TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Wie op beloften steunt of die van waarde schat,

Bedriegt zich zelf en maakt dat andren hem beschimpen:

Indien men laken koopt, het krimpt gemeenlijk wat;

Maar 't geen ons wordt beloofd zal doorgaans alles

krimpen.

De Regt.

Het was niet zonder meermalen het gelaat naar de herberg om te wenden,

dat de monnik het plein was overgestoken en zijn weg voortzette,

verdeeld tusschen de ongerustheid, welke de onbeschaamde ruwheid der

gasten bij hem achterliet, en de bekommering, waarin hem de onzekerheid

bracht over den uitslag van zijn voorgenomen bezoek. Toen hij echter

een hoek was omgeslagen en de herberg uit het gezicht verloren had,

verhaastte hij zijn tred en verbande, zooveel in zijn vermogen was,

alle andere gedachten, om slechts aan het toekomstig lot van zijn

dierbaar vaderland te denken.

De laan, welke hij nu volgde en die recht op den ingang van het slot

aanliep, was aan de eene zijde beplant met een rij schrale berken,

wier witte bladeren door den westenwind aangeraakt, in gestadige,

ritselende beweging waren. Aan de andere zijde was een sloot, wier

groene zoom met heestergewassen begroeid was, en over wier effen water

talrijke zwaluwen heen en weder vlogen. Aan het einde van deze lange

en eentonige laan gekomen, vond zich de wandelaar aangenaam verrast,

daar hij eensklaps een ruime vlakte ontdekte, die een uitgestrekt en

in vele opzichten schilderachtig uitzicht opleverde. Tusschen rijke

graanvelden en groene weilanden kronkelde eene kleine rivier. Haar

oever was hier en daar door bevallige bosschages bezet, wier welig

groen de laatste stralen der ondergaande zon met liefelijke tinten

kleurden. In 't verschiet zag men de torens van een paar rijke en

welvarende dorpen, en verder nog, over de vlakte, den halfvolbouwden

kegel van de Utrechtsche Domkerk, die, sedert voltooid, na zoovele

eeuwen, als tot een baak en wegwijzer aan de omliggende landstreken

verstrekt. De rivier, waarvan wij gesproken hebben, besproeide in

eene van hare veelvuldige bochten een onbebouwd, eenigszins rijzend

stuk gronds, hetwelk, door een breede, rijkelijk met kroos bedekte

gracht omgeven, met de laan, waaruit de monnik kwam, gemeenschap

had door middel van een brug, uit losse planken samengesteld, die

bij het minste gevaar voor overval konden worden weggenomen. De

brug overgaande, kwam men langs een pad, met keisteenen bevloerd,

tot den ringmuur van het slot, waarom een tweede gracht gegraven

was, wel niet diep, doch ondoorwaadbaar door den modder, waarmede

zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door

een dubbel rasterwerk, hetgeen wel gedeeltelijk verrot of vervallen,

maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje,

slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten,

leidde tot de ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals

de brug gedekt door twee torentjes, op den buitenmuur geplaatst. Een

smalle ronde gang aan 't eind der brug bracht in het slot zelf,

't geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren

steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop,

waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien;

en zonder andere versterkingen, dan de zoodanige, welke de dikte der

muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit

oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd,

toen dergelijke gebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af

tegen het vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe

trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was,

dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar

op een bloembed doet.

De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt

niet of vader Syard zich met dusdanige vergelijkingen bezig hield,

toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe 't zij, hij

trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug

gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting

aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest

echter dit sein tweemalen herhalen eer hij gehoor kreeg: althans eer

een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in

den toren vertoonde, hem bewees, dat zijn verzoek om binnengelaten

te worden verstaan was.

Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg,

over zijn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur

van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de

ophaalbrug staan.

"Wien zoekt gij? en wat wilt gij zoo laat?" riep hij, zijn hoofd

achter om de klep van de brug stekende, den monnik toe.

"Goede vriend!" zeide deze: "laat uw brug neer, ik moet uw Heer

spreken en heb geen tijd te verliezen."

"Gij zijt oud genoeg," zeide de wachter, "om te weten, dat ik geen Heer

heb dan onzen Bisschop, en dat die in 't Zuiden van Frankrijk woont."

