Wie op beloften steunt of die van waarde schat,
Bedriegt zich zelf en maakt dat andren hem beschimpen:
Indien men laken koopt, het krimpt gemeenlijk wat;
Maar 't geen ons wordt beloofd zal doorgaans alles
krimpen.
De Regt.
Het was niet zonder meermalen het gelaat naar de herberg om te wenden,
dat de monnik het plein was overgestoken en zijn weg voortzette,
verdeeld tusschen de ongerustheid, welke de onbeschaamde ruwheid der
gasten bij hem achterliet, en de bekommering, waarin hem de onzekerheid
bracht over den uitslag van zijn voorgenomen bezoek. Toen hij echter
een hoek was omgeslagen en de herberg uit het gezicht verloren had,
verhaastte hij zijn tred en verbande, zooveel in zijn vermogen was,
alle andere gedachten, om slechts aan het toekomstig lot van zijn
dierbaar vaderland te denken.
De laan, welke hij nu volgde en die recht op den ingang van het slot
aanliep, was aan de eene zijde beplant met een rij schrale berken,
wier witte bladeren door den westenwind aangeraakt, in gestadige,
ritselende beweging waren. Aan de andere zijde was een sloot, wier
groene zoom met heestergewassen begroeid was, en over wier effen water
talrijke zwaluwen heen en weder vlogen. Aan het einde van deze lange
en eentonige laan gekomen, vond zich de wandelaar aangenaam verrast,
daar hij eensklaps een ruime vlakte ontdekte, die een uitgestrekt en
in vele opzichten schilderachtig uitzicht opleverde. Tusschen rijke
graanvelden en groene weilanden kronkelde eene kleine rivier. Haar
oever was hier en daar door bevallige bosschages bezet, wier welig
groen de laatste stralen der ondergaande zon met liefelijke tinten
kleurden. In 't verschiet zag men de torens van een paar rijke en
welvarende dorpen, en verder nog, over de vlakte, den halfvolbouwden
kegel van de Utrechtsche Domkerk, die, sedert voltooid, na zoovele
eeuwen, als tot een baak en wegwijzer aan de omliggende landstreken
verstrekt. De rivier, waarvan wij gesproken hebben, besproeide in
eene van hare veelvuldige bochten een onbebouwd, eenigszins rijzend
stuk gronds, hetwelk, door een breede, rijkelijk met kroos bedekte
gracht omgeven, met de laan, waaruit de monnik kwam, gemeenschap
had door middel van een brug, uit losse planken samengesteld, die
bij het minste gevaar voor overval konden worden weggenomen. De
brug overgaande, kwam men langs een pad, met keisteenen bevloerd,
tot den ringmuur van het slot, waarom een tweede gracht gegraven
was, wel niet diep, doch ondoorwaadbaar door den modder, waarmede
zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door
een dubbel rasterwerk, hetgeen wel gedeeltelijk verrot of vervallen,
maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje,
slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten,
leidde tot de ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals
de brug gedekt door twee torentjes, op den buitenmuur geplaatst. Een
smalle ronde gang aan 't eind der brug bracht in het slot zelf,
't geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren
steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop,
waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien;
en zonder andere versterkingen, dan de zoodanige, welke de dikte der
muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit
oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd,
toen dergelijke gebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af
tegen het vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe
trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was,
dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar
op een bloembed doet.
De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt
niet of vader Syard zich met dusdanige vergelijkingen bezig hield,
toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe 't zij, hij
trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug
gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting
aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest
echter dit sein tweemalen herhalen eer hij gehoor kreeg: althans eer
een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in
den toren vertoonde, hem bewees, dat zijn verzoek om binnengelaten
te worden verstaan was.
Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg,
over zijn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur
van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de
ophaalbrug staan.
"Wien zoekt gij? en wat wilt gij zoo laat?" riep hij, zijn hoofd
achter om de klep van de brug stekende, den monnik toe.
"Goede vriend!" zeide deze: "laat uw brug neer, ik moet uw Heer
spreken en heb geen tijd te verliezen."
"Gij zijt oud genoeg," zeide de wachter, "om te weten, dat ik geen Heer
heb dan onzen Bisschop, en dat die in 't Zuiden van Frankrijk woont."
