte wel,

terstond haar kamer te betrekken, en daar wat te gebruiken."

"Zoo!" zeide de kasteleines, de onderlip vooruitstekende, en Madzy met

een verwonderd gelaat aanziende: "is die deerne te grootsch om aan den

gemeenen haard te zitten, waar ik de knapste vrouwlui uit den omtrek,

ja zelfs deftige poortersvrouwen uit Utrecht en Grouda heb ontvangen:

en waar nooit anders dan bescheiden volk wordt toegelaten; en denkt

gij dat de herberg van Maaike Jaspersz een klooster of een bijenkorf

is, waar ieder zijn eigen celletje heeft?"

"Ik voel mij wat ongesteld," zeide Madzy op een smeekenden toon.

De zachte en innemende stem der Friezin scheen eenigen indruk op het

hart der waardin te maken: althans zij bracht haar gelaat weder in een

vriendelijke plooi, en Madzy op den schouder kloppende: "wij zullen

zien," zeide zij: "maar waarlijk; ik moet eens bedenken!--Truitje! is

het achterkamertje al besproken?"

"Daar ligt de Leidsche koopman in lakens al sedert een half uur te

ronken," zeide de dienstmaagd, die zich weer bij hen gevoegd had:

"de man wenschte morgen met den dag weer op reis te gaan."

"Ja! morgen! als zij hem morgen maar laten doorreizen," mompelde de

waardin: "doch dat is hetzelfde: er zal geen kans zijn den man meer uit

zijn bed te krijgen:--en is er nog een plaats in de groote kamer open?"

"Dat 'loof ik niet," antwoordde Truitje: "laat zien: daar is de

Ydeljaander met zijn kameraad in één bed, en die gast van straks in

het andere, met dien kerel, die zulk een zwarten mantel om heeft,

en oogen nog zwarter dan zijn mantel."

"Dat is tot daar aan toe," viel haar Maaike Jaspersz in de rede:

"een meid uit een ordentelijke herberg behoeft de jonge knapen niet

in de oogen te kijken.... laat zien:--de bedsteden zijn bezet; maar

er zal nog wel een ledig hoekje zijn om een stroozak te leggen."

"Wat beduidt al dat gehaspel?" vroeg vader Syard vertoornd: "gij wilt

mijn nicht toch niet in uw groote kamer plaatsen? Ik heb voor haar

een kamer alleen verzocht."

"Recht zoo, huisman!" hernam de waardin: "maar gij zult zelf ook wel

een plaatsje willen hebben?"

"Ik ben met een weinig stroo in de schuur tevreden," zeide de monnik:

"mits mijn nicht slechts wel bezorgd zij."

"Ja! ik zal haar mijn eigen bed dienen te geven:--maar een goed akkoord

bederft geen crediet: en mij dunkt, dat een kleine schadeloosstelling

boven den gewonen prijs...."

"Zoo het slechts daaraan hapert," hernam de monnik, haar een paar

stukken van achten in de hand stoppende: "hier is al wat voor de

moeite, die wij u veroorzaken: maar haast u! en laat ons het verblijf

zien, dat gij aan mijn nicht wilt geven."

"Komaan, kind!" zeide de waardin, terwijl zij met de eene hand het

geld opstak en met de andere Madzy voortstuwde: "zien zullen wij:

en het zou mij verwonderen, indien gij niet tevreden waart."

Madzy trok haar mantel nog dichter over haar gelaat en vergezelde

nu met vader Syard haar geleidster naar binnen. Met een haastigen

stap traden zij het voorhuis door, waar eenige menschen rondom het

vuur bijeen zaten, gingen een paar smalle zijtrapjes op en bevonden

zich weldra in een klein vertrekje onder het dak, hetgeen zich,

wat de zindelijkheid betrof, vrij wel voordeed; maar dit was de

eenigste verdienste. Behalve dat het er geweldig heet was, waren

er geene andere meubelen te vinden dan een koffer ter berging van

het linnengoed der waardin, en een stoel, waarop haar nachtgewaad

lag. Vader Syard, vreezende dat Madzy dit verblijf vrij ongeschikt

zoude voorkomen, wilde bedenkingen opperen; maar Madzy verklaarde,

dat zij er volkomen genoegen mede nam.

"Wel dat geloof ik," zeide vrouw Jaspersz, terwijl zij haar boeltje

bijeenpakte, en met een bezemstok de dekens instopte: "er hebben hier

wel knapper lui in geslapen: zooals laatst de eigen zuster van Barta

Bartels, die vrouw is van den Overman van het Weversgilde te Leiden: en

nooit heeft iemand ergens over geklaagd:--als over de muggen misschien:

maar die ontzien rijk noch arm: en als men den geheelen dag gereisd

heeft, zooals gijlieden, naar ik aan uw paarden zien kan, dan slaapt

men wel in, eer men de steken voelt. Maar wat zult ge nu gebruiken?"