"Om 't even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist."

"Die is weer vertrokken," riep de portier, zijn hoofd terugtrekkende:

"en zoo, God zegene u."

"Hij had mij toch gezegd," zeide de monnik, met drift, "dat hij mij

nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam."

De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens

liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden.

"Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen," zeide de portier,

"zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat niets

ter zake doet. Ga binnen en wacht mij. Zoodra ik de brug weder heb

opgehaald, zal ik mijn Heer gaan waarschuwen."

Vader Syard liep een kromme gang ten einde en vertoefde een wijl

op een klein binnenpleintje, terwijl de man, die hem ingelaten had,

na alles weer behoorlijk gesloten te hebben, een smal wenteltrapje

opklom, dat naar de bovenvertrekken geleidde. Spoedig kwam hij terug

en verzocht den monnik met hem te gaan. Deze volgde zijn geleider,

die hem een paar verdiepingen hooger bracht, tot zij aan een zware

eikenhouten deur kwamen, waar zij aanklopten. Een stem van binnen gaf

verlof om in te komen: de portier ontsloot de deur en ging vervolgens

dadelijk weer naar beneden.

Vader Syard trad het vertrek in, hetwelk achtkantig en vrij ruim

was, naardien het een gansche verdieping des torens uitmaakte, en

dus den geheelen omvang bevatte, welken de binnenmuren overlieten,

uitgenomen vier hoeken, waarvan er drie tot kabinetjes dienden en het

vierde de trap verborg. Uit de nauwe venstergaten had men een ruim

uitzicht op den omtrek; doch de opening liet bijna geen licht meer in,

dan noodzakelijk bleek te zijn. De wanden waren naakt en met spinrag

bedekt: ruwe figuren, met krijt en houtskool op den muur geteekend,

en waarmede men, zoo het scheen, de gedaanten van krijgsknechten had

zoeken na te bootsen, duidden aan, dat hier meermalen gewapenden hun

nachtwaken met dergelijke uitspanningen hadden vervroolijkt. Meubelen

waren volstrekt nergens te zien: en een open koffer, met onderscheidene

voorwerpen gevuld, kondigde alleen de nabijheid aan van menschen. Vader

Syard wendde dan ook terstond het oog naar de eenige plaats, welke

bewoond scheen, gelijk de lichtstraal aanduidde, welke uit de

halfgeopende deur van een der kabinetjes op den vloer scheen. Hij

trad derwaarts en zag nu in dezen afgezonderden hoek een tafel met

papieren, waaraan de man zat, in wien hij terstond dengene herkende,

wien hij zoeken kwam.

Deze droeg echter thans noch het gewaad van Barbanera, gelijk in

het schuurtje bij den Hout, noch de wapenrusting eens ridders, als

op het Zand te Haarlem, noch de kleeding zonder naam, als in de cel

des monniks, maar een ruimen en gemakkelijken tabberd, die hem los om

't lijf hing, en hier en daar geopend, het eenvoudig huisgewaad eens

edelmans vertoonde. Voor hem stond een beker met zuiver water, en een

stuk brood met sterkers, waarmede hij zijn avondmaaltijd scheen te

zullen doen. Hij sloeg een onverschillig oog op den monnik, toen deze

voor den ingang van het kabinetje stand hield: en wendde terstond,

zonder hem te herkennen, zijn blikken weer op het blad, dat voor hem

lag, om den begonnen volzin te eindigen. Hierop vroeg hij, zonder op

te zien:

"Van wien komt gij, huisman?"

"Ik kom uit mijn eigen naam," antwoordde de monnik.

"Bij Sint-Maarten!" zeide de andere: "ik ken die stem: maar wat

duivel! ik ken dat gelaat ook. Welke vreemde gebeurtenis voert u hier,

Vader! en hult den vromen monnik in het gewaad van een boschwachter?"

"Ik heb vreemder vermommingen gezien dan deze," zeide vader Syard,

op een stekeligen toon: "en had niet verwacht, dat gij mij het vreemde

van mijn gewaad zoudt verwijten."

"Ga zitten, Vader!" zeide de Stichtenaar, hem een zetel aanwijzende:

"en zeg mij eens, hoe en waarom gij u hier bevindt."