"Om 't even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist."
"Die is weer vertrokken," riep de portier, zijn hoofd terugtrekkende:
"en zoo, God zegene u."
"Hij had mij toch gezegd," zeide de monnik, met drift, "dat hij mij
nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam."
De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens
liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden.
"Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen," zeide de portier,
"zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat niets
ter zake doet. Ga binnen en wacht mij. Zoodra ik de brug weder heb
opgehaald, zal ik mijn Heer gaan waarschuwen."
Vader Syard liep een kromme gang ten einde en vertoefde een wijl
op een klein binnenpleintje, terwijl de man, die hem ingelaten had,
na alles weer behoorlijk gesloten te hebben, een smal wenteltrapje
opklom, dat naar de bovenvertrekken geleidde. Spoedig kwam hij terug
en verzocht den monnik met hem te gaan. Deze volgde zijn geleider,
die hem een paar verdiepingen hooger bracht, tot zij aan een zware
eikenhouten deur kwamen, waar zij aanklopten. Een stem van binnen gaf
verlof om in te komen: de portier ontsloot de deur en ging vervolgens
dadelijk weer naar beneden.
Vader Syard trad het vertrek in, hetwelk achtkantig en vrij ruim
was, naardien het een gansche verdieping des torens uitmaakte, en
dus den geheelen omvang bevatte, welken de binnenmuren overlieten,
uitgenomen vier hoeken, waarvan er drie tot kabinetjes dienden en het
vierde de trap verborg. Uit de nauwe venstergaten had men een ruim
uitzicht op den omtrek; doch de opening liet bijna geen licht meer in,
dan noodzakelijk bleek te zijn. De wanden waren naakt en met spinrag
bedekt: ruwe figuren, met krijt en houtskool op den muur geteekend,
en waarmede men, zoo het scheen, de gedaanten van krijgsknechten had
zoeken na te bootsen, duidden aan, dat hier meermalen gewapenden hun
nachtwaken met dergelijke uitspanningen hadden vervroolijkt. Meubelen
waren volstrekt nergens te zien: en een open koffer, met onderscheidene
voorwerpen gevuld, kondigde alleen de nabijheid aan van menschen. Vader
Syard wendde dan ook terstond het oog naar de eenige plaats, welke
bewoond scheen, gelijk de lichtstraal aanduidde, welke uit de
halfgeopende deur van een der kabinetjes op den vloer scheen. Hij
trad derwaarts en zag nu in dezen afgezonderden hoek een tafel met
papieren, waaraan de man zat, in wien hij terstond dengene herkende,
wien hij zoeken kwam.
Deze droeg echter thans noch het gewaad van Barbanera, gelijk in
het schuurtje bij den Hout, noch de wapenrusting eens ridders, als
op het Zand te Haarlem, noch de kleeding zonder naam, als in de cel
des monniks, maar een ruimen en gemakkelijken tabberd, die hem los om
't lijf hing, en hier en daar geopend, het eenvoudig huisgewaad eens
edelmans vertoonde. Voor hem stond een beker met zuiver water, en een
stuk brood met sterkers, waarmede hij zijn avondmaaltijd scheen te
zullen doen. Hij sloeg een onverschillig oog op den monnik, toen deze
voor den ingang van het kabinetje stand hield: en wendde terstond,
zonder hem te herkennen, zijn blikken weer op het blad, dat voor hem
lag, om den begonnen volzin te eindigen. Hierop vroeg hij, zonder op
te zien:
"Van wien komt gij, huisman?"
"Ik kom uit mijn eigen naam," antwoordde de monnik.
"Bij Sint-Maarten!" zeide de andere: "ik ken die stem: maar wat
duivel! ik ken dat gelaat ook. Welke vreemde gebeurtenis voert u hier,
Vader! en hult den vromen monnik in het gewaad van een boschwachter?"
"Ik heb vreemder vermommingen gezien dan deze," zeide vader Syard,
op een stekeligen toon: "en had niet verwacht, dat gij mij het vreemde
van mijn gewaad zoudt verwijten."
"Ga zitten, Vader!" zeide de Stichtenaar, hem een zetel aanwijzende:
"en zeg mij eens, hoe en waarom gij u hier bevindt."