Madzy antwoordde, dat zij zich maar dadelijk ter rust wenschte te

begeven, en verzocht de waardin haar eenig vleesch en brood te brengen,

dat zij op haar bed zou nuttigen.

"Dat zei je geworden," zeide de waardin: "ik heb een kostelijke zijde

spek hiernevens hangen: en daar zal ik je een snede van brengen,

beter dan je ooit gegeten hebt."

"Waarlijk," zeide de monnik, zoodra de waardin vertrokken was, "indien

ik geweten had, dat hier zoo weinig gelegenheid ware, om behoorlijke

huisvesting te erlangen, ik had u nimmer laten binnenkomen. Dat is

voorwaar geen verblijf voor de erfdochter der Dekama's!"

"Men moet zich op reis behelpen," zeide Madzy, met een vriendelijken

lach: "en schoon deze peul vrij hard schijne en het hier onverdraaglijk

warm zij, heeft alles echter een zindelijk voorkomen. Wat dunkt u? zou

ik het venster durven openlaten? De nachten zijn niet koud en ik zal

in mijn kleederen te bed gaan."

Vader Syard zette het raampje open, en zag naar buiten. "Gij zijt,

geloof ik," zeide hij, "hier tegen allen onverhoedschen overval

beveiligd."

"Inderdaad, ik zit hier hoog en droog en zal niet licht een bezoek

ontvangen, of het moest dat van een verdwaalde kat zijn!.... maar

zeg mij, Vader! wien zou het slot toebehooren, dat ik ginds boven

het geboomte zie?"

"Dat slot," antwoordde de monnik, "wordt thans bewoond door iemand,

die ons van dienst kan wezen en een veilig geleide naar de plaats

onzer bestemming bezorgen. Het is mijn voornemen, hem nog hedenavond

te bezoeken; althans indien het u geene ongerustheid veroorzaakt,

zoo ik mij gedurende een halfuur van dit huis verwijder."

"Wat zou ik vreezen?" zeide Madzy: "en wie zou mij hier zoeken?--doch

gij spreekt raadsels, goede Vader! wie kan die slotvoogd wezen,

wiens bescherming ons van zoo grooten dienst zal zijn?"

"Ik heb u niet gezegd, dat het de slotvoogd ware, mijn dochter! de man,

dien ik zoek, is thans slechts een tijdelijke bewoner van Nyenstein:

wie hij is zal zich eenmaal, wellicht spoedig, ophelderen: tot nog

verbiedt mij een heilige plicht zijn naam te noemen;.... ook hoor ik

onze waardin reeds terugkomen: en ik acht mijne tegenwoordigheid hier

verder onnut. Hebt gij nog eenige bevelen voor mij? anders beveel ik

u der bescherming onzer Lieve Vrouwe aan, en wensch u wel te rusten."

"Rust wel, eerwaarde vader!" zeide Madzy: "en ontvang mijn hartelijken

dank voor uw trouwe zorgen."

De monnik vertrok en liet de Jonkvrouw alleen met de waardin, welke

haar het avondeten bracht. Madzy gevoelde wel eenigen trek om haar te

vragen, wie de geheimzinnige bewoner ware van dat slot, daar zij met

den monnik over gesproken had; maar het gevoel van bescheidenheid,

haar ingeschapen, weerhield die vraag op hare lippen. Zij begreep,

dat de monnik goede redenen moest hebben, waarom hij haar het geheim

niet mededeelde en achtte het daarom ongepast, een anderen weg in

te slaan om daarachter te geraken. Ook zou zij weinig tijds gehad

hebben om een vraag te doen, daar de waardin, wier nieuwsgierigheid

was opgewekt geworden door het gunstig uiterlijke van Madzy, die haar

mantel had afgedaan, en door de fijnheid van het linnen, dat onder

hare boerinnenkleeding zichtbaar was, haar overlaadde met een vloed

van vragen, waarop de Jonkvrouw slechts half verdacht was en die zij,

het veinzen ongewoon, met moeite wist te beantwoorden. Wel had zij

reeds gezegd (gelijk zij dit met den monnik had afgesproken), dat

zij uit Alkmaar was en met haar oom naar Utrecht reisde om aldaar

een bloedverwant te gaan bezoeken; maar toen de waardin haar over

eenige nadere bijzonderheden begon te ondervragen, geraakte zij al

meer en meer in de war en wist zich eindelijk niet meer te redden dan

door grooten vaak en vermoeidheid voor te wenden. Echter zou haar de

belangstellende nieuwsgierigheid van vrouw Jaspersz nog geene rust

hebben gelaten, zoo niet een rumoer, in het benedenhuis ontstaan,

de aandacht van deze getrokken had.