"De oogenblikken zijn te kostbaar en mijn tijd is te beperkt om

dien met beuzelen door te brengen," zeide vader Syard: "ik breng u

gewichtig nieuws."

"Dat de Graaf naar 's-Hage is en heden of morgen de stad Utrecht

ontzegt. Ik wist dit reeds.--Of is er meer?"

"En dat de Friesche gezanten heden verlof gekregen hebben met slecht

bescheid."

"Waarlijk! ziedaar inderdaad een nieuws, dat goud waardig is. En wat

zal men in Friesland doen?"

"Waarschijnlijk zich wapenen en gereed zijn, als de Graaf ons aanvalt."

"Ik had mij gevleid, dat zij van hunnen kant den aanval zouden beginnen

en onze Stichtenaren met de wapenen ondersteunen. Die Jonker van

Adeelen scheen daartoe niet ongenegen."

"Naar ik de Friezen ken, zullen zij zich ongaarne mengen in een twist,

die hun niet aangaat; doch met onbezweken moed den vreemden krijgsman

van hun erf afweren."

"Het ware toch hun belang, zich met Utrecht te vereenigen, eer de

Hollanders ons een voor een en alzoo met beter kans beoorlogen;--of

moeten wij doen als de kat, en de kastanjes voor u uit het vuur halen?"

"Wij zullen, volgens onze overeenkomst, vaardig zijn om onzen grond

te verdedigen; maar ik twijfel of gij éénen Fries zult vinden, die

geneigd is voor eene hem vreemde zaak te strijden: en dit was ook

onze bedoeling niet."

"En waarom niet? Ik ken den invloed, welken uw Abten in Friesland

bezitten, en ik ken evenzeer den invloed, dien broeder Syard op de

Abten heeft. Onze afspraak was immers, dat gij hen zoudt overreden,

zich voortaan geheel en uitsluitend aan den Utrechtschen stoel te

onderwerpen: welk beter bewijs van die onderwerping kunnen zij geven,

dan door een kruisvaart tegen de Hollanders te prediken, nu het Bisdom

bedreigd wordt."

"Versta mij wel," zeide de monnik: "ik heb, ja, beloofd alles in

't werk te stellen om de kloosters in Friesland meer af hankelijk

dan tot nu van den Bisschop te maken; maar ik had daarmede alleen in

't oog de geestelijke zaken, de tucht en de orde in het kerkbestuur,

welke te niet gaan, zoo geene vaste hand onze monniken in toom houdt:

nooit is het bij mij opgekomen eenen Fries te willen dwingen om voor

een vreemde zaak de wapens op te vatten. In het gesprek met Adeelen

gevoerd, hebben wij een bondgenootschap bedoeld, een gelijktijdige

oorlogsverklaring, waarbij het Bisdom ons zoude stijven; maar nooit

was het onze meening, hulpbenden herwaarts te zenden. Herinner u

onze afspraak: het oogenblik, dat het Sticht tegen Holland opstijgt,

zal ook Friesland de wapenen aangrijpen om zijn erfgoed te verdedigen."

"Met uw verlof," hernam de Stichtenaar: "zeg niet dat gij op den avond,

dat wij met Adeelen spraken, niet onderricht waart van de voornemens

der Kapittels: gij wist dat er een uitbersting volgen moest: gij waart

toen geneigd, mij van dienst te zijn: Adeelen was dit even zoo: ik

zie niet, in welken opzichte de staat van zaken tusschen ons beiden

veranderd is?"

"Wij hebben elkander verkeerd begrepen," zeide de monnik, de schouders

ophalende: "Adeelen haat den Graaf zooveel als gij dit kunt doen;

maar hij zal het evenzeer als ik ongepast oordeelen, dat een Fries

zich in deze omstandigheden buiten zijn land begeeft, om de Hollanders

te bestrijden, en dat nog wel onder een vreemden aanvoerder."

"Ik weet nog niet, aan wien Utrecht het beleid van den oorlog zal

toevertrouwen," zeide de Stichtenaar: "maar ik vlei mij, dat de

veldheer, dien zij bekomen zullen, niet aarzelen zal, om aan de

Friesche hulpbenden te vergunnen, onder hun eigen banier te strijden."