"De oogenblikken zijn te kostbaar en mijn tijd is te beperkt om
dien met beuzelen door te brengen," zeide vader Syard: "ik breng u
gewichtig nieuws."
"Dat de Graaf naar 's-Hage is en heden of morgen de stad Utrecht
ontzegt. Ik wist dit reeds.--Of is er meer?"
"En dat de Friesche gezanten heden verlof gekregen hebben met slecht
bescheid."
"Waarlijk! ziedaar inderdaad een nieuws, dat goud waardig is. En wat
zal men in Friesland doen?"
"Waarschijnlijk zich wapenen en gereed zijn, als de Graaf ons aanvalt."
"Ik had mij gevleid, dat zij van hunnen kant den aanval zouden beginnen
en onze Stichtenaren met de wapenen ondersteunen. Die Jonker van
Adeelen scheen daartoe niet ongenegen."
"Naar ik de Friezen ken, zullen zij zich ongaarne mengen in een twist,
die hun niet aangaat; doch met onbezweken moed den vreemden krijgsman
van hun erf afweren."
"Het ware toch hun belang, zich met Utrecht te vereenigen, eer de
Hollanders ons een voor een en alzoo met beter kans beoorlogen;--of
moeten wij doen als de kat, en de kastanjes voor u uit het vuur halen?"
"Wij zullen, volgens onze overeenkomst, vaardig zijn om onzen grond
te verdedigen; maar ik twijfel of gij éénen Fries zult vinden, die
geneigd is voor eene hem vreemde zaak te strijden: en dit was ook
onze bedoeling niet."
"En waarom niet? Ik ken den invloed, welken uw Abten in Friesland
bezitten, en ik ken evenzeer den invloed, dien broeder Syard op de
Abten heeft. Onze afspraak was immers, dat gij hen zoudt overreden,
zich voortaan geheel en uitsluitend aan den Utrechtschen stoel te
onderwerpen: welk beter bewijs van die onderwerping kunnen zij geven,
dan door een kruisvaart tegen de Hollanders te prediken, nu het Bisdom
bedreigd wordt."
"Versta mij wel," zeide de monnik: "ik heb, ja, beloofd alles in
't werk te stellen om de kloosters in Friesland meer af hankelijk
dan tot nu van den Bisschop te maken; maar ik had daarmede alleen in
't oog de geestelijke zaken, de tucht en de orde in het kerkbestuur,
welke te niet gaan, zoo geene vaste hand onze monniken in toom houdt:
nooit is het bij mij opgekomen eenen Fries te willen dwingen om voor
een vreemde zaak de wapens op te vatten. In het gesprek met Adeelen
gevoerd, hebben wij een bondgenootschap bedoeld, een gelijktijdige
oorlogsverklaring, waarbij het Bisdom ons zoude stijven; maar nooit
was het onze meening, hulpbenden herwaarts te zenden. Herinner u
onze afspraak: het oogenblik, dat het Sticht tegen Holland opstijgt,
zal ook Friesland de wapenen aangrijpen om zijn erfgoed te verdedigen."
"Met uw verlof," hernam de Stichtenaar: "zeg niet dat gij op den avond,
dat wij met Adeelen spraken, niet onderricht waart van de voornemens
der Kapittels: gij wist dat er een uitbersting volgen moest: gij waart
toen geneigd, mij van dienst te zijn: Adeelen was dit even zoo: ik
zie niet, in welken opzichte de staat van zaken tusschen ons beiden
veranderd is?"
"Wij hebben elkander verkeerd begrepen," zeide de monnik, de schouders
ophalende: "Adeelen haat den Graaf zooveel als gij dit kunt doen;
maar hij zal het evenzeer als ik ongepast oordeelen, dat een Fries
zich in deze omstandigheden buiten zijn land begeeft, om de Hollanders
te bestrijden, en dat nog wel onder een vreemden aanvoerder."
"Ik weet nog niet, aan wien Utrecht het beleid van den oorlog zal
toevertrouwen," zeide de Stichtenaar: "maar ik vlei mij, dat de
veldheer, dien zij bekomen zullen, niet aarzelen zal, om aan de
Friesche hulpbenden te vergunnen, onder hun eigen banier te strijden."