"Ik moet eens zien wat daar gebeurt," zeide zij; "ik geloof waarlijk

dat zij weer aan 't bekkesnijden zijn. Maar ik zal hun doen zien, wie

of baas in mijn huis is, zij of ik. Gij neemt het mij niet kwalijk,

hoop ik, dat ik u alleen laat. Wij waren zoo recht genoeglijk aan

't keuvelen; maar de zaken gaan voor alles, en ik ben maar een arme

weeuw alleen en moet nacht en dag in de weer zijn om te zorgen dat

mij de kaas niet van 't brood gehaald worde. Tot wederziens dan. Goede

nachtrust!"

En met deze woorden kloste zij de trap af en vond werkelijk bij het

komen in het voorhuis, dat haar tegenwoordigheid aldaar noodzakelijk

vereischt werd. De aanleiding van den ontstanen twist was de volgende:

De monnik had, toen hij de trap afdaalde met het oogmerk van zich

naar het kasteel te begeven, het belang gevoeld om zich, voor hij

het huis verliet, te vergewissen, welk slag van lieden hij in de

herberg achterliet en of zijn reisgenoote ook iets van hen te vreezen

had. Bovendien, schoon het vasten gewoon, had de voor hem ongewone

beweging zijn eetlust aangewakkerd en verlangde hij naar eenige

verversching. Hij verzocht dus bij zijn intrede in het voorhuis aan

de dienstmaagd, hem een snede brood met een teug water te halen.

"Water!" klonk een stem van den haard: "laat dat aan de kikkers,

huisman. Eilieve! kom mede in 't gelag en wij zullen u van onzen

drank schenken."

De monnik wendde bij deze uitnoodiging het oog naar het aldaar

vergaderd gezelschap. Onder een schouwe van uitgebreiden omvang,

hoedanige er wellicht niet meer, dan in sommige afgelegen Geldersche

of Overijselsche dorpen te vinden zijn, en waarin ettelijke stukken

vleesch te rooken hingen boven het altijd brandend turvenvuur,

zaten eenige lieden op lage houten bankjes in een halven kring om een

tafeltje. Dicht aan den wand bevond zich de man, die tegen den monnik

gesproken had, en wiens kleeding een wapenknecht aanduidde, terwijl

zijn roode neus en de kan, welke hij op de eene knie vasthield,

hem als een vlijtigen aanbidder van den wijngod deden kennen. Wat

de uitdrukking van zijn gelaat betrof, zij was die van iemand,

die steeds genegen schijnt, ieders woorden kwalijk op te nemen: en

schoon zijn voorstel aan vader Syard op zich zelf verplichtend was,

de norsche en onaangename toon, waarop het gedaan werd, nam er alle

verdiensten van weg, en gaf zooveel te kennen, als dat de man, tot

wien het gericht was, er zich ten hoogste mede vereerd moest achten

en dat een weigering kwalijk zou worden opgenomen.

Naast dezen persoon waren twee lieden gezeten, kermisgasten van beroep,

althans voor zooverre men dit kon afleiden uit hun vreemde spraak

en kleedij, uit hun verbrand gelaat en uit de kast, welke nevens hen

stond, en waarop een dier lag te slapen, welks soort de schaduw, welke

de tafel daarover wierp, belette te onderscheiden. Drie dorpelingen,

vaste klanten van de herberg, maakten met de bovengenoemden het

gezelschap uit; want men kon bezwaarlijk een zevende mederekenen,

die, afgezonderd van de overigen, op een bank tegen den muur lag en

geheel bedolven scheen onder een grooten zwarten mantel.

"Ik dank u, goede vriend!" zeide de monnik tot den wapenknecht:

"uw voorstel is hupsch; maar ik mag het niet aannemen."

"Hoe nu!" zeide de man met het zwaard op een hoogen toon: "zijt gij

een kerel? gij komt nog wel op een goed paard aanrijden, en zoudt

vrekkig genoeg zijn om een dronk te weigeren?--Ik zou bijna denken,

dat gij al uw munt te Haarlem verslempt, en geen onnoozel kopstuk

meer overgehouden hebt, om eens met eerlijke lui te klinken."

"Ieder weet best wat vertering hem lijkt," zeide de monnik: "mits

slechts de waardin niet klage over kwalijke betaling; bovendien,

goede vriend, kan ik om een andere reden uw voorslag niet aannemen;

ik heb nog een boodschap in het dorp te verrichten, en moet haast

maken." Dit gezegd hebbende, zette hij zich op eenigen afstand aan

een klein tafeltje.