"Hoe!" riep de monnik uit, met een verwondering, welke hij niet

verbergen kon: "zult gij zelf dan niet het opperbestuur van den

strijd aanvaarden?"

"Gij vergeet," zeide de Stichtenaar, met een spotachtigen glimlach,

"dat de Bisschop te Grenoble is, en dat alleen hij tot het opperbestuur

gemachtigd is."

"Is het dan tijd tot boerten?" riep de monnik op een bitteren en

verwijtenden toon: "hoe! als Jan van Arkel, door het lossen der

verpande sloten, door het afbetalen der schulden van het Bisdom,

door het aanwerven van krijgsbenden, den toorn des Graven tegen het

Sticht ontstoken heeft, zal hij dan achterblijven en zich schuilhouden

in de ure des gevaars?"

"Broeder!" zeide de Stichtenaar, op wiens gelaat de taal des monniks

een meer ernstige tint had teruggebracht: "de tijden zijn voorbij, toen

een Bisschop van Utrecht, zonder andere wapenen dan een misboek en een

kruis, en zonder ander gevolg dan eenige geestelijken in plechtgewaad,

een zegevierenden Graaf op de bres kon staande houden, en hem en

zijn geheele leger doen sidderen voor den vloek des banbliksems. Het

zijn de ridderdegen en de veldheersstaf, die hij thans moet zwaaien,

wil hij zijn gezag niet miskend en bespot zien."

"Welnu! laat hij die dan zwaaien. Is dit niet juist wat ik bedoelde?"

"Hoe nu!" zeide de Stichtenaar met een fijnen glimlach, terwijl hij

een zegepralenden blik op den monnik sloeg: "is het een geestelijke,

die mij dezen raad geeft? _Ecclesia abhorret a sanguine_."

Vader Syard zag den spreker eenige oogenblikken met verbaasdheid aan,

terwijl hij in diens beweegbare trekken zocht uit te vorschen, welke de

geheime bedoeling zijner woorden kon zijn. Het kwam hem onbegrijpelijk

voor, waarom de Bisschop, die door zijne daden, hoe verschoonbaar, ja

hoe prijselijk in sommige opzichten, toch aanleiding tot den oorlog

gegeven had, en die de noodzakelijkheid erkende van het zwaard aan

te gorden, weigerachtig zou kunnen blijven om zich aan het hoofd der

zijnen te plaatsen. Hij maakte eindelijk een aanmerking in 't wilde,

evenals iemand die, in de duisternis rondtastende, de hand uitstrekt

zonder te weten wat hij vatten zal.

"Mag ik vragen," zeide hij, "of het slechts een proef is, waarop gij

mij zetten wilt? of sluiten uw woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid

in?"

"Noch het eene noch het andere, goede Broeder! en ik zal geen mijner

woorden terugnemen. Ik begrijp echter uwe verwondering: en ik geloof

dat de groote hoop, die de innige drijfveeren onzer daden niet kent,

als gij zoude oordeelen. Gij denkt, dat wraak alleen, of zucht naar

meerder gezag in het hart van Jan Van Arkel woont;--beiden bestaan bij

hem;--wie zou het ontkennen?--maar slechts in een ondergeschikten zin."

"Ik zie niet," zeide de monnik, "welke andere redenen er kunnen

aanwezig zijn....."

"Arme man! gij zelf, welk doel beoogt gij met uwe geheime

woelingen? waarom hebt gij zelf zoo vurig verlangd naar een oorlog

tusschen Friesland en den Graaf?"

"Omdat ik mijn vaderland liefheb:--omdat alleen die oorlog in staat

is, de binnenlandsche beroeringen aldaar te doen ophouden, en ons

van het juk van Holland te ontslaan."