"Hoe!" riep de monnik uit, met een verwondering, welke hij niet
verbergen kon: "zult gij zelf dan niet het opperbestuur van den
strijd aanvaarden?"
"Gij vergeet," zeide de Stichtenaar, met een spotachtigen glimlach,
"dat de Bisschop te Grenoble is, en dat alleen hij tot het opperbestuur
gemachtigd is."
"Is het dan tijd tot boerten?" riep de monnik op een bitteren en
verwijtenden toon: "hoe! als Jan van Arkel, door het lossen der
verpande sloten, door het afbetalen der schulden van het Bisdom,
door het aanwerven van krijgsbenden, den toorn des Graven tegen het
Sticht ontstoken heeft, zal hij dan achterblijven en zich schuilhouden
in de ure des gevaars?"
"Broeder!" zeide de Stichtenaar, op wiens gelaat de taal des monniks
een meer ernstige tint had teruggebracht: "de tijden zijn voorbij, toen
een Bisschop van Utrecht, zonder andere wapenen dan een misboek en een
kruis, en zonder ander gevolg dan eenige geestelijken in plechtgewaad,
een zegevierenden Graaf op de bres kon staande houden, en hem en
zijn geheele leger doen sidderen voor den vloek des banbliksems. Het
zijn de ridderdegen en de veldheersstaf, die hij thans moet zwaaien,
wil hij zijn gezag niet miskend en bespot zien."
"Welnu! laat hij die dan zwaaien. Is dit niet juist wat ik bedoelde?"
"Hoe nu!" zeide de Stichtenaar met een fijnen glimlach, terwijl hij
een zegepralenden blik op den monnik sloeg: "is het een geestelijke,
die mij dezen raad geeft? _Ecclesia abhorret a sanguine_."
Vader Syard zag den spreker eenige oogenblikken met verbaasdheid aan,
terwijl hij in diens beweegbare trekken zocht uit te vorschen, welke de
geheime bedoeling zijner woorden kon zijn. Het kwam hem onbegrijpelijk
voor, waarom de Bisschop, die door zijne daden, hoe verschoonbaar, ja
hoe prijselijk in sommige opzichten, toch aanleiding tot den oorlog
gegeven had, en die de noodzakelijkheid erkende van het zwaard aan
te gorden, weigerachtig zou kunnen blijven om zich aan het hoofd der
zijnen te plaatsen. Hij maakte eindelijk een aanmerking in 't wilde,
evenals iemand die, in de duisternis rondtastende, de hand uitstrekt
zonder te weten wat hij vatten zal.
"Mag ik vragen," zeide hij, "of het slechts een proef is, waarop gij
mij zetten wilt? of sluiten uw woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid
in?"
"Noch het eene noch het andere, goede Broeder! en ik zal geen mijner
woorden terugnemen. Ik begrijp echter uwe verwondering: en ik geloof
dat de groote hoop, die de innige drijfveeren onzer daden niet kent,
als gij zoude oordeelen. Gij denkt, dat wraak alleen, of zucht naar
meerder gezag in het hart van Jan Van Arkel woont;--beiden bestaan bij
hem;--wie zou het ontkennen?--maar slechts in een ondergeschikten zin."
"Ik zie niet," zeide de monnik, "welke andere redenen er kunnen
aanwezig zijn....."
"Arme man! gij zelf, welk doel beoogt gij met uwe geheime
woelingen? waarom hebt gij zelf zoo vurig verlangd naar een oorlog
tusschen Friesland en den Graaf?"
"Omdat ik mijn vaderland liefheb:--omdat alleen die oorlog in staat
is, de binnenlandsche beroeringen aldaar te doen ophouden, en ons
van het juk van Holland te ontslaan."