"Bij mijn zolen!" zeide een der dorpelingen: "gij zult niemand in

't dorp meer op vinden dan ons drieën: het is al bijkans halfacht,

en ieder gaat hier met de kippen op stok, uitgenomen wij, die hier

alle avonden klokke zeven uren post vatten, om een Christenplicht

te verrichten."

"Een Christenplicht!" herhaalde de wapenknecht: "ik ben waarlijk

benieuwd te weten, hoe gij dat uitlegt?"

"Wel!" hernam de vorige spreker: "is vrouw Jaspersz niet een

weduwvrouw, en zeit de pastoor ons niet alle Zondagen, dat wij de

weduwen en weezen hebben voor te staan? Mij dunkt, ik kan niet vromer

handelen, dan dat ik een goede vertering bij haar maak."

"Dat gij hier vertering maakt is zeker, Melisbuur!" zeide een der

andere dorpelingen: maar of vrouw Jaspersz er veel zijde bij spint,

daaraan zoude ik haast twijfelen:--hoe dikwijls in 't jaar hoort zij

de klank van je geld?"

"Eilieve! wij zullen elkaar wel eenmaal met gesloten beurzen betalen,"

zeide Melis, lachende, "want ik denk haar met Kerstmis te trouwen

en dat zal de rekening effen maken:--maar dat tot daar aan toe: die

nieuwe gast moet er zoo niet afkomen:--zeg eens paai! wien duivel

zoekt gij zoo laat op het dorp?"

"Ik zoek iemand, die mij met geen nuttelooze vragen zal lastig vallen,"

antwoordde de monnik, droogweg.

"Dien kunt gij in uw tasch steken, Melisbuur!" zeide een der andere

landlieden, lachende,

"Ik geloof, dat de vlegel lust heeft, met mij aan 't snijen te komen,"

zeide Melis, de hand aan het heft van zijn zakmes slaande.

"Foei Melis! een oud man!" hernam degene, die zooeven gesproken had,

terwijl hij hem tegenhield.

"Indien hij oud is," zeide Melis, "moest hij op zijn woorden hebben

leeren passen en geen onbeschofte taal voeren, wanneer men hem in

't ordentelijke een vraag doet."

"Had hij maar school gegaan bij mijn aap," merkte een der kermisgasten

aan, in wien mijn lezers aan dit gezegde den hansworst van Barbanera

zullen herkend hebben: "meester Cezar, dat vrome beest, geeft nooit

andere dan bescheidene antwoorden."

Deze geestige zet werd door al de aanwezigen met een luid gelach

ontvangen. Vader Syard, zijn eenvoudig maal uit de handen der

dienstmaagd aannemende, vergenoegde zich met te zeggen:

"Indien gij, mijn zoon! in de plaats van met ongure dieren, met vrome

lieden verkeerd hadt, zoudt ge althans de lessen der beleefdheid

jegens vreemdelingen beter hebben leeren in acht nemen."

"Hij spreekt bylo of hij een pater ware," zeide Daamke, wiens

vroolijkheid verdubbelde. Barbanera, die naast hem zat, zag op dit

oogenblik den monnik in 't gezicht, die hem echter niet herkende,

daar zij elkander slechts eenmaal aan het ziekbed van Elske gezien

hadden, en de kwakzalver thans den wassen neus niet ophad, die hem

anders vermomde.

"Een pater!" herhaalde de wapenknecht met een schuinschen blik op

den monnik: "hij is dan waarschijnlijk uit het Karthuizer convent te

Arnhem, waar de monniken, zooals men weet, nooit uitgaan dan met een

mooi Mariëndaalsch zusje."

"Of het een mooi zusje was, is nog de vraag," zeide de hansworst: "want

zij was zoo dichtgestopt als een metworst, toen zij ons voorbijstoof.

"Niet zoo ingestopt," zeide de wapenknecht, "of ik heb een voetje

gezien, dat ik in mijn vuist had kunnen sluiten, en een blank malsch

handje, dat de kruik vasthield. Zeg eens, huisman! is 't je dochter,

of je vrouw! want ik wil je wel van je reisgenoot ontslaan, zoo je

haar voor een slok verkoopen wilt."

"Dat ware met recht kat in den zak koopen," zeide Daamke.

"Nu, wij konden haar wel eens bekijken gaan," hernam de wapenknecht,

opstaande: "zij zit zeker bij moeder Treuzel in de keuken."

"Ja! laat zien of wij haar kennen," zeide Melis, zijn voorbeeld

volgende.