"Recht zoo! er kunnen dus edele drijfveeren bij iemand bestaan, al

beoordeelt hem de menigte slechts naar den schijn.--Welaan!--Het ware

reeds op zich zelf een grootsch denkbeeld, het Sticht onafhankelijk

te maken van allen vreemden invloed; maar er ware nog meer te doen

dan dit!--Er was een tijd, monnik! althans onze jaarboeken verhalen

het, dat bisschop Adelbold zijn heerschappij over al de omliggende

landstreken voerde, dat Hertogen en Graven zich het een eere rekenden,

dienstbare betrekkingen aan zijn hof te vervullen; die tijd moet en kan

terugkomen:--maar zoo het Sticht zijn aloud overwicht herwint, het moet

zulks niet te danken hebben aan de loutere eerzucht zijns Bisschops,

om na den dood van dezen weer tot een staat van onderdanigheid te

geraken, om als een luchtverheveling slechts voor een korten stond

aan den gezichteinder der eeuwen te schitteren. Neen Broeder! dat

overwicht moet duurzaam blijven;--maar daarom moet het ook een

onmisbaar gevolg zijn van den loop der omstandigheden, en ontspruiten

uit de noodzakelijkheid, die machtige heerscheres der wereld.--Ik

weet het, indien ik mij thans aan het hoofd der mijnen stelde, en

hen ten strijde riep, dat mijn naam in de eerste oogenblikken van

opgewondenheid als een talisman zou werken; maar wanneer dat eerste

vuur van geestdrift had uitgebrand, wat zou dan het gevolg wezen? Bij

den minsten tegenspoed, door onze wapenen ondervonden, zoudt gij den

jaloerschen naijver der Kapittels en de bet-weterij van Vroedschappen

en Overlieden de schuld daarvan op mij zien werpen: men zou tegen den

Hollandschen Bisschop het wantrouwen, ja den haat der gemeente weten

op te wekken: of zoo men al aan de oprechtheid van mijnen haat tegen

het huis van Avennes geloof sloeg, het zou slechts zijn om mij te

beschuldigen, dat ik het geluk van het Bisdom aan eigen heerschzucht

had opgeofferd:--verdeeldheid zou weldra in onze vergadering en in ons

leger heerschen, en Graaf Willem zou zonder moeite zegevieren over een

gewest, door tweedracht verzwakt.--Neen! zoo ik het masker afwerp en

mij aan de oogen mijner onderzaten vertoon, het zal slechts dan zijn,

wanneer de oorlog een bepaalden, stelligen uitslag doet voorzien;

wanneer de Stichtenaars de noodzakelijkheid zullen gevoelen van een

opperhoofd: wanneer zij luidkeels om hun Bisschop roepen: dan zal ik

onder hen verschijnen als de gezant uit den hoogen, die hen onder de

banier van orde en wettigheid komt scharen: dan zal ik meester zijn,

mijne voorwaarden voor te schrijven aan hen en aan die Kapittels en

regenten, die de beste bedoelingen eens Bisschops verlammen zouden;

en--gelijk ik hoop--tevens aan al wie hunne onafhankelijkheid belaagt."

De monnik, nog weinig overtuigd, schudde het hoofd, en wierp een

twijfelachtigen blik op den Bisschop, (want het wordt eindelijk tijd

aan den tot nog toe onbekenden jongeling, den titel te geven, die

hem toekomt): "gij vergeet," zeide hij: "dat de Graaf het wakkerste

krijgshoofd is van zijn tijd, en dat, zoo zijn wapenen Utrecht

bemachtigen, uw ontwerp in duigen ligt."

"Ook die kans is door mij voorzien; en het hangt slechts van den

uitslag des oorlogs af, of ik als legerhoofd dan wel als middelaar

zal optreden. In beide gevallen zal mijn komst gezegend worden, en

het is slechts door aan mijn Stichtenaren te toonen, hoezeer ik hun

onmisbaar ben, dat ik de ontwerpen, door mij gevormd, zal kunnen ten

uitvoer leggen."

"Het vertrouwen der Stichtenaren zal slechts een armhartige pleister

op de wond zijn," zeide vader Syard, "ingeval Graaf Willem overwint,

en u erger voorwaarden oplegt dan die, waarop hij u tot Bisschop

deed aanstellen."

"Graaf Willem is thans machtig," hernam de Bisschop: "maar geloof

mij, zijn gezag heeft den hoogsten top bereikt en kan met anders dan

dalen. Hij heeft geen zoon:--komt hij te sterven, dan vervalt Holland

aan den eersten, die moed en beleid genoeg heeft, het te winnen. Het

Huis van Henegouwen zal met Willem den Vierden ophouden;--maar de

Bisschop van Utrecht is onsterfelijk."