"Recht zoo! er kunnen dus edele drijfveeren bij iemand bestaan, al
beoordeelt hem de menigte slechts naar den schijn.--Welaan!--Het ware
reeds op zich zelf een grootsch denkbeeld, het Sticht onafhankelijk
te maken van allen vreemden invloed; maar er ware nog meer te doen
dan dit!--Er was een tijd, monnik! althans onze jaarboeken verhalen
het, dat bisschop Adelbold zijn heerschappij over al de omliggende
landstreken voerde, dat Hertogen en Graven zich het een eere rekenden,
dienstbare betrekkingen aan zijn hof te vervullen; die tijd moet en kan
terugkomen:--maar zoo het Sticht zijn aloud overwicht herwint, het moet
zulks niet te danken hebben aan de loutere eerzucht zijns Bisschops,
om na den dood van dezen weer tot een staat van onderdanigheid te
geraken, om als een luchtverheveling slechts voor een korten stond
aan den gezichteinder der eeuwen te schitteren. Neen Broeder! dat
overwicht moet duurzaam blijven;--maar daarom moet het ook een
onmisbaar gevolg zijn van den loop der omstandigheden, en ontspruiten
uit de noodzakelijkheid, die machtige heerscheres der wereld.--Ik
weet het, indien ik mij thans aan het hoofd der mijnen stelde, en
hen ten strijde riep, dat mijn naam in de eerste oogenblikken van
opgewondenheid als een talisman zou werken; maar wanneer dat eerste
vuur van geestdrift had uitgebrand, wat zou dan het gevolg wezen? Bij
den minsten tegenspoed, door onze wapenen ondervonden, zoudt gij den
jaloerschen naijver der Kapittels en de bet-weterij van Vroedschappen
en Overlieden de schuld daarvan op mij zien werpen: men zou tegen den
Hollandschen Bisschop het wantrouwen, ja den haat der gemeente weten
op te wekken: of zoo men al aan de oprechtheid van mijnen haat tegen
het huis van Avennes geloof sloeg, het zou slechts zijn om mij te
beschuldigen, dat ik het geluk van het Bisdom aan eigen heerschzucht
had opgeofferd:--verdeeldheid zou weldra in onze vergadering en in ons
leger heerschen, en Graaf Willem zou zonder moeite zegevieren over een
gewest, door tweedracht verzwakt.--Neen! zoo ik het masker afwerp en
mij aan de oogen mijner onderzaten vertoon, het zal slechts dan zijn,
wanneer de oorlog een bepaalden, stelligen uitslag doet voorzien;
wanneer de Stichtenaars de noodzakelijkheid zullen gevoelen van een
opperhoofd: wanneer zij luidkeels om hun Bisschop roepen: dan zal ik
onder hen verschijnen als de gezant uit den hoogen, die hen onder de
banier van orde en wettigheid komt scharen: dan zal ik meester zijn,
mijne voorwaarden voor te schrijven aan hen en aan die Kapittels en
regenten, die de beste bedoelingen eens Bisschops verlammen zouden;
en--gelijk ik hoop--tevens aan al wie hunne onafhankelijkheid belaagt."
De monnik, nog weinig overtuigd, schudde het hoofd, en wierp een
twijfelachtigen blik op den Bisschop, (want het wordt eindelijk tijd
aan den tot nog toe onbekenden jongeling, den titel te geven, die
hem toekomt): "gij vergeet," zeide hij: "dat de Graaf het wakkerste
krijgshoofd is van zijn tijd, en dat, zoo zijn wapenen Utrecht
bemachtigen, uw ontwerp in duigen ligt."
"Ook die kans is door mij voorzien; en het hangt slechts van den
uitslag des oorlogs af, of ik als legerhoofd dan wel als middelaar
zal optreden. In beide gevallen zal mijn komst gezegend worden, en
het is slechts door aan mijn Stichtenaren te toonen, hoezeer ik hun
onmisbaar ben, dat ik de ontwerpen, door mij gevormd, zal kunnen ten
uitvoer leggen."
"Het vertrouwen der Stichtenaren zal slechts een armhartige pleister
op de wond zijn," zeide vader Syard, "ingeval Graaf Willem overwint,
en u erger voorwaarden oplegt dan die, waarop hij u tot Bisschop
deed aanstellen."
"Graaf Willem is thans machtig," hernam de Bisschop: "maar geloof
mij, zijn gezag heeft den hoogsten top bereikt en kan met anders dan
dalen. Hij heeft geen zoon:--komt hij te sterven, dan vervalt Holland
aan den eersten, die moed en beleid genoeg heeft, het te winnen. Het
Huis van Henegouwen zal met Willem den Vierden ophouden;--maar de
Bisschop van Utrecht is onsterfelijk."