"Een oogenblik, goede vrienden!" zeide vader Syard, zich voor de deur

stellende, met zulk een vastberadene houding, dat de beide gasten

een poos besluiteloos stonden: "ik ben een man van jaren en ongewoon

om met rauwe gasten als gij zijt te vechten; maar ik zou nog kracht

genoeg hervinden om den eersten, die zich verstoutte aan den wervel

van deze deur te raken, zijn vermetelheid duur betaald te zetten."

Onder het uiten dezer woorden sloeg hij de dorre hand aan den degen,

die aan zijn zijde hing.

Melis trad een stap terug: schoon eenigszins door den drank verhit,

was hij niet beschonken genoeg of hij besefte, dat een aanval op

den vreemdeling in dit geval meer dan een gewoon messengevecht zoude

wezen en hem strafbaar maken voor het gerecht. De wapenknecht echter,

meer oploopend en stout, trok zijn zijdgeweer half uit en wilde op

den monnik aandringen, toen het gewaad van dezen zijne opmerkzaamheid

wekte: "wat duivel!" riep hij, plotseling stilstaande: "hoe komt gij

aan dat pak?--Dat zijn mijne kleeren.... mijne laarzen.... mijn tasch!"

Deze opmerking, in stede van den monnik van zijn stuk te brengen,

gaf aan het schrander oordeel van vader Syard integendeel een wapen

in de hand, waarvan hij zich met wakkerheid bediende.--"Uw naam is

Walger!" zeide hij.

Inderdaad, het was Walger, die, na zijn vrouw, gelijk wij vroeger

verhaalden, te hebben mishandeld, zijn hut had verlaten in den waan dat

zij dood was. Den avond van dien dag teruggekomen zijnde, om zich van

de gegrondheid zijner vrees te verzekeren, had hij door het venster

naar binnen gezien, en Madzy, den monnik en de beide Italiaansche

Ridders bemerkt bij de legerstede, waarop zijn vrouw, dood zoo hij

meende, lag uitgestrekt. Vervuld van schrik had hij geene uitkomst

geweten als in de vlucht, en ten einde spoediger weg te komen, had

hij de paarden der Ridders losgemaakt, en een daarvan bestijgende,

was hij met de twee naar Leiden gedraafd, waar hij ze een paar dagen

later aan den Ridder van den Rooden Arend verkocht had, die, van

hem vernemende dat hij dienst zocht bij de Stichtschen, hem met een

aanbeveling aan Jonker Robbert van Arkel naar Utrecht had gezonden,

waar hij aangenomen en met een wederkeerige boodschap naar Plaswijk

was gestuurd.

"Moordenaar!" vervolgde de monnik, op een bestraffenden, doordringenden

toon: "wat hebt gij met uwe vrouw gedaan? weet gij niet dat zoowel

de wet des Heeren als die der menschen het doodslaan verbiedt? En in

plaats dat gij in zak en asch uw misdaad beschreien, en door berouw en

boete de genade Gods afbidden zoudt, vind ik u hier dartelend en wijn

drinkende, als de menschen in de dagen Noachs deden, voor de zondvloed

kwam en ze allen van de aarde wegnam.--Beef! want het bloed zal bloed

eischen en de wraak zal u vervolgen, waar gij ook schuilen moogt."

Walger trad onthutst en bedremmeld terug: en terwijl de overigen, die

weinig of niets van des monniks toespraak begrepen hadden, hen beiden

met bevreemding aanzagen, kwam de waardin juist op het gerucht af.

"Wat beduidt dit, vrienden?" zeide zij: "mijn herberg is een

ordentelijk huis en ik wil hier geen rumoer hebben. Een eerlijke

bekkesnijderij op Zon- en Feestdagen of met kermis, in goede eendracht,

dat gaat er nog mede door; maar in de week en dat nog wel 's avonds,

verkies ik geen ruzie in huis."

"Er is geen ruzie ter wereld, moeder Jaspersz!" zeide een der boeren:

"daar is Melisbuur, die u ongetrouw wordt en eens effentjes een

vriendelijk bezoek wil gaan afleggen bij de deerne, die hier t'

avond gekomen is."

"En denkt gij, leelijke slungel," vroeg de waardin, met de handen in

de zijden naar Melis toestappende, "dat ik dat van u velen zou? Ga

zitten man!" vervolgde zij, terwijl zij hem bij de schouders nam en

op zijn bank neerkwakte: "en drink je zoopje; maar wee je gebeente,

zoo je verder dan het voorhuis je pooten durft zetten.