Vader Syard bleef een wijl in diep nadenken verzonken: hij was nog

weinig gerust omtrent den uitslag van des Bisschops vooruitzichten;

want hij beschouwde die als onzekere luchtkasteelen, door het jeugdig

en opgewonden brein des jongelings ontworpen, en hij kon geene hooge

staatkunde toeschrijven aan iemand, die, ja, in vele opzichten blijken

van volharding had gegeven, maar zich evenzeer gekenmerkt had door

daden, welke in 's monniks oogen een buitensporige loszinnigheid

ademden. Bovendien was de monnik geheel uit het veld geslagen door de

tijding, dat de Bisschop zich niet bekend wilde maken:--daarmede ging

al zijn hoop te leur om de Friesche geestelijkheid eenparig te doen

handelen, hetwelk hij had gedacht te kunnen bewerkstelligen, wanneer

hij in naam en op het gezag des kerkvoogds, des erkenden vijands van

Willem den Vierden, tot haar sprak. Hij besloot dus nog eene poging

te doen, om hem tot een openlijke handelwijze over te halen.

"Ik ben bezorgd," zeide hij, "dat gij de kans om zulke schoone plannen

ten uitvoer te brengen, reeds verspeeld hebt, en weldra gedwongen

zijn zult het masker af te lichten."

"En hoe dat?" vroeg de Bisschop met eenige bevreemding.

"Uw komst alhier zal niet langer een geheim meer zijn. Die Barbanera

en zijn hansworst boezemen mij weinig vertrouwen in, en zullen spoedig,

wat zij weten, voor een weinig gouds aan den Henegouwer verklappen."

"De laatste weet niets: en wat den kokeler betreft, hij was een

noodzakelijk werktuig; maar het heeft uitgediend en zal verbroken

worden, eer het mij schaden kan."

"Die Walger, dien ik in de herberg van 't dorp heb gezien, weet ook

meer dan noodig is....."

"Hij kent slechts den Ridder van den Rooden Adelaar, meer niets."

"De bedienden van het slot en de dorpelingen, die u hier zagen

komen....."

"Er is hier geen vaste bediende, dan de oude Peter, die u inliet:--en

van dien heb ik geen verraad te vreezen. De dorpelingen weten niets

meer dan mijn eigene knapen, die mij voor een vazal van 't Bisdom

aanzien. Zoo ik aan mijn broeder Robbert, die in mijn afwezendheid mijn

zaakgelastigde was, niet had moeten schrijven, en door hem den gang

der zaken besturen, en zoo een gelukkig toeval mij niet te Haarlem

in broeder Syard mijn ouden leidsman door de Friesche kloosters had

doen ontmoeten, zou mijn geheim slechts bij twee lieden berusten."

"Maar zoo de Hollanders dit grensslot bestormen en u vangen?"

"Ook denk ik hier niet te blijven. Ik ga naar Utrecht en zal daar

onbekend den loop der zaken afwachten."

"Of wellicht," zeide de monnik, de wenkbrauwen samentrekkende,

"zal de Ridder van den Rooden Arend voor den Bisschop van Utrecht

zijn leven wagen."

De Bisschop glimlachte; en zonder deze aanmerking te beantwoorden,

schoof hij zijn stoel naderbij:--"En nu, Pater!" zeide hij, "nu heb

ik u al mijn vertrouwen geschonken. Gij kent mijn inzichten, wilt

gij die bevorderlijk zijn? Wilt gij medewerken aan het groote doel,

om al de landen, welke om de Zuiderzee liggen, aan het gezag des

Bisdoms te onderwerpen?"

"Nog eens," antwoordde de monnik, "aan het kerkelijk gezag

ja;--geenszins aan het wereldlijk beheer."

"Gij wilt dan zelfs mijn bondgenoot niet blijven?--Bedenk, dat ik u

wederkeerig mijne hulp heb toegezegd, indien de Graaf u aanvalt."

"Onze wenschen en gebeden zullen voor u zijn," zeide de monnik:

"verder vrees ik, dat gij weinig in Friesland verkrijgen zult,

althans zooals gij bedoelt."

"Denk nog dezen nacht over mijn voorstel na. Wellicht zijt gij morgen

vroeg tot andere gedachten gekomen."