Vader Syard bleef een wijl in diep nadenken verzonken: hij was nog
weinig gerust omtrent den uitslag van des Bisschops vooruitzichten;
want hij beschouwde die als onzekere luchtkasteelen, door het jeugdig
en opgewonden brein des jongelings ontworpen, en hij kon geene hooge
staatkunde toeschrijven aan iemand, die, ja, in vele opzichten blijken
van volharding had gegeven, maar zich evenzeer gekenmerkt had door
daden, welke in 's monniks oogen een buitensporige loszinnigheid
ademden. Bovendien was de monnik geheel uit het veld geslagen door de
tijding, dat de Bisschop zich niet bekend wilde maken:--daarmede ging
al zijn hoop te leur om de Friesche geestelijkheid eenparig te doen
handelen, hetwelk hij had gedacht te kunnen bewerkstelligen, wanneer
hij in naam en op het gezag des kerkvoogds, des erkenden vijands van
Willem den Vierden, tot haar sprak. Hij besloot dus nog eene poging
te doen, om hem tot een openlijke handelwijze over te halen.
"Ik ben bezorgd," zeide hij, "dat gij de kans om zulke schoone plannen
ten uitvoer te brengen, reeds verspeeld hebt, en weldra gedwongen
zijn zult het masker af te lichten."
"En hoe dat?" vroeg de Bisschop met eenige bevreemding.
"Uw komst alhier zal niet langer een geheim meer zijn. Die Barbanera
en zijn hansworst boezemen mij weinig vertrouwen in, en zullen spoedig,
wat zij weten, voor een weinig gouds aan den Henegouwer verklappen."
"De laatste weet niets: en wat den kokeler betreft, hij was een
noodzakelijk werktuig; maar het heeft uitgediend en zal verbroken
worden, eer het mij schaden kan."
"Die Walger, dien ik in de herberg van 't dorp heb gezien, weet ook
meer dan noodig is....."
"Hij kent slechts den Ridder van den Rooden Adelaar, meer niets."
"De bedienden van het slot en de dorpelingen, die u hier zagen
komen....."
"Er is hier geen vaste bediende, dan de oude Peter, die u inliet:--en
van dien heb ik geen verraad te vreezen. De dorpelingen weten niets
meer dan mijn eigene knapen, die mij voor een vazal van 't Bisdom
aanzien. Zoo ik aan mijn broeder Robbert, die in mijn afwezendheid mijn
zaakgelastigde was, niet had moeten schrijven, en door hem den gang
der zaken besturen, en zoo een gelukkig toeval mij niet te Haarlem
in broeder Syard mijn ouden leidsman door de Friesche kloosters had
doen ontmoeten, zou mijn geheim slechts bij twee lieden berusten."
"Maar zoo de Hollanders dit grensslot bestormen en u vangen?"
"Ook denk ik hier niet te blijven. Ik ga naar Utrecht en zal daar
onbekend den loop der zaken afwachten."
"Of wellicht," zeide de monnik, de wenkbrauwen samentrekkende,
"zal de Ridder van den Rooden Arend voor den Bisschop van Utrecht
zijn leven wagen."
De Bisschop glimlachte; en zonder deze aanmerking te beantwoorden,
schoof hij zijn stoel naderbij:--"En nu, Pater!" zeide hij, "nu heb
ik u al mijn vertrouwen geschonken. Gij kent mijn inzichten, wilt
gij die bevorderlijk zijn? Wilt gij medewerken aan het groote doel,
om al de landen, welke om de Zuiderzee liggen, aan het gezag des
Bisdoms te onderwerpen?"
"Nog eens," antwoordde de monnik, "aan het kerkelijk gezag
ja;--geenszins aan het wereldlijk beheer."
"Gij wilt dan zelfs mijn bondgenoot niet blijven?--Bedenk, dat ik u
wederkeerig mijne hulp heb toegezegd, indien de Graaf u aanvalt."
"Onze wenschen en gebeden zullen voor u zijn," zeide de monnik:
"verder vrees ik, dat gij weinig in Friesland verkrijgen zult,
althans zooals gij bedoelt."
"Denk nog dezen nacht over mijn voorstel na. Wellicht zijt gij morgen
vroeg tot andere gedachten gekomen."