"De droes!" zeide de hansworst: "vriend Melis! zoo gij u ooit bekeeren

wilt, doe dan als je daar eerst zeidet: neem moeder Jaspersz tot

vrouw en zij zal u spoedig zoo tam maken als een lammetje."

"Hij mij tot zijn vrouw nemen!" riep de waardin: "Maaike Jaspersz laat

zich niet zoo nemen: ik wou nog liever, dan dat ik zoo'n apenbakkes

in mijn slaapkamer zag en mijn zuur verdiend penningske door zijn

keelgat wandelen. Hij moest maar liever eens denken, hoe hij bij

mij in 't krijt staat, en wachten tot hij mij betalen kan, eer hij

zooveel praats had. Maar ik zeg alsnog: die buiten het voorhuis komt,

neem ik bij de lurven en gooi hem de deur uit."

Hoewel de wakkerheid der waardin en het gezag, dat zij over haar gasten

scheen uit te oefenen, vader Syard eenigszins geruststelden, begreep

deze echter niet heen te moeten gaan zonder alvorens nog eenig gewicht

aan haar vermaning bij te zetten: "luistert vrienden!" zeide hij:

"ik ga naar het slot, en zoo iemand in mijne afwezigheid zich verstout

mijn nicht te beleedigen, beloof ik hem morgen een plaats in de kelders

van het kasteel."--Dit gezegd hebbende, begaf hij zich het huis uit.

"Ik lach wat met zijn dreigen," zeide Walger, zijn onbeschaamdheid

terugvindende, zoodra hij den scherpen blik des monniks niet meer te

vreezen had: "de slotvoogd zal zich wel wachten mij een vinger aan te

raken. Ik heb op het kasteel althans zooveel invloed als die oude gek."

"Vertrouw daar niet te veel op, vriendje," zeide de hansworst:

"het zou mij niet verwonderen, indien die grijskop langer dan gij,

kennis had met dengene, die op dat slot huisvest."

"En wie huisvest er dan op?" vroeg Melis: "behalve de oude Peter en

een aantal uilen en kraaien!"

"Zeg daar maar niets van," zeide een der andere boeren: "ik heb er

niet later dan gisteravond een Ridder zien binnenrijden in volle

wapenrusting met een helm op 't hoofd en op een fraaien zwarten

hengst gezeten."

Hier lichtte de reiziger die op de bank lag, en die zich het vorige

tooneel volstrekt niet had aangetrokken, even het hoofd op; doch

hernam terstond weer zijn onverschillige houding.

"Wie weet dat beter dan ik," zeide Walger, "die hem het paard verkocht

heb waar hij op zat? een echten kastiliaan, dat beloof ik u."

"Is het sedert niet lang, dat gij paardenkooper geworden zijt?" vroeg

Daamke: "voor weinige dagen stondt gij nog in den Hout naar onze

kunstverrichtingen te kijken, met het wapen van Holland op uw

jachthuis."

"Heugt u dat!" zeide Walger: "welnu, wat steekt daarin? ik heb een

ander beroep bij de hand genomen."

"Gij neemt andere dingen ook," zeide de hansworst: "want gij hebt

bij uw vertrek twee paarden meegepakt."

"Wie durft dat zeggen," riep Walger, met drift opstaande en de hand

aan het geweer slaande.

"Dat durf ik zeggen," hernam Daamke: "ik, die er bijna klappen om

gehad heb."

"Goede hemel!" riep de waardin uit, terwijl zij haar handen naar

boven hief: "een paardendief in mijn huis."

"Zottin, geen dief!" zeide Walger, terwijl hij wrevelig weder plaats

nam: "maar, dewijl het toch morgen, naar men zegt, oorlog wordt

tusschen Holland en het Sticht, moest al wat onder het Bisdom behoort

mij danken, zoo ik twee paarden op de Hollanders heb prijsgemaakt

en aan den Bisschop de aanwinst bezorgde van een knappen kerel als

ik ben."

"'t Is dan zeker ook om afbreuk te doen aan de Hollanders," vervolgde

Daamke, "dat gij uw Hollandsche vrouw half doodgeslagen hebt?"

"Lieve Maagd!" herhaalde de waardin: "een dief en een

wijvesmijter! kameraad! je zoekt maar een andere herberg op, dan

de mijne."

"Hoe nu!" zeide Walger, "heeft de oude Peter mij niet zelf hier

gebracht en u gezegd dat ik een Bisschoppelijke wapenknecht was en

dat gij mij zoudt herbergen?"

"Dat is waar," antwoordde de waardin: "maar...."

"En zoudt gij denken," vervolgde Walger, met meer en meer drift,

"dat de slotvoogd of zelfs de Bisschop mij zoude vragen wat ik in

Holland verricht had en mij niet gaarne absolutie geven voor het kwaad,

dat ik er mocht hebben uitgevoerd? Komaan! tap nog een kan ouden wijn

en laat er niet meer over gesproken worden."