"Morgen met den dag moet ik weder vertrekken," zeide de monnik:

"een der oogmerken mijner komst was vrijgeleide door het Sticht

te verzoeken voor mij en voor een reisgenoot, aan mijn opzicht

toevertrouwd; doch daar gij niet bekend wilt zijn...."

"Ik zie u morgen weer," zeide de Bisschop, op een koelen toont:

en meteen van zijn zetel oprijzende, blies hij op een zilveren

fluitje, dat hem om den hals hing, waarop weldra de oude Peter,

dezelfde man, die den monnik had bovengebracht, zich aan den ingang

der zaal vertoonde.

"Geleid dien man weer buiten," zeide de Bisschop: "en laat alles

verder wel gesloten blijven."

Dit bevel geuit hebbende, groette hij den monnik met een minzame

beweging der hand, en ging wederom zitten, terwijl vader Syard, na

een stijve buiging, het vertrek verliet, en zijn geleider volgde,

die hem buiten het kasteel voerde.

Het was in een weinig tevreden stemming, dat de monnik de terugreis

deed. Het gesprek met den Bisschop had hem geene dier uitkomsten

opgeleverd, waarmede hij zich gevleid had: in plaats van stellige hulp

en bondgenootschap, had hij zelfs geene onvoorwaardelijke beloften

ontvangen: en verre van den Bisschop naar zijne hand te doen loopen,

had hij moeten ondervinden, dat Jan van Arkel zich sterk of wijs genoeg

waande om zijn eigen weg te gaan zonder zich veel om de Friezen te

bekreunen, welke hij zelf tot afval genoopt had. De monnik zag nu

duidelijk in, dat de Bisschop, hoe loszinnig en wispelturig ook,

hem nog te fijn was geweest: en hij gevoelde denzelfden wrevel,

welke een bekwamen en oplettenden schaakspeler zou bevangen, die zich

overwonnen zag door een weerpartij, welke slechts ternauwernood een

oog op het spel geworpen en achteloos daarheen gespeeld had. Wij

moeten intusschen aan vader Syard het recht doen wedervaren, dat,

hoewel gekwetste eigenliefde het hare toebracht om hem in een kwade

luim te brengen, zijn ontevredenheid echter nog een andere, meer edele

oorzaak had. Hij had namelijk, steunende op des Bisschops vroegere

toezegging, een verbond tusschen het Sticht en Friesland als een

zekere zaak beschouwd, en daarom ook geoordeeld dat het oogenblik

voor de Friezen gekomen was om het Grafelijke juk af te schudden:

en hij zag met schrik de gevolgen in van een vredebreuk met Holland,

indien de Bisschop niet verkoos gezamenlijk met hen en openlijk te

handelen. Hij doorzag spoedig, dat, zoo de Graaf zijn wapenen eerst

tegen het Sticht wendde, hem daarna het ten onder brengen van het

door binnenlandsche partijen verdeelde Friesland te gemakkelijker

vallen zou. Alleen troostte hem nog de hoop, dat de Bisschop, eerlang

door de omstandigheden gedrongen het masker af te lichten, hem die

volmacht zou schenken, welke hij noodig oordeelde om met gepaste klem

in Friesland te kunnen spreken en aldaar dien invloed uit te oefenen,

welken hij, tot herstel des vredes van binnen en tot afwering des

vijands van buiten, begreep te moeten aanwenden.

Onder deze gepeinzen trad hij de herberg binnen. Het was reeds

volkomen duister geworden: het voorhuis was ledig en verlaten,

't geen hem te meer genoegen deed, dewijl hij daaruit opmaakte,

dat zich de luidruchtige gasten ter ruste hadden begeven. Bovendien

ontving hij van de dienstmaagd de geruststellende verzekering, dat

Madzy boven in diepe sluimering lag, waarop hij zich zonder verdere

woordenwisseling naar den stal begaf. Na zich verzekerd te hebben,

dat de beide paarden goed verzorgd waren, strekte hij zich ter ruste

neder op het stroo, dat hem in een hoek van den stal bereid was: maar

de bekommernissen, welke zijn gemoed vervulden, lieten hem niet toe,

vroeger dan tegen het aanbreken van den dag het oog te luiken.

De Roos van Dekama · 第 26 / 46 题