"Morgen met den dag moet ik weder vertrekken," zeide de monnik:
"een der oogmerken mijner komst was vrijgeleide door het Sticht
te verzoeken voor mij en voor een reisgenoot, aan mijn opzicht
toevertrouwd; doch daar gij niet bekend wilt zijn...."
"Ik zie u morgen weer," zeide de Bisschop, op een koelen toont:
en meteen van zijn zetel oprijzende, blies hij op een zilveren
fluitje, dat hem om den hals hing, waarop weldra de oude Peter,
dezelfde man, die den monnik had bovengebracht, zich aan den ingang
der zaal vertoonde.
"Geleid dien man weer buiten," zeide de Bisschop: "en laat alles
verder wel gesloten blijven."
Dit bevel geuit hebbende, groette hij den monnik met een minzame
beweging der hand, en ging wederom zitten, terwijl vader Syard, na
een stijve buiging, het vertrek verliet, en zijn geleider volgde,
die hem buiten het kasteel voerde.
Het was in een weinig tevreden stemming, dat de monnik de terugreis
deed. Het gesprek met den Bisschop had hem geene dier uitkomsten
opgeleverd, waarmede hij zich gevleid had: in plaats van stellige hulp
en bondgenootschap, had hij zelfs geene onvoorwaardelijke beloften
ontvangen: en verre van den Bisschop naar zijne hand te doen loopen,
had hij moeten ondervinden, dat Jan van Arkel zich sterk of wijs genoeg
waande om zijn eigen weg te gaan zonder zich veel om de Friezen te
bekreunen, welke hij zelf tot afval genoopt had. De monnik zag nu
duidelijk in, dat de Bisschop, hoe loszinnig en wispelturig ook,
hem nog te fijn was geweest: en hij gevoelde denzelfden wrevel,
welke een bekwamen en oplettenden schaakspeler zou bevangen, die zich
overwonnen zag door een weerpartij, welke slechts ternauwernood een
oog op het spel geworpen en achteloos daarheen gespeeld had. Wij
moeten intusschen aan vader Syard het recht doen wedervaren, dat,
hoewel gekwetste eigenliefde het hare toebracht om hem in een kwade
luim te brengen, zijn ontevredenheid echter nog een andere, meer edele
oorzaak had. Hij had namelijk, steunende op des Bisschops vroegere
toezegging, een verbond tusschen het Sticht en Friesland als een
zekere zaak beschouwd, en daarom ook geoordeeld dat het oogenblik
voor de Friezen gekomen was om het Grafelijke juk af te schudden:
en hij zag met schrik de gevolgen in van een vredebreuk met Holland,
indien de Bisschop niet verkoos gezamenlijk met hen en openlijk te
handelen. Hij doorzag spoedig, dat, zoo de Graaf zijn wapenen eerst
tegen het Sticht wendde, hem daarna het ten onder brengen van het
door binnenlandsche partijen verdeelde Friesland te gemakkelijker
vallen zou. Alleen troostte hem nog de hoop, dat de Bisschop, eerlang
door de omstandigheden gedrongen het masker af te lichten, hem die
volmacht zou schenken, welke hij noodig oordeelde om met gepaste klem
in Friesland te kunnen spreken en aldaar dien invloed uit te oefenen,
welken hij, tot herstel des vredes van binnen en tot afwering des
vijands van buiten, begreep te moeten aanwenden.
Onder deze gepeinzen trad hij de herberg binnen. Het was reeds
volkomen duister geworden: het voorhuis was ledig en verlaten,
't geen hem te meer genoegen deed, dewijl hij daaruit opmaakte,
dat zich de luidruchtige gasten ter ruste hadden begeven. Bovendien
ontving hij van de dienstmaagd de geruststellende verzekering, dat
Madzy boven in diepe sluimering lag, waarop hij zich zonder verdere
woordenwisseling naar den stal begaf. Na zich verzekerd te hebben,
dat de beide paarden goed verzorgd waren, strekte hij zich ter ruste
neder op het stroo, dat hem in een hoek van den stal bereid was: maar
de bekommernissen, welke zijn gemoed vervulden, lieten hem niet toe,
vroeger dan tegen het aanbreken van den dag het oog te luiken.