"'t Is wel!" zeide de waardin: "maar daar gij morgen wel eens in

't hoofd zoudt kunnen krijgen om weer naar de Hollanders over te

loopen, zal ik zorgen, dat ik bij uw vertrek de paarden tel, die op

stal staan."

"En wat u betreft," vervolgde Walger, zich tot den hansworst wendende,

zonder acht te geven op het gezegde der waardin, "zoo er nog een woord

over het voorgevallene bij Haarlem uwe lippen ontrolt, zweer ik u,

dat ik u kennis met mijn zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak

van den kraag af tot de hoos toe de kleur van uw bloed doen aannemen."

"Kom! kom!" zeide Daamke: "heb maar zooveel praats niet: die lange

Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen

zooals hij in den Haarlemmerhout deed."

"Schurk!" riep Walger: "wat let mij of...."

"Welnu," zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: "begint

gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en

laat dat eeuwige gekijf varen. 't Is of gij heden allen van den Booze

bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man,

die op de bank ligt te slapen."

"Slapen!" zeide Walger: "ja, zoo gij 't maar gelooven wilt. Wij

hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons

beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie

weet, misschien is hij wel een spion van den Graaf, gezonden om ons

te verderven."

"Licht mogelijk," zeide Melis: "mij dunkt, hij deed beter van naar

zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten."

"Wij kosten hem wel eens even wakker schudden," zeide Walger.

"Gij zult den man stil laten liggen," zeide de waardin: "hij heeft

zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet,

waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als

gij om rustig te drinken."

"Nu! maar eventjes," hernam Walger: "ik zal den man geen kwaad

doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hij ook

trek krijgt om mede te doen." En zijn kroes volschenkende, zwaaide

hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus;

maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende,

die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van

Reinout van Verona.

"Onbeschaamde dief!" zeide hij: "kunt gij dan niemand met rust laten."

De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat

hij zwichtte voor het zedelijk overwicht, hetwelk iemand van hoogeren

rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter

weldra, vooral toen hij bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen

droeg dan een dolk.

"Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!" riep hij: "ziet daar, zooals ik

zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf

Willem, wiens vangst meer genoegen aan de Kapittel zal doen dan de

inneming van een kasteel."

"Indien het zoo is," zeide Melis, met de andere boeren toetredende,

"dan ware het zeker wel de moeite waardig?...."

"Lompe kinkels!" zeide Reinout, de armen kruisende en in een

onbeweeglijke houding blijvende staan: "is dan de oorlog reeds

verklaard, dat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn

weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat

u betreft, schurk!" (zich tot Walger wendende) "gij bezorgt mij het

paard terug, dat gij mij volgens uwe eigene bekentenis ontstolen hebt."

Walger stond eenigszins versuft, te meer, daar hij aan de weifelende

houding der boeren besmeurde, dat er weinig staat was te maken op hun

bijstand, en dat zij nog nuchter genoeg waren om te begrijpen, dat

een beleediging, eenen gunsteling des Graven, eenen Edelman aangedaan,

in allen gevalle hachelijke gevolgen voor hen zou kunnen hebben.

"Welnu!" herhaalde Reinout, met een donderende stem: "mijn paard! hebt

gij mij niet verstaan?"

"Bij Sint-Maarten!" zeide eindelijk Walger, op den koppigen toon

van iemand, die zijn besluit genomen heeft en op al de kansen is

voorbereid, "indien gij uw paard wilt hebben, zoek het dan, waar het

te vinden is."

"Ik geloof," zeide Daamke, die dit gansche tooneel met een vroolijk

meesmuilen had aangezien, "dat hij uw paard en dat van uw vriend in

den buidel draagt, die aan zijn gordel vast is:--althans voor zooverre

de lieve beestjes zijn keelgat niet reeds zijn doorgereden."

"Beken!" zeide Reinout: "aan wien hebt gij mijn paarden verkocht?"

"Dat laat zich raden," zeide de nar: "aan dien Ridder met den rooden

arend, die gisteren op het slot gekomen is."

"Welnu! volg mij dan naar het slot," zeide Reinout met drift tegen

Walger.

"_Perdonatemi_!" zeide Barbanera, opstaande en hem terughoudende:

"zoudt gij den morgen niet afwachten?" voegde hij er bij in de

Italiaansche taal: "ik stel mij borg, dat de Ridder op het slot u de

paarden zal teruggeven, en dat wel zonder zwarigheid te maken;--maar,

zoo gij mij gelooft, zullen wij hem in zijn rust niet storen."

"Het is wel, Paolo," zeide Reinout: "maar intusschen hebben wij

elkander nog veel te zeggen, en deze kerel moet ons niet ontsnappen."

"Wilt gij mij gevangenhouden?" vroeg Walger, die, hoewel het gezegde

des Ridders, dat in 't Italiaansch gehouden was, niet verstaande,

genoeg aan zijn gebaren begreep wat hij zeggen wilde, en meteen haalde

hij zijn zwaard half uit.

"Hoe nu! weer vechten?" riep de waardin: "wij zullen vechterijen genoeg

hebben als de oorlog uitberst. Hou uw gemak, of ik zet u de deur uit,

zoowaar ik Maaike Jaspersz heet."

"Hij zou niets liever verlangen," zeide Daamke, lachende, "hij

heeft evenveel trek om te blijven als een verzadigde muis, die in de

val zit."

"Welnu! waarom gaat hij dan niet?" vroeg de waardin: "ik heb al

last genoeg van dien oproermaker en zal blij zijn zoo ik van hem

ontslagen raak."

"Ik zal gaan of ik zal blijven, juist zooals 't mij goeddunkt,"

zeide Walger, zijn beker ledigende en met een koppige houding weer

plaats nemende: "wat het paard van dien Ridder betreft, ik heb

het niet gestolen, maar in 't bosch opgevangen: en daar het op den

stal van 't kasteel staat, kan hij het ieder oogenblik van den dag

terugvinden. Zoo ik reden had van uit Holland te vluchten, hij zal

ze ook wel gehad hebben en misschien erger dan ik."

Reinout zweeg en sidderde: de woorden van Walger hadden een dieper

uitwerking gedaan dan deze zelf vermoeden kon.

"Komt!" zeide een der boeren: "laat ons een einde aan al dat gehaspel

maken. Het wordt laat: nog één kroes en daarmede afgedaan."

"Wel gezegd," zeide Daamke: "het is altijd betamelijk ter ruste te

gaan, wanneer de kan ledig is."

Allen dronken hierop, behalve Reinout, die met groote stappen het

vertrek op en neder wandelde. Zoodra de drank op was, trokken de

dorpelingen af en begaven zich de gasten naar hun slaapverblijf,

Walger wierp zich zonder een woord te spreken op zijn legerstede,

alwaar weldra een zwaar gesnork aanduidde dat hij in diepe rust was:

de hansworst volgde zijn voorbeeld en Barbanera maakte zich gereed

hetzelfde te doen, toen Reinout hem weerhield.

"Gij zijt mij nog het einde van uw verhaal schuldig," zeide hij in

't Italiaansch.

"Wat zal ik u zeggen?" zeide de kwakzalver, de schouders ophalende

en Reinout met een blik aanziende, die zooveel zeide als: "gij

zult thans minder dan ooit in staat zijn, mijn ontdekkingen goed te

beloonen,"--"ik heb u niet veel meer te verhalen; want het zal hoe

langer hoe meer onzeker zijn, of gij, dan wel uw vriend Deodaat de

echte zoon van Bianca is."

"Mijn vriend Deodaat slaapt om niet weer op te staan," antwoordde

Reinout met een somberen blik: "welke rechten hij moge gehad hebben,

zij zijn in de mijne versmolten. Er is geen keuze meer tusschen hem

en mij."

"Met dat al:" zeide de kokeler....

"Hier Paolo!" zeide Reinout, hem naar zich toe trekkende: "ik vermaan

u, niet langer met mij te spotten. Bij God! ik heb gedaan wat ik

onmogelijk had gedacht: ik heb mijn besten vriend, mijn wapenbroeder

een dolk door het hart gejaagd. Gelooft gij dat ik, na zulk een daad,

voor den moord van een ellendeling als gij nog zou terugdeinzen? Neen,

bij de Almacht! Gij zult mij alles mededeelen wat gij weet: en wel

terstond. Rijkdom en eer, de helft van mijn vermogen wachten u zoo

gij spreekt;--uw dood is zeker, zoo gij langer aarzelt!"

Paolo bedacht zich een oogenblik. Eindelijk, ziende dat het Reinout

ernst was, en indachtig, dat zijn plannen, om zich te verrijken, toch

zonder eenige vrucht zouden blijven indien hij niet sprak, gaf hij hem

te kennen, dat hij alles verhalen zou wat hij wist. Voor wij echter

aan onze lezers den uitslag van hun onderhoud mededeelen, voegt het ons

te zien wat vader Syard wedervoer bij zijn avondbezoek op het kasteel.

De Roos van Dekama · 第 25 / 46